Nederlands


 

 

Friedrich Engels

De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat

1884

Voorwoord

De volgende hoofdstukken zijn in zekere zin de uitvoering van een laatste wilsbeschikking. Niemand minder dan Karl Marx had zich voorbehouden de resultaten van Morgans onderzoekingen in verband met de resultaten van zijn — tot op zekere hoogte mag ik zeggen ons — materialistische geschiedenisonderzoek uiteen te zetten en daardoor eerst hun hele betekenis duidelijk te maken. Morgan had immers de materialistische opvatting van de geschiedenis, die Marx veertig jaar geleden ontdekt had, in Amerika op zijn wijze opnieuw ontdekt en was daardoor, bij zijn vergelijking van de barbaarsheid en de beschaving, op de voornaamste punten tot dezelfde resultaten gekomen als Marx. En zoals ‘Het Kapitaal’ door de officiële economen in Duitsland jarenlang even ijverig werd overgeschreven als hardnekkig doodgezwegen, zo werd ook Morgans ‘Ancient Society’  behandeld door de woordvoerders van de ‘prehistorische’ wetenschap in Engeland. Mijn werk kan slechts een geringe compensatie bieden voor datgene, wat mijn overleden vriend niet meer vergund was te doen. Maar ik beschik in de vorm van zijn uitvoerige uittreksels uit Morgan over kritische aantekeningen, die ik hier voor zover dat enigszins mogelijk is weergeef.

Volgens de materialistische opvatting is het in de geschiedenis in laatste instantie beslissende moment de productie en reproductie van het onmiddellijke leven. Deze draagt echter zelf weer een dubbel karakter. Enerzijds de voortbrenging van middelen van bestaan, van voedingsmiddelen, kleding, woning en de daarvoor nodige werktuigen; anderzijds de voortbrenging van de mensen zelf, de voortplanting van de soort. De maatschappelijke instellingen, waaronder de mensen van een bepaald historisch tijdperk en van een bepaald land leven, worden bepaald door beide soorten van de productie: enerzijds door de trap van ontwikkeling van de arbeid, anderzijds door die van het gezin. Hoe minder de arbeid nog is ontwikkeld, hoe beperkter de hoeveelheid van zijn voortbrengselen en dus ook de rijkdom van de maatschappij is, des te sterker schijnt de maatschappelijke orde beheerst te zijn door geslachtsbanden. Onder deze op geslachtsbanden berustende geleding van de maatschappij ontwikkelt zich intussen meer en meer de productiviteit van de arbeid; en daarmee de particuliere eigendom en de ruil, de verschillen in rijkdom, de mogelijkheid vreemde arbeidskracht productief te gebruiken en daarmee de grondslag van de klassentegenstellingen, nieuwe sociale elementen die in de loop van generaties de oude maatschappijstructuur aan de nieuwe toestanden trachten aan te passen, totdat tenslotte de onverenigbaarheid van deze beide tot een volledige omwenteling leidt. De oude op geslachtsverbonden berustende maatschappij barst bij de botsing tussen de nieuw ontwikkelde maatschappelijke klassen uiteen; een nieuwe maatschappij treedt in haar plaats, samengevat in de staat waarvan de lagere eenheden niet langer geslachtsverbonden zijn, maar territoriale verbonden, een maatschappij waarin de gezinsverhoudingen geheel door de eigendomsverhoudingen worden beheerst en waarin zich nu de klassentegenstellingen en de klassenstrijd, die de inhoud van de gehele tot nu toegeschreven geschiedenis vormen, vrijelijk ontplooien.

Het is de grote verdienste van Morgan deze voorhistorische grondslag van onze geschreven geschiedenis in zijn hoofdtrekken ontdekt en gereconstrueerd te hebben, en in de geslachtsverbonden van de Noord-Amerikaanse Indianen de sleutel te hebben gevonden, die ons de belangrijkste, tot nu toe onoplosbare raadsels van de oudste Griekse, Romeinse en Duitse geschiedenis ontsluit. Zijn geschrift is echter niet het werk van één dag. Ongeveer veertig jaar heeft hij met zijn stof geworsteld, totdat hij deze volkomen beheerste. Daardoor is zijn boek dan ook een van de weinige van grote betekenis zijnde werken van onze tijd.

In de volgende uiteenzetting zal de lezer in het algemeen gemakkelijk onderscheiden, wat van Morgan afkomstig is en wat ik er aan heb toegevoegd. In de historische hoofdstukken over Griekenland en Rome heb ik mij niet tot Morgans gegevens beperkt, maar ze aangevuld met wat tot mijn beschikking stond. De hoofdstukken over de Kelten en de Duitsers zijn voornamelijk van mij; Morgan beschikte hier bijna alleen over bronnen uit de tweede hand en voor de Duitse toestanden — behalve Tacitus — slechts over de slechte liberale vervalsingen van de heer Freeman. De economische uiteenzettingen, die bij Morgan voor zijn doel voldoende, voor mijn doel echter ten enenmale onvoldoende waren, zijn alle door mij opnieuw bewerkt. En tenslotte ben ik, zoals vanzelf spreekt, verantwoordelijk voor alle gevolgtrekkingen, voor zover Morgan niet uitdrukkelijk wordt aangehaald.

 

 

 

I.

Voorhistorische trappen van beschaving

 

Morgan is de eerste die met kennis van zaken een bepaalde orde in de voorgeschiedenis van de mensheid tracht te brengen; zolang niet aanzienlijk vermeerderd materiaal tot veranderingen noopt, zal zijn groepering wel van kracht blijven.

Van de drie hoofdtijdperken: wildheid, barbaarsheid en beschaving houdt hij zich vanzelfsprekend alleen met de eerste twee en met de overgang naar de derde bezig. Elk van deze twee tijdperken verdeelt hij in een laagste, een midden- en een hoogste trap, naargelang van de vorderingen van de productie der bestaansmiddelen; want, zegt hij, ‘de vaardigheid in deze productie is doorslaggevend voor de graad van superioriteit van de mens en voor zijn beheersing van de natuur; van alle wezens heeft alleen de mens het tot een bijna onbeperkte heerschappij over de voortbrenging van voedingsmiddelen gebracht. Alle grote tijdperken van de vooruitgang der mensheid vallen meer of minder rechtstreeks samen met tijdperken van de uitbreiding van de bronnen van het levensonderhoud.  De ontwikkeling van het gezin loopt daarmee evenwijdig, maar biedt niet zulke treffende kenmerken voor de indeling van de tijdvakken.

 

1. De wildheid

a. Laagste trap. De kinderjaren van het menselijke geslacht, dat zich nog in zijn oorspronkelijke verblijfplaats, de tropische of subtropische wouden ophield en tenminste gedeeltelijk in de bomen leefde, waardoor het alleen verklaarbaar is hoe het naast de grote roofdieren kon voorbestaan. Vruchten, noten, wortels dienden als voedsel; de vorming van een gearticuleerde taal is het voornaamste resultaat van deze tijd. Geen enkele van alle volken, die in het historische tijdperk bekend zijn geworden, bevond zich meer in deze oertoestand. Hoeveel duizenden jaren deze oertoestand ook geduurd moge hebben, toch kunnen wij hem niet door rechtstreekse getuigenissen bewijzen; maar nemen wij eenmaal de afstamming van de mens uit het dierenrijk aan, dan is de aanvaarding voor deze overgang onvermijdelijk.

b. Middentrap. Deze begint met het gebruiken van vissen (waartoe wij ook kreeften, mosselen en andere waterdieren rekenen) als voedsel en met het gebruik van het vuur. Beide behoren bij elkaar, omdat vis eerst door middel van het vuur als voedingsmiddel geheel geschikt wordt. Met dit nieuwe voedsel werden de mensen echter onafhankelijk van klimaat en plaats; de stromen en de kusten volgend, konden zij zich zelfs in wilde staat over het grootste deel van de aarde verbreiden. De ruw bewerkte, ongeslepen stenen werktuigen uit de oudere steentijd, de zogenaamde pateolithische werktuigen, die geheel of grotendeels in dit tijdvak vallen en in alle werelddelen worden gevonden, zijn bewijzen van deze omzwervingen. De nieuw bezette gebieden, evenals de drang tot het ontdekken van nieuwe dingen, die zich onafgebroken doet gelden, verbonden met het bezit van het vuur door middel van wrijving, deden nieuwe voedingsmiddelen ter beschikking komen, zoals bijvoorbeeld zetmeelhoudende, in hete as of in bakkuilen (aarden ovens) gebakken wortels en knollen, of wild, dat met de uitvinding van de eerste wapens, knots en speer, bij gelegenheid een aanvulling van de kost werd. Jagersvolken, zoals zij in de boeken voorkomen, d.w.z. volken die zich uitsluitend met de jacht bezighouden, die alleen van de jacht leven, hebben nooit bestaan; daarvoor is de opbrengst van de jacht veel te onzeker. Als gevolg van de voortdurende onzekerheid van de levensmiddelenbronnen schijnt op deze trap het menseneten op te komen, dat van nu af aan lange tijd blijft bestaan. De Australiërs en vele Polynesiërs staan vandaag nog op deze middentrap van de wildheid.

c. Hoogste trap. Deze begint met de uitvinding van pijl en boog, waardoor wild een geregeld voedsel en de jacht een van de normale takken van arbeid werd. Boog, pees en pijl vormen al een zeer samengesteld werktuig, welks uitvinding langdurige, opgehoopte ervaring en gescherpte geestelijke vermogens veronderstelt, dus ook de gelijktijdige bekendheid met tal van andere uitvindingen. Vergelijken wij de volken, die wel pijl en boog kennen, maar nog niet de pottenbakkerskunst (van welke Morgan de overgang naar de barbaarsheid dateert), dan vinden wij inderdaad reeds een begin van vestiging in dorpen, een zekere mate van beheersing van de productie van het levensonderhoud, houten vaatwerk en huisraad, handweverij (zonder weefstoel) met vezels van boombast, gevlochten manden van bast of riet, geslepen (neolithische) stenen werktuigen. Meestal heeft ook het vuur en de stenen bijl, reeds de boot uit een uitgeholde boomstam en hier en daar balken en planken voor het bouwen van huizen geleverd. Al deze vorderingen vinden wij bv. bij de Indianen in Noord- West-Amerika, die wel pijl en boog, maar nog niet het pottenbakken kennen. Voor de wildheid was pijl en boog wat het ijzeren zwaard voor de barbaarsheid en het geweer voor de beschaving was — het beslissende wapen.

 

2. De barbaarsheid

a. De laagste trap. Deze begint met de invoering van het pottenbakken. Dit is ontstaan, zoals men in vele gevallen en waarschijnlijk overal kan bewijzen, door het bedekken van gevlochten of houten vaatwerk met leem om het vuurvast te maken, waarbij men al gauw vond, dat de gevormde leem ook zonder het vaatwerk van binnen dezelfde dienst verrichtte.

Tot nu toe konden wij de loop van de ontwikkeling heel in het algemeen beschouwen, als geldig voor een bepaalde periode bij alle volken, zonder rekening te houden met hun woonplaatsen. Bij het begin van het tijdperk van de barbaarsheid hebben wij evenwel een trap bereikt, waarop de verschillen in de natuurlijke gesteldheid van de beide grote werelddelen zich doen gelden. Het kenmerkende van het tijdperk van de barbaarsheid is het temmen en fokken van dieren en het verbouwen van planten. Nu bezat het oostelijke werelddeel, de zogenaamde oude wereld, bijna alle voor het temmen geschikte dieren en alle voor verbouw geschikte graansoorten op één na; het westelijke werelddeel, Amerika, bezat van de tembare zoogdieren alleen de lama en ook deze slechts in een deel van het zuiden, en van alle verbouwbare granen slechts één, maar het beste, de maïs. Deze verschillende natuurlijke voorwaarden maken dat van nu af aan de bevolking van ieder halfrond zijn eigen weg gaat en dat de kenmerken voor de grenzen van elk der trappen van ontwikkeling in elk der beide gevallen verschillend zijn.

b. Middentrap. Deze begint in het oosten met het temmen van huisdieren, in het westen met het verbouwen van voedingsgewassen door middel van bevloeiing en met het gebruiken van adoben (in de zon gedroogde leemblokken) en steen voor gebouwen.

Wij beginnen met het westen, omdat hier deze trap tot de verovering door de Europeanen nergens werd overschreden.

Bij de Indianen op de laagste trap van de barbaarsheid (waartoe alle ten oosten van de Mississippi aangetroffen Indianen behoorden) bestond, toen men hen ontdekte, al een zekere tuinbouw van maïs en misschien ook van pompoenen, meloenen en andere tuingewassen, die een zeer belangrijk bestanddeel van hun voedsel leverde; zij woonden in houten huizen in door palissades omheinde dorpen. De noordwestelijke stammen, vooral die in het gebied van de Columbia-rivier, stonden nog op de hoogste trap van de wildheid en kenden noch het pottenbakken, noch het verbouwen van planten van welke soort ook. De Indianen van de zogenaamde pueblos  in Nieuw-Mexico daarentegen, de Mexicanen, de bewoners van Centraal-Amerika en die van Peru stonden tijdens de verovering van Amerika op de middentrap van de barbaarsheid; zij woonden in stenen of van adoben gebouwde huizen, die op vestingen gelijken, verbouwden in kunstmatig bevloeide tuinen mals en andere naargelang van ligging en klimaat verschillende voedingsgewassen die hun voornaamste levensmiddelen bron vormden, en hadden zelfs enige dieren getemd — de Mexicanen de kalkoen en andere vogels, de Peruanen de lama. Bovendien kenden zij de bewerking der metalen, behalve die van het ijzer, zodat zij het nog steeds niet buiten stenen wapens en stenen werktuigen konden stellen. De Spaanse verovering sneed dan alle verdere zelfstandige ontwikkeling af.

In het oosten begon de middentrap van de barbaarsheid met het temmen van melk- en vleesgevende dieren, terwijl hier het verbouwen van planten tot ver in dit tijdvak nog onbekend schijnt te zijn gebleven. Het temmen en fokken van vee en het vormen van vrij grote kudden schijnt de oorzaak te zijn geweest van de afscheiding der Ariërs en Semieten van de overige massa der barbaren. De Europese en de Aziatische Ariërs kennen gemeenschappelijke namen voor het vee, hetgeen bij die van de verbouwde planten nauwelijks het geval is.

Het vormen van kudden voerde in daarvoor geschikte streken tot het herdersleven; bij de Semieten in de grasvlakten van de Eufraat en de Tigris, bij de Ariërs in de vlakten van Indië, van de Oxus en de Jaxartes , van de Don en de Dnjepr. Het temmen van het vee moet het eerst hebben plaatsgehad aan de grenzen van zulke weidegebieden. Aan de latere geslachten schijnt het derhalve toe, dat de herdersvolken uit gebieden afkomstig zijn, die niet alleen in het geheel niet de wieg van het mensengeslacht zijn, maar bovendien voor hun wilde voorvaderen en zelfs voor de mensen op de laagste trap van de barbaarsheid bijna onbewoonbaar waren. Daar staat tegenover, dat zodra deze barbaren op de middentrap eenmaal aan het herdersleven gewend waren, het nooit bij hen op had kunnen komen vrijwillig uit de grasrijke rivierdalen terug te keren naar de woudgebieden waar hun voorouders hadden gewoond. Ja, zelfs toen zij verder naar het noorden en het westen werden gedrongen, was het de Semieten en de Ariërs onmogelijk de Westaziatische en Europese woudstreken binnen te trekken, voordat zij door graanbouw in staat waren gesteld hun vee op deze minder gunstige bodem te voeden en in het bijzonder te doen overwinteren. Het is meer dan waarschijnlijk, dat de graanbouw hier eerst ontstond uit de behoefte aan veevoer en pas later als voedsel voor mensen betekenis kreeg.

Aan de rijkelijke vlees- en melkvoeding bij de Ariërs en Semieten en vooral aan de gunstige invloed daarvan op de ontwikkeling van de kinderen moet men misschien de hogere ontwikkeling van beide rassen toeschrijven. Inderdaad hebben de Pueblo-Indianen van Nieuw-Mexico, die bijna uitsluitend op plantaardig voedsel zijn aangewezen, kleinere hersenen dan de meer vlees en vis etende Indianen op de laagste trap van de barbaarsheid. In ieder geval verdwijnt op deze trap langzamerhand het menseneten; het blijft slechts bestaan als een godsdienstige handeling of, wat hier bijna hetzelfde is, als tovermiddel.

c. Hoogste trap. Deze begint met het smelten van ijzererts en gaat in de beschaving over via de uitvinding van het letterschrift en de toepassing daarvan voor het maken van literaire aantekeningen. Deze trap, die, zoals reeds gezegd is, alleen op het oostelijke halfrond zelfstandig werd doorlopen, is rijker aan vorderingen van de productie dan alle voorafgaande tezamen. Tot deze trap behoren de Grieken in de heidentijd, de Italische stammen kort voor de stichting van Rome, de Duitsers van Tacitus, de Noormannen uit de tijd van de Vikings.

In de eerste plaats ontmoeten wij hier voor het eerst de door vee getrokken ijzeren ploegschaar, die de akkerbouw op grote schaal, de bodembewerking, en daarmee een voor de toenmalige verhoudingen praktisch onbeperkte vermeerdering van de levensmiddelen mogelijk maakte; daarmee ook het rooien van bossen en het veranderen daarvan in bouw- en weiland — wat eveneens zonder de ijzeren bijl en de ijzeren spade op grote schaal onmogelijk bleef. Daarmee kwam er echter ook snelle vermeerdering van de bevolking en een dichte bevolking op een klein gebied. Vóór de bodembewerking hadden alleen zeer uitzonderlijke omstandigheden een half miljoen mensen onder één centraal gezag kunnen verenigen; waarschijnlijk is dat nooit voorgekomen.

De hoogste bloei van de hoogste trap van de barbaarsheid weerspiegelt zich in de gedichten van Homeros, met name in de Ilias. Ontwikkelde ijzeren werktuigen, de blaasbalg, de handmolen, de pottenbakkersschijf, olie- en wijnbereiding, een ontwikkelde, in kunsthandwerk overgaande metaalbewerking, de wagen en strijdwagen, scheepsbouw onder aanwending van balken en planken, het eerste begin van de architectuur als kunst, ommuurde steden met torens en tinnen, het epos van Homeros en de gehele mythologie — dat is het voornaamste erfdeel dat de Grieken niet de barbaarsheid meebrachten naar de beschaving. Vergelijken wij hiermee de beschrijving, bij Caesar en zelfs bij Tacitus, van de Germanen, die aan het begin van dezelfde cultuurtrap stonden van waaruit de Grieken van Homeros juist naar een hogere trap zouden overgaan, dan zien wij, welk een rijke ontwikkeling van de productie de hoogste trap van de barbaarsheid insluit.

Het beeld van de ontwikkeling van de mensheid door wildheid en barbaarsheid tot aan het begin van de beschaving, dat ik hier naar Morgan heb geschetst, is al rijk genoeg aan nieuwe en wat meer zegt onaanvechtbare, want onmiddellijk aan de productie ontleende trekken. Toch zal dit beeld bleek en schamel schijnen, vergeleken bij het beeld, dat zich aan het eind van onze tocht voor ons zat ontrollen; eerst dan zal het mogelijk zijn de overgang uit de barbaarsheid naar de beschaving en de scherpe tegenstelling tussen deze beide in het volle licht te plaatsen. Voorlopig kunnen wij Morgans indeling in die zin veralgemenende wildheid — het tijdvak waarin hoofdzakelijk natuurproducten, die geen bewerking vereisen, worden verworven; de voortbrengselen van de vaardigheid der mensen zijn hoofdzakelijk hulpwerktuigen ten behoeve van dit verwerven. De barbaarsheid — het tijdvak waarin veeteelt en akkerbouw worden verworven en men methoden leert om met behulp van menselijke arbeid de opbrengst van natuurproducten te verhogen. De beschaving — het tijdvak waarin de verdere bewerking van de voortbrengselen der natuur, de eigenlijke industrie en de kunst worden aangeleerd.

 

 

 

 

II.

Het gezin

 

 

Morgan, die zijn leven grotendeels onder de nu nog in de staat New York woonachtige Irokezen heeft doorgebracht en in een van hun stammen (die van de Seneka’s) werd geadopteerd, vond bij hen een stelsel van verwantschap in zwang, dat tegenstrijdig was aan hun werkelijke familiebetrekkingen. Er bestond bij hen het van weerszijden makkelijk te verbreken enkelvoudige huwelijk, dat Morgan ‘paringsgezin’ noemt. De nakomelingen van zulk een echtpaar waren dus bij iedereen als zodanig bekend en erkend; er was geen twijfel mogelijk op wie de naam vader, moeder, zoon, dochter, broer, zuster van toepassing was. Maar het feitelijke gebruik van deze uitdrukkingen is daarmee in strijd. De Irokees noemt niet alleen zijn eigen kinderen zoons en dochters, maar ook die van zijn broers, en dezen noemen hem vader. De kinderen van zijn zusters noemt hij daarentegen neven en nichten en zij noemen hem oom. Omgekeerd noemt de Irokese vrouw behalve haar eigen kinderen ook die van haar zusters haar zoons en dochters en dezen noemen haar moeder. De kinderen van haar broers daarentegen noemt zij neven en nichten en zij wordt door hen tante genoemd. Ook de kinderen van broers noemen elkaar broers en zusters, eveneens de kinderen van zusters. De kinderen van een vrouw en die van haar broer noemen elkaar daarentegen neven en nichten. En dat zijn niet slechts zinledige namen, maar uitdrukkingen van werkelijk geldende opvattingen omtrent nadere of verdere verwantschap, omtrent gelijkheid en ongelijkheid van bloedverwantschap, en deze opvattingen zijn de grondslag van een volledig uitgewerkt stelsel van verwantschap, dat de mogelijkheid verschaft enige honderden verschillende verwantschapsbetrekkingen van één persoon uit te drukken. Nog sterker. Dit stelsel geldt niet allen volle bij alle Amerikaanse Indianen (tot nu toe heeft men geen uitzondering gevonden), maar het geldt ook bijna onveranderd bij de oudste bewoners van India, bij de Dravidische stammen in Dekan en bij de Gaurastammen in Hindoestan. De verwantschapsuitdrukkingen van de Zuidindische Tamilen en de Seneka-Irokezen in de staat New York komen nog heden voor meer dan tweehonderd verschillende verwantschapsbetrekkingen overeen. En ook bij deze Indische stammen, evenals bij alle Amerikaanse Indianen, zijn de verwantschapsbetrekkingen, die uit de geldende familievorm voortspruiten, in strijd met het stelsel van verwantschap.

Hoe dit nu te verklaren? Bij de beslissende rol, die de verwantschap bij alle wilde en barbaarse volken in de maatschappelijke orde speelt, kan men zich van de betekenis van dit veel verbreide stelsel niet met frasen afmaken. Een stelsel, dat in Amerika algemeen geldt, in Azië bij volken van een geheel verschillend ras eveneens bestaat en waarvan min of meer gewijzigde vormen overal in Afrika en Australië in menigte voorkomen, zulk een stelsel eist een historische verklaring, kan niet worden weggepraat, zoals bv. McLennan dit trachtte te doen.  De benamingen vader, kind, broer, zuster zijn niet eenvoudig eretitels, maar brengen zeer bepaalde, zeer ernstige wederzijdse verplichtingen met zich, die tezamen een essentieel deel vormen van het maatschappelijke bestel van deze volken. En de verklaring werd gevonden.

Op de Sandwich-eilanden (Hawaï) bestond nog in de eerste helft van deze eeuw een familievorm, die juist zulke vaders en moeders, broers en zusters, zoons en dochters, ooms en tantes, neven en nichten opleverde als het Amerikaanse en het oudindische verwantschapsstelsel ze eisen. Maar hoe merkwaardig! Het stelsel van verwantschap, dat op Hawaï gold, kwam weer niet overeen met de daar feitelijk bestaande familievorm. Daar zijn namelijk alle kinderen van broers en zusters zonder uitzondering elkaars broers en zusters en gelden als gemeenschappelijke kinderen, niet alleen van hun moeder en haar zusters of van hun vader en zijn broers, maar van alle broers en zusters van hun ouders zonder onderscheid. Terwijl dus het Amerikaanse stelsel van verwantschap een in Amerika niet meer bestaande, primitievere vorm van de familie veronderstelt, die wij op Hawaï werkelijk nog aantreffen, verwijst ons anderzijds het Hawaïaanse stelsel van verwantschap naar een nog oorspronkelijkere familievorm, die wij weliswaar nergens meer als bestaand kunnen aanwijzen, maar die moet hebben bestaan, omdat anders het daarmee overeenkomende stelsel van verwantschap niet zou hebben kunnen ontstaan. ‘De familie’, zegt Morgan, ‘is het actieve element; zij is nooit stationair, maar schrijdt voorwaarts van een lagere naar een hogere vorm, naargelang de maatschappij zich van een lagere tot een hogere trap ontwikkelt. De stelsels van verwantschap daarentegen zijn passief; slechts met lange tussenpozen registreren zij de vooruitgang, die de familie in de loop van de tijd heeft gemaakt en ondergaan slechts dan grondige veranderingen, wanneer de familie grondig is veranderd.’ 

‘En’, voegde Marx er aan toe, ‘hetzelfde is het geval met de politieke, juridische, religieuze, filosofische stelsels in het algemeen.’ Terwijl de familie voortleeft, verkalkt het stelsel van verwantschap en terwijl dit uit gewoonte blijft bestaan, ontgroeit de familie er aan. Met dezelfde zekerheid echter, waarmee Cuvier uit de enkele bij Parijs gevonden beenderen van het geraamte van een dier kon afleiden dat het aan een buideldier behoorde en dat daar eens, thans uitgestorven buideldieren hebben geleefd, met diezelfde zekerheid kunnen wij uit een historisch overgeleverd verwantschapsstelsel concluderen, dat de daarmee overeenkomende uitgestorven familievorm heeft bestaan.

De zo juist genoemde verwantschapsstelsels en familievormen onderscheiden zich van de nu heersende, doordat elk kind verscheidene vaders en moeders heeft. Bij het Amerikaanse verwantschapsstelsel, dat overeenkomt met de Hawaïaanse families kunnen broer en zuster niet vader en moeder van hetzelfde kind zijn; het Hawaïaanse verwantschapsstelsel veronderstelt echter een familie, waarin dit integendeel regel was. Wij worden hier in een reeks van familievormen verplaatst, die rechtstreeks in strijd zijn met de vormen die tot nu toe gewoonlijk als alleen geldend werden aangenomen. De traditionele voorstelling kent slechts het enkelvoudige huwelijk, daarnaast veelwijverij van één man, hoogstens nog veelmannerij van één vrouw, en verzwijgt daarbij, zoals het de moraliserende filister betaamt, dat in de praktijk deze door de officiële maatschappij geboden perken stilzwijgend en zonder schroom worden overschreden. De studie van de oergeschiedenis toont ons daarentegen toestanden, waar mannen in veelwijverij en hun vrouwen tegelijkertijd in veelmannerij leven en de kinderen dus ook als van hen allen gemeenschappelijk worden beschouwd — toestanden, die zelf weer, totdat zij zich tenslotte oplossen in het enkelvoudige huwelijk, een hele reeks veranderingen ondergaan. Deze veranderingen zijn van dien aard, dat de kring die de gemeenschappelijke huwelijksband omvat en die oorspronkelijk zeer groot was, nauwer en nauwer wordt, totdat hij tenslotte slechts het enkele paar overlaat, dat heden ten dage de overhand heeft.

Door op deze wijze de geschiedenis van het gezin teruggaande te construeren, komt Morgan evenals de meerderheid van zijn collega’s tot een oertoestand, waar onbeperkte geslachtelijke omgang binnen de stam heerste, zodat iedere man en iedere vrouw elkaar wederkerig toebehoorden. Over zulk een oertoestand werd al sedert de vorige eeuw gesproken, maar alleen in algemene bewoordingen; pas Bachofen, en dat is een van zijn grote verdiensten, vatte hem ernstig op en zocht naar sporen van deze toestand in de historische en religieuze overleveringen. 

Wij weten tegenwoordig, dat deze door hem gevonden sporen geenszins naar een maatschappelijke trap van ongebonden geslachtelijke omgang terugvoeren, maar naar een veel latere vorm, naar het groepshuwelijk. De bedoelde primitieve trap van de maatschappij behoort, wanneer hij werkelijk heeft bestaan, tot een zo ver achter ons liggende tijd, dat wij moeilijk kunnen verwachten in sociale fossielen, bij ten achter gebleven wilden, rechtstreekse bewijzen voor zijn vroegere bestaan te vinden. Bachofens verdienste bestaat juist in het feit, dit vraagstuk bij het onderzoek op de voorgrond te hebben gesteld. 

Het is in de laatste tijd mode geworden deze begintrap van het menselijke geslachtsleven te loochenen. Men wil de mensheid deze ‘schande’ besparen. En wel beroept men zich daarbij, behalve op het ontbreken van ieder rechtstreeks bewijs, vooral op het voorbeeld van de overige dierenwereld; uit deze heeft Letourneau (‘De ontwikkeling van het huwelijk en het gezin’, 1888) talrijke feiten verzameld, volgens welke ook hier een volstrekt ongeregelde geslachtelijke omgang bij een lagere ontwikkelingstoestand zou behoren. Uit al deze feiten kan ik echter steeds de gevolgtrekking maken, dat zij voor de mensen en voor hun levensomstandigheden in de oertijd absoluut niets bewijzen. De paarvorming gedurende vrij lange tijd bij de gewervelde dieren wordt voldoende verklaard uit fysiologische oorzaken, bv. bij vogels uit de hulpbehoevendheid van het wijfje gedurende de broedtijd; de bij de vogels voorkomende voorbeelden van trouwe monogamie bewijzen niets voor de mensen, omdat die nu eenmaal niet van de vogels afstammen. En wanneer strenge monogamie het toppunt van alle deugd is, dan komt de erepalm aan de lintworm toe, die in elk van zijn 50 tot 200 proglottiden of geledingen volledige vrouwelijke en mannelijke geslachtsorganen bezit en zijn gehele leven doorbrengt met in ieder dezer geledingen zich zelf te bevruchten. Beperken wij ons echter tot de zoogdieren, dan vinden wij daar alle vormen van het geslachtsleven, ongebondenheid, sporen van het groepshuwelijk, veelwijverij, enkelvoudig huwelijk; alleen de veelmannerij ontbreekt, die konden alleen de mensen voor elkaar brengen. Zelfs onze naaste verwanten, de vierhandigen, bieden ons alle mogelijke verschillen in de groeperingen van mannetjes en wijfjes; en wanneer wij nog nauwere grenzen trekken en slechts de vier soorten van mensapen beschouwen, dan weet Letourneau ons hier slechts te vertellen, dat zij nu eens monogaam, dan weer polygaam zijn, terwijl Saussure bij Giraud-Teulon beweert, dat zij monogaam zijn.  Ook de door Westermarck (‘Geschiedenis van het menselijke huwelijk’)  aangevoerde nieuwere beweringen met betrekking tot de monogamie bij de mensapen zijn nog lang geen bewijzen. Kortom, de gegevens zijn van dien aard, dat de eerlijke Letourneau toegeeft: ‘Overigens bestaat er bij de zoogdieren volstrekt geen streng verband tussen de graad van intellectuele ontwikkeling en de vorm van de geslachtelijke omgang. En Espinas (‘Over de dierengemeenschappen’, 1877) zegt ronduit: ‘De horde is de hoogste sociale groep, die wij bij de dieren kunnen waarnemen. Zij is, naar het schijnt, uit gezinnen samengesteld, maar reeds van de aanvang af zijn het gezin en de horde met elkaar in tegenspraak, zij ontwikkelen zich in omgekeerde verhouding.’ 

Zoals uit het hierboven gezegde reeds blijkt, weten wij over de gezins- en andere samenlevende groepen van de mensapen zo goed als niets met zekerheid; de gegevens zijn rechtstreeks met elkaar in strijd. Dat is ook niet te verwonderen. Hoe tegenstrijdig zijn reeds de berichten, die wij over wilde mensenstammen hebben en hoezeer vereisen zij kritisch onderzoek en schifting; apensamenlevingen zijn echter nog veel moeilijker waar te nemen dan mensenmaatschappijen. Wij moeten dus voorlopig iedere conclusie uit zulke absoluut onbetrouwbare berichten afwijzen.

Daarentegen biedt ons de aangehaalde zin van Espinas een beter aanknopingspunt. Horde en gezin vullen elkaar bij de hogere dieren niet aan, maar zijn tegenstellingen. Espinas zet heel aardig uiteen hoe de jaloezie van het mannetje in de bronsttijd iedere samenlevende horde ondermijnt of tijdelijk uiteen doet vallen. ‘Waar het gezin nauw aaneengesloten is, vormen zich slechts in zelden voorkomende gevallen horden. Waar daarentegen vrije geslachtelijke omgang of polygamie bestaat, ontstaat de horde bijna vanzelf... Opdat een horde zal kunnen ontstaan moeten de gezinsbanden losser zijn en het individu weer vrij zijn geworden. Daarom vinden wij bij de vogels zo zelden georganiseerde horden... Bij de zoogdieren daarentegen vinden wij enigszins georganiseerde samenlevingen, juist omdat hier het individu niet in het gezin opgaat. Het gemeenschapsgevoel van de horde kan dus bij zijn ontstaan geen grotere vijand hebben dan het gemeenschapsgevoel van het gezin. Laat ons niet aarzelen het uit te spreken: wanneer zich een hogere maatschappijvorm dan het gezin heeft ontwikkeld, kan dit slechts gebeurd zijn doordat hij gezinnen in zich opnam die een grondige verandering hadden ondergaan; wat niet uitsluit, dat deze gezinnen juist daardoor later de mogelijkheid vonden zich onder oneindig veel gunstiger omstandigheden opnieuw te constitueren.’ (Espinas, hoofdstuk 1, geciteerd bij Giraud-Teulon: ‘De oorsprong van het huwelijk en van het gezin’, 1884, blz. 518-520.)

Hieruit blijkt, dat de dierensamenlevingen weliswaar een zekere waarde hebben voor het trekken van conclusies over de mensenmaatschappij — maar slechts een negatieve waarde. De hogere gewervelde dieren kennen, voor zover wij weten, slechts twee gezinsvormen- veelwijverij of de vorming van een paar door een mannetje en een wijfje; in beide vormen is slechts één volwassen mannetje, slechts één echtgenoot geoorloofd. De jaloezie van het mannetje, tegelijk band en beperking van het gezin, brengt het dierengezin in tegenstelling tot de horde; de horde, de hogere vorm van samenleving, wordt nu eens onmogelijk, dan weer losser gemaakt of in de bronsttijd ontbonden; in het gunstigste geval wordt zijn verdere ontwikkeling door de jaloezie van de mannetjes tegengehouden. Dit alleen is al voldoende bewijs, dat het dierengezin en de oermaatschappij van de mensen onverenigbare dingen zijn; dat de oermensen, die zich uit het dierenbestaan opwerkten, in het geheel geen gezin kenden of hoogstens een gezin dat bij de dieren niet voorkomt, Een zo weerloos dier als de wordende mens zou zich in klein getal ook in een afzondering staande kunnen houden, waarin de hoogste maatschappelijke vorm het enkele paar is, zoals Westermarck het op grond van berichten van jagers aan de gorilla en de chimpansee toeschrijft. Maar voor de ontwikkeling uit de toestand van het dier, voor het zich voltrekken van de grootste vooruitgang die de natuur kent, was nog een ander element nodig: in plaats van de aan de enkeling ontbrekende bekwaamheid zich te verdedigen moest de verenigde kracht en de samenwerking van de horde komen. Uit verhoudingen als die, waarin de mensapen thans leven, zou de overgang tot de mensheid geheel onverklaarbaar zijn; deze apen maken veeleer de indruk van verdwaalde zijtakken, die gedoemd zijn langzaam uit te sterven en in ieder geval in neergaande lijn zijn. Dit alleen is al voldoende om iedere op de gelijkheid van hun gezinsvorm met die van de mensen gebaseerde gevolgtrekking af te wijzen. Het wederzijds dulden van de volwassen mannetjes, de afwezigheid van jaloezie was echter de eerste voorwaarde voor het ontstaan van zulke grote en duurzame groepen, alleen te midden waarvan de menswording van het dier zich kon voltrekken. En inderdaad, wat vinden wij als oudste, meest oorspronkelijke vorm van het gezin, een vorm die wij in de geschiedenis onloochenbaar kunnen aantonen en nog vandaag hier en daar bestuderen?

Het groepshuwelijk, de vorm waarin hele groepen mannen en hele groepen vrouwen elkaar wederkerig bezitten en die slechts weinig ruimte laat voor jaloezie. En verder vinden wij op een hogere trap van ontwikkeling de uitzonderingsvorm van de veelmannerij, die al helemaal korte metten maakt met elk gevoel van jaloezie en daarom bij de dieren onbekend is. Daar echter de ons bekende vormen van het groepshuwelijk door zulke eigenaardig ingewikkelde omstandigheden worden vergezeld, dat zij noodzakelijkerwijze op oudere, eenvoudigere vormen van geslachtsverkeer wijzen en daarmee uiteindelijk op een met de overgangsperiode van dier tot mens overeenkomend tijdperk van regelloze geslachtelijke omgang, brengen de verwijzingen naar de dierenhuwelijken ons juist weer op het punt, vanwaar zij ons voorgoed hadden moeten wegvoeren.

Wat wil nu eigenlijk zeggen: regelloze geslachtelijke omgang? Dat de thans of vroeger geldende beperkingen niet hebben gegolden. De beperking door jaloezie zagen wij reeds wegvallen. Als er iets vaststaat, dan is het wel dit, dat de jaloezie een betrekkelijk laat ontwikkeld gevoel is. Hetzelfde geldt voor het begrip van de bloedschande. Niet alleen waren broer en zuster oorspronkelijk man en vrouw, maar ook de geslachtelijke omgang tussen ouders en kinderen is tot vandaag bij vele volken geoorloofd. Bancroft (‘De inboorlingenrassen in de staten aan de Stille Oceaan in Noord-Amerika’, 1875, deel 1)  verzekert, dat dit het geval is bij de Kaviats aan de Behringstraat, bij de Kadiaks in de buurt van Alaska, bij de Tinnehs in het binnenland van Brits-Noord-Amerika; Letourneau verhaalt hetzelfde over de Chippeway-Indianen, over de Koekoes in Chili, over de Caraïben en over de Karens in Achter-Indië; om van de verhaten der oude Grieken en Romeinen over de Parthen, Perzen, Skythen, Hunnen enz. maar te zwijgen. Voordat de bloedschande uitgevonden was (en het is een uitvinding en wel van zeer hoge waarde), kon de geslachtelijke omgang tussen ouders en kinderen niet meer afkeer wekken dan die tussen andere tot verschillende generaties behorende personen en dat komt toch vandaag zelfs in de meest kleinburgerlijk deugdzame landen voor zonder veel opzien te baren; zelfs ‘oude vrijsters’ van over de zestig trouwen soms als zij rijk genoeg zijn met mannen van om en nabij de dertig. Nemen wij echter van de vroegste gezinsvormen die wij kennen de daarmee verbonden begrippen van bloedschande weg — begrippen die van de onze volkomen verschillen en vaak lijnrecht met ze in tegenspraak zijn — dan komen wij tot een vorm van geslachtelijke omgang, die men alleen regelloos kan noemen. Regelloos voor zover de later door de zede vastgelegde beperkingen nog niet bestonden. Dat betekent echter niet noodzakelijk een bonte chaos in de dagelijkse praktijk. Het voor enige tijd samenleven van enkele paren is geenszins uitgesloten en heeft thans zelfs in het groepshuwelijk de overhand. En wanneer de nieuwste loochenaar van zulk een oertoestand, Westermarck, iedere toestand huwelijk noemt, waarbij de beide geslachten tot de geboorte van de nakomeling als paar bijeen blijven, moet men zeggen dat dit soort van huwelijk in de toestand van regelloze geslachtelijke omgang zeer goed kon voorkomen zonder in tegenspraak te zijn met de regelloosheid, d.w.z. met de afwezigheid van de door de zeden gestelde beperkingen van de geslachtelijke omgang. Westermarck gaat weliswaar van de opvatting uit dat ‘regelloosheid de onderdrukking van de individuele neigingen insluit’, zodat ‘de prostitutie haar zuiverste vorm is’.  Het schijnt mij eerder toe, dat ieder begrip voor de oertoestanden onmogelijk blijft, zolang men ze door een bordeel-bril bekijkt. Wij komen bij het groepshuwelijk op dit punt terug.

Volgens Morgan ontwikkelde zich uit deze oertoestand van regelloze omgang waarschijnlijk zeer vroeg:

 

1. De bloedverwantschapsfamilie

De eerste trap van het gezin. Hier zijn de huwelijksgroepen naar generaties gescheiden. Alle grootvaders en grootmoeders zijn binnen de grenzen van de familie allen onder elkaar man en vrouw, evenals hun kinderen, dus de vaders en moeders, zoals ook hun kinderen weer een derde groep van gemeenschappelijke echtgenoten zullen vormen, en de kinderen van dezen, de achterkleinkinderen dus van de eersten, een vierde groep. In deze familievorm zijn dus slechts voorouders en nakomelingen, ouders en kinderen ten opzichte van elkaar uitgesloten van de rechten en de plichten (zoals wij zouden zeggen) van de echt. Broers en zusters, neven en nichten in de eerste, tweede en verdere graad zijn allen broers en zusters onder elkaar en juist daarom elkaars man en vrouw. De relatie van broer en zuster sluit op deze trap vanzelf de wederkerige geslachtelijke omgang in.  De typische vorm van zulk een familie zou beman uit de nakomelingen van een paar, waarbij weer de nakomelingen van iedere graad afzonderlijk onder elkaar broers en zusters en juist daarom elkaars man en vrouw zijn.

De bloedverwantschapsfamilie is uitgestorven. Zelfs de meest onontwikkelde volken, waarvan de geschiedenis verhaalt, leveren van haar geen voorbeeld dat bewezen kan worden. Het Hawaïaanse, in geheel Polynesië thans nog geldende stelsel van verwantschap, dat graden van bloedverwantschap uitdrukt zoals zij slechts onder deze familievorm kunnen ontstaan, dwingt ons echter tot de opvatting dat ze moet hebben bestaan, daartoe dwingt ons ook de hele verdere ontwikkeling van het gezin die deze vorm als een noodzakelijke voorafgaande trap vooronderstelt.

 

2. De poenaloeafamilie

Bestond de eerste vooruitgang van de organisatie er in, de geslachtelijke omgang tussen de ouders en kinderen uit te sluiten, de tweede was het uitsluiten daarvan tussen broer en zuster. Deze vooruitgang was tengevolge van het geringe verschil in leeftijd van de betrokken personen oneindig veel belangrijker, maar ook moeilijker dan de eerste. Hij kwam geleidelijk tot stand, waarschijnlijk door eerst de geslachtelijke omgang tussen vleselijke broers en zusters (d.w.z. van moederskant) uit te sluiten, om te beginnen in enkele gevallen en langzamerhand als regel (in Hawaï kwamen nog in deze eeuw uitzonderingen voor) en tot slot door het huwelijksverbod zelfs tussen verwanten in de zijlinie, d.w.z. tussen verwanten die wij kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van broers en zusters noemen. Dit vormt volgens Morgan ‘een voortreffelijke illustratie van de wijze waarop het beginsel van de natuurlijke teeltkeuze werkt’. 

Het spreekt vanzelf, dat stammen, bij welke de inteelt door deze vooruitgang werd beperkt, zich sneller en voller moesten ontwikkelen dan de stammen waar het huwelijk tussen broer en zuster een gewoon verschijnsel en regel bleef. En hoe geweldig de uitwerking van deze vooruitgang zich deed gelden, bewijst de daaruit rechtstreeks ontstane en het doel ver voorbij schietende instelling van de gens, die de grondslag vormt van de maatschappelijke orde van de meeste, zo niet van alle barbarenvolken op aarde en van waaruit wij in Griekentand en Rome rechtstreeks naar het tijdperk van de beschaving overgaan.

Iedere oerfamilie moest zich op zijn hoogst na een paar generaties splitsen. De oorspronkelijke communistische, gemeenschappelijke huishouding, die tot ver op de middentrap der barbaarsheid zonder uitzondering heerst, was gebonden aan een bepaalde, naargelang de omstandigheden wisselende, maximumomvang van de familiegemeenschap, die echter overal vrijwel gelijk was. Zodra de voorstelling van de onbetamelijkheid van geslachtelijke omgang tussen kinderen van een zelfde moeder opkwam, moest die wel invloed uitoefenen op zulke splitsingen van oude en op de vorming van nieuwe huisgemeenschappen (die intussen niet noodzakelijk met de familiegroep samenleven). Een of meer groepen zusters werden de kern van de ene, hun vleselijke broers de kern van de andere. Zo of op dergelijke wijze ontstond uit de bloedverwantschapsfamilie de vorm, die door Morgan poenaloea-familie genoemd wordt. Volgens de zeden op Hawaï waren een aantal zusters, vleselijke of meer verwijderde (d.w.z. nichten in de eerste, tweede of verdere graad), de gemeenschappelijke vrouwen van hun gemeenschappelijke mannen, waarvan echter hun broers waren uitgesloten; deze mannen noemden elkaar nu niet meer broer, wat zij ook niet meer behoefden te zijn, maar poenaloea, d.w.z. intieme kameraad, als het ware compagnon. Op dezelfde wijze had een aantal vleselijke of verder verwijderde broers een aantal vrouwen, niet hun zusters, in gemeenschappelijke echt en die vrouwen noemden elkaar poenaloea. Dit is de klassieke vorm van een familieformatie, die later een reeks variaties toelieten waarvan de voornaamste karaktertrek was: wederzijdse gemeenschap van mannen en vrouwen binnen een bepaalde familiekring, waarvan echter de broers van de vrouwen, eerst de vleselijke, later ook de verder verwijderde, en omgekeerd dos ook de zusters van de mannen waren uitgesloten.

Deze familievorm nu verschaft ons met de grootste nauwkeurigheid de graden van verwantschap, zoals het Amerikaanse stelsel die uitdrukt. De kinderen van de zusters van mijn moeder zijn nog steeds haar kinderen, evenals de kinderen van de broers van mijn vader ook diens kinderen zijn en zij allen zijn mijn broers en zusters; maar de kinderen van de broers van mijn moeder zijn nu haar neven en nichten, de kinderen van de zusters van mijn vader zijn diens neven en nichten en zij allen zijn mijn neven en nichten. Want terwijl de mannen van de zusters van mijn moeder nog steeds haar mannen zijn en evenzo de vrouwen van de broers van mijn vader ook nog zijn vrouwen — rechtens, zij het ook niet altijd in werkelijkheid — heeft het maatschappelijk uitbannen van de geslachtelijke omgang tussen broers en zusters de kinderen van broers en zusters, die tot dusver zonder onderscheid als broers en zusters werden behandeld, in twee klassen verdeeld: de enen blijven evenals vroeger (meer verwijderde) broers en zusters van elkaar, de anderen, de kinderen van de broer enerzijds, van de zuster anderzijds, kunnen niet langer broers en zusters zijn, zij kunnen geen gemeenschappelijke ouders meer hebben, noch vader, noch moeder, noch beiden en daarom wordt hier voor het eerst de klasse van oom- en tantezeggers, van neven en nichten noodzakelijk, die onder de vroegere gezinsverhoudingen onzinnig zou zijn geweest. Het Amerikaanse verwantschapsstelsel, dat bij iedere gezinsvorm, die op de een of andere soort van enkelvoudig huwelijk berust, volkomen ongerijmd schijnt, wordt door de poenaloeafamilie tot in de kleinste onderdelen rationeel verklaard en op natuurlijke wijze gemotiveerd. Overal waar dit verwantschapsstelsel verbreid is geweest, moet tenminste ook de poenaloeafamilie of een daarmee verwante vorm hebben bestaan.

Deze familievorm, waarvan op Hawaï het werkelijke bestaan werd bewezen, zou ons waarschijnlijk uit geheel Polynesië zijn overgeleverd, indien vrome missionarissen, zoals wijlen de Spaanse monniken in Amerika, in zulke onchristelijke betrekkingen iets meer hadden vermogen te zien dan eenvoudig een ‘gruwel’.  Wanneer Caesar ons van de Britten, die zich toen op de middentrap van de barbaarsheid bevonden, verhaalt: ‘Zij hebben hun vrouwen met zijn tienen of twaalven gemeenschappelijk en wet meest broers met broers en ouders met kinderen’  — dan is dat het best te verklaren als groepshuwelijk. Moeders uit het tijdperk der barbaarsheid hebben geen tien a twaalf zoons, oud genoeg om gemeenschappelijke vrouwen te kunnen houden, maar het Amerikaanse verwantschapsstelsel, dat overeenkomt met de poenaloeafamilie, levert vele broers, omdat alle nabije en verre neven van een man zijn broers zijn. Het ‘ouders met kinderen’ mag een verkeerde opvatting van Caesar zijn; dat vader en zoon of moeder en dochter in dezelfde huwelijksgroep zouden zijn is intussen bij dit stelsel niet volstrekt uitgesloten, wel echter vader en dochter of moeder en zoon. Op dezelfde wijze levert deze of een soortgelijke vorm van het groepshuwelijk de eenvoudigste verklaring voor de berichten van Herodotus en van andere oude schrijvers over vrouwengemeenschappen bij wilde en barbaarse volken. Dat moet ook worden gezegd van hetgeen Watson en Kaye (‘Het volk van Indië’)  van de Tikars in Audh (ten noorden van de Ganges) vertellen: ‘Zij leven samen’ (d.w.z. geslachtelijk) ‘bijna zonder onderscheid in grote gemeenschappen, en wanneer twee van hen voor getrouwd doorgaan, dan bestaat de band toch slechts in naam.’

Rechtstreeks uit de poenaloeafamilie schijnt in verreweg de meeste gevallen de instelling van de gens te zijn voortgekomen. Weliswaar biedt ook het Australische klassenstelsel  daarvoor een uitgangspunt; de Australiërs hebben gentes, echter nog geen poenaloeafamilie, maar een grovere vorm van het groepshuwelijk.

Bij alle vormen van de groepsfamilie is het onzeker wie de vader van een kind is, maar wel is zeker wie de moeder is. Hoewel zij alle kinderen van de gehele familie haar kinderen noemt en moederplichten tegenover hen heeft, onderscheidt zij toch haar vleselijke kinderen van de anderen. Het is dus duidelijk, dat voor zover het groepshuwelijk bestaat, afstamming alleen van moederszijde aan te tonen is en dus alleen de vrouwelijke lijn wordt erkend. Dit is inderdaad bij alle wilde en op de laagste trap van de barbaarsheid staande volken het geval — en dit het eerst ontdekt te hebben is de tweede grote verdienste van Bachofen. Hij duidt dit uitsluitend erkennen van de afstamming van moederszijde en het daaruit mettertijd voortvloeiende erfrechtstelsel aan met de naam moederrecht; kortheidshalve houd ik deze naam aan, die echter ongelukkig is, want op deze ontwikkelingstrap van de maatschappij is er van recht in de juridische zin van het woord nog geen sprake.

Nemen wij nu uit de poenaloeafamilie een van de twee typerende groepen, namelijk die van een reeks van vleselijke en meet verwijderde (d.w.z. de in de eerste, tweede of verdere graad van vleselijke zusters afstammende) zusters met hun kinderen en hun vleselijke of meet verwijderde broers van moederszijde (die volgens onze veronderstelling niet hun mannen zijn), dan hebben wij precies de kring van personen, die later als leden van een gens in haar oorspronkelijke vorm verschijnen. Zij hebben allen een gemeenschappelijke stammoeder, van wie de vrouwelijke nakomelingen, krachtens de afstamming, in elke generatie zusters zijn. De mannen van deze zusters kunnen echter niet meer hun broers zijn, dus niet van deze stammoeder afstammen, ze behoren dan ook niet tot de bloedverwantschapsgroep, de latere gens; hun kinderen behoren echter wel tot deze groep, omdat de afstamming van moederszijde als de enig zekere alleen beslissend is. Zodra het uitbannen van de geslachtelijke omgang tussen alle broers en zusters, ook tussen de verst verwijderde verwanten in de zijlijn van moederszijde, zich doorzet, is de hierboven beschreven groep een gens geworden, d.w.z. heeft zij zich geconstitueerd als een vaste kring van bloedverwanten in de vrouwelijke lijn, die onder elkaar niet mogen trouwen; een gens die zich van nu af meet en meet door andere gezamenlijke instellingen van sociale en religieuze aard consolideert en zich van de andere gentes van dezelfde stam onderscheidt. Daarover later uitvoeriger. Als wij echter vinden, dat de gens zich niet alleen noodzakelijkerwijs maar zelfs vanzelfsprekend uit de poenaloeafamilie ontwikkelt, dan ligt het voor de hand het vroegere bestaan van deze familievorm als bijna zeker aan te nemen voor alle volken, waarvan men kan aantonen dat ze gens-instellingen hebben gekend, d.w.z. zo ongeveer voor alle barbaren en cultuurvolkeren.

Toen Morgan zijn boek schreef was onze kennis van het groepshuwelijk nog zeer beperkt. Er was iets bekend over de groepshuwelijken van de in klassen georganiseerde Australiërs en bovendien had Morgan reeds in 1871 de berichten over de Hawaïaanse poenaloeafamilie, die hij had ontvangen, gepubliceerd.  De poenaloeafamilie leverde enerzijds de volledige verklaring voor het verwantschapsstelsel, dat onder de Amerikaanse Indianen in zwang was en dat voor Morgan het uitgangspunt van al zijn onderzoekingen was geweest, anderzijds vormde zij het gerede uitgangspunt voor de afleiding van de moederrechtelijke gens; ze vertegenwoordigde tenslotte een veel hogere trap van ontwikkeling dan de Australische klassen. Het valt dus te begrijpen, dat Morgan haar opvatte als de trap van ontwikkeling, die noodzakelijk aan het paringshuwelijk vooraf moet gaan, en dat hij haar een algemene verbreiding in vroegere tijd toeschreef. Wij hebben sindsdien een reeks andere vormen van het groepshuwelijk leren kennen en weten nu, dat Morgan hier te ver ging. Maar hij had toch het geluk bij zijn poenaloeafamilie op de hoogste, de klassieke vorm van het groepshuwelijk te stoten, de vorm waaruit de overgang naar een hogere vorm zich het eenvoudigst laat verklaren.

De belangrijkste verrijking van onze kennis van het groepshuwelijk danken wij aan de Engelse missionaris Lorimer Fison, die deze familievorm jarenlang bestudeerde op haar klassieke bodem, Australië. De laagste trap van ontwikkeling vond hij bij de Australische negers bij de Mount Gambier in Zuid-Australië. Hier is de hele stam in twee grote klassen verdeeld, Kroki en Koemite. De geslachtelijke omgang binnen elk van deze klassen is ten strengste verboden; daarentegen is iedere man van de ene klasse van nature de echtgenoot van iedere vrouw van de andere klasse en deze is van nature zijn echtgenote. Niet de individuen, maar de hele groepen zijn met elkaar gehuwd, klasse met klasse. En men merke op, dat hier nergens een uitzondering is gemaakt wegens verschil in leeftijd of bijzondere bloedverwantschap, behalve voor zover dit volgt uit de splitsing in twee exogame klassen. Een Kroki heeft iedere Koemitevrouw tot rechtmatige echtgenote; daar echter zijn eigen dochter, als dochter van een Koemitevrouw, volgens het moederrecht eveneens Koemite is, is zij daardoor van nature de echtgenote van iedere Kroki, dus ook van haar vader. De organisatie der klassen, zoals wij die kennen, is daar althans geen beletsel voor. Deze organisatie is dus of ontstaan in een tijd, toen men ondanks de onbewuste drang om de inteelt te beperken, in de geslachtelijke omgang tussen ouders en kinderen nog niet iets bijzonder afschuwelijks zag — en dan zou het stelsel der klasse rechtstreeks uit een toestand van onbeperkte geslachtelijke omgang ontstaan zijn. Of wel de omgang tussen ouders en kinderen was al door de zeden verboden toen de klassen ontstonden en dan wijst de huidige toestand op de bloedverwantschapsfamilie en is hij de eerste stap om zich daarvan los te maken. Het laatste is het meest waarschijnlijke. Voorbeelden van echtelijke omgang tussen ouders en kinderen worden, voor zover ik weet, uit Australië niet vermeld en ook de latere vorm van exogamie, de volgens moederrecht georganiseerde gens, vooronderstelt gewoonlijk het verbod van deze omgang stilzwijgend als iets dat bij haar instelling reeds bestond.

Het stelsel van de twee klassen wordt, behalve bij Mount Gambier in Zuid-Australië, eveneens bij de rivier de Darling verder oostelijk en in Queensland in het noordoosten aangetroffen en is dus ver verbreid. Het sluit alleen de huwelijken tussen broers en zusters, tussen broederskinderen en tussen zusterskinderen van moederszijde uit, want die behoren tot dezelfde klasse; kinderen van zuster en broer kunnen daarentegen trouwen. Een verdere stap tot verhindering van de inteelt vinden wij bij de Kanijiaroi aan de Darling in Nieuw-Zuid-Wales, waar de beide oorspronkelijke klassen in vieren zijn gesplitst en ieder van deze vier eveneens met een bepaalde andere in haar geheel is gehuwd. De eerste twee klassen zijn van nature echtgenoten van elkaar; naargelang de moeder tot de eerste of de tweede klasse behoorde, behoren de kinderen tot de derde of de vierde; de kinderen van deze beide, eveneens met elkaar gehuwde klassen behoren weer tot de eerste en tweede. Zodat steeds de ene generatie tot de eerste en tweede, een volgende tot de derde en vierde, de daaropvolgende weer tot de eerste en tweede klasse behoort. Volgens deze indeling kunnen kinderen van broers en zusters (van moederszijde) niet man en vrouw zijn, maar wel de kleinkinderen van broers en zusters. Deze eigenaardig gecompliceerde regeling wordt nog ingewikkelder door het — in ieder geval later gebeurde — erop enten van moederrechtelijke gentes; maar hierop kunnen wij niet ingaan. Men ziet hier, dat de drang tot verhindering van de inteelt zich telkens en telkens weer doet gelden, maar volkomen primitief tastend, zonder duidelijk bewustzijn van het doel.

Het groepshuwelijk, dat hier in Australië nog klassenhuwelijk, massale huwelijkstoestand van een gehele, vaak over het totale oppervlak van het wasteland verstrooide klasse van mannen met een evenzeer verspreide klasse van vrouwen is — dit groepshuwelijk blijkt van dichtbij gezien niet helemaal zo afschuwwekkend te zijn als de aan bordeeltoestanden gewende fantasie van de filister zich dat voorstelt. Het heeft integendeel vele jaren geduurd, voordat men het bestaan er van ook maar heeft vermoed en ook nog zeer onlangs werd dit weer bestreden. Voor de oppervlakkige waarnemer schijnt het een los enkelvoudig huwelijk te zijn met hier en daar veelwijverij en van tijd tot tijd ontrouw. Men meet er al jaren aan besteden, zoals Fison en Howitt, om in deze huwelijkstoestanden, die in de praktijk de gewone Europeaan eerder aangenaam voorkomen, de regelende wet te ontdekken, de wet, volgens welke de vreemde Australische neger, duizenden kilometers van zijn eigen streek verwijderd, onder mensen, wier taal hij niet begrijpt, toch niet zelden van kamp tot kamp, van stam tot stam vrouwen vindt, die zonder tegenstand of kwade gedachten de zijne worden, en volgens welke iemand die meer vrouwen heeft, de gast er een voor de nacht afstaat. Daar, waar de Europeaan onzedelijkheid en bandeloosheid ziet, heerst in werkelijkheid een strenge wet. De vrouwen behoren tot de huwelijksklasse van de vreemdeling en zijn daarom van nature zijn echtgenoten; dezelfde zedewet, die beiden op elkaar aangewezen doet zijn, verbiedt op straffe van vogelvrijverklaring iedere omgang buiten de tot elkaar behorende huwelijksklassen. Zelfs daar waar de vrouwen geroofd worden, zoals dat vaak en in vele streken regel is, wordt de klassenindeling streng in acht genomen.

Bij de vrouwenroof vertoont zich hier overigens al een spoor van overgang tot het enkelvoudige huwelijk, tenminste in de vorm van het paringshuwelijk: wanneer de jonge man met hulp van zijn vrienden hot meisje geroofd of ontvoerd heeft, hebben allen beurt om beurt gemeenschap met haar, daarna echter geldt zij voor de vrouw van de jonge man die de roof op touw heeft gezet. En loopt omgekeerd de geroofde vrouw van de man weg en wordt zij door een andere man genomen, dan wordt zij diens vrouw en de eerste heeft zijn voorrecht verloren. Naast en binnen het in het algemeen voortbestaande groepshuwelijk vormen zich dus uitzonderlijke verhoudingen, paarvormingen voor langere of kortere tijd, daarnaast veelwijverij, zodat het groepshuwelijk ook hier bezig is te verdwijnen en men zich nog slechts afvraagt, wat onder de Europese invloed het eerst van het toneel zal verdwijnen: het groepshuwelijk of de Australische negerbevolking die dit huwelijk bedrijft.

Het huwelijk van hele klassen, zoals dat in Australië heerst, is in ieder geval een zeer laagstaande en oorspronkelijke vorm van hot groepshuwelijk, terwijl de poenaloeafamilie, voor zover wij weten, de hoogste trap van ontwikkeling daarvan is. Hot eerste schijnt de vorm te zijn, die beantwoordt aan de maatschappelijke toestand van rondzwervende wilden, de tweede veronderstelt reeds betrekkelijk vaste nederzettingen van communistische gemeenschappen en voert regelrecht naar de daarop volgende hogere trap van ontwikkeling. Tussen deze beide zullen wij zeker nog menige tussentrap vinden; hier ligt een gebied van onderzoek, dat tot nu toe slechts ontsloten, maar nog nauwelijks betreden is.

 

3. De paringsfamilie

Een zekere paring, voor kortere of langere tijd, had reeds plaats in de tijd van het groepshuwelijk of nog vroeger; de man had een hoofdvrouw (van lievelingsvrouw kan men nog nauwelijks spreken) onder de vele vrouwen en hij was onder de andere echtgenoten voor haar de voornaamste. Deze omstandigheid heeft niet weinig bijgedragen tot de verwarring bij de missionarissen, die in het groepshuwelijk nu eens regelloos gemeenschappelijk bezit van vrouwen, dan weer willekeurige echtbreuk zien. Zulk een tot gewoonte geworden paarvorming moest echter wel meer en meer duurzaam worden, naargelang de gens zich ontwikkelde en de klassen van ‘broers’ en ‘zusters’ talrijker werden, waartussen het huwelijk nu onmogelijk was. De stoot tot verhindering van het huwelijk tussen bloedverwanten, die de gens gegeven had, werkte nog verder door. Zo vinden wij, dat bij de Irokezen en bij de meeste andere Indianen, die op de laagste trap van de barbaarsheid staan, het huwelijk tussen alle verwanten, die in hun stelsel voorkomen en dat zijn enige honderden soorten, verboden is. Bij dit steeds ingewikkelder worden van de verbodsbepalingen voor het huwelijk werden groepshuwelijken meer en meer onmogelijk; zij werden door de paringsfamilie verdrongen. Op deze trap leeft één man met één vrouw samen, echter zo, dat veelwijverij en zo nu en dan ontrouw het recht van de mannen blijven, hoewel de eerste om economische redenen zelden voorkomt; terwijl er van de vrouwen voor de duur van het samenleven meestal absolute trouw verlangd wordt en echtbreuk harerzijds wreed wordt bestraft. De huwelijksband is echter van weerszijden gemakkelijk te verbreken en de kinderen behoren evenals vroeger alleen aan de moeder.

Ook in deze steeds verder gedreven uitsluiting van bloedverwanten van het huwelijk werkt de natuurlijke teeltkeuze door. Morgan drukt dit als volgt uit. ‘De huwelijken tussen gentes, die niet in den bloede verwant waren, brachten een zowel lichamelijk als geestelijk krachtiger ras voort; twee zich ontwikkelende stammen vermengden zich en de nieuwe schedels en hersenen vergrootten zich op natuurlijke wijze, totdat zij de begaafdheden van beide omvatten.’  Stammen met gensinstellingen moesten dus de overhand krijgen over de achtergebleven stammen of hen door hun voorbeeld meeslepen.

De ontwikkeling van de familie in de oergeschiedenis bestaat derhalve in een voortdurende vernauwing van de kring, die oorspronkelijk de gehele stam omvatte, waarbinnen echtelijke gemeenschap tussen de beide geslachten heerst. Door aanhoudende uitsluiting eerst van nauwe, daarna steeds verder verwijderde bloedverwanten en tenslotte zelfs van slechts aangehuwde verwanten, wordt eindelijk iedere soort van groepshuwelijk praktisch onmogelijk en blijft tenslotte het enkele, voorlopig nog los verbonden paar over, het molecule, met welks splitsing het huwelijk zelf ophoudt. Hieruit blijkt al hoe weinig de individuele geslachtsliefde in de tegenwoordige betekenis van het woord met het ontstaan van het enkelvoudige huwelijk te maken had. Dit wordt door de praktijk van alle volken die op deze trap staan nog verder bewezen. Terwijl bij de vroegere familievormen de mannen nooit om vrouwen verlegen behoefden te zijn, integendeel er eerder meer dan genoeg hadden, werden vrouwen nu zeldzaam en gezocht. Sinds het paringshuwelijk begint derhalve de roof en de koop van vrouwen — sterk verbreide symptomen, maar meer ook niet, van een ingetreden veel dieper liggende verandering; deze symptomen, slechts methoden om zich vrouwen te verschaffen, werden intussen door de fantasie van de pedante Schot McLennan als ‘roofhuwelijk’ en ‘koophuwelijk’ tot bijzondere familieklassen verheven. Overigens is ook bij de Amerikaanse Indianen en elders (op gelijke trap) het sluiten van het huwelijk niet de zaak van de betrokken personen, die vaak niet eens worden gevraagd, maar van hun moeders. Op deze wijze worden dikwijls twee mensen, die elkaar in het geheel niet kennen, met elkaar verloofd en eerst van de gesloten overeenkomst in kennis gesteld, wanneer de tijd van het huwelijk nadert. Voor de bruiloft geeft de bruidegom aan de gensverwanten van de bruid (dus aan haar verwanten van moederszijde, niet aan de vader en zijn verwanten) geschenken, die als koopsom voor het afgestane meisje gelden. Het huwelijk blijft ontbindbaar op wens van elk der beide echtgenoten; er heeft zich echter bij vele stammen, bv. bij de Irokezen, langzamerhand een openbare mening gevormd die tegen zulke scheidingen gekant is; bij onenigheden treden de gensverwanten van beide partijen bemiddelend op en pas wanneer dit geen resultaat oplevert heeft de scheiding plaats, waarbij de kinderen bij de vrouw blijven en waarna het ieder der beide partijen vrijstaat opnieuw te huwen.

De paringsfamilie, zelf te zwak en te onbestendig om een eigen huishouding tot een behoefte of ook maar wenselijk te maken, ontbindt geenszins de uit vroegere tijd overgeleverde communistische huishouding. Een communistische huishouding betekent echter heerschappij van de vrouwen in huis, zoals ook de uitsluitende erkenning van de vleselijke moeder, bij de bestaande onmogelijkheid de vleselijke vader met zekerheid te kennen, de hoge achting voor de vrouwen, d.w.z. voor de moeders betekent. Het is een van de meest absurder uit de 18de-eeuwse Verlichting overgeleverde voorstellingen, dat de vrouw in het begin van de maatschappij de slavin van de man zou zijn geweest. De vrouw heeft bij alle wilden en bij alle, op de laagste en op de middentrap en ten dele op de hoogste trap staande barbaren niet alleen een vrije, maar ook een hoog geachte positie. Wat zij nog in het paringshuwelijk is, kan men van Arthur Wright, die jarenlang missionaris onder de Seneka-Irokezen is geweest, vernemen:

‘Wat hun families betreft, in de tijd toen zij nog de oude range huizen’ (communistische huishoudingen van verschillende gezinnen) ‘bewoonden ... had daar steeds één clan’ (een gens) ‘de overhand, zodat de vrouwen hun mannen uit de andere clans’ (gentes) ‘namen ... Gewoonlijk was het vrouwelijke deel meester in huis; de voorraden waren gemeenschappelijk; wee echter de ongelukkige echtgenoot of minnaar, die te lui of te onhandig was om zijn aandeel in de gemeenschappelijke voorraad in te brengen. Onverschillig hoeveel kinderen of hoeveel persoonlijk bezit hij in huis had, ieder ogenblik kon hij het bevel verwachten zijn boeltje te pakken en het veld te ruimen. En het was hem niet geraden zich er tegen te verzetten; het werd hem in huis te heet gemaakt, er bleef hem niets anders over dan naar zijn eigen clan’ (gens) ‘terug te keren of wel, wat meestal het geval was, een nieuw huwelijk in een andere clan te zoeken. De vrouwen waren de grote macht in de clans’ (gentes) ‘en ook overal elders. Deed de gelegenheid zich daartoe voor, dan ontzagen zij zich niet een opperhoofd af te zetten en hem tot gewoon krijger te degraderen.

De communistische huishouding, waarin de meeste of alle vrouwen tot dezelfde gens behoren, de mannen echter over verschillende gentes zijn verdeeld, is de feitelijke grondslag voor de in de oertijd algemeen verbreide heerschappij van de vrouwen; het is de derde verdienste van Bachofen, dat hij ook dit heeft ontdekt. Hier zij nog aan toegevoegd, dat de berichten van reizigers en missionarissen over het belasten van de vrouwen met overmatige arbeid bij wilden en barbaren geenszins met het hierboven gezegde in strijd zijn. De arbeidsdeling tussen de beide geslachten berust op heel andere oorzaken dan de positie van de vrouw in de maatschappij. Volken, bij wie de vrouwen veel meer moeten werken dan hun naar onze opvatting toekomt, hebben voor de vrouwen vaak veel meer werkelijke achting dan onze Europeanen. De dame uit het tijdperk van de beschaving, omgeven met schijnhulde en ontwend aan alle werkelijke arbeid, heeft een oneindig veel lagere maatschappelijke positie dan de hard werkende vrouw uit de barbaarsheid, die in haar volk voor een werkelijke dame (lady, frowa, vrouw = meesteres) gold en dat ook volgens haar karakter was. Of het paringshuwelijk in Amerika heden ten dage het groepshuwelijk geheel heeft verdrongen, moeten andere onderzoekingen bij de nog op de hoogste trap van de wildheid staande noord-westelijke en voorat bij de Zuidamerikaanse volken uitmaken. Van deze laatsten worden zoveel verschillende voorbeelden van geslachtelijke ongebondenheid aangehaald, dat een volkomen overwinning op het oude groepshuwelijk hier nauwelijks kan worden aangenomen. In ieder geval zijn nog niet alle sporen er van verdwenen. Bij minstens veertig Noordamerikaanse stammen heeft de man, die een oudste zuster trouwt, het recht al haar zusters eveneens tot vrouw te nemen, zodra zij de vereiste leeftijd bereiken: een overblijfsel van het feit, dat een hele reeks van zusters hun mannen gemeenschappelijk hadden. En van de bewoners van het schiereiland Californië (hoogste trap der wildheid) vertelt Bancroft, dat zij zekere feesten hebben, waar verscheidene ‘stammen’ bijeenkomen met als doel de onbeperkte geslachtelijke omgang. 

Dit zijn blijkbaar gentes, die in deze feesten een vage herinnering bewaren aan de tijd, toen de vrouwen van de ene gens alle mannen van de andere gens tot gemeenschappelijke echtgenoten hadden en omgekeerd. Dezelfde gewoonte bestaat nog in Australië. Bij sommige volken komt het voor, dat de oudere mannen, de opperhoofden en tovenaars-priesters de vrouwengemeenschap voor zich uitbuiten en de meeste vrouwen voor zich alleen houden; maar daarvoor moeten zij bij sommige feesten en grote volksbijeenkomsten de oude gemeenschap weer van kracht laten worden en toelaten, dat hun vrouwen zich met de jonge mannen vermaken. Een gehele reeks van voorbeelden van zulke periodieke saturnaliën, waarbij de oude vrije geslachtelijke omgang weer voor korte tijd van kracht wordt, geeft Westermarck op blz. 28 en 29: bij de Ho’s, de Santals, de Pandsja’s en Kotars in Indië, bij enige Afrikaanse volken enz. Merkwaardigerwijze maakt Westermarck hieruit de gevolgtrekking, dat dit overblijfselen zouden zijn niet van het door hem geloochende groepshuwelijk, maar van de bronsttijd, die de oermens met de andere dieren gemeen zou hebben gehad.

Wij komen hier tot de vierde grote ontdekking van Bachofen, de ontdekking van de wijd verbreide overgangsvorm van het groepshuwelijk naar de paarvorming. Wat Bachofen als een boete voor het overtreden van de oude geboden der goden voorstelt: de boete, waarmee de vrouw het recht op kuisheid koopt, is in werkelijkheid slechts een mystieke uitdrukking voor de boete, waarmee de vrouw zich uit de oude mannengemeenschap loskoopt en het recht verwerft zich slechts aan één man te geven. Deze boete bestaat uit een beperkte prijsgave: de Babylonische vrouwen moesten zich eenmaal per jaar in de temper van Mylitta prijsgeven; andere Vooraziatische volken zonden hun meisjes jarenlang naar de tempel van Anaitis, waar zij met gunstelingen naar eigen keuze de vrije liefde moesten beoefenen, alleen zij mochten trouwen; dergelijke in een religieus kleed gehulde gewoonten hebben bijna alle Aziatische volken tussen de Middellandse Zee en de Ganges gemeen. Het zoenoffer voor het loskopen wordt in de loop van de tijd steeds lichter, zoals reeds Bachofen opmerkt: ‘De jaarlijks herhaalde offerande maakt plaats voor het zich eenmaal geven: na het hetaerisme van de matrones volgt dat van de meisjes, op de uitoefening daarvan gedurende het huwelijk die vóór het huwelijk, op de overgave zonder onderscheid aan allen de overgave aan bepaalde personen.’ (‘Moederrecht’, blz. XIX.)

Bij andere volken ontbreekt de religieuze omkleding; bij sommigen — bij de Thraciërs, de Kelten enz. in de oudheid, bij vele oerbewoners van Indië, bij Maleise volken, bij de bewoners van de Zuidzee-eilanden en vele Amerikaanse Indianen vandaag nog — genieten de meisjes tot hun huwelijk de grootste geslachtelijke vrijheid. In het bijzonder is dit bijna overal in Zuid-Amerika het geval, wat ieder, die daar wat dieper in het binnenland is doorgedrongen, kan bevestigen. Zo verhaalt Agassiz (‘Een reis in Brazilië’, blz. 266)  van een rijke familie van Indiaanse afkomst; toen hij met de dochter kennis maakte, vroeg hij naar haar vader, in de mening, dat deze de echtgenoot van de moeder was, die als officier in de oorlog tegen Paraguay vocht; maar de moeder antwoordde glimlachend: “Naõ tem pai, é filha da fortuna”, zij heeft geen vader, zij is een toevalskind. ‘Op deze wijze spreken Indiaanse of halfbloedvrouwen steeds zonder schaamte of verwijt van hun buitenechtelijke kinderen; en dit is volstrekt niet ongewoon, eerder schijnt het tegendeel uitzondering te zijn. De kinderen... kennen vaak alleen hun moeder, want alle zorg en verantwoordelijkheid komt op haar neer; van hun vader weten zij niets; ook schijnt het nooit bij de vrouw op te komen, dat zij of haar kinderen de een of andere aanspraak op hem hebben.’ Wat de beschaafde mens hier merkwaardig voorkomt is naar moederrecht en in het groepshuwelijk eenvoudig regel.

Bij weer andere volken maken de vrienden en verwanten van de bruidegom of de bruiloftsgasten bij de bruiloft zelf gebruik van het oude traditionele recht op de bruid en komt de bruidegom eerst het laatste aan de beurt; zo op de Balearen en bij de Afrikaanse Augiliërs in de oudheid, bij de Bareas in Abessinië vandaag nog. Bij weer anderen vertegenwoordigt een ambtelijk persoon, het hoofd van de stam of van de gens, een kaziek, sjaman, priester, vorst of hoe hij ook heten moge, de gemeenschap en oefent bij de bruid het recht van de eerste nacht uit. Ondanks alle neoromantische pogingen om dit feit te verbloemen, bestaat dit jus primae noctis als overblijfsel van het groepshuwelijk nog heden ten dage bij de meeste inwoners van het gebied van Alaska (Bancroft, ‘Native Races’, 1, 81), bij de Tahus in Noord-Mexico (zie aldaar, blz. 584) en bij andere volken; en het heeft tenminste in de oorspronkelijk Keltische landen, waar het rechtstreeks uit het groepshuwelijk is voortgekomen, gedurende de gehele tijd der middeleeuwen bestaan, bv. in Aragon. Terwijl de boer in Castilië nooit lijfeigen was, heerste in Aragon de vernederendste lijfeigenschap tot aan de scheidsrechterlijke uitspraak van Ferdinand de Katholiek in 1486.  In dit stuk staat: ‘Wij besluiten en verklaren, dat de bovengenoemde heren’ (senyors, baronnen) ‘... ook de eerste nacht, wanneer de boer een vrouw neemt, niet bij haar kunnen slapen, noch ten bewijze van de heerschappij in de bruidsnacht, nadat de vrouw zich te bed heeft begeven, over dit en over de genoemde vrouw heenstappen; noch kunnen de bovengenoemde heren zich van de dochter of de zoon van de boer bedienen, met of zonder betaling, tegen hun wil’ (aangehaald uit het Catalaanse origineel bij Sugenheim, ‘Lijfeigenschap’, Petersburg 1861, blz. 35).

Bachofen heeft verder zeer zeker gelijk, als hij steeds weer verklaart, dat de overgang van wat hij ‘hetaerisme’ of ‘Sumpfzeugung’ noemt tot het enkelvoudige huwelijk feitelijk door de vrouwen tot stand is gekomen. Hoe meer de traditionele geslachtsverhoudingen met de ontwikkeling van de economische levensvoorwaarden, dus met het ondermijnen van het oude communisme en met de toenemende bevolkingsdichtheid hun oorspronkelijk naïeve karakter verloren, des te vernederender en drukkender moesten zij de vrouwen toeschijnen, des te dringender moesten dezen naar het recht op kuisheid, naar het tijdelijke of duurzame huwelijk met slechts één man, als naar een verlossing verlangen. Van de mannen kon deze vooruitgang bovendien al daarom niet uitgaan, omdat het hen nooit, ook tot op de huidige dag niet is ingevallen van de genoegens van het werkelijke groepshuwelijk af te zien. Pas nadat door de vrouwen de overgang tot het paringshuwelijk tot stand was gebracht, konden de mannen de strenge monogamie invoeren — uiteraard alleen voor de vrouwen. De paringsfamilie ontstond op de grens van wildheid en barbaarsheid, meestal reeds op de hoogste trap van de wildheid, hier en daar eerst op de laagste trap van de barbaarsheid. Het is de karakteristieke familievorm voor de barbaarsheid, evenals het groepshuwelijk die voor de wildheid en de monogamie die voor de beschaving is. Om haar verder tot een hechte monogamie te ontwikkelen waren er andere oorzaken nodig dan die, welke wij tot nu toe aan het werk zagen. De groep was in de paring reeds tot op haar laatste eenheid, op haar twee-atomige molecule, één man en één vrouw, teruggebracht. De natuurlijke teeltkeuze had in de steeds verder gevoerde uitsluiting van de huwelijksgemeenschap haar werk volbracht; in deze richting bleef haar niets meer te doen. Als er dus geen nieuwe, maatschappelijke drijfkrachten in werking traden, dan was er geen reden, waarom er uit de paring een nieuwe gezinsvorm zou ontstaan. Maar deze drijfkrachten traden in werking.

Wij verlaten nu Amerika, het klassieke land van de paringsfamilie. Geen enkel teken wijst er op, dat zich daar een hogere gezinsvorm beeft ontwikkeld, dat daar ooit vóór de ontdekking en verovering ergens vaste monogamie heeft bestaan. Anders is het in de oude wereld.

Hier had het temmen van huisdieren en het fokken van kudden een vroeger ongekende bron van rijkdom ontwikkeld en geheel nieuwe maatschappelijke verhoudingen geschapen. Tot op de laagste trap van de barbaarsheid had de blijvende rijkdom bijna uitsluitend bestaan uit het huis, de kleding, grove sieraden en de werktuigen voor het verkrijgen en toebereiden van het voedsel: boot, wapens, huisraad van het eenvoudigste soort. Het voedsel moest elke dag opnieuw worden verworven. Nu, met de kudden paarden, kamelen, ezels, runderen, schapen, geiten en varkens hadden de opdringende herdersvolken — de Ariërs in het Indische Vijfstromenland en in het gebied van de Ganges, evenals in de toen nog veel waterrijkere steppen aan de Oxus en Jaxartes; de Semieten aan de Eufraat en de Tigris — een bezit verworven, dat slechts toezicht en ruwe verzorging nodig had om zich in steeds groter getale voort te planten en de meest overvloedige voeding aan melk en vlees te leveren. Alle vroegere middelen voor het verkrijgen van voedsel kwamen nu op de achtergrond; de jacht, vroeger noodzaak, werd nu weelde.

Aan wie behoorde echter deze nieuwe rijkdom? Ongetwijfeld oorspronkelijk aan de gens. Maar al vroeg moet de particuliere eigendom van de kudden zich hebben ontwikkeld. Het is moeilijk te zeggen of de schrijver van het zogenaamde eerste Boek van Mozes vader Abraham beschouwde als de eigenaar van zijn kudden krachtens zijn recht als hoofd van een familiegemeenschap of krachtens zijn hoedanigheid als feitelijk erfelijk hoofd van een gens. Zeker is slechts, dat wij hem ons niet als een eigenaar in de moderne betekenis van het woord mogen voorstellen. En verder staat het vast, dat wij aan het begin van de geschreven geschiedenis de kudden al overal in de speciale eigendom van familiehoofden vinden, evenals de kunstvoorwerpen uit de barbaarsheid, metalen gereedschap, weeldeartikelen en tenslotte het menselijke vee — de slaven.

Want nu was ook de slavernij uitgevonden. Voor de barbaar van de laagste trap was de slaaf waardeloos. Vandaar dat de Amerikaanse Indianen met de overwonnen vijanden heel anders handelden dan op een hogere trap geschiedde. De mannen werden gedood ofwel als broeders in de stam van de overwinnaars opgenomen; de vrouwen werden gehuwd of anders met hun in het leven gebleven kinderen eveneens geadopteerd. De menselijke arbeidskracht leverde op deze trap nog geen noemenswaard overschot boven haar onderhoudskosten. Met de invoering van de veeteelt, de metaalbewerking, de weverij en tenslotte de akkerbouw werd dit anders. Gelijk de vroeger zo gemakkelijk te krijgen vrouwen nu een ruilwaarde hadden gekregen en gekocht werden, geschiedde het met de arbeidskrachten, vooral sinds de kudden definitief eigendom van de familie waren geworden. De familie vermeerderde zich niet zo snel als het vee. Er waren meer mensen nodig om toezicht te houden; daartoe kon men de krijgsgevangene vijand gebruiken, die zich bovendien even goed liet voorttelen als het vee zelf.

Zodra deze rijkdommen eenmaal particulier eigendom van de families waren geworden en bovendien snel waren toegenomen, gaven zij een krachtige stoot aan de maatschappij die op het paringshuwelijk en de moederrechtelijke gens berustte. Het paringshuwelijk had een nieuw element in de familie gebracht. Naast de vleselijke moeder had het de wettig erkende vleselijke vader geplaatst, wiens erkenning waarschijnlijk bovendien op betere gronden berustte dan die van heel wat hedendaagse ‘vaders’. Volgens de toenmalige arbeidsdeling in de familie moest de man voor het voedsel en voor de daarvoor nodige arbeidsmiddelen zorgen en bezat hij deze laatste ook in eigendom; ingeval van scheiding nam hij ze mee, terwijl de vrouw haar huisraad behield. Volgens het gebruik in de toenmalige maatschappij was de man dus ook de eigenaar van de nieuwe bron van voedsel, het vee, en later van het nieuwe arbeidsmiddel, de slaven. Volgens het gebruik van dezelfde maatschappij konden zijn kinderen echter niet van hem erven, want daarmee was het als volgt gesteld:

Volgens het moederrecht, dus zolang de afstamming slechts in vrouwelijke lijn gold, en volgens de oorspronkelijke erfgewoonte in de gens erfden aanvankelijk de gensverwanten van hun gestorven gensgenoten. Het vermogen moest in de gens blijven. Bij de onbelangrijkheid van de voorwerpen zal het van oudsher in de praktijk wel aan de naaste gensverwanten, dus aan de bloedverwanten van moederszijde zijn overgegaan. De kinderen van de overleden man behoorden echter niet tot zijn gens, maar tot die van hun moeder; aanvankelijk erfden zij van haar tezamen met de overige bloedverwanten van de moeder, later misschien in de eerste plaats; maar van hun vader konden zij niet erven, omdat zij niet tot zijn gens behoorden en zijn vermogen immers in zijn gens moest blijven. Bij de dood van de eigenaar zouden zijn kudden dus in de eerst plaats aan zijn broers en zusters en aan de kinderen van zijn zusters of aan de nakomelingen van de zusters van zijn moeder zijn overgegaan. Zijn eigen kinderen waren echter onterfd.

Naargelang dus de rijkdommen toenamen, gaven zij enerzijds aan de man een belangrijkere positie in het gezin dan aan de vrouw en verwekten anderzijds de drang deze versterkte positie te gebruiken om de vanouds gebruikelijke erfopvolging ten gunste van de kinderen omver te werpen. Dit ging echter niet, zolang de afstamming volgens het moederrecht gold. Die moest dus worden omvergeworpen en werd ook omvergeworpen. Dat was volstrekt niet zo moeilijk als het ons vandaag lijkt. Want deze revolutie — een van de meest ingrijpende die de mensen hebben beleefd — behoefde geen der levende leden van een gens te raken. Al hun leden konden verder blijven wat zij geweest waren. Voldoende was het eenvoudige besluit, dat in de toekomst de nakomelingen van de mannelijke leden in de gens zouden blijven, die van de vrouwelijke echter uitgesloten zouden zijn en in de gens van hun vader zouden overgaan. Daarmee waren de berekening van de afstamming in de vrouwelijke lijn en het erfrecht van moederszijde omvergeworpen, de afstamming in de mannelijke lijn en het erfrecht van vaderszijde ingevoerd. Hoe deze revolutie bij de cultuurvolken heeft plaats gehad en wanneer, daarvan weten wij niets. Zij valt geheel in de voorhistorische tijd. Het is echter meer dan voldoende aangetoond dat zij heeft plaats gehad, en wel door de vooral door Bachofen verzamelde talrijke sporen van moederrecht. Hoe gemakkelijk zij plaats heeft, dat zien wij bij tal van Indianenstammen, waar zij eerst kort geleden doorgevoerd werd en nog wordt, ten dele onder invloed van de toenemende rijkdom en de veranderde levenswijze (overgang uit de wouden naar de prairie), ten dele onder de morele invloed van de beschaving en van de zendelingen. Van acht Missouristammen hebben zes de mannelijke en nog slechts twee de vrouwelijke lijn van afstamming en erfopvolging. Bij de Shawnees, Miamis en Delawares is het gewoonte geworden om de kinderen, opdat zij van hun vader kunnen erven, in de gens van de vader te verplaatsen door hun een naam te geven, die tot deze gens behoort. ‘Ingeboren casuïstiek gedoe van de mensen om de dingen te veranderen door hun namen te veranderen! En achterdeurtjes te vinden om in het raam van de traditie de traditie te verbreken, ‘wanneer rechtstreeks belang een voldoende drijfveer vormde’ (Marx) Daardoor ontstond een hopeloze verwarring, waaraan slechts te ontkomen was en ten dele ontkomen werd door de overgang tot het vaderrecht. ‘Dit schijnt in het algemeen de meest natuurlijke overgang.’ (Marx.) Wat de vergelijkende rechtsgeleerden ons weten te zeggen over de wijze waarop deze overgang zich bij de cultuurvolken van de oude wereld voltrok — weliswaar bijna uitsluitend veronderstellingen —, zie men bij M. Kowalewski, ‘Beschrijving van de oorsprong en de ontwikkeling van het gezin en van de eigendom’, Stockholm 1890. 

De omverwerping van het moederrecht was de wereldhistorische nederlaag van het vrouwelijke geslacht. De man nam ook in huis het heft in handen, de vrouw werd van haar waardigheid beroofd, geknecht, tot slavin van zijn lusten en louter een werktuig om kinderen voort te brengen. Deze vernederende positie van de vrouw, zoals ze vooral bij de Grieken in de heldentijd en nog meer in de klassieke tijd duidelijk aan de dag treedt, werd langzamerhand huichelachtig vergoelijkt of hier en daar in een mildere vorm gekleed, maar afgeschaft werd zij geenszins.

De eerste uitwerking van de aldus gevestigde alleenheerschappij van de mannen komt tot uitdrukking in de nu opkomende tussenvorm — de patriarchale families. Haar voornaamste kenmerk is niet de veelwijverij, waarover later, maar ‘de organisatie van een aantal vrije en onvrije personen tot een families onder het vaderlijke gezag van het hoofd der families. In de semietische vorm leeft dit familiehoofd in veelwijverij, de onvrijen hebben vrouw en kinderen en het doel van de hele organisatie is het hoeden van kudden binnen de grenzen van een bepaald gebied.  Het belangrijkste is het opnemen van de onvrijen in de familie en het vaderlijke gezag; daarom is het volmaakte type van deze familievorm de Romeinse families Het woord ‘familia’ betekent oorspronkelijk niet het uit sentimentaliteit en huiselijke twist samengestelde ideaal van de tegenwoordige filister; het heeft bij de Romeinen aanvankelijk zelfs niet eens betrekking op het echtpaar en zijn kinderen, maar alleen op de slaven. Famulus betekent huisslaaf en familia betekent het totaal van de aan een man toebehorende slaven. Nog in de tijd van Gaius werd de ‘familia, id est patrimonium’ (d.w.z. het erfdeel) bij testament vermaakt. De uitdrukking werd door de Romeinen uitgevonden om een nieuw maatschappelijk organisme aan te duiden, welks hoofd meester was over vrouw, kinderen en een aantal slaven, over wier aller leven en dood hij, krachtens het Romeinse vaderlijke gezag, het recht had te beschikken. ‘Het woord is dus niet ouder dan het in een ijzeren pantser gehulde familiestelsel van de Latijnse stammen, dat opkwam na het invoeren van de akkerbouw en van de wettelijke slavernij, en na de afscheiding van de Arische Italiërs van de Grieken.’  Marx voegde hieraan toe. ‘Het moderne gezin bevat in de kiem niet slechts slavernij (servitus), maar ook lijfeigenschap, omdat het van meet af aan betrekking heeft op diensten voor de akkerbouw. Het bevat in miniatuur alle tegenstellingen, die zich later in de maatschappij en in haar staat op brede schaal ontwikkelen.’

Zulk een gezinsvorm toont de overgang van het paringshuwelijk naar de monogamie. Om zeker te zijn van de trouw van de vrouw, dus van het vaderschap over de kinderen, wordt de vrouw onvoorwaardelijk onderworpen aan de macht van de man — wanneer hij haar doodt, oefent hij slechts zijn recht uit.

Met het patriarchale gezin komen wij op het gebied van de geschreven geschiedenis, waar de vergelijkende rechtswetenschap ons een belangrijke hulp kan bieden. En inderdaad heeft zij ons hier een belangrijke vooruitgang gebracht. Aan Maxim Kowalewski (‘Beschrijving enz. van het gezin en van de eigendom’, Stockholm 1890, blz. 60-100) hebben wij het bewijs te danken, dat het patriarchale huisgenootschap, zoals wij dat vandaag nog bij de Serviërs en Bulgaren onder de naam zadroega (ongeveer als vriendenkring te vertalen) of bratstwo (broederschap) en in gewijzigde vorm bij de Oosterse volken aantreffen, de overgangstrap heeft gevormd tussen de uit het groepshuwelijk voortkomende moederrechtelijke familie en het afzonderlijke gezin van de moderne wereld. Voor de cultuurvolken van de oude wereld, voor de Ariërs en Semieten schijnt dit althans te zijn aangetoond.

De Zuidslavische zadroega vormt het beste nog bestaande voorbeeld van zulk een familiegemeenschap. Zij omvat verscheidene generaties nakomelingen van één vader met hun vrouwen, die allen op één hofstede samenwonen, hun velden gemeenschappelijk bebouwen, zich uit de gemeenschappelijke voorraad voeden en kleden en het overschot van de opbrengst gemeenschappelijk bezitten. De gemeenschap staat onder het opperste beheer van de huisheer (domacin), die haar naar buiten vertegenwoordigt, kleinere voorwerpen kan vervreemden, de kas houdt en voor deze zowel als voor de geregelde gang van zaken verantwoordelijk is. Hij wordt gekozen en behoeft volstrekt niet de oudste te zijn. De vrouwen en hun werk staan onder leiding van de huisvrouw (domacica), die gewoonlijk de vrouw van de domacin is. Zij heeft ook bij de keuze van echtgenoten voor de meisjes een belangrijke, vaak beslissende stem. De hoogste macht berust echter bij de familieraad, de vergadering van alle volwassen genoten, vrouwen en mannen. Voor deze vergadering legt de huisheer rekenschap af; zij neemt de belangrijkste besluiten, spreekt recht over de leden, beslist over aan- en verkopen van enig belang, met name van grondbezit enz.

Eerst sedert ongeveer tien jaar is het voortbestaan van zulke grote familiegenootschappen ook in Rusland aangetoond , men erkent nu algemeen, dat zij evenzeer in de Russische volkszeden wortelen als de obsjtsjina of dorpsgemeenschap. Zij komen in het oudste Russische wetboek, de ‘Pravda’ van Jaroslaw,  onder dezelfde naam (werwj) voor als in de Dalmatische wetten  en kunnen ook in Poolse en Tsjechische geschiedenisbronnen worden aangetoond.

Ook bij de Duitsers is volgens Heusler (‘Instellingen van het Duitse recht’)  de economische eenheid oorspronkelijk niet het individuele gezin in de moderne betekenis van het woord, maar het ‘huisgenootschap’, dat uit verscheidene generaties, respectievelijk individuele gezinnen bestaat en daarnaast vaak genoeg onvrijen omvat. Ook de Romeinse familie wordt tot dit type teruggebracht en de absolute macht van de huisvader zowel als de rechteloosheid van de overige familieleden ten opzichte van hem wordt daarom in de laatste tijd sterk bestreden. Bij de Kelten moeten in lerland eveneens dergelijke huisgenootschappen hebben bestaan; in Frankrijk bleven zij in Nivernais onder de naam parçonneries tot de Franse Revolutie bestaan en in de Franche-Comté zijn zij ook nu nog niet geheel uitgestorven. In de buurt van Louhans (Saône et Loire) ziet men grote boerderijen met een gemeenschappelijke, hoge tot aan het dak reikende middenzaal, waaromheen de slaapkamers liggen. Deze kamers zijn te bereiken via trappen van zes tot acht treden en dienen tot woonruimte voor verscheidene generaties van een zelfde families In Indië wordt het huisgenootschap met gemeenschappelijke bebouwing van de grond reeds door Nearchos, in de tijd van Alexander de Grote, vermeld  en het bestaat ook vandaag nog in de desbetreffende streek, in de Pendsjab en in het gehele noord-westen van het land. In de Kaukasus kon Kowalewski ze zelf aantonen. In Algerije bestaat het nog bij de Kabylen. Zelfs in Amerika moet het zijn voorgekomen; men meent ze te kunnen distilleren uit de ‘Calpullis’, die Zurita in het oude Mexico beschrijft;  daarentegen heeft Cunow (‘Ausland’, 1890, No. 42-44)  vrij duidelijk aangetoond, dat er in Peru ten tijde van de verovering een soort van markerecht bestond (waarbij de mark merkwaardigerwijze marca heette) en dat de bebouwde grond periodiek verdeeld, d.w.z. door ieder gezin afzonderlijk bewerkt werd. In ieder geval krijgt nu het patriarchale huisgenootschap met gemeenschappelijk grondbezit en gemeenschappelijke bebouwing een heel andere betekenis dan vroeger. Er valt niet langer te twijfelen aan de belangrijke rol, die het bij de cultuurvolken en bij vele andere volken van de oude wereld heeft gespeeld als overgang van de moederrechtelijke familie tot het individuele gezin. Later komen wij terug op de door Kowalewski verder getrokken conclusie, dat het eveneens de overgangstrap vormde waaruit zich de dorps- of markgemeenschap met individuele bebouwing en eerst periodieke, later duurzame verdeling van het bouw- en weiland ontwikkelde.

Wat het familieleven binnen deze huisgenootschappen betreft, valt op te merken, dat althans in Rusland de huisvader de naam heeft sterk misbruik te maken van zijn positie tegenover de jongere vrouwen in het genootschap, speciaal tegenover de schoondochters, en vaak uit hen een harem te vormen; de Russische volksliederen weten hier tamelijk veel over te verhalen. Voordat wij tot de monogamie overgaan, die zich na de val van het moederrecht snel ontwikkelde, nog een paar woorden over veelwijverij en veelmannerij. Beide huwelijksvormen kunnen slechts uitzonderingen zijn, om zo te zeggen historische weelde-artikelen, tenzij ze in een land naast elkaar voorkomen, wat naar men weet niet het geval is. Daar dus de van de veelwijverij uitgesloten mannen zich niet kunnen troosten bij de van veelmannerij overgebleven vrouwen, en het aantal mannen en vrouwen onafhankelijk van de sociale instellingen tot nu toe vrijwel gelijk was, is de ontwikkeling zowel van de ene als van de andere van deze huwelijksvormen tot algemeen geldende vorm vanzelf uitgesloten. Inderdaad was de veelwijverij van één man klaarblijkelijk het product van de slavernij en beperkt tot enkele uitzonderingsgevallen. In de semietisch-patriarchale familie leeft alleen de patriarch zelf en hoogstens nog een paar van zijn zonen in veelwijverij; de anderen moeten zich met één vrouw tevreden stellen. Zo is het vandaag nog overal in het Oosten; de veelwijverij is een voorrecht van de rijken en voornamen en is voornamelijk gebaseerd op de aankoop van slavinnen; de massa van het volk leeft in monogamie. Een dergelijke uitzondering is de veelmannerij in Indië en Tibet, waarvan de zeker niet oninteressante oorsprong uit het groepshuwelijk nog nader moet worden onderzocht. In de praktijk schijnt zij overigens veel coulanter te zijn dan het jaloerse haremgedoe van de Mohammedanen. Bij de Nairs in Indië tenminste hebben telkens drie, vier of meer mannen wel gemeenschappelijk één vrouw; maar ieder van hen kan daarnaast met drie of meer andere mannen gemeenschappelijk een tweede vrouw hebben en ook een derde, vierde enz. Het is een wonder, dat McLennan in deze huwelijksclubs, waarvan men tegelijkertijd van meer dan één lid kan zijn en die hij zelf beschrijft, niet de nieuwe klasse van het clubhuwelijk heeft ontdekt. Deze huwelijksclubvorm is overigens volstrekt geen werkelijke veelmannerij; zij is integendeel, zoals Giraud-Teuton at opmerkt, een gespecialiseerde vorm van het groepshuwelijk; de mannen leven in veelwijverij, de vrouwen in veelmannerij.

 

4. Het monogame gezin

Het ontstaat, zoals al werd aangetoond, in de overgangstijd tussen de midden- en hoogste trap van de barbaarsheid uit de paringsfamilie; zijn algehele overwinning is een van de kentekenen van het begin der beschaving. Het berust op de heerschappij van de man, met het uitdrukkelijke doel kinderen voort te brengen, van wie de vader onbetwistbaar vaststaat, en zulk een vaderschap is een vereiste, omdat deze kinderen mettertijd als de natuurlijke erfgenamen van het vaderlijke vermogen moeten optreden. Het onderscheidt zich van het paringshuwelijk door een veel grotere hechtheid van de huwelijksband, die nu niet meer naar wederzijds goeddunken kan worden verbroken. In de regel kan nog slechts de man de band verbreken en zijn vrouw verstoten. Het recht van de echtelijke ontrouw blijft hem ook nu, althans door de zeden, gewaarborgd (de Code Napoléon kent het de man uitdrukkelijk toe, zolang hij zijn minnares niet in de echtelijke woning brengt)  en met de toenemende maatschappelijke ontwikkeling wordt er steeds meer gebruik van gemaakt; herinnert de vrouw zich de oude geslachtelijke praktijk en wit zij die hernieuwen, dan wordt zij strenger gestraft dan ooit tevoren.

In zijn volle hardheid ontmoeten wij de nieuwe gezinsvorm bij de Grieken. Terwijl, zoals Marx opmerkt, de positie van de godinnen in de mythologie ons een vroeger tijdvak toont, waarin de vrouwen nog een vrijere, meer geachte positie innamen, vinden wij in de heidentijd de vrouw reeds vernederd door de overheersing van de man en door de concurrentie van slavinnen. Men leze in de ‘Odyssee’ hoe Telemachos zijn moeder berispt en tot zwijgen maant. Bij Homeros vallen de buitgemaakte jonge vrouwen ten offer aan de zinnelijke lusten van de overwinnaars; de aanvoerders kiezen ieder op hun beurt naar rangorde de schoonste vrouwen uit; de hele ‘Ilias’ draait, zoals met weet, om de twist tussen Achilles en Agamemnon om zulk een slavin. Bij Homeros wordt naast iedere held van betekenis het krijgsgevangen meisje vermeld, waarmee hij tent en bed deelt. Deze meisjes worden ook naar het vaderland en naar de echtelijke woning meegenomen, zoals Kassandra door Agamemnon bij Aiscliylos; de bij zulke slavinnen verwekte zonen krijgen een klein deel van de vaderlijke erfenis en gelden als geheel vrij; Teukros is zulk een buitenechtelijke zoon van Telamon en mag zich naar zijn vader noemen. Van de echtgenote wordt verwacht, dat zij zich dit alles laat welgevallen, maar zelf strenge kuisheid en echtelijke trouw in acht neemt. De Griekse vrouw uit de heidentijd is wel meer geacht dan de vrouw uit het tijdperk van de beschaving, maar zij is tenslotte voor de man toch slechts de moeder van zijn echtelijke erfgerechtigde kinderen, de opperste bestuurster van zijn huishouden, de opzichteres over de slavinnen, die hij zich naar willekeur als concubines kan nemen en ook neemt. Het is het bestaan van slavernij naast monogamie, de aanwezigheid van jonge, mooie slavinnen die met alles wat zij hebben de man toebehoren, dat van het begin af aan de monogamie haar bijzondere karakter verleent, nl. monogamie te zijn alleen voor de vrouw en niet voor de man. En dit karakter heeft zij heden nog. Voor de latere Grieken moeten wij onderscheid maken tussen de Doriërs en de loniërs. De eersten, wier klassieke voorbeeld Sparta is, hebben in menig opzicht nog ouderwetsere huwelijksverhoudingen dan zelfs Homeros beschrijft. In Sparta geldt een paringshuwelijk, dat naar de daar heersende opvattingen omtrent de staat gewijzigd is en nog vele herinneringen aan het groepshuwelijk vertoont. Kinderloze huwelijken worden ontbonden; koning Anaxandridas (ongeveer 560 voor onze jaartelling) nam bij zijn kinderloze vrouw een tweede en voerde twee huishoudingen; ongeveer in dezelfde tijd nam koning Ariston bij twee onvruchtbare vrouwen een derde, maar stuurde daarvoor een van de eersten weg. Anderzijds konden verscheidene broers een gemeenschappelijke vrouw hebben, mocht de vriend, wie de vrouw van zijn vriend beter beviel, haar met hem delen en gold het voor fatsoenlijk om de vrouw een stramme ‘hengst’, zoals Bismarck zou zeggen, ter beschikking te stellen, zelfs wanneer deze geen burger was. Uit een passage bij Ploetarchos, waarin een Spartaanse vrouw de minnaar, die haar met aanzoeken vervolgt, naar haar echtgenoot verwijst, schijnt — volgens Schoemann — zelfs een nog grotere vrijheid van zeden te volgen.  Werkelijke echtbreuk, ontrouw van de vrouw achter de rug van de man om was dan ook ongehoord. Aan de andere kant was de huisslavernij in Sparta, althans in de beste tijd, onbekend; de lijfeigen heloten woonden afzonderlijk op de landgoederen; daardoor was de verleiding voor de spartiaten om het met de vrouwen van de heloten te houden geringer  Het kon onder deze omstandigheden dan ook niet anders, of de vrouwen in Sparta moesten een heel wat meer geachte positie hebben dan bij de overige Grieken. De Spartaanse vrouwen en de elite van de Atheense hetaeren zijn de enige Griekse vrouwen, over wie de Ouden met achting spreken en wier woorden zij de moeite waard vinden op te tekenen.

Geheel anders is het bij de loniërs, voor wie Athene kenmerkend is. De meisjes leerden alleen spinnen, weven en naaien, hoogstens een weinig lezen en schrijven. Zij waren zo goed als opgesloten en gingen alleen met andere vrouwen om. Het vrouwenverblijf was een afgezonderd deel van het huis, op de bovenverdieping of in het achterhuis, waar mannen, vooral vreemden, niet gemakkelijk konden komen en waarin de vrouwen, zich bij mannenbezoek terugtrokken. De vrouwen gingen niet uit zonder geleide van een slavin; thuis werden zij formeel bewaakt; Aristofanes spreekt van Molos-honden die gehouden werden om echtbrekers af te schrikken; in de Aziatische steden tenminste hield men voor het bewaken van de vrouwen eunuchen die op Chios reeds ten tijde van Herodotos voor de handel werden gefabriceerd en volgens Wachsmuth niet alleen ten behoeve van de barbaren. Bij Euripides wordt de vrouw als oikoerema, als een ding voor het in orde houden van het huis (het woord is onzijdig) aangeduid. Voor de Athener was zij, behalve een instrument om kinderen voort te brengen, ook niets anders dan de opperste dienstbode. De man had zijn gymnastische oefeningen en zijn openbare aangelegenheden, waarvan de vrouw was uitgestoten; bovendien had bij vaak nog slavinnen tot zijn beschikking en in de bloeitijd van Athene een uitgebreide en door de staat in ieder geval begunstigde prostitutie. Juist op grondslag van deze prostitutie ontwikkelden zich die bijzondere Griekse vrouwenkarakters, die door geest en artistieke smaak even hoog boven het algemene peil van de vrouwen der Oudheid uitsteken als de Spartaanse vrouwen het door hun karakter deden. Het feit echter dat men eerst hetaere moest worden om vrouw te kunnen zijn, is wel de strengste veroordeling van het Atheense gezin.

Dit Atheense gezin werd mettertijd het voorbeeld, waarnaar niet alleen de overige loniërs, maar ook meer en meer alle Grieken in het binnenland en de koloniën hun huiselijke leven vormden. Maar ondanks alle afsluiting en bewaking vonden de Griekse vrouwen vaak genoeg gelegenheid hun mannen te bedriegen. Terwijl dezen zich zouden hebben geschaamd om ook maar enige liefde voor hun vrouwen te verraden, vermaakten zij zich met allerlei liefdesgeschiedenissen met hetaeren; maar de vernedering van de vrouw wreekte zich op de mannen en vernederde ook hen, tot zij vervielen in de afzichtelijke knapenliefde en zowel hun goden als zichzelf verlaagden door de mythe van Ganymedes.

Dat was de oorsprong van de monogamie, voor zover wij hem bij het meest beschaafde en hoogst ontwikkelde volk van de Oudheid kunnen nagaan. De monogamie was geenszins een vrucht van de individuele geslachtsliefde, waarmee zij volstrekt niets te maken had, omdat de huwelijken nog steeds huwelijken uit berekening bleven. Zij was de eerste gezinsvorm die niet op natuurlijke, maar op economische voorwaarden berustte, namelijk op de overwinning van de particuliere eigendom op de oorspronkelijke primitieve gemeenschappelijke eigendom. Heerschappij van de man in het gezin en het verwekken van kinderen, die alleen de zijne konden zijn en bestemd waren om zijn rijkdommen te erven — dat waren de enige, door de Grieken onomwonden uitgesproken doeleinden van het monogame huwelijk. Overigens was het voor hen een last, een plicht tegenover de goden, de staat en de eigen voorouders, die nu eenmaal moest worden vervuld. In Athene dwong de wet niet alleen tot het huwelijk, maar ook tot het vervullen van een minimum van zogenaamde echtelijke plichten door de man.

Het monogame huwelijk doet dus volstrekt niet zijn intrede in de geschiedenis als de verzoening van man en vrouw en nog veel minder als haar hoogste vorm. Integendeel. Het treedt op als de onderdrukking van het ene geslacht door het andere, als de verkondiging van een tot nu toe in de hele voorgeschiedenis onbekende tegenstelling van de geslachten. In een oud, in 1846 door Marx en mij uitgewerkt, onuitgegeven manuscript vind ik de volgende woorden: ‘De eerste verdeling van de arbeid is die van man en vrouw voor het voortbrengen van kinderen.’  En nu kan ik er aan toevoegen — de eerste klassentegenstelling, die in de geschiedenis optreedt, valt samen met de ontwikkeling van het antagonisme tussen man en vrouw in het enkelvoudige huwelijk en de eerste klassenonderdrukking met die van het vrouwelijke geslacht door het mannelijke. Het enkelvoudige huwelijk was een grote historische vooruitgang, maar tevens begint daarmee naast slavernij en particuliere rijkdom het tot nu toe voortdurende tijdperk, waarin iedere vooruitgang tevens een betrekkelijke achteruitgang is, waarin het welzijn en de ontwikkeling van de enen plaats heeft ten koste van het lijden en de achteruitzetting van de anderen. Het is de celvorm van de beschaafde maatschappij, waarin wij al het wezen van de tegenstellingen en tegenstrijdigheden kunnen bestuderen die in deze maatschappij tot volle ontwikkeling komen.

De oude betrekkelijke vrijheid van geslachtelijke omgang verdween volstrekt niet met de overwinning van het paringshuwelijk of zelfs met het enkelvoudige huwelijk. ‘Het oude huwelijksstelsel, binnen nauwere grenzen teruggebracht door het langzamerhand uitsterven van de poenaloeagroepen, omgaf nog altijd het zich verder ontwikkelende gezin en kleefde het aan tot het opkomen der beschaving... het verdween tenslotte in de nieuwe vorm van het hetaerisme, dat de mensen tot in de beschaving volgt als een donkere schaduw die op het gezin rust.’ 

Onder hetaerisme verstaat Morgan de naast het enkelvoudige huwelijk bestaande, buitenechtelijke geslachtelijke omgang van mannen met ongehuwde vrouwen, die, zoals men weet, gedurende het gehele tijdperk van de beschaving in de meest verschillende vormen bloeit en meer en meer openlijke prostitutie wordt. Dit hetaerisme laat zich rechtstreeks afleiden uit het groepshuwelijk, uit het prijsgevingsoffer der vrouwen, waarmee zij zich het recht op kuisheid kochten. Zich te geven voor geld was eerst een godsdienstige handeling, die plaats had in de tempel van de liefdesgodin en het geld kwam oorspronkelijk in de tempelschat. De hierodulen van Anaïtis in Armenië, van Afrodite in Korinthe en de aan de tempels verbonden religieuze danseressen in Indië, de zogenaamde bajadères (het woord is verbasterd uit het Portugese bailadeira — danseres), waren de eerste prostituees. Het zich prijsgeven, oorspronkelijk plicht van iedere vrouw, werd later alleen door deze priesteressen als plaatsvervangsters van alle anderen uitgeoefend. Bij andere volken kan men het hetaerisme afleiden uit de geslachtelijke vrijheid die aan de meisjes voor het huwelijk is veroorloofd — dus eveneens een rest van het groepshuwelijk, die ons alleen langs een andere weg is overgeleverd. Met het opkomen van het verschil in eigendom, dus al op de hoogste trap van de barbaarsheid, komt de loonarbeid sporadisch voor naast de slavenarbeid en tegelijk, als noodzakelijke aanvulling, de beroepsprostitutie van vrije vrouwen naast het gedwongen prijsgeven van de slavin. De erfenis die het groepshuwelijk aan de beschaving vermaakte is dus dubbelzinnig, zoals alles wat de beschaving voortbrengt dubbelzinnig, tweeledig, innerlijk gespleten en met zichzelf in tegenspraak is — hier de monogamie, daar het hetaerisme met zijn uiterste vorm, de prostitutie. Het hetaerisme is namelijk een maatschappelijke instelling als elke andere; het zet de oude geslachtelijke vrijheid voort — ten gunste van de mannen. Terwijl het in werkelijkheid niet alleen geduld, maar met name door de heersende klassen met animo wordt beoefend, wordt het in woorden veroordeeld. In werkelijkheid treft deze veroordeling echter volstrekt niet de daarbij betrokken mannen, maar alleen de vrouwen; zij worden vogelvrij verklaard en uitgestoten, om zo nogmaals de onvoorwaardelijke heerschappij van de mannen over het vrouwelijke geslacht als maatschappelijke grondwet te verkondigen.

Daarmee ontwikkelt zich echter een tweede tegenstelling binnen de monogamie zelf. Naast de echtgenoot, die zich het leven dankzij het hetaerisme veraangenaamt, staat de verwaarloosde echtgenote. En men kan niet de ene kant van de tegenstelling hebben zonder de andere, evenmin als men nog een hele appel in de hand heeft, nadat men de ene helft heeft opgegeten. Toch schijnt dat de mening van de mannen te zijn geweest, totdat hun vrouwen hen uit de droom hielpen. Met het enkelvoudige huwelijk treden twee blijvende maatschappelijke types op, die vroeger onbekend waren: de vaste minnaar van de vrouw en de hoorndrager. De mannen hadden de overwinning op de vrouwen behaald, maar de bekroning van het werk namen de overwonnenen grootmoedig op zich. Naast het enkelvoudige huwelijk en het hetaerisme werd de echtbreuk — een onvermijdelijke maatschappelijke instelling — verboden, streng bestraft, maar niet te onderdrukken. De zekerheid van het vaderschap met betrekking tot de kinderen berustte evenals vroeger hoogstens op morele overtuiging, en om de onoplosbare tegenstrijdigheid op te lossen, decreteerde de Code Napoléon in art. 312: ‘l’enfant conçu pendant le mariage a pour père le mari; het gedurende het huwelijk ontvangen kind heeft de echtgenoot tot vader’. Dat is het laatste resultaat van drieduizend jaar enkelvoudig huwelijk.

Zo hebben wij in het individuele gezin, in de gevallen waarin het trouw blijft aan zijn historische ontstaan en de in de uitsluitende heerschappij van de man uitgedrukte belangenstrijd van man en vrouw duidelijk doet uitkomen, in het klein een beeld van dezelfde tegenstellingen en tegenstrijdigheden, waarin de sinds de intrede in de beschaving in klassen gesplitste maatschappij zich beweegt, zonder die te kunnen oplossen en overwinnen. Ik spreek hier natuurlijk alleen van de gevallen van het monogame huwelijk, waar het huwelijksleven werkelijk in de geest van het oorspronkelijke karakter van de hele instelling verloopt, maar waar de vrouw tegen de heerschappij van de man in opstand komt. Dat niet alle huwelijken zo verlopen weet niemand beter dan de Duitse filister, die zijn heerschappij in huis niet beter weet te handhaven dan in de staat, en wiens vrouw daarom met het volste recht de broek aan heeft die hij niet waard is. Daarom meent hij echter ook ver verheven te zijn boven zijn Franse lotgenoot, wie vaker dan hemzelf iets veel ergers overkomt.

Het enkelvoudige gezin trad trouwens volstrekt niet overal en altijd in de klassiek krasse vorm op, die het bij de Grieken had. Bij de Romeinen, die als toekomstige wereldveroveraars een ruimere, al was het ook een minder fijne blik hadden dan de Grieken, was de vrouw vrijer en meer geacht. De Romein vond de huwelijkstrouw voldoende gewaarborgd door zijn macht over leven en dood van zijn vrouw. Ook kon de vrouw hier evengoed als de man het huwelijk vrijwillig verbreken. Maar de grootste vooruitgang bij de ontwikkeling van het monogame huwelijk had zeker plaats met het optreden van de Duitsers in de geschiedenis en wel omdat bij hen de monogamie zich, vermoedelijk tengevolge van hun armoede, nog niet volkomen uit het paringshuwelijk schijnt te hebben ontwikkeld. Wij stellen dit vast op grond van drie omstandigheden, waarvan Tacitus gewag maakt: Ten eerste bestond er naast een zeer heilig gehouden huwelijk — ‘zij vergenoegen zich met één vrouw, de vrouwen leven in een omheining van kuisheid’  — toch veelwijverij voor de voorname lieden en voor de aanvoerders van de stam, dus een toestand, overeenkomende met die bij de Amerikanen waar het paringshuwelijk gold. En ten tweede kon de overgang van het moederrecht naar het vaderrecht eerst kort voordien hebben plaats gehad, want nog gold de moedersbroeder — de naaste mannelijke gensverwant volgens het moederrecht — haast voor een nadere bloedverwant dan de eigen vader; dit komt ook overeen met het standpunt van de Amerikaanse Indianen, bij wie Marx, zoals hij vaak zei, de sleutel had gevonden voor het begrip van onze eigen oertijd. En ten derde werden de vrouwen bij de Duitsers zeer geacht en hadden zij veel invloed ook op openbare zaken, wat lijnrecht in strijd is met de heerschappij van de mannen in de monogamie. Dit zijn bijna alles dingen, waarin de Duitsers overeenkomen met de Spartanen bij wie, zoals wij hebben gezien, het paringshuwelijk ook nog niet volkomen was overwonnen. Met de Duitsers ging dus ook in dit opzicht een heel nieuw element in de wereld overheersen. De nieuwe monogamie, die zich nu op de puinhopen van de Romeinse wereld uit de vermenging der volken ontwikkelde, kleedde de heerschappij van de mannen in mildere vormen en liet aan de vrouwen een althans uiterlijk veel meer geachte en vrijere positie dan de klassieke Oudheid ooit had gekend. Daarmee was pas de mogelijkheid ontstaan, dat uit de monogamie — naar omstandigheden in, naast of in tegenstelling tot haar — de grootste zedelijke vooruitgang kon voortkomen die wij aan haar te danken hebben: de moderne individuele geslachtsliefde, die in de gehele vroegere wereld onbekend was.

Deze vooruitgang sproot echter beslist voort uit de omstandigheid, dat de Duitsers nog in de paringsfamilie leefden en dat zij de daarmee overeenkomende positie van de vrouw, voor zover het ging, op de monogamie entten, maar geenszins uit de legendarische, van nature gegeven wonderbaarlijke reinheid van zeden van de Duitsers, die hoogstens neerkomt op het feit, dat het paringshuwelijk inderdaad niet de schrille zedelijke tegenstellingen kent van de monogamie. De Duitsers waren integendeel op hun tochten, vooral naar het zuidoosten, naar de steppennomaden aan de Zwarte Zee, zedelijk zeer bedorven en hadden van deze behalve hun ruiterkunsten ook lelijke tegennatuurlijke ondeugden overgenomen, hetgeen Ammianus over de Taifalen en Prokopios over de Herulen uitdrukkelijk bevestigt.

Wanneer echter de monogamie onder alle bekende gezinsvormen de enige was waarin zich de moderne geslachtsliefde kon ontwikkelen, dan betekent dit niet, dat deze zich daarin uitsluitend of voornamelijk als liefde van de echtgenoten tot elkaar ontwikkelde. De hele aard van het vaste monogame huwelijk onder heerschappij van de man sloot dat uit. Bij alle in de geschiedenis actief optredende, d.w.z. heersende klassen bleef de huwelijkssluiting wat ze sedert het paringshuwelijk was geweest, nl. een zaak van overeenkomst die door de ouders in orde werd gebracht. En de eerste in de geschiedenis optredende vorm van geslachtsliefde als hartstocht, als een aan ieder mens (althans aan de heersende klassen) toekomende hartstocht, als hoogste vorm van de geslachtsdrift — wat juist haar specifieke karakter vormt — deze eerste vorm, de ridderlijke liefde van de middeleeuwen, was volstrekt geen echtelijke liefde. Integendeel, in haar klassieke vorm, bij de Provençalen, stuurt ze met volle zeilen op de echtbreuk aan en haar dichters verheerlijken die. De bloem van het Provençaalse minnelied vormen de alba’s, de z.g. dageraadsliederen. Zij schilderen in gloeiende kleuren hoe de ridder bij zijn schone — de vrouw van een ander — in bed ligt, terwijl buiten de wachter staat die hem roept, zodra de eerste morgenschemering (alba) zich vertoont, opdat hij nog ongemerkt kan ontsnappen; het afscheidstoneel vormt dan het hoogtepunt. De Noordfransen en ook de brave Duitsers namen deze soort van dichtkunst en de daaraan ten grondslag liggende vorm van ridderlijke liefde over, en onze oude Wolfram von Eschenbach heeft over dezelfde pikante stof drie prachtige dageraadsliederen nagelaten, die mij liever zijn dan zijn drie lange heldendichten.

Het burgerlijke huwelijk in onze tijd is van tweeërlei aard. In katholieke landen bezorgen de ouders evenals vroeger de jonge burgerzoon een passende vrouw en het gevolg daarvan is natuurlijk de meest volledige ontwikkeling van de tegenstrijdigheid, die in de monogamie ligt besloten: welig hetaerisme van de kant van de man, welige echtbreuk van de kant van de vrouw. De katholieke kerk zal de echtscheiding wel alleen hebben afgeschaft omdat zij zich er van had overtuigd, dat er tegen de echtbreuk zomin als tegen de dood een kruid is gewassen. In protestantse landen daarentegen is het regel, dat het de burgerzoon geoorloofd wordt zich uit zijn klasse met meer of minder vrijheid een vrouw te kiezen, zodat een zekere mate van liefde aan het sluiten van het huwelijk ten grondslag kan liggen en fatsoenshalve ook steeds wordt verondersteld, hetgeen met de protestantse huichelarij overeenkomt. Hier wordt het hetaerisme door de man minder vlot bedreven en de echtbreuk door de vrouw is minder regel. Daar echter in ieder soort huwelijk de mensen blijven wat zij voor het huwelijk waren en de burgers van protestantse landen meestal filisters zijn, brengt deze protestantse monogamie het in doorsnee onder de gunstigste omstandigheden niet verder dan tot een doodvervelend echtelijk samenzijn, dat men met de naam familiegeluk bestempelt. De beste spiegel voor deze twee huwelijksmethoden is de roman, voor de katholieke manier de Franse, voor de protestantse de Duitse. In beide ‘krijgt hij ze’: in de Duitse de jonge man het meisje, in de Franse de echtgenoot de horens. Wie van de twee er hier het slechtst aan toe is, staat niet altijd vast. Derhalve maakt ook de verveling van de Duitse roman de Franse bourgeois even huiverig als de ‘onzedelijkheid’ van de Franse roman het de Duitse filister doet. Ofschoon in de laatste tijd, sinds ‘Berlijn wereldstad wordt’, de Duitse roman iets minder schuchter begint te doen in hetaerisme en echtbreuk, die daar sinds lang welbekend zijn.

In beide gevallen evenwel wordt het huwelijk bepaald door de klassenpositie der beide partijen en als zodanig is het steeds een huwelijk uit berekening. Dit huwelijk uit berekening slaat in beide gevallen vaak genoeg om in de meest krasse prostitutie — soms van beide partijen, maar verreweg het meest van de vrouw, die zich van de gewone courtisane alleen daardoor onderscheidt, dat zij haar lichaam niet als loonarbeidster voor stukloon verhuurt, maar het eens en vooral in de slavernij verkoopt. En voor alle huwelijken uit berekening geldt Fouriers woord: ‘Zoals in de spraakleer twee ontkenningen één bevestiging vormen, golden in de huwelijksmoraal twee prostituties voor één deugd.’ 

Werkelijk regel wordt de geslachtsliefde met betrekking tot de vrouw en kan dit ook slechts worden bij de onderdrukte klassen, dus tegenwoordig bij het proletariaat — onverschillig of deze verhouding nu officieel is vastgelegd of niet. Hier zijn echter ook alle grondslagen van de klassieke monogamie uit de weg geruimd. Hier ontbreekt geheel en al de eigendom, voor welks behoud en overerving immers juist de monogamie en de heerschappij van de mannen werden geschapen, en hier ontbreekt dientengevolge ook iedere drijfveer om de heerschappij van de mannen te doen gelden. Nog sterker, ook de middelen ontbreken; het burgerlijke recht, dat deze heerschappij beschermt, bestaat slechts voor de bezitters en voor hun omgang met de proletariërs; het kost geld en is daarom, wegens diens armoede, niet van betekenis voor de verhouding van de arbeider tot zijn vrouw. Daar beslissen heel andere persoonlijke en maatschappelijke verhoudingen. En vooral sinds de grootindustrie de vrouw uit huis op de arbeidsmarkt en in de fabriek heeft verplaatst en haar vaak genoeg tot kostwinster van het gezin maakt, heeft het laatste overblijfsel van de heerschappij van de mannen in de proletariërwoning elke grond verloren — het zij dan, dat er nog een deel van de sinds de invoering van de monogamie ingeburgerde grofheid tegen vrouwen is overgebleven. Zo is het gezin van de proletariër geen monogaam gezin meer in de strikte betekenis van het woord, zelfs bij de meest hartstochtelijke liefde en de meest onkreukbare trouw van beiden en niettegenstaande elke eventuele kerkelijke en wereldlijke inzegening. Daarom spelen ook de eeuwige begeleiders van de monogamie, hetaerisme en echtbreuk, hier slechts een zeer onbeduidende rol; de vrouw heeft het recht van echtscheiding feitelijk teruggekregen en wanneer men niet goed met elkaar overweg kan, gaat men liever uit elkaar.

Kortom, het proletarische huwelijk is monogaam in de etymologische, maar volstrekt niet in de historische betekenis van het woord. Onze rechtsgeleerden zijn overigens van mening, dat de vooruitgang van de wetgeving de vrouwen hoe langer hoe meer iedere grond tot klagen ontneemt. De moderne beschaafde rechtsstelsels erkennen meer en meer, dat ten eerste het huwelijk om geldig te zijn een door beide partijen vrijwillig gesloten overeenkomst moet zijn, en ten tweede dat ook gedurende het huwelijk beide partijen met gelijke rechten en plichten tegenover elkaar moeten staan. Zouden deze beide voorwaarden echter consequent worden vervuld, dan zouden de vrouwen alles hebben wat zij kunnen verlangen.

Deze echt juridische redenering is precies dezelfde als die, waarmee de radicale republikeinse bourgeois de proletariër terugwijst en tot kalmte maant. De arbeidsovereenkomst moet immers door beide partijen vrijwillig worden gesloten. Maar zij geldt als vrijwillig te zijn gesloten, zodra de wet beide partijen op papier aan elkaar gelijkstelt. De macht, die het verschil in klassenpositie aan de ene partij verschaft, de druk, die deze op de andere partij oefent — de werkelijke economische positie van beiden — daar heeft de wet niets mee te maken. En zolang de arbeidsovereenkomst duurt, heten dan weer beide partijen dezelfde rechten te hebben voor zover niet een van beiden er uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan. Dat de economische stand van zaken de arbeider dwingt zelfs van de laatste schijn van rechtsgelijkheid af stand te doen, daar kan de wet weer niets aan doen.

Ten opzichte van het huwelijk is de wet, zelfs de meest vooruitstrevende, volkomen bevredigd, zodra de beide partijen formeel hun vrijwilligheid op schrift hebben gegeven. Wat achter de juridische coulissen gebeurt, waar het werkelijke leven zich afspeelt, hoe deze vrijwilligheid tot stand komt, daarmee kunnen de wet en de jurist zich niet bemoeien. En toch zou hier de meest eenvoudige vergelijking van wetten de jurist kunnen tonen, wat deze vrijwilligheid om het lijf heeft. In de landen waar de kinderen het wettelijke erfrecht hebben met betrekking tot een zeker deel van het ouderlijke vermogen, waar zij dus niet onterfd kunnen worden — in Duitstand, in de landen met Frans recht enz. — zijn de kinderen bij het sluiten van een huwelijk gebonden aan de toestemming van de ouders. In de landen met Engels recht, waar de ouderlijke toestemming niet wettig vereist is voor het sluiten van een huwelijk, hebben de ouders ook de volle vrijheid om bij testament over hun vermogen te beschikken en kunnen zij hun kinderen naar goedvinden onterven. Dat desondanks en juist daarom in de klassen, waar wat te erven valt, de vrijheid bij het sluiten van een huwelijk in Engeland en in Amerika geen haar groter is dan in Frankrijk en Duitsland, is toch wel duidelijk.

Met de juridische rechtsgelijkheid van man en vrouw in het huwelijk is het niet beter gesteld. Hun ongelijke rechtspositie, die wij uit vroegere maatschappelijke toestanden hebben overgenomen, is niet de oorzaak maar het uitvloeisel van de economische onderdrukking van de vrouw. In de oude communistische huishouding, die vele echtparen en hun kinderen omvatte, was het voeren van de huishouding aan de vrouwen overgelaten en evengoed een openbaar en maatschappelijk noodzakelijk bedrijf als het verschaffen van voedsel door de mannen. Met de patriarchale familie en nog meer met het monogame individuele gezin werd dit anders. Het voeren van de huishouding verloor zijn openbare karakter. Het ging de maatschappij niet meer aan. Het werd een particuliere dienst; de vrouw werd eerste dienstbode en van deelname aan de maatschappelijke productie uitgesloten. Pas de tegenwoordige grootindustrie heeft haar — en nog slechts de vrouwelijke proletariër — de weg naar de maatschappelijke productie weer geopend. Maar op zulk een wijze dat zij, als zij haar plichten in particuliere dienst van het gezin vervult, van de maatschappelijke productie blijft uitgesloten en niets kan verdienen; en dat zij, als zij aan de maatschappelijke industrie wil deelnemen en zelfstandig wil verdienen, niet in staat is de plichten tegenover het gezin te vervullen. En zoals het de vrouw in de fabriek gaat, zo gaat het haar in alle takken van bedrijf, tot in de beroepen van arts en advocaat toe. Het moderne individuele gezin berust op de openlijke of verkapte huisslavernij van de vrouw, en de moderne maatschappij is een massa, waarvan de moleculen uit louter individuele gezinnen bestaan. De man moet tegenwoordig in verreweg de meeste gevallen verdienen, kostwinner van het gezin zijn, althans bij de bezittende klassen en dat bezorgt hem een machtspositie, die geen afzonderlijke wettelijke bevoorrechting behoeft. Hij is in het gezin de bourgeois, de vrouw vertegenwoordigt het proletariaat. In de industriële wereld treedt echter het bijzondere karakter van de voor het proletariaat zo zware economische onderdrukking pas in zijn volle scherpte aan het licht, nadat alle wettelijke bijzondere voorrechten van de kapitalistenklasse zijn afgeschaft en de volledige formele rechtsgelijkheid van beide klassen is tot stand gebracht; de democratische republiek heft de tegenstelling tussen de beide klassen niet op, zij biedt integendeel eerst de bodem waarop deze wordt uitgevochten. En zo zullen ook het eigenaardige karakter van de heerschappij van de man over de vrouw in het moderne gezin en de noodzakelijkheid een werkelijke maatschappelijke gelijkstelling van beiden tot stand te brengen, alsook de wijze waarop dit moet geschieden, pas volkomen duidelijk aan de dag treden, zodra beiden wettelijk volkomen gelijke rechten zullen hebben. Dan zal blijken, dat de eerste voorwaarde voor de bevrijding der vrouw daarin bestaat, dat het gehele vrouwelijke geslacht wederom deelneemt aan de maatschappelijke productie, hetgeen op zijn beurt vereist, dat de eigenschap van het individuele gezin als economische eenheid van de maatschappij wordt opgeheven.

Wij hebben dus drie hoofdvormen van het huwelijk, die in grote lijnen samenvallen met de drie hoofdtijdperken van de menselijke ontwikkeling. Voor de wildheid het groepshuwelijk, voor de barbaarsheid het paringshuwelijk, voor de beschaving de monogamie, aangevuld door echtbreuk en prostitutie. Tussen paringshuwelijk en monogamie komen daar, op de hoogste trap van de barbaarsheid, de beschikking van de mannen over slavinnen en de veelwijverij bij.

Zoals onze gehele uiteenzetting bewees, gaat de vooruitgang, die deze opeenvolging toont, gepaard met het eigenaardige feit, dat de geslachtelijke vrijheid van het groepshuwelijk meer en meer wordt ontnomen aan de vrouwen, maar niet aan de mannen. En in feite bestaat het groepshuwelijk voor de mannen ook thans nog. Wat voor de vrouw als misdaad wordt beschouwd en ernstige wettelijke en maatschappelijke gevolgen met zich brengt, dat geldt bij de man voor eervol of in het ergste geval toch slechts als een lichte morele smet, die men met genoegen draagt. Hoe meer echter het traditionele hetaerisme in onze tijd door de kapitalistische warenproductie veranderd en daaraan aangepast wordt, hoe meer het in onverbloemde prostitutie overgaat, des te demoraliserender werkt het. En het demoraliseert de mannen nog veel meer dan de vrouwen. De prostitutie verfaagt onder de vrouwen alleen de ongelukkigen die er toe vervallen en ook dezen lang niet zo zeer als men gewoonlijk aanneemt. Daarentegen verlaagt zij het karakter van de gehele mannenwereld. Zo is met name een lange verlovingstijd in negen van de tien gevallen een ware voorbereidende cursus in echtelijke ontrouw.

Wij gaan thans een maatschappelijke omwenteling tegemoet, waardoor de tot nu toe geldende economische grondslagen van de monogamie even zeker zullen verdwijnen als die van haar aanvulling, de prostitutie. De monogamie ontstond door de concentratie van grote rijkdommen in één hand — en wel in de hand van een man — en uit de behoefte, deze rijkdommen aan de kinderen van deze man en niet aan die van een ander na te laten. Daartoe was de monogamie van de vrouw nodig, niet die van de man, zodat deze monogamie van de vrouw de openlijke of verkapte polygamie van de man volstrekt niet in de weg stond. De komende maatschappelijke omwenteling zal echter door het veranderen van althans het overgrote deel van de duurzame vererfbare rijkdommen, d.w.z. van de productiemiddelen, in maatschappelijke eigendom deze hele zorg voor de nalatenschap tot op een minimum terugbrengen. Zal nu de monogamie, die uit economische oorzaken is ontstaan, ook verdwijnen wanneer deze oorzaken verdwijnen?

Men zou niet ten onrechte kunnen antwoorden: zij zal niet alleen niet verdwijnen, maar integendeel eerst in alle opzichten verwerkelijkt worden. Want met de overgang van de productiemiddelen in maatschappelijke eigendom verdwijnt ook de loonarbeid en het proletariaat, dus de noodzakelijkheid voor een zeker — statistisch te berekenen — aantal vrouwen zich voor geld te geven. De prostitutie verdwijnt en in plaats van te gronde te gaan wordt de monogamie eindelijk werkelijkheid — ook voor de mannen.

De positie van de mannen wordt dus in ieder geval sterk veranderd. Maar ook die van de vrouwen, van alle vrouwen, ondergaat een belangrijke wijziging. Met de overgang van de productiemiddelen in gemeenschappelijke eigendom houdt het individuele gezin op de economische eenheid van de maatschappij te zijn. De particuliere huishouding wordt een maatschappelijk bedrijf. De verzorging en opvoeding van de kinderen wordt een openbare aangelegenheid; de maatschappij zorgt voor alle kinderen op dezelfde wijze, of zij echtelijk of buitenechtelijk zijn. Daarmee vervalt de angst voor de ‘gevolgen’, die op het ogenblik de belangrijkste maatschappelijke — zowel morele als economische — factor vormt, die het meisje belemmert zich zonder terughouding aan de geliefde man te geven. Zal dat niet een voldoende aanleiding zijn om langzamerhand een meer ongegeneerde geslachtelijke omgang te doen ontstaan en daarmee ook een meer toegevende openbare mening ten opzichte van maagdelijke eer en schande van de vrouw? En tenslotte, hebben wij niet gezien, dat in de moderne wereld monogamie en prostitutie weliswaar tegenstellingen, maar onafscheidelijke tegenstellingen, polen van een zelfde maatschappelijke toestand zijn? Kan de prostitutie verdwijnen zonder de monogamie in de afgrond mee te slepen?

Hier treedt een nieuwe factor in werking, een factor die in de tijd, toen de monogamie zich ontwikkelde, hoogstens in aanleg aanwezig was: de individuele geslachtsliefde.

Vóór de middeleeuwen kan er van individuele geslachtsliefde geen sprake zijn. Het spreekt vanzelf, dat persoonlijke schoonheid, vertrouwelijke omgang, gelijke neigingen enz. bij personen van verschillend geslacht het verlangen naar geslachtelijke omgang hebben opgewekt, dat het de mannen en de vrouwen niet volkomen onverschillig was met wie zij in deze meest intieme betrekking traden. Maar van daar tot aan onze geslachtsliefde is het nog een oneindig grote afstand. In de gehele Oudheid sluiten de ouders de huwelijken voor hun kinderen en deze schikken zich daar rustig in. Het beetje echtelijke liefde dat de Oudheid kent is bepaald geen subjectieve neiging, maar objectieve plicht, geen oorzaak maar een correlatie van het huwelijk. Liefdesverhoudingen in de moderne zin komen in de Oudheid slechts voor buiten de officiële maatschappij. De herders, wier minnevreugden en smarten bezongen worden door Theokritos en Moschos, de Dafnis en Chloë  van Longos zijn allen slaven, die geen aandeel hebben aan de staat, de levenssfeer van de vrije burger. Behalve bij slaven vinden wij de minnehandel echter alleen als ontbindingsproduct van de ondergaande oude wereld, en wal met vrouwen, die eveneens buiten de officiële maatschappij staan, met hetaeren, dus met vreemdelingen of vrijgelatenen: in Athene vanaf de vooravond van zijn ondergang, in Rome in de keizertijd. Kwam minnehandel werkelijk voor tussen vrije burgers en burgeressen, dan slechts in de vorm van echtbreuk. En de klassieke minnedichter van de Oudheid, de oude Anakreon, liet de geslachtsliefde in onze zin zo volkomen onverschillig, dat zelfs het geslacht van het geliefde wezen hem geheel onverschillig was. Onze geslachtsliefde onderscheidt zich essentieel van het simpele geslachtelijke verlangen, van de Eros der Ouden. Ten eerste veronderstelt zij bij het geliefde wezen wederliefde en in zover is de positie van de vrouw gelijk aan die van de man, terwijl bij de antieke Eros de vrouw volstrekt niet altijd wordt gevraagd. Ten tweede heeft de geslachtsliefde een graad van intensiteit en duurzaamheid, die beide partijen het niet bezitten en de scheiding als een groot, zo niet als het grootste ongeluk doet beschouwen; om elkaar wederzijds te kunnen bezitten spelen zij hoog spel, zelfs met hun leven als inzet, wat in de Oudheid hoogstens bij de echtbreuk voorkwam. En tenslotte ontstaat een nieuwe zedelijke maatstaf voor de beoordeling van de geslachtelijke omgang; men vraagt niet alleen: was hij echtelijk of buitenechtelijk, maar ook: kwam hij voort uit liefde en wederliefde of niet? Het spreekt vanzelf, dat het met deze nieuwe maatstaf in de feodale of burgerlijke praktijk niet beter gaat dan met alle andere maatstaven van de moraal — men stoort er zich niet aan. Maar het gaat er ook niet slechter mee. Hij wordt evengoed erkend als de andere — in theorie, op papier. En meer kan voorlopig niet worden verlangd.

Waar de Oudheid met haar begin van geslachtsliefde af breekt, daar beginnen de middeleeuwen weer: bij de echtbreuk. Wij hebben de ridderlijke liefde, die de dageraadsliederen uitvond, reeds geschilderd. Van deze liefde, die de echt wil verbreken, tot aan de liefde, die de grondstag van de echt zal vormen, moet nog een lange weg worden doorlopen die de ridderschap nooit geheel aflegt. Zelfs wanneer wij ons van de lichtzinnige Romanen tot de deugdzame Duitsers wenden, vinden wij in het ‘Nibelungenlied’, dat Kriemhilde in stilte wel niet minder op Siegfried verliefd is dan hij op haar, maar dat zij toch op Gunthers aankondiging dat hij haar aan een ridder heeft beloofd, die hij niet noemt, eenvoudig antwoordt: ‘Gij behoeft mij niet te vragen; zoals gij mij beveelt zo zal ik altijd zijn; wie gij, heer, mij tot man geeft, met dien zal ik mij gaarne verloven.’ Het komt helemaal niet bij haar op, dat haar liefde hier ook maar in aanmerking kan worden genomen. Gunther doet aanzoek om Brunhilde, Etzel om Kriemhilde, zonder haar ooit te hebben gezien; gelijk ook in de ‘Gutrun’  Siegebant van lerland om de Noorse Ute, Hetel van Hegelingen om Hilde van lerland en tenslotte Siegfried van Moorland, Martmut van Ormanië en Herwig van Zeeland om Gutrun; en hier eerst gebeurt het dat deze vrijwillig ten gunste van de laatste beslist. In de regel wordt de bruid van de jonge vorst uitgezocht door zijn ouders indien dezen nog leven, anders door hem zelf onder raadpleging van de grote leenmannen, die in ieder geval een belangrijk woord daarbij meespreken. Dat kan ook niet anders. Zowel voor de ridder of baron als voor de vorst van het land zelf is het huwelijk een politieke daad, een gelegenheid zijn macht door nieuwe verbonden te vergroten; het belang van het huis moet beslissen, niet het welgevallen van de enkeling. Hoe zou dan de liefde het laatste woord kunnen hebben bij het sluiten van een huwelijk?

Met de gildeburger in de middeleeuwse steden was het niet anders gesteld. Juist de privilegiën die hem beschermden, de gildenreglementen vol beperkende bepalingen, de kunstmatige grenzen die hem wettelijk scheidden, hier van de andere gilden, daar van zijn eigen gildebroeders, elders weer van zijn gezellen en leerlingen, maakten de kring waaruit hij zich een passende echtgenote kon zoeken reeds eng genoeg. En welke van hen de meest passende was, dat werd bij dit ingewikkelde stelsel volstrekt niet op grond van zijn eigen voorkeur beslist, maar door het familiebelang.

Zo bleef dus het sluiten van een huwelijk in verreweg de meeste gevallen tot aan het einde van de middeleeuwen wat het van begin af aan geweest was — een zaak die niet door de betrokken partijen werd beslist. In het begin kwam men reeds gehuwd ter wereld — gehuwd met een hele groep van het andere geslacht. In de latere vormen van het groepshuwelijk bestond waarschijnlijk een soortgelijke toestand, waarbij echter de groep al kleiner en kleiner werd. Bij het paringshuwelijk is het regel, dat de moeders de huwelijken van hun kinderen tot stand brengen; ook hier geven overwegingen met betrekking tot nieuwe banden van verwantschap, die het jonge paar een sterkere plaats in de gens en stam moeten verschaffen, de doorslag. En toen de particuliere eigendom het overwicht kreeg op de gemeenschappelijke eigendom en het belang bij de nalatenschap het vaderrecht en de monogamie tot heerschappij bracht, werd het aangaan van een huwelijk pas echt afhankelijk van economische belangen. De vorm van het koophuwelijk verdwijnt, de zaak zelf wordt in steeds grotere mate bedreven, zodat niet alleen de vrouw, maar ook de man een prijs krijgt — niet op grond van zijn persoonlijke eigenschappen, doch naar zijn bezit. De overweging, dat de wederzijdse neiging van beide partijen de al het andere overheersende grond van het huwelijk behoorde te zijn, was in de praktijk van de heersende klassen van meet af aan iets ongehoords gebleven; zoiets kwam hoogstens voor in romans of — bij de onderdrukte klassen, die niet meetelden.

Dat was de toestand die de kapitalistische productie aantrof, toen zij zich na het tijdperk van de aardrijkskundige ontdekkingen door wereldhandel en manufactuur op de wereldheerschappij voorbereidde. Men kan zich indenken, dat deze wijze van huwelijk sluiten uitstekend bij haar paste en dat was ook zo. En toch — de ironie van de wereldgeschiedenis is ondoorgrondelijk — was het de kapitalistische productie, die er de beslissende bres in moest slaan. Door alle dingen in waren te veranderen, verbrak zij alle van oudsher bestaande, traditionele betrekkingen en stelde in de plaats van de overgeërfde zede en van het historische recht de koop en verkoop, het ‘vrije’ verdrag. De Engelse rechtsgeleerde H.S. Maine  meende dan ook een ontzaglijke ontdekking te hebben gedaan, toen hij zei, dat onze gehele vooruitgang tegenover vroegere tijdvakken daarin was gelegen, dat wij “from status to contract” zijn gekomen, van erfelijk overgeleverde toestanden tot vrij overeengekomen verhoudingen, wat overigens al, voor zover het juist is, in ‘Het Communistisch Manifest’ stond.

Voor het sluiten van een contract moeten er echter mensen zijn, die vrij over hun persoon, handelingen en bezit kunnen beschikken en die met gelijke rechten tegenover elkaar staan. Het was juist een van de belangrijkste opgaven van de kapitalistische productie, deze ‘vrije’ en ‘gelijke’ mensen te scheppen. Al gebeurde dit in het begin nog op half bewuste en bovendien religieus bemantelde wijze, sinds de lutherse en calvinistische reformatie stond toch de stelregel vast, dat de mens alleen dan voor zijn handelingen ten volle verantwoordelijk kan zijn, als hit ze volkomen uit vrije wil begaat, en dat het een zedelijke plicht is zich te verzetten tegen iedere dwang tot het plegen van een onzedelijke daad. Hoe liet zich dit echter rijmen met de tot nu toe bestaande praktijk van de echtverbintenis? Het huwelijk was volgens burgerlijke opvatting een contract, een rechtszaak en wel de allerbelangrijkste, omdat hij over lichaam en geest van twee mensen voor hun gehele leven besliste. Het huwelijk werd toen weliswaar formeel vrijwillig aangegaan; zonder het jawoord van de beide partijen ging het niet. Maar men wist maar al te goed hoe dat ia-woord tot stand kwam en wie eigenlijk het huwelijk sloten.

Wanneer echter voor alle andere contracten werkelijke vrijheid van besluitvorming werd geëist, waarom dan niet voor dit? Hadden de twee jonge mensen, die gekoppeld moesten worden, ook niet het recht over zichzelf, over hun lichaam en zijn organen vrij te beschikken? Was niet de geslachtsliefde door de ridderschap in de mode gekomen en was tegenover de ridderlijke overspelige liefde niet de liefde van de echtgenoten haar juiste burgerlijke vorm? Wanneer het echter de plicht van de echtgenoten was om van elkaar te houden, was het dan niet evengoed de plicht van de geliefden om elkaar en niemand anders te huwen? Stond dit recht van de geliefden niet hoger dan het recht van de ouders, verwanten en andere traditionele huwelijksmakelaars en koppelaars? Wanneer het recht van vrij persoonlijk onderzoek ongegeneerd kerk en godsdienst binnendrong, hoe kon het dan blijven stilstaan bij de onverdraaglijke aanmatiging van de oudere generatie om over lichaam, ziel, vermogen, geluk en ongeluk van de jongere te beschikken?

Deze vragen moesten opkomen in een tijd, die alle oude banden van de maatschappij losser maakte en alle overgeërfde begrippen aan het wankelen bracht. De wereld was met één slag bijna tienmaal groter geworden; in plaats van een kwadrant van een half rond, lag nu de gehele aardbol open voor de blik van de West-Europeanen, die zich haastten de andere zeven kwadranten in bezit te nemen. En zoals de oude enge grenzen van de geboortegrond, vielen ook de duizendjarige beperkingen van de middeleeuwse voorgeschreven denkwijze. Zowel naar buiten als naar binnen opende zich aan de blik der mensen een oneindig veel wijder verschiet. Welke waarde had de reputatie van fatsoen en het door geslachten overgeërfde eerbare gildenvoorrecht voor de jonge man, op wie de rijkdommen van Indië, de goud- en zilvermijnen van Mexico en Potosi lokten? Het was de tijd van de dolende ridders van de burgerij; een tijd die ook zijn romantiek en zijn liefdesdweperij had, maar op burgerlijke voet en met in laatste instantie burgerlijke doeleinden.

Zo gebeurde het, dat de opkomende burgerij vooral in de protestantse landen, waar het meest aan het bestaande getornd werd, ook ten aanzien van het huwelijk de vrijheid van contract stuiten meer en meer erkende en haar op de hierboven geschilderde wijze in praktijk bracht. Het huwelijk bleef klassenhuwelijk, maar binnen de klasse werd aan de betrokken partijen een zekere mate van vrijheid van keuze toegestaan. En in de moraaltheorie en in de dichterlijke schildering, op papier dus, stond niets méér onwrikbaar vast dan dat ieder huwelijk onzedelijk was, zo het niet op wederzijdse geslachtsliefde en werkelijk vrije overeenkomst van de echtgenoten berustte. Kortom, het huwelijk uit liefde was geproclameerd als mensenrecht, en wel niet alleen als recht van de man (droit de I'homme), maar nu ook eens bij uitzondering als recht van de vrouw (droit de la femme). 

Dit mensenrecht verschilde echter op één punt van alle andere zogenaamde mensenrechten. Terwijl die in de praktijk slechts de heersende klassen, de bourgeoisie, ten goede kwamen en aan de onderdrukte klasse, het proletariaat direct of indirect werden onthouden, vertoont zich hier weer de ironie van de geschiedenis. De heersende klasse blijft beheerst door de bekende economische invloeden en vertoont daarom slechts bij uitzondering werkelijk vrij gesloten huwelijken, terwijl die bij de overheerste klasse, zoals wij zagen, regel zijn.

De volle vrijheid van echtverbintenis kan dus pas dan algemeen worden verwerkelijkt, wanneer de afschaffing van de kapitalistische productie en van de door deze geschapen eigendomsverhoudingen alle bijkomstige economische overwegingen uit de weg heeft geruimd, die nu nog zulk een machtige invloed op de keuze van de echtgenoten uitoefenen. Dan blijft er ook geen ander motief over dan wederzijdse genegenheid.

Daar nu de geslachtsliefde naar haar aard exclusief is — hoewel deze exclusiviteit vandaag aan de dag alleen in de vrouw ten volle tot haar recht komt —, is het op de geslachtsliefde berustende huwelijknaar zijn aard een monogaam huwelijk. Wij hebben gezien, hoezeer Bachof en gelijk had, toen hij de vooruitgang van het groepshuwelijk naar het huwelijk van het afzonderlijke paar voornamelijk zag als het werk van de vrouw; alleen de verdere ontwikkeling van het paringshuwelijk naar de monogamie komt voor rekening van de man; en het bestond historisch eigenlijk in het slechter worden van de positie der vrouwen en in het gemakkelijker worden van de ontrouw der mannen. Als nu nog de overwegingen van economische aard wegvallen, die de oorzaak er van waren dat de vrouwen zich deze tot gewoonte geworden ontrouw van de mannen lieten welgevallen, nl. de zorg voor hun eigen levensonderhoud en nog meer voor de toekomst van de kinderen, dan zal de aldus bereikte gelijkstelling van de vrouw, volgens alle tot nu toe opgedane ervaring, in veel en veel sterkere mate er toe leiden dat de mannen werkelijk monogaam dan dat de vrouwen polyandrisch worden.

Wat echter zeer zeker van het monogame huwelijk zal wegvallen, dat zijn alle kenmerken, die het door het ontstaan uit de eigendomsverhoudingen opgedrongen kreeg; dat zijn ten eerste de overheersing van de man en ten tweede de onverbreekbaarheid. De overheersing van de man in het huwelijk is eenvoudig het gevolg van zijn economische overheersing en valt met deze vanzelf weg. De onverbreekbaarheid van het huwelijk is deels het gevolg van de economische omstandigheden waaronder de monogamie ontstond, deels traditie uit de tijd, toen het verband tussen de economische toestand en de monogamie nog niet juist begrepen en in religieuze vorm overdreven werd. Zij is nu reeds op duizenderlei wijzen aangetast. Indien alleen een op liefde gegrond huwelijk zedelijk is, moet ook alleen dat huwelijk zedelijk zijn waarin de liefde voort bestaat. De duur van een vlaag van individuele geslachtsliefde is echter al naar de persoon zeer verschillend, vooral bij de mannen, en een werkelijk ophouden van de genegenheid of het verdringen daarvan door een nieuwe hartstochtelijke liefde maakt de scheiding zowel voor beide partijen als voor de maatschappij tot een weldaad. Alleen zal men het de mensen besparen, door het nutteloze vuil van een echtscheidingsproces te moeten waden.

Wat wij dus heden ten dage kunnen vermoeden over de regeling van de geslachtelijke betrekkingen nadat de kapitalistische productie straks zal zijn weggevaagd, is voornamelijk van negatieve aard, beperkt zich meestal tot datgene wat wegvalt. Wat zal er echter bijkomen? Dat zal beslist worden als er een nieuw geslacht zal zijn opgegroeid: een geslacht van mannen, wie het nooit in hun leven is overkomen, voor geld of andere sociale machtsmiddelen de prijsgeving van een vrouw te kopen, en van vrouwen, wie het nooit is overkomen zich om enige andere reden dan uit werkelijke liefde aan een man te geven, noch de geliefde de overgave te weigeren uit angst voor de economische gevolgen. Als zulke mensen er eenmaal zijn, zullen zij er zich in het minst niet om bekommeren wat men vandaag meent dat zij moeten doen; zij zullen zich hun eigen praktijk en een daarop berustende openbare mening over de praktijk van ieder individu zelf vormen — en daarmee basta.

Keren wij nu terug tot Morgan, van wie wij ons tamelijk ver hebben verwijderd. Het historische onderzoek van de maatschappelijke instellingen, die zich in het tijdperk van de beschaving hebben ontwikkeld, gaat buiten het kader van zijn boek. De lotgevallen van de monogamie in dit tijdvak houden hem daarom slechts zeer kort bezig. Ook hij ziet in de verdere ontwikkeling van het monogame gezin een vooruitgang, een benadering van de volledige rechtsgelijkheid van de geslachten, zonder dat hij echter meent dat dit doel bereikt is. Maar, zegt hij, ‘wanneer het feit wordt erkend, dat het gezin achtereenvolgens vier vormen heeft doorgemaakt en zich nu in een vijfde bevindt, dan rijst de vraag of deze vorm voor de toekomst duurzaam kan zijn. Het enige mogelijke antwoord is, dat het zich moet ontwikkelen met de ontwikkeling van de maatschappij, veranderen naargelang de maatschappij verandert, juist zoals tot nu toe. Het gezin is de schepping van het maatschappelijke stelsel en zal het ontwikkelingspeil van dit stelsel weerspiegelen. Daar het monogame gezin zich sedert het begin van de beschaving heeft vervolmaakt en wel vooral in de moderne tijd, kan men althans vermoeden dat het in staat is zich verder te volmaken, totdat de gelijkheid van de beide geslachten is bereikt. Mocht in een verre toekomst het monogame gezin niet in staat zijn aan de eisen van de maatschappij te voldoen, dan valt er onmogelijk te voorspellen van welke aard zijn opvolger zal zijn.’ 

 

 

 

 

 

III.

De Irokese gens

 

Wij komen nu tot een andere ontdekking van Morgan, die minstens even belangrijk is als het reconstrueren van de oervorm van het gezin uit de verwantschapsstelsels. Het bewijs, dat de met dierennamen aangeduide geslachtsverbonden binnen een stam van Amerikaanse Indianen in wezen identiek zijn met de genea van de Grieken en de gentes van de Romeinen; dat de Amerikaanse vorm de oorspronkelijke, de Grieks-Romeinse de latere, afgeleide vorm is; dat de gehele maatschappelijke organisatie van de Grieken en Romeinen uit de oertijd in gens, fratrie en stam haar trouwe evenbeeld vindt in de Amerikaans-Indiaanse organisatie; dat de gens een instelling is die alle barbaren tot hun intrede in de beschaving en zelfs nog daarna gemeen hebben (zover onze bronnen tot nu toe reiken) — dit bewijs heeft met één slag de moeilijkste gedeelten van de oudste Griekse en Romeinse geschiedenis opgehelderd en ons tevens onverwacht uitsluitsel gegeven over de grondslagen van de inrichting der maatschappij in de oertijd — vóór het ontstaan van de staat. Hoe eenvoudig de zaak er ook moge uitzien wanneer men ze eenmaal kent, toch heeft Morgan ze eerst in de laatste tijd ontdekt; in zijn voorafgaand, in 1871 verschenen geschrift, was hij nog niet achter dit geheim gekomen, welks onthulling de anders zo pertinent optredende Engelse prehistorici een tijdlang muisstil heeft doen zijn.

Het Latijnse woord gens, dat Morgan algemeen voor dit geslachtsverbond gebruikt, komt evenals het Griekse woord van gelijke betekenis, genos, van de algemene Arische wortel gan (in het Duits, waar volgens de regel de k de Arische g vervangt — kan), die voortbrengen betekent. Gens, genos, in het Sanskriet dsjanas, in het Gotisch (volgens de hierboven genoemde regel) kuni, in het Oudnoors en Angelsaksisch kyn, in het Engelse kin, in het Middelhoogduits künne , betekenen zowel geslacht als afstamming. Gens in het Latijn, genos in het Grieks wordt echter speciaal voor een geslachtsverbond gebruikt, dat zich beroemt op gemeenschappelijke afstamming (hier van een gemeenschappelijke stamvader) en door zekere maatschappelijke en religieuze inrichtingen is verbonden tot een bijzondere gemeenschap, waarvan het ontstaan en de aard evenwel tot nu toe voor at onze geschiedschrijvers duister bleven.

Wij hebben reeds hierboven, bij de poenaloea familie, gezien wat de samenstelling van een gens in de oorspronkelijke vorm is. Zij bestaat uit alle personen die door middel van een poenaloea huwelijk en volgens de daarin noodzakelijk heersende voorstellingen de erkende nakomelingschap vormen van een enkele bepaalde stammoeder, de stichtster van de gens. Hier geldt alleen de vrouwelijke lijn, omdat in deze familievorm het vaderschap onzeker is. Daar de broers hun zusters niet mogen huwen, maar alleen vrouwen van andere afstamming, vallen de bij deze vreemde vrouwen verwekte kinderen volgens het moederrecht buiten de gens. Alleen de nakomelingen van de dochters van iedere generatie blijven dus binnen het geslachtsverbond; die van de zonen gaan over in de gentes van hun moeder. Wat geschiedt nu met deze groep van bloedverwanten, zodra zij zich als afzonderlijke groep tegenover soortgelijke groepen in een stam constitueert?

Als klassieke vorm van deze oorspronkelijke gens neemt Morgan die van de Irokezen, speciaal van de Seneka-stam. Hier zijn acht gentes, die dierennamen dragen: 1. Wolf, 2. Beer, 3. Schildpad, 4. Bever, 5. Hert, 6. Snip, 7. Reiger, 8. Valk. In iedere gens vindt men de volgende gebruiken:

1. Zij kiest haar sachem (vredesopperhoofd) en opperhoofd (krijgsaanvoerder). De sachem moest uit de gens zelf worden gekozen en zijn ambt was daarin erfelijk, voor zover het bij vacature dadelijk opnieuw moest worden bezet; de krijgsaanvoerder kon ook buiten de gens worden gekozen en tijdelijk geheel ontbreken. Tot sachem werd nooit de zoon van de vorige gekozen, omdat bij de Irokezen het moederrecht van kracht was en de zoon dus tot een andere gens behoorde; wel echter en vaak de broer of de zusterszoon. Bij de verkiezing stemden allen mee, mannen en vrouwen. De verkiezing moest echter door de overige zeven gentes worden bekrachtigd en eerst daarna werd de gekozene plechtig geïnstalleerd en wel door de gemeenschappelijke raad van de gehele Irokezenbond. De betekenis hiervan zal later blijken. De macht van de sachem binnen de gens was vaderlijk, van zuiver morele aard, dwangmiddelen had hij niet. Daarnaast was hij ambtshalve lid van de stamraad der Seneka’s en van de bondsraad van alle Irokezen. De krijgsaanvoerder had alleen op krijgstochten iets te zeggen.

2. De gens zet de sachem of de krijgsaanvoerder naar goeddunken af. Dit gebeurt weer door de mannen en vrouwen tezamen. Degenen, die afgezet zijn, zijn daarna evenals de anderen gewone krijgslieden, particulieren. Overigens kan ook de stamraad sachems afzetten, zelfs tegen de wil van de gens.

3. Geen lid mag binnen de gens trouwen. Dit is de grondregel van de gens, de band die haar bijeenhoudt; het is de negatieve uitdrukking van de positieve bloedverwantschap, krachtens welke de door haar omvatte personen pas een gens worden. Door de ontdekking van dit eenvoudige feit heeft Morgan het karakter van de gens voor het eerst onthuld. Hoe weinig de gens vóór die tijd werd begrepen, bewijzen de vroegere berichten over wilden en barbaren, waarin de verschillende corporaties die de gens-inrichting vormen, onbegrepen en zonder onderscheid als stam, clan, thum enz. dooreen werden gehaald, terwijl dan soms werd gezegd dat het huwelijk binnen zulk een corporatie verboden zou zijn. Zo was de onherstelbare verwarring tot stand gekomen, waarin de heer McLennan als Napoleon kon optreden en orde scheppen door de machtspreuk: alle stammen zijn verdeeld in zulke, waarbinnen het huwelijk is verboden (exogame) en zulke, waarbinnen het is geoorloofd (endogame). En nadat hij op deze wijze de zaak eerst recht in de war had gebracht, kon hij zich in de meest diepzinnige onderzoekingen verdiepen over de vraag welke van zijn twee onzinnige klassen de oudste was — de exogame of de endogame. Met de ontdekking van de op bloedverwantschap berustende gens en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid van huwelijken tussen haar leden hield deze onzin vanzelf op.

Natuurlijk wordt op de trap van ontwikkeling, waarop wij de Irokezen vinden, aan het huwelijksverbod binnen de gens stipt de hand gehouden.

4. Het vermogen van de overledenen kwam aan de andere gensgenoten, het moest in de gens blijven. Waar de voorwerpen die een Irokees kon nalaten geen waarde van betekenis hadden, verdeelden de naaste gensverwanten de erfenis onder elkaar; stierf een man, dan deden het zijn vleselijke broers en zusters en de moedersbroeder, stierf een vrouw, dan deden het haar kinderen en de vleselijke zusters, maar niet haar broers. Juist daarom konden man en vrouw niet van elkaar en kinderen niet van hun vader erven.

5. De gensgenoten waren elkaar hulp en bescherming verschuldigd en vooral bijstand bij het wreken van een krenking door vreemden. De enkeling vertrouwde voor zijn veiligheid op de bescherming van de gens en kon dat ook, wie hem krenkte, krenkte de hele gens. Hierop, op de banden van bloedverwantschap in de gens, berustte de verplichting tot bloedwraak, die door de Irokezen onvoorwaardelijk werd erkend. Doodde een niet-lid van de gens een gensgenoot, dan was de hele gens van de verslagene tot bloedwraak verplicht. Eerst trachtte men een schikking te treffen; de gens van de dader beraadslaagde en deed aan de raad van de gens van de verslagene voorstellen tot schikking, meestal onder aanbieding van betuigingen van leedwezen en van aanzienlijke geschenken. Werden deze aangenomen, dan was de zaak afgedaan. Anders benoemde de beledigde gens een of meer wrekers, die verplicht waren de dader te vervolgen en te doden. Gebeurde dit, dan had de gens van de gedode geen recht tot klagen, de zaak was vereffend.

6. De gens heeft bepaalde namen of reeksen van namen, die alleen zij in de gehele stam mag gebruiken, zodat iemands naam tegelijkertijd zegt tot welke gens hij behoort. Een gensnaam brengt vanzelf gensrechten mee.

7. De gens kan vreemdelingen adopteren en ze daardoor in de gehele stam opnemen. De krijsgevangenen, die men niet doodde werden door middel van adoptie in een gens tot leden van de stam der Seneka’s en verkregen daarmee volledige rechten in gens en stam. De adoptie had plaats op voorstel van enkele gensgenoten, van mannen die de vreemdeling als broeder, respectievelijk als zuster, of van vrouwen, die hem als kind aannamen; de plechtige opname in de gens was nodig als bevestiging. Vaak werden zo bepaalde, uitzonderlijk sterk geslonken gentes weer sterk gemaakt door massale adoptie uit een andere gens, die daartoe haar toestemming had verleend. Bij de Irokezen had de plechtige opname in de gens in openbare zitting van de stamraad plaats, waardoor ze feitelijk tot een religieuze plechtigheid werd.

8. Bijzondere godsdienstige feesten kan men bij de Indiaanse gentes moeilijk aantonen; maar hun religieuze ceremoniën staan min of meer in verband met de gentes. Bij de zes jaarlijkse religieuze feesten van de Irokezen werden de sachems en de krijgshoofden van de verschillende gentes ambtshalve aan de ‘hoeders van het geloof’ toegevoegd en hadden priesterlijke functies.

9. De gens heeft een gemeenschappelijke begraafplaats. Deze is bij de tussen de blanken ingesloten Irokezen in de staat New York nu verdwenen, maar heeft vroeger bestaan. Bij andere Indianen bestaat zij nog, bv. bij de aan de Irokezen nauw verwante Tuskarora’s, die, hoewel christenen, voor iedere gens een bepaalde rij hebben op het kerkhof, zodat de moeder wel in dezelfde rij begraven wordt als de kinderen, de vader echter niet. En ook bij de Irokezen gaat de hele gens van een overledene mee naar de begrafenis, zorgt voor het graf, de grafrede enz.

10. De gens heeft een raad, de democratische vergadering van alle mannelijke en vrouwelijke volwassen leden van de gens, allen met gelijk stemrecht. Deze raad koos sachems en krijgshoofden en zette ze af, evenals de andere ‘hoeders van het geloof’; hij besliste over zoengaven (weergeld) of bloedwraak voor vermoorde gensgenoten; hij adopteerde vreemdelingen in de gens. Kortom, hij was de soevereine macht in de gens.

Dit zijn de bevoegdheden van een typische Indiaanse gens. ‘Al haar leden zijn vrije mensen, verplicht elkaars vrijheid te beschermen; gelijk in persoonlijke rechten — sachems noch krijgshoofden maken aanspraak op enige voorrang; zij vormen een broederschap, verbonden door banden des bloeds. Vrijheid, gelijkheid, broederschap, hoewel nooit geformuleerd, waren de grondbeginselen van de gens en deze was weer de eenheid van een heel maatschappelijk stelsel, de grondslag van de georganiseerde Indiaanse maatschappij. Dat verklaart de onbuigzame zin voor onafhankelijkheid en de persoonlijke waardigheid in het optreden, die iedereen in de Indianen erkent.’ 

Ten tijde van de ontdekking waren de Indianen van geheel Noord-Amerika in gentes georganiseerd, volgens het moederrecht. Slechts in enkele stammen, zoals in die van de Dakota’s, waren de gentes in verval geraakt, en in enige andere, de Ojibwa’s, Omaha’s, waren ze volgens het vaderrecht georganiseerd.

Bij zeer vele Indiaanse stammen met meer dan vijf of zes gentes vinden wij telkens drie, vier of meer gentes tot een bijzondere groep verenigd, die Morgan, volgens de woordelijke vertaling van de Indiaanse naam, naar haar Griekse evenbeeld, fratrie (broederschap) noemt. Zo hebben de Seneka’s twee fratrieën: de eerste omvat de gentes 1-4, de tweede de gentes 5-8. Een nader onderzoek toont, dat de fratrieën meestal de oorspronkelijke gentes zijn, waarin de stam aanvankelijk was gesplitst; want bij het huwelijksverbod binnen de gens moest iedere stam noodzakelijk minstens twee gentes omvatten om zelfstandig te kunnen bestaan. Naargelang de stam groter werd, splitste zich iedere gens weer in twee of meer delen, die dan als afzonderlijke gentes verschijnen, terwijl de oorspronkelijke gens, die alle dochtergentes bevat, als fratrie voort bestaat. Bij de Seneka’s en de meeste andere Indianen zijn de gentes van de ene fratrie broedergentes, terwijl die van de andere haar neefgentes zijn — namen, die in het Amerikaanse stelsel van bloedverwantschap, zoals wij zagen, een zeer reële en betekenisvolle zin hebben. Oorspronkelijk mocht een Seneka ook niet binnen zijn fratrie huwen, maar dit is sedert lang in onbruik geraakt en tot de gens beperkt. De traditie bij de Seneka’s was, dat Beer en Hert de twee oorspronkelijke gentes waren, waarvan de andere zich hadden afgesplitst. Nadat deze nieuwe instelling eenmaal ingeburgerd was, werd zij naar behoefte gewijzigd; stierven gentes van een fratrie uit, dan werden soms ter vereffening gehele gentes uit andere fratrieën overgeplaatst in de eerste. Daarom vinden wij bij verschillende stammen gelijknamige gentes verschillend in de fratrieën gegroepeerd.

De functies van de fratrie bij de Irokezen zijn deels van maatschappelijke, deels van religieuze aard. 1. Het balspel spelen de fratrieën tegen elkaar; elke van hen stuurt zijn beste spelers in het veld, de overigen kijken, iedere fratrie afzonderlijk opgesteld, toe en wedden tegen elkaar op het winnen van hun spelers. 2. In de stamraad zitten de sachem; en de krijgsaanvoerders van iedere fratrie tezamen en de beide groepen tegenover elkaar, iedere spreker wendt zich tot de vertegenwoordigers van elke fratrie als tot een afzonderlijke corporatie. 3. Kwam er een doodslag in de stam voor, waarbij dader en verslagene niet tot dezelfde fratrie behoorden, dan beriep zich de beledigde gens dikwijls op haar broedergentes; deze hielden een fratrieraad en richtten 2zch tot de andere fratrie in haar geheel opdat deze eveneens een raad bijeen zou roepen, teneinde de zaak bij te leggen. Hier treedt de fratrie dus weer als oorspronkelijke gens op en met meer uitzicht op succes dan de zwakkere afzonderlijke gens, haar dochter. 4. Bij sterfgeval van aanzienlijke personen nam de andere fratrie de zorg voor de begrafenis en de begrafenisplechtigheid op zich, terwijl de fratrie van de overledene als rouwklagende meeging. Stierf een sachem, dan meldde de andere fratrie het openvallen van het ambt aan de bondsraad der Irokezen. — 5. De fratrieraad werd eveneens bij de verkiezing van een sachem betrokken. Bekrachtiging door de broedergentes werd als vrijwel vanzelfsprekend beschouwd, maar de gentes van de andere fratrie konden zich verzetten. In zulk een geval kwam de raad van deze fratrie bijeen; volhardde hij bij de oppositie dan was de verkiezing ongeldig. 6. Vroeger hadden de Irokezen bijzondere religieuze mysteriën, door de blanken ‘medicine lodges’  genoemd. Deze werden bij de Seneka’s gevierd door twee religieuze genootschappen, met inwijding van nieuwe leden geheel volgens de regels; tot elk van de beide fratrieën behoorde zo’n genootschap. — 7. Wanneer, zoals bijna zeker is, de vier linages (geslachten), die de vier wijken  van Tlascalá ten tijde van de verovering bewoonden,  vier fratrieën waren, dan is daarmee bewezen, dat de fratrieën, evenals bij de Grieken en soortgelijke geslachtsverbonden bij de Duitsers, ook als militaire eenheden golden; deze vier linages trokken elk als afzonderlijke schare ten strijde, met eigen uniform en vaandel en onder een eigen aanvoerder.

Zoals enige gentes een fratrie uitmaken, vormen oorspronkelijk enige fratrieën een stam; in vele gevallen ontbreekt bij sterk verzwakte stammen de tussenvorm, de fratrie. Wat kenmerkt nu een Indianenstam in Amerika?

1. Een eigen gebied en een eigen naam. Iedere stam bezat behalve zijn eigenlijke woonplaats nog een aanzienlijk gebied voor jacht en visserij. Daarbuiten lag een uitgestrekte neutrale strook grond, die tot het gebied van de naburige stam reikte en bij taalverwante stammen kleiner, bij niet-taalverwante stammen groter was. Dit is hetzelfde als het grenswoud bij de Duitsers, de woestenij, die de Sueven volgens Caesar om hun gebied schiepen, het îsarnholt (Deens jarnved, limes Danicus) tussen Denen en Duitsers, het Saksenwoud en de branibor (Slavisch — beschermend woud), waarvan de naam Brandenburg is afgeleid, tussen Duitsers en Slaven. Het op deze wijze door onzekere grenzen afgescheiden gebied was het gemeenschappelijke land van de stam, door naburige stammen als zodanig erkend en door de stam zelf tegen invallen verdedigd. De onbepaaldheid van de grenzen werd meestal eerst praktisch nadelig nadat de bevolking zich sterk had vermeerderd. De namen van de stammen schijnen meestal eerder toevallig te zijn ontstaan dan opzettelijk gekozen; in de loop van de tijd kwam het meermalen voor, dat een stam door de naburige stammen met een andere naam werd aangeduid dan die, waarmee hij zichzelf noemde: zoals bv. de Duitsers, wie de eerste historische verzamelnaam — Germanen — door de Kelten werd gegeven.

2. Een afzonderlijk dialect, alleen aan deze stam eigen. Inderdaad vallen stam en dialect eigenlijk samen; de vorming van nieuwe stammen en dialecten door splitsing had nog tot voor korte tijd in Amerika plaats en zal ook thans wel nauwelijks geheel hebben opgehouden. Waar twee verzwakte stammen tot één stam zijn samengesmolten, komt het bij uitzondering voor, dat er in één stam twee nauw verwante dialecten worden gesproken. De gemiddelde sterkte van de Amerikaanse stammen is minder dan 2000 man; de Tsjerokezen zijn echter ongeveer 26.000 man sterk, het grootste aantal Indianen in de Verenigde Staten, dat hetzelfde dialect spreekt.

3. Het recht, de door de gentes gekozen sachems en krijgsaanvoerders plechtig te installeren en

4. het recht ze weer af te zetten, ook tegen de wil van hun gens. Het feit, dat deze sachems en krijgsaanvoerders leden van de stamraad zijn, verklaart vanzelf deze rechten van de stam ten opzichte van hen. Waar zich een bond van stammen had gevormd en alle stammen in een bondsraad waren vertegenwoordigd, gingen de bovengenoemde rechten op deze over.

5. Het bezit van gemeenschappelijke religieuze voorstellingen (mythologie) en erediensten. ‘De Indianen waren op hun barbarenmanier een godsdienstig volk.’  Hun mythologie is nog geenszins kritisch onderzocht; zij stelden zich de belichaming van hun religieuze voorstellingen — allerlei geesten — reeds in menselijke gedaante voor, maar de laagste trap van de barbaarsheid, waarop zij zich bevonden, kent nog geen plastische afbeeldingen, zogenaamde afgodsbeelden. Het is een eredienst voor natuur en elementen, die zich aan het ontwikkelen is tot veelgodendom. De verschillende stammen hadden regelmatig hun feesten met bepaalde vormen van eredienst, namelijk dans en spelen; vooral de dans maakte een belangrijk deel uit van alle religieuze plechtigheden; iedere stam vierde zijn feesten afzonderlijk.

6. Een stamraad voor gemeenschappelijke aangelegenheden. Deze was samengesteld uit alle sachems en krijgsaanvoerders die de werkelijke, want steeds afzetbare, vertegenwoordigers van de verschillende gentes waren; hij beraadslaagde in het openbaar, omgeven door de overige leden van de stam, die het recht hadden mee te spreken en hun mening te laten horen; de raad besliste. In de regel werd iedere aanwezige op zijn verlangen gehoord, ook de vrouwen konden door een door hen gekozen spreker hun mening naar voren laten brengen. Bij de Irokezen moest de beslissing tenslotte met algemene stemmen worden genomen, zoals dat ook met vele besluiten van de Duitse markgemeenten het geval was. De stamraad regelde in het bijzonder de betrekkingen tot vreemde stammen; gezantschappen werden door hem ontvangen en uitgezonden, hij verklaarde oorlog en sloot vrede. Brak er een oorlog uit, dan werd die meestal door vrijwilligers gevoerd. In beginsel gold iedere stam in oorlog te zijn met elke andere stam, waarmee hij geen uitdrukkelijk vredesverdrag had gesloten. Krijgstochten tegen zulke vijanden werden meestal door enige vooraanstaande krijgers georganiseerd; zij voerden een krijgsdans uit; wie meedanste verklaarde daarmee dat hij aan de tocht deelnam. De kolonne werd onmiddellijk gevormd en in beweging gezet. De verdediging van het aangevallen stamgebied werd meestal eveneens door vrijwilligers gevoerd. Het uitrukken en de terugkeer van zulke kolonnes gaven steeds aanleiding tot openbare feestelijkheden. De goedkeuring van de stamraad voor zulke tochten was niet vereist en werd gevraagd noch gegeven. Het zijn geheel en al de particuliere krijgstochten van de Duitse vazallen, zoals Tacitus ze ons schildert, met dit verschil, dat deze bij de Duitsers at van meer duurzame aard zijn, een vaste kern vormen, die in vredestijd al georganiseerd is en waaromheen zich in geval van oorlog de overige vrijwilligers groeperen.

Zulke oorlogskolonnes waren zelden talrijk; de belangrijkste tochten van de Indianen, ook op grote afstand, werden met onbetekenende strijdkrachten ondernomen. Verenigden verschillende van zulke groepen volgelingen zich voor een grote onderneming, dan gehoorzaamde elk slechts zijn eigen aanvoerders; de eenheid in het veldtochtplan was door een beraadslaging van deze aanvoerders meer of minder goed verzekerd. Het is de wijze van oorlogvoeren van de Alemannen in de vierde eeuw aan de Boven-Rijn, zoals die bij Ammianus Marcellinus geschilderd wordt.

7. In sommige stammen vinden wij een opperhoofd, wiens bevoegdheden echter zeer gering zijn. Het is een van de sachems, die in gevallen waar snel gehandeld moet worden, voorlopige maatregelen moet nemen tot de tijd dat de raad kan vergaderen en een definitief besluit nemen. Het is een zwakke, maar in de verdere ontwikkeling meestal onvruchtbaar gebleven aanloop tot de benoeming van een beambte met uitvoerende macht; deze is veeleer, zoals zal blijken, in de meeste gevallen, zo niet overal, uit de opperste legeraanvoerder ontwikkeld.

Verder dan de vereniging tot een stam heeft de grote meerderheid van de Amerikaanse Indianen het niet gebracht. In weinig talrijke stammen, door uitgebreide grensstreken van elkaar gescheiden en door eeuwige oorlogen verzwakt, bezetten zij met weinig mensen een geweldig gebied. Bondgenootschappen tussen verwante stammen ontstonden hier en daar tijdelijk als gevolg van een noodtoestand en vielen uiteen, zodra die noodzaak wegviel. Maar in enkele streken hadden oorspronkelijk verwante stammen zich na de verbrokkeling weer aaneengesloten tot duurzame verbonden en zo de eerste stap gedaan tot het vormen van naties. In de Verenigde Staten vinden wij de meest ontwikkelde vorm van zulk een verbond bij de Irokezen. Na de uittocht uit hun woonplaatsen ten westen van de Mississippi, waar zij waarschijnlijk een tak van de grote Dakota-familie vormden, vestigden zij zich na een langdurige zwerftocht in de tegenwoordige staat New York, verdeeld in vijf stammen: de Seneka’s, Cayuga’s, Onondaga’s, Oneida’s en Mohawks. Zij leefden van vis, wild en grove tuinbouw en woonden in dorpen die meestal door paalwerk waren beschermd. Nooit meer dan 20.000 man sterk, hadden zij in alle vijf stammen een aantal gentes gemeenschappelijk, spraken nauw verwante dialecten van dezelfde taal en bezetten nu een samenhangend gebied, dat onder de vijf stammen was verdeeld.

Dat deze stammen in het pas veroverde gebied tegenover de verjaagden uit gewoonte aaneengesloten bleven was natuurlijk, en op zijn laatst in het begin van de 15de eeuw ontwikkelden zij zich formeel tot een ‘eeuwige bond’, een eedgenootschap, dat al dadelijk met het besef van zijn nieuwe kracht een agressief karakter kreeg en op het toppunt van zijn macht, omstreeks 1675, grote landstreken in de omtrek veroverd en de bewoners deels verdreven, deels schatplichtig gemaakt had. De Irokezenbond was de meest ontwikkelde maatschappelijke organisatie waartoe de Indianen het hebben gebracht, voor zover zij de laagste trap van de barbaarsheid niet overschreden (dus met uitzondering van de Mexicanen, de Nieuw-Mexicanen en de Peruanen). De voornaamste bepalingen van de bond waren de volgende:

1. Eeuwige bond van de vijf bloedverwante stammen op de grondstag van volkomen gelijkheid en zelfstandigheid in alle interne aangelegenheden van de stam. Deze bloedverwantschap vormde de wezenlijke grondslag van de bond. Van de vijf stammen werden drie de vaderstammen genoemd en waren elkaars broeders; de beide andere heetten zoonstammen en waren eveneens elkaars broederstammen. Drie gentes — de oudste — waren in alle vijf, drie andere in drie der stammen nog door levende leden vertegenwoordigd; de leden van elk van deze gentes waren allen broers in alle vijf stammen. De gemeenschappelijke taal, die slechts dialectverschillen had, was de uitdrukking en het bewijs van de gemeenschappelijke afstamming. 
2. Het orgaan van de bond was een bondsraad van 50 sachems, allen gelijk in rang en aanzien; deze raad had de eindbeslissing in alle aangelegenheden van de bond. 
3. Deze 50 sachems waren bij de stichting van de bond over de verschillende stammen en gentes verdeeld als dragers van nieuwe ambten, die uitdrukkelijk ten behoeve van de bond ingesteld waren. Zij werden door de betrokken gentes bij iedere vacature opnieuw gekozen en konden door hen te allen tijde worden afgezet; het recht hen in hun ambt te installeren behoort echter aan de bondsraad.
4. Deze bondssachems waren tevens sachems in hun respectieve stammen en hadden zitting en stem in de stamraad. 
5. Alle besluiten van de bondsraad moesten met algemene stemmen worden genomen.
6. Er werd volgens stammen gestemd, zodat iedere stam en in iedere stam alle raadsleden vóór moesten stemmen om een geldig besluit te nemen.
7. Elk van de vijf stamraden kon de bondsraad bijeenroepen, deze kon dit echter zelf niet doen.
8. De zittingen hadden plaats in tegenwoordigheid van het volk; iedere Irokees kon het woord nemen; maar alleen de raad besliste.
9. De bond had geen persoonlijk hoofd, geen chef met uitvoerende macht.
10. Er waren echter twee opperste legeraanvoerders, met gelijke bevoegdheden en gelijke macht (de twee ‘koningen’ van de Spartanen, de beide consuls in Rome).

Dat was de hele openbare bestuursinrichting, waaronder de Irokezen meer dan vierhonderd jaar hebben geleefd en nog leven. Ik heb ze uitvoerig volgens Morgan geschilderd, omdat wij hier de gelegenheid hebben de organisatie te bestuderen van een maatschappij, die nog geen staat kent. De staat vooronderstelt een afzonderlijke, van het totaal der gegeven betrokkenen gescheiden openbare macht, en Maurer, die met een juist instinct de Duitse mark als een zuiver maatschappelijke instelling opvat, welke wezenlijk van de staat verschilt, al vormt zij er ook grotendeels de latere grondslag van, Maurer onderzoekt derhalve in al zijn geschriften het geleidelijke ontstaan van de openbare macht uit en naast de oorspronkelijke bestuursinrichtingen van de marken, dorpen, hoeven en steden. Wij zien bij de Noordamerikaanse Indianen hoe een oorspronkelijk aaneengesloten volksstam zich langzamerhand over een ontzaglijk continent verbreidt; hoe stammen door splitsing volken, ja hele groepen van stammen worden, hoe de talen veranderen, tot zij niet alleen wederzijds onbegrijpelijk worden, maar ook bijna elk spoor van de oorspronkelijke eenheid verliezen; hoe daarnaast binnen de stammen de afzonderlijke gentes zich in verscheidene gentes splitsen, de oude moedergentes als fratrieën voortbestaan en hoe toch de namen van deze oudste gentes bij ver verwijderde en lang gescheiden stammen dezelfde blijven — Wolf en Beer zijn nog bij de meeste Indiaanse stammen gensnamen. En op alle past in grote lijnen de hierboven geschilderde maatschappelijke inrichting — al hebben vele het niet tot een bond van verwante stammen gebracht.

Wij zien echter ook hoe zeer — wanneer eenmaal de gens als maatschappelijke eenheid is gegeven — de hele maatschappelijke instelling van gentes, fratrieën en stam zich met schier dwingende noodzakelijkheid — want op natuurlijke wijze — uit deze eenheid ontwikkelt. Alle drie zijn het groepen met verschillende graden van bloedverwantschap, ieder voor zich vormt een afgesloten geheel en zorgt voor zijn eigen aangelegenheden, maar ieder van hen vult ook de andere aan. En de kring van de hen betreffende zaken omvat alle openbare aangelegenheden van de barbaar op de laagste trap. Wanneer wij dus bij een volk de gens als maatschappelijke eenheid aantreffen, zullen wij ook naar een soortgelijke organisatie van de stam mogen zoeken als de hier geschilderde; en waar voldoende bronnen voorhanden zijn, zoals over de Grieken en Romeinen, zullen wij die niet alleen vinden, maar er ons ook van overtuigen, dat waar de bronnen ons in de steek laten, vergelijking van de Amerikaanse maatschappij-inrichting ons over de moeilijkste twijfels en raadsels heen helpt.

En welk een verwonderlijke instelling is in al haar kinderlijkheid en eenvoud deze gensinrichting. Zonder soldaten, gendarmes en politie, zonder adel, koningen, stadhouders, prefecten of rechters, zonder gevangenissen, zonder processen gaat alles geregeld zijn gang. Iedere twist en strijd wordt door allen beslecht die het aangaat, de gens of de stam of de afzonderlijke gentes onder elkaar — alleen als uiterste, zelden toegepaste middel dreigt de bloedwraak, waarvan bij ons de doodstraf alleen maar de beschaafde vorm is, behept met alle voor- en nadelen van de beschaving. Ofschoon er veel meer gemeenschappelijke aangelegenheden zijn dan thans — de huishouding is voor een reeks gezinnen gemeenschappelijk en communistisch, de grond is het bezit van de stam, alleen de tuintjes worden tijdelijk aan de huishoudingen toegekend — heeft men toch geen spoor van ons omstandige en ingewikkelde bestuursapparaat nodig. De betrokkenen beslissen en in de meeste gevallen heeft eeuwenlange gewoonte reeds alles geregeld. Armen en behoeftigen kunnen er niet zijn — de communistische huishouding en de gens kennen hun plichten tegenover ouden, zieken en in de oorlog verminkten. Allen zijn gelijk en vrij — ook de vrouwen. Voor slaven is er nog geen plaats, voor het onderwerpen van vreemde stammen in de regel ook nog niet. Toen de Irokezen omstreeks 1651 de Eries en de ‘Neutrale natie’  hadden overwonnen, boden zij hun aan met gelijke rechten tot de bond toe te treden; eerst toen de overwonnenen dit weigerden, werden zij uit hun gebied verdreven. En wat voor mannen en vrouwen zulk een maatschappij voortbrengt, bewijst de bewondering van alle blanken die in aanraking kwamen met onbedorven Indianen voor de persoonlijke waardigheid, rechtschapenheid, vastheid van karakter en dapperheid van deze barbaren.

Van de dapperheid hebben wij zeer onlangs in Afrika voorbeelden gezien. De Zoeloekaffers enkele jaren geleden en de Nubiërs een paar maanden geleden, beide stammen waar de gensinstellingen nog niet zijn uitgestorven, hebben gedaan wat geen Europees leger vermag.  Slechts gewapend met lansen en werpsperen, zonder vuurwapens, zijn zij in de kogelregen van de achterladers der Engelse infanterie — erkend als de beste ter wereld voor het gevecht in gesloten gelederen — tot aan de bajonetten vooruit gestormd en hebben de troepen meermalen in wanorde gebracht en zelfs teruggeworpen, ondanks de enorme ongelijkheid der bewapening en niettegenstaande zij in het geheel geen diensttijd hebben en niet weten wat exerceren is. Wat zij kunnen uithouden en presteren bewijst de klacht van de Engelsen, dat een Kaffer in 24 uur een lange weg sneller aflegt dan een paard — de kleinste spier tekent zich af, hard en gestaald, als de pees van een zweep, zegt een Engelse schilder.

Zo zagen de mensen en hun maatschappij er uit, voordat de scheiding in verschillende klassen plaats had gehad. En vergelijken wij hun toestand met die van de overgrote meerderheid der hedendaagse beschaafde mensen, dan vinden wij dat de afstand tussen de tegenwoordige proletariër of kleine boer en de oude vrije gensgenoot enorm groot is.

Dat is de ene kant. Laten wij echter niet vergeten, dat deze organisatie tot ondergang was gedoemd. Verder dan de stam ging ze niet; de bond van stammen wijst al op het begin van haar ondergang, zoals nog blijken zal en zoals bleek uit de pogingen der Irokezen tot onderwerping. Alles wat buiten de stam stond, stond buiten het recht. Waar niet een uitdrukkelijk vredesverdrag bestond, daar heerste oorlog tussen stam en stam en de oorlog werd met de wreedheid gevoerd, die de mens van de overige dieren onderscheidt en die eerst later door het eigenbelang werd getemperd. De gensinstelling in haar bloeitijd, zoals wij die in Amerika zagen, vooronderstelde een zeer gering ontwikkelde productie, dus een zeer dunne bevolking op een groot gebied, dus een bijna volkomen beheerst-zijn van de mens door de hem vreemde, onbegrepen natuur buiten hem, hetwelk zich weerspiegelt in de kinderlijke religieuze voorstellingen. Voor de mens bleef de stam de grens, zowel tegenover de vreemdeling als voor zichzelf: de stam, de gens en haar inrichtingen waren heilig en onaantastbaar, vormden een door de natuur gegeven hogere macht, waaraan de enkeling in voelen, denken en handelen onvoorwaardelijk onderworpen bleef. Hoe sterk de mensen uit dit tijdperk ons ook imponeren, ze onderscheiden zich slechts weinig van elkaar; zij hangen nog, zoals Marx zegt, aan de navelstreng van de uit de natuur gegroeide gemeenschap. De macht van deze primitieve gemeenschappen moest worden gebroken en zij werd gebroken. Maar zij werd gebroken door invloeden, die ons van meet af aan als een degradatie voorkomen, als een zondeval van de eenvoudige zedelijke hoogte van de oude gensmaatschappij. Het zijn de laagste belangen — gemene hebzucht, brutale genotzucht, vuile gierigheid, baatzuchtige roof van gemeenschappelijk bezit, die de nieuwe, de beschaafde, de klassenmaatschappij inwijden; het zijn de verachtelijkste middelen — diefstal, geweldpleging, arglistigheid, verraad — die de oude klasseloze gensmaatschappij ondermijnen en ten val brengen. En de nieuwe maatschappij zelf is gedurende de volle tweeëneenhalfduizend jaar van haar bestaan nooit iets anders geweest dan de ontwikkeling van een kleine minderheid op kosten van de uitgebuite en onderdrukte grote meerderheid, en ze is dat thans meer dan ooit.

 

 

 

 

 

 

IV.

De Griekse gens

 

 

De Grieken, zowel als de Pelasgen  en andere stamverwante volken waren reeds sedert voorhistorische tijden georganiseerd in dezelfde organische reeks als de Amerikanen: gens, fratrie, stam, bond van stammen. De fratrie kon ontbreken, zoals bij de Doriërs, de bond van stammen behoef de nog niet overal tot stand te zijn gekomen, maar steeds was de gens de eenheid. In de tijd waarin de Grieken hun intrede in de geschiedenis doen, staan zij aan de drempel van de beschaving; tussen hen en de hierboven besproken Amerikaanse stammen liggen bijna twee volle, grote ontwikkelingsperioden die de Grieken uit de heldentijd de Irokezen vóór zijn.

De gens van de Grieken is daarom ook volstrekt niet meer de oude gens van de Irokezen, het stempel van het groepshuwelijk begint aanmerkelijk te vervagen. Het moederrecht is geweken voor het vaderrecht; daarmee heeft de opkomende particuliere rijkdom de eerste bres in de gensinrichting geslagen. Een tweede bres was het natuurlijke gevolg van de eerste; nu na de invoering van het vaderrecht het vermogen van een rijke erfdochter door haar huwelijk aan haar man, dus in een andere gens zou zijn gekomen, schond men de grondslag van het gehele gensrecht; men veroorloofde niet alleen, men gebood zelfs in dit geval, dat het meisje binnen de gens moest huwen, teneinde het vermogen binnen de gens te houden.

Volgens de Griekse geschiedenis van Grote  werd in het bijzonder de Atheense gens bijeengehouden door:

1. Gemeenschappelijke religieuze plechtigheden en het uitsluitende recht priesters te hebben ter ere van een bepaalde god, de vermeende stamvader van de gens, die in deze eigenschap met een bijzondere bijnaam werd aangeduid. 
2. Een gemeenschappelijke begraafplaats (verg. Eubulides van Demosthenes). 
3. Wederkerig erfrecht. 
4. Wederkerige verplichting tot hulp, bescherming en ondersteuning tegen geweldpleging. 
5. In bepaalde gevallen wederkerig recht en wederkerige verplichting om in de gens te huwen, vooral waar het ouderloze meisjes en erfdochters betrof. 
6. Het bezit, althans in enkele gevallen, van gemeenschappelijke eigendom met een eigen archont (hoofd) en schatmeester.

De vereniging in de fratrie bond dus verscheidene gentes bijeen, hoewel minder vast; maar ook hier vinden wij wederzijdse rechten en plichten van soortgelijke aard, vooral gemeenschap van bepaalde godsdienstoefeningen en het recht van vervolging, als een frator gedood was. Alle fratrieën van een stam bij elkaar hadden wederom gemeenschappelijke, geregeld terugkerende heilige plechtigheden, waarbij een uit de adet (de eupatriden) gekozen fylobasilcus (stamhoofd) voorging.

Tot zover Grote: En Marx voegt er aan toe: ‘In de Griekse gens herkent men de wilde (bv. de Irokees) toch ook onmiskenbaar.’ Men herkent hem nog duidelijker, zodra wij wat verder gaan onderzoeken. Tot de Griekse gens behoort namelijk verder:

7. Afstamming volgens het vaderrecht. 
8. Huwelijksverbod binnen de gens behalve in het geval van erfdochters. Deze uitzondering en haar inkleding als gebod bewijzen de geldigheid van de oude regel. Deze volgt eveneens uit de algemeen geldende zede, dat de vrouw door het huwelijk afstand deed van de godsdienstige plechtigheden van haar gens en overging tot die van haar man, in wiens fratrie zij ook werd ingeschreven. Hieruit en uit een beroemde passage bij Dikaeärchos volgt,  dat het huwelijk buiten de gens regel was, en Becker neemt in de ‘Charikles’ ronduit aan, dat niemand binnen zijn eigen gens mocht trouwen. 
9. Het recht van adoptie in de gens; dit geschiedde door adoptie in het gezin, maar met openbare formaliteiten en slechts bij uitzondering. 
10. Het recht de bestuurders te kiezen en af te zetten. Wij weten dat iedere gens haar archont had, maar nergens wordt gezegd, dat het ambt in bepaalde families erfelijk was. Men vermoedt, dat er tot aan het einde van de barbaarsheid nooit strikte erfopvolging heeft bestaan, welke geheel onverenigbaar is met toestanden, waarbij rijken en armen binnen de gens volkomen gelijke rechten hadden.

Niet alleen Grote, maar ook Niebuhr, Mommsen en alle andere geschiedschrijvers op het gebied van de klassieke Oudheid zijn tot nu toe gestruikeld over het vraagstuk van de gens. Hoe juist zij ook vele van haar kenmerken hebben beschreven, toch zagen zij in de gens steeds een groep van gezinnen en daarmee maakten zij het zich onmogelijk de aard en de oorsprong van de gens te begrijpen. Het gezin is bij de gensinrichting nooit een eenheid in de organisatie geweest en kon het niet zijn, omdat man en vrouw noodzakelijkerwijze tot twee verschillende gentes behoorden. De gens ging geheel op in de fratrie, de fratrie in de stam; het gezin ging half op in de gens van de man en half in die van de vrouw. Ook de staat erkent in het publiekrect het gezin niet; het bestaat tot nu toe slechts voor het privaatrecht. En toch gaat tot nu toe onze gehele geschiedschrijving van de, vooral in de achttiende eeuw onaantastbaar geworden absurde veronderstelling uit, dat het monogame individuele gezin, dat nauwelijks ouder is dan de beschaving, de kern is, waaromheen maatschappij en staat zich langzamerhand gekristalliseerd hebben.

‘De heer Grote gelieve er nota van te nemen’, voegt Marx er aan toe, ‘dat hoewel de Grieken zelf hun gentes uit de mythologie afleiden, deze gentes ouder zijn dan de door hen zelf geschapen mythologie met haar goden en halfgoden.’

Grote wordt met voorliefde door Morgan aangehaald, omdat hij een gezaghebbende en tevens geheel onverdachte getuige is.

Hij vertelt verder, dat iedere Atheense gens een van haar vermeende stamvader afgeleide naam had, dat vóór Solon als regel, en ook nog na Solon bij het ontbreken van een testament, de gensgenoten (gennêtes) zijn vermogen erfden en dat in geval van doodstag in de eerste plaats de verwanten, dan de gensgenoten en tenslotte de fratoren van de verslagene het recht en de plicht hadden de misdadigers bij het gerecht aan te klagen: ‘Alles wat wij over de oudste Atheense wetten vernemen, berust op de indeling in gentes en fratrieën.’ 

De afstamming van de gentes van gemeenschappelijke voorouders heeft de ‘schoolgeleerde filisters’ (Marx) heel wat hoofdbrekens veroorzaakt. Zij beschouwen de afstamming natuurlijk als zuiver mythisch en kunnen daarom voor het ontstaan van een gens uit naast elkaar bestaande, oorspronkelijk in het geheel niet verwante gezinnen eenvoudigweg geen verklaring geven; toch moeten zij dit klaarspelen, alleen al om het bestaan van de gentes te verklaren. En zo wordt dan een, in een cirkel draaiende woordenvloed ten beste gegeven, die niet boven de sterling uitkomt — de stamboom is weliswaar een fabel, maar de gens is werkelijkheid. Grote schrijft dan tenslotte het volgende (de opmerkingen tussen haakjes zijn van Marx): ‘Wij horen maar zelden van deze stamboom, want alleen bij bepaalde zeer plechtige gelegenheden wordt er in het openbaar melding van gemaakt. Maar de minder aanzienlijke gentes hadden hun gemeenschappelijke godsdienstoefeningen’ (hoe vreemd, mijnheer Grote!) ‘en een gemeenschappelijke bovenmenselijke stamvader en stamboom precies zoals de meer beroemde gentes’ (hoe echt vreemd is dit, mijnheer Grote, bij minder aanzienlijke gentes!); ‘de hoofdtrekken en de ideale grondslag (waarde heer, niet ideëel, maar carnaal, germanice fleischlich!) waren bij allen dezelfde.’ 

Marx vat Morgans antwoord hierop als volgt samen: ‘Het stelsel van bloedverwantschap, eigen aan de gens in haar oervorm — en de Grieken hebben deze vorm zo goed als andere stervelingen eens gehad — onderhield de kennis van de bloedverwantschapsverhoudingen van alle gensgenoten onderling. Zij leerden dit voor hen zo buitengewoon belangrijke van kindsbeen af in de praktijk. Met het ontstaan van het monogame gezin geraakte het in vergetelheid. De gensnaam schiep een stamboom, waarnaast die van het individuele gezin onbelangrijk scheen. Het was nu deze naam, die het feit van de gemeenschappelijke afstamming van zijn dragers moest waar maken; maar de stamboom van de gens ging zover terug, dat de leden hun wederzijdse werkelijke verwantschap niet meer konden bewijzen, uitgezonderd in een beperkt aantal gevallen bij latere gemeenschappelijke voorouders. De naam zelf was het bewijs van gemeenschappelijke afstamming en een afdoend bewijs, afgezien van de gevallen van adoptie. Daarentegen is de feitelijke ontkenning van elke bloedverwantschap tussen gensgenoten a la Grote en Niebuhr, die de gens geheel tot een verzonnen en verdichte schepping maakt, “ideale” kamergeleerden waardig. Omdat het verband van de geslachten, vooral sinds het begin van de monogamie, aan de waarneming onttrokken is en de vroegere werkelijkheid zich in het gefantaseerde spiegelbeeld der mythologie openbaart, kwamen en komen de brave filisters tot de slotsom, dat uit de gefantaseerde stamboom werkelijke gentes voortkwamen!’

De fratrie was, evenals bij de Amerikanen, een in verschillende dochtergentes gesplitste en deze verenigende moedergens, waarbij de eerste dikwijls nog van een gemeenschappelijke stamvader afgeleid werden. Zo hadden volgens Grote ‘alle gelijktijdige leden van de fratrie van Hekataios een en dezelfde god tot stamvader in het zestiende geslacht’  ; alle gentes van deze fratrie waren dus letterlijk broedergentes. De fratrie komt nog bij Homeros als militaire eenheid voor in de beroemde passage, waar Nestor Agamemnon aanraadt: ‘Stel de mannen op volgens stammen en fratrieën, opdat de fratrie de fratrie bijstaat en de stam de stam.’  Verder heeft zij het recht en de plicht doodslag, gepleegd op een lid van de fratrie, te vervolgen, dus in vroeger tijd ook als plicht de bloedwraak. Zij heeft verder gemeenschappelijke heiligdommen en feesten, terwijl ook het ontstaan van de hele Griekse mythologie uit de meegebrachte oud-arische natuurverering voor een groot deel voortkwam uit het bestaan van de gentes en fratrieën en zich binnen deze afspeelde. Verder had zij een hoofd (fratriarchos) en volgens De Coulanges ook vergaderingen en bindende besluiten, een rechtspraak en bestuur. Zelfs de latere staat, die de gens buiten beschouwing liet, liet aan de fratrie enige openbare functies.

Verscheidene aanverwante fratrieën vormen een stam. In Attika waren vier stammen met ieder drie fratrieën, die elk weer dertig gentes telden. Zulk een afbakenen van de groepen vooronderstelt een bewust planmatig ingrijpen in de op elementaire wijze ontstane regeling. Hoe, wanneer en waarom dit gebeurd is — daarover zwijgt de Griekse geschiedenis; bij de Grieken zelf gaat de herinnering slechts tot in de heldentijd terug.

Bij de Grieken, die op een betrekkelijk klein gebied waren samengedrongen, waren de verschillen in dialect minder ontwikkeld dan in de uitgestrekte Amerikaanse wouden, maar ook hier vinden wij slechts stammen met dezelfde hoofdtaal tot een groter geheel verenigd en zelfs in het kleine Attika bestond een afzonderlijk dialect, dat later als algemene prozataal de heersende werd.

In de homerische gedichten vinden wij de Griekse stammen meestal reeds tot kleine volken verenigd, waarbinnen echter de gentes, fratrieën en stammen hun zelfstandigheid nog volkomen bewaarden. Zij woonden al in ommuurde steden; de bevolking nam toe met de uitbreiding van de kudden en de akkerbouw, met de beginnende ontwikkeling van het handwerk; daarmee nam het verschil in rijkdom toe en dus ook het aristocratische element binnen de oude, natuurlijk ontstane democratie. De verschillende volkjes voerden voortdurend oorlog om het bezit van de beste stroken grond en waarschijnlijk ook om de buit; de slavernij van krijgsgevangenen was al een erkende instelling.

De bestuursinrichting van deze stammen en volkjes was als volgt:

1. Het vaste bestuur was de raad (boelé), oorspronkelijk wellicht samengesteld uit de bestuurders van de gentes; later, toen hun aantal te groot werd, werd uit hen een keuze gedaan, die gelegenheid bood tot vorming en versterking van het aristocratische element; Dionysios zegt dan ook zonder meer, dat de raad in de heldentijd uit voornamen (kratistoi) is samengesteld. De raad nam in belangrijke zaken de eindbeslissing; zo neemt bij Aischylos de raad van Thebe het voor de gegeven omstandigheden beslissende besluit, Eteokles eervol te begraven en het lijk van Polyneikes voor de honden te werpen. Met het opkomen van de staat ging deze raad over in de latere senaat.

2. De volksvergadering (agora). Bij de Irokezen zagen wij het volk, mannen en vrouwen, om de raadsvergadering heen staan, op ordelijke wijze meespreken en zo invloed uitoefenen op de besluiten van de raad. Bij de Grieken van Homeros heeft deze ‘Umstand’ , om een Oudduitse rechtsterm te gebruiken, zich reeds tot een volledige volksvergadering ontwikkeld, evenals bij de Duitsers uit de oertijd. Zij werd door de raad bijeengeroepen om te beslissen over belangrijke aangelegenheden; iedere man kon het woord nemen. De beslissing werd genomen door het opsteken van de hand (Aischylos in de ‘Hulpsmekenden’) of door afroepen. Zij was in laatste instantie soeverein, want, zegt Schoemann (‘Griekse oudheden’), ‘betreft het een zaak, tot welks uitvoering de medewerking van het volk nodig is, dan verraadt Homeros ons geen middel, hoe dat tegen zijn wil er toe gedwongen zou kunnen worden’.  Er bestond nu eenmaal in die tijd, toen ieder volwassen mannelijk lid van de stam krijgsman was, nog geen van het volk gescheiden openbare macht, die tegenover het volk had kunnen worden gesteld. De oorspronkelijke democratie was nog in volle bloei en dit moet het uitgangspunt blijven bij de beoordeling van de macht en de positie zowel van de raad als van de basileus.

3. De legeraanvoerder (basileus). Hierover schrijft Marx: ‘De Europese geleerden, meestal geboren vorstenlakeien, maken van de basilces een monarch in de moderne betekenis. Daartegen verzet zich de Yankee-republikein Morgan. Hij zegt zeer ironisch, maar waar, van de gladde Gladstone en diens “Jeugd van de wereld”  : “De heer Gladstone stelt ons de Griekse hoofdlieden uit de heldentijd als koningen en vorsten voor met de toevoeging, dat zij ook gentlemen waren, hij moet echter zelf toegeven: Over het geheel schijnt ons de zede of de wet van opvolging volgens het eerstgeboorterecht voldoende maar niet at te scherp omschreven aanwezig”.  Een aldus voldoende, maar niet at te scherp omschreven eerstgeboorterecht zal ook de heer Gladstone wel waardeloos voorkomen.

Wij hebben al gezien hoe het met de erfelijkheid van de bestuursambten bij de Irokezen en andere Indianen stond. Alle ambten werden meestal binnen de gens bij keuze bezet en waren in zover binnen de gens erfelijk. Bij het openvallen van een ambt werd aan de naaste gensverwant — broer of zusterszoon — langzamerhand de voorkeur gegeven, wanneer er geen redenen aanwezig waren om hem voorbij te gaan. Ging dus bij de Grieken onder de heerschappij van het vaderrecht het ambt van basileus in de regel over op de zoon of op een van de zonen, dan bewijst dit slechts, dat de opvolging van de zoon door keuze van het volk het waarschijnlijkst was, maar het bewijst volstrekt niet, dat een erfopvolging zonder volksverkiezing rechtsgeldig was. Wij zien hier bij de Irokezen en de Grieken een eerste aanleg tot het ontstaan van bijzondere adellijke families binnen de gentes en bij de Grieken bovendien het begin van een toekomstig erfelijk aanvoerdersambt of monarchie. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat de basileus bij de Grieken of door het volk moest worden gekozen of althans door een van zijn erkende organen — de raad of de agora — bevestigd moest worden, zoals dit voor de Romeinse ‘koning’ (rex) gold.

In de ‘llias’ verschijnt de aanvoerder van de mannen, Agamemnon, niet als de opperste koning der Grieken, maar als de opperste bevelhebber van een bondsleger voor een belegerde stad.

En op deze kwaliteit van hem wijst Odysseus, toen er onder de Grieken twist was uitgebroken, in de beroemde passage: het is niet goed, dat iedereen commandeert, één zij bevelhebber enz. (waarbij nog de gezochte, later toegevoegde versregel met de scepter).  ‘Odysseus houdt hier geen voordracht over de regeringsvorm, maar eist gehoorzaamheid aan de opperste bevelhebber in de oorlog. Voor de Grieken, die voor Troje slechts als leger verschijnen, gaat het in de agora democratisch genoeg toe. Waar Achilles over geschenken, d.w.z. over het verdelen van de buit spreekt, laat hij steeds “de zonen der Achaeërs”, d.w.z. het volk verdelen en niet Agamemnon, noch een andere basileus. De toevoegingen, door Zeus verwekt, door Zeus gevoed, bewijzen niets, want iedere gens stamt van een god af, die van het hoofd van de stam reeds van een “voornamere” god — hier Zeus. Zelfs zij, die persoonlijk onvrij zijn, zoals de zwijnenhoeder Eumaios e.a., zijn “goddelijk” (dioi en theioi) en dat in de “Odyssee”, dus in een veel latere tijd dan de “Ilias”. In dezelfde “Odyssee” wordt de naam “held” nog aan de heraut Mulis toegekend, zowel als aan de blinde zanger Demodokos. Kortom, het woord basileia, dat de Griekse schrijvers voor het zogenaamde koningschap bij Homeros gebruiken (omdat de legeraanvoering hun voornaamste kenteken was), met de raad en de volksvergadering daarnaast, betekent slechts — militaire democratie.’ (Marx.)

De basileus had behalve de militaire nog priesterlijke en rechterlijke ambtelijke bevoegdheden; de laatste niet nader bepaald, de eerste in zijn kwaliteit van opperste vertegenwoordiger van de stam of de bond van stammen. Er is nooit sprake van burgerlijke, besturende bevoegdheden, hij schijnt echter ambtshalve lid van de raad te zijn geweest. Het is dus etymologisch volkomen juist basileus met koning te vertalen, want koning (kuning) komt van kuni, künne en betekent hoofd van een gens. Maar in de tegenwoordige betekenis van het woord komt de koning in geen enkel opzicht overeen met de oudgriekse basileus. Thoekydides noemt de oude basileia uitdrukkelijk een patrikê, d.w.z. van gentes afgeleide, en zegt dat zij vast omlijnde, dus begrensde bevoegdheden heeft gehad.  En Aristoteles zegt, dat de basileia uit de heldentijd een leiderschap over vrijen is geweest en dat de basileus legeraanvoerder, rechter en opperpriester was; regeringsmacht in de latere betekenis had hij dus niet. 

Wij zien dus in de Griekse maatschappij-inrichting uit de heldentijd de oude gensorganisatie nog in volle kracht, maar ook al het begin van haar ondermijning; het vaderrecht en het nalaten van het vermogen aan de kinderen, waardoor het opeenhopen van rijkdom in het gezin begunstigd werd en waardoor het gezin een macht werd tegenover de gens; terugwerking van het verschil in rijkdom op de maatschappij-inrichting door de vorming van het eerste begin van erfelijke adel en koningschap; slavernij -eerst nog alleen van krijgsgevangenen, maar reeds uitzicht openend op de slavernij van de eigen stamen zelfs gensgenoten; de oude oorlog van stam tegen stam reeds ontaardend in systematische roverij te land en ter zee om vee, slaven en schatten te veroveren als een regelmatige bron van inkomsten; kortom, de rijkdom geprezen en geacht als het hoogste goed en de oude gensorde misbruikt om de gewelddadige roof van rijkdommen te rechtvaardigen. Er ontbrak nog maar één ding: een instelling, die niet alleen de nieuwverworven rijkdommen van de afzonderlijke personen tegen de communistische tradities van de gensorde beschermde; die niet alleen de vroeger zo geringgeschatte particuliere eigendom heiligde en deze heiliging tot het hoogste doel van de gehele menselijke gemeenschap verklaarde, maar die ook de opeenvolgende nieuwe manieren van verwerven van eigendom, dus de steeds snellere toeneming van de rijkdom het stempel van algemeen maatschappelijke erkenning verleende, een instelling die niet alleen de opkomende splitsing van de maatschappij in klassen vereeuwigde, maar ook het recht van de bezittende klasse op het uitbuiten van de niet-bezittende klasse en de heerschappij van de eerste over de laatste.

En deze instelling kwam. De staat werd uitgevonden.

 

 

 

 

 

V.

Het ontstaan van de Atheense staat

 

Hoe de staat zich heeft ontwikkeld, doordat de organen van de gensinrichting deels vervormd, deels door het inschuiven van nieuwe verdrongen en tenslotte geheel door een werkelijke staatsoverheid vervangen werden, terwijl in plaats van het werkelijke ‘gewapende volk’, dat zich in zijn gentes, fratrieën en stammen zelf beschermde, een gewapende ‘openbare macht’ kwam, die in dienst van deze staatsoverheid stond en dus ook tegen het volk gebruikt kon worden — dat kunnen wij, althans voor zover het het eerste gedeelte betreft, nergens beter nagaan dan in het oude Athene. De vormveranderingen zijn in hoofdzaak door Morgan beschreven, de economische inhoud waaruit zij voortkwamen moet ik er grotendeels aan toevoegen.

In de heldentijd woonden de vier stammen der Atheners in Attika nog in afzonderlijke gebieden; zelfs de twaalf fratrieën, waaruit zij bestonden, schijnen in de twaalf steden van Kekrops nog afzonderlijke woonplaatsen te hebben gehad. De bestuursinrichting was die van de heldentijd: volksvergadering, volksraad, basileus. Zover als de geschreven geschiedenis teruggrijpt, was de grond al verdeeld en in particuliere eigendom overgegaan, hetgeen past bij de aan het einde van de hoogste trap van barbaarsheid reeds betrekkelijk ontwikkelde warenproductie en de daarmee in overeenstemming zijnde warenhandel. Naast graan werd wijn en olie gewonnen; de zeehandel op de Aegeïsche zee werd meer en meer aan de Foeniciërs onttrokken en kwam grotendeels in Attische handen. Door koop en verkoop van grondbezit, door de verdere ontwikkeling van de arbeidsverdeling tussen akkerbouw en handwerk, handel en scheepvaart, moesten de leden van de gentes, fratrieën en stammen zeer spoedig door elkaar geraken, moest het gebied van de fratrie en de stam bewoners krijgen die, ofschoon volksgenoten, van deze corporaties geen deel uitmaakten en dus vreemdelingen waren in hun eigen woonplaats. Want iedere fratrie en iedere stam beheerde in rustige tijden zelf zijn aangelegenheden, zonder zich in Athene tot de volksraad of de basileus te wenden. Wie echter in het gebied van de fratrie of de stam woonde, zonder ertoe te behoren, kon aan dit beheer natuurlijk niet deelnemen.

Het ordelijk functioneren van de organen der gensinrichting werd daardoor zodanig in de war gestuurd, dat het al in de heldentijd nodig werd maatregelen te nemen. De aan Theseus toegeschreven nieuwe bestuursinrichting werd ingevoerd. De verandering lag in de eerste plaats hierin besloten, dat er in Athene een centraal bestuur werd gevormd, d.w.z. een deel van de tot nu toe door de stammen zelfstandig geregelde aangelegenheden werd tot gemeenschappelijke aangelegenheden verklaard en aan een gemeenschappelijke raad, die in Athene zetelde, overgedragen. Hiermee deden de Atheners een stap verder dan enig inheems volk in Amerika ooit had gedaan — in plaats van de eenvoudige bond van naast elkaar wonende stammen kwam de samensmelting van die stammen tot één enkel volk. Daarmee ontstond een Atheens algemeen volksrecht, dat boven de rechtsgebruiken van de stammen en gentes stond; de Atheense burger kreeg als zodanig bepaalde rechten en wettelijke bescherming, ook op het gebied van stammen waartoe hij niet behoorde. Daarmee was echter de eerste stap gedaan tot ondermijning van de gensinrichting, want het was de eerste stap tot de latere toelating van burgers, die in geheel Attika tot geen stam behoorden en die volkomen buiten de Atheense gensinrichting stonden en bleven. Een tweede aan Theseus toegeschreven regeling was de indeling van het gehele volk, zonder gens, fratrie of stam in aanmerking te nemen, in drie klassen; eupatriden of edelen, geomoren of landbouwers en demiurgen of handwerkslieden, en het toekennen van het uitsluitende recht om ambten te bezetten aan de edelen. Deze indeling bleef echter, uitgezonderd wat het bezetten van ambten door de adel betreft, zonder uitwerking, omdat zij verder geen versschil in rechten tussen de klassen met zich bracht. Maar zij is van belang, omdat zij ons de nieuwe maatschappelijke elementen toont die zich in stilte hadden ontwikkeld. Zij toont, dat de gewoonte om de gensambten door bepaalde families te doen bezetten, zich reeds tot een bijna onbestreden recht van deze families op de ambten had ontwikkeld, dat deze families, toch almachtig door hun rijkdom, zich buiten hun gentes tot een afzonderlijke bevoorrechte klasse begonnen samen te voegen en dat de zojuist ontkiemende staat deze aanmatiging heiligde. Deze indeling toont verder, dat de arbeidsverdeling tussen landbouwers en handwerklieden reeds ver genoeg was ontwikkeld om aan de oude indeling in gentes en stammen de maatschappelijke voorrang te betwisten. Zij kondigt tenslotte de onverzoenlijke tegenstelling aan tussen gensmaatschappij en staat; de eerste poging tot vorming van een staat berust op het uiteenscheuren van de gentes, doordat de leden van elke gens deels in bevoorrechten en achtergestelden en deze laatsten weer in twee beroepsklassen worden gescheiden en aldus tot elkaar in tegenstelling gebracht.

De verdere politieke geschiedenis van Athene tot Solon is slechts onvolledig bekend. Het ambt van basileus raakte in onbruik; aan het hoofd van de staat kwamen uit de adel gekozen archonten. De heerschappij van de adel nam meer en meer toe, totdat zij tegen het jaar 600 voor onze jaartelling ondraaglijk werd. Daarbij was het voornaamste middel ter onderdrukking van de algemene vrijheid het geld en de woeker. De adellijken woonden hoofdzakelijk in en om Athene, waar de zeehandel, met daarnaast de zeeroof als een gunstige gelegenheid zich voordeed, hen rijk maakte en de geldrijkdom in hun handen concentreerde. Van hieruit drong de zich ontwikkelende geldhuishouding als invretend zuur in de van oude bestaande, op de goederenhuishouding berustende levenswijze van de plattelandsgemeenten. De gensinrichting is volstrekt onverenigbaar met de geldhuishouding; de ondergang van de kleine Attische boeren viel samen met het losser worden van de oude gensbanden die hen beschermend omvatten. De schuldbekentenis en het verpanden van hofsteden (want ook de hypotheek hadden de Atheners al uitgevonden) hielden met gens noch fratrie rekening. En de oude gensinrichting kende geen geld, geen voorschot, geen geldschuld. Derhalve ontwikkelde de zich op steeds grotere schaal uitbreidende geldheerschappij van de adel ook een nieuw gewoonterecht om de schuldeiser zekerheid te geven tegenover de schuldenaar, om de uitbuiting van de kleine boer door de geldbezitter te sanctioneren. Alle akkers van Attika stonden vol pandzuilen, waarop vermeld werd dat het desbetreffende stuk grond aan die en die was verpand voor zo en zoveel geld. De akkers die deze aanduiding niet droegen, waren grotendeels al wegens vervallen hypotheek of rente verkocht en in eigendom van de adellijke woekeraar overgegaan; de boer mocht blij zijn wanneer men hem toestond er als pachter te blijven werken en van een zesde deel van de opbrengst van zijn arbeid te leven, terwijl hij de nieuwe heer vijf zesden als pacht moest betalen. Er was nog meer. Was de opbrengst van het verkochte stuk grond niet voldoende voor schuddelging of was deze schuld zonder dekking door een pand aangegaan, dan moest de schuldenaar zijn kinderen als slaven naar het buitenland verkopen om de schuldeiser te voldoen. Verkoop van de kinderen door de vader — dat was de eerste vrucht van vaderrecht en monogamie! En was de bloedzuiger dan nog niet tevreden, dan kon hij de schuldenaar zelf als slaaf verkopen. Dat was de prettige morgenstond van de beschaving bij het Atheense volk.

Vroeger, toen de levensvoorwaarden van het volk nog in overeenstemming waren met de gensinrichting, was zulk een omwenteling onmogelijk; en hier was zij gekomen zonder dat men wist hoe. Gaan wij een ogenblik naar onze Irokezen terug. Daar was een toestand, zoals die zich nu aan de Atheners om zo te zeggen zonder hun toedoen en zeker tegen hun wil had opgedrongen, ondenkbaar. Daar kon de jaar in jaar uit gelijkblijvende wijze van produceren van het levensonderhoud nooit zulke, als het ware van buiten opgedrongen conflicten verwekken, geen tegenstelling tussen rijk en arm, tussen uitbuiters en uitgebuitenen. De Irokezen waren er nog lang niet aan toe de natuur te beheersen, maar binnen de voor hen geldende, door de natuur gestelde grenzen beheersten zij hun eigen productie. Afgezien van slechte oogsten in hun tuintjes, van uitputting van de visvoorraad in hun meren en rivieren, van tekort aan wild in hun wouden, wisten zij waarop zij konden rekenen bij hun wijze om voor het levensonderhoud te werken. Waar zij op konden rekenen was steeds een in grotere of kleinere mate karig of overvloedig levensonderhoud, maar het kon nooit leiden tot niet-bedoelde maatschappelijke omwentelingen, tot het verbreken van de gensbanden, het splitsen van de gens- en stamgenoten in tegengestelde, elkaar bestrijdende klassen. De productie bewoog zich binnen uiterst enge grenzen, maar de producenten beheersten hun eigen product. Dit was het enorme voordeel van de productie tijdens de barbaarsheid, dat met de intrede van de beschaving verloren ging; en het zal de taak zijn van de eerstkomende generaties dit weer te veroveren, maar op de grondslag van de thans verworven, geweldige beheersing der natuur door de mensen en van de thans mogelijke vorm van vrije gemeenschap.

Anders was het bij de Grieken. Het opgekomen privaatbezit aan kudden en weeldeartikelen leidde tot de ruil tussen afzonderlijke personen en tot het veranderen van de producten in waren. En hier ligt de kiem van de hele volgende omwenteling. Zodra de producenten hun product niet meer rechtstreeks zelf verbruikten, maar het bij de ruil uit handen gaven, verloren zij er de macht over. Zij wisten niet meer wat er mee gebeurde en de mogelijkheid was aanwezig, dat het product te eniger tijd tegen de producent zou worden gebruikt om hem uit te buiten en te onderdrukken. Daarom kan geen enkele maatschappij op de duur de heerschappij over haar eigen productie en de controle over de maatschappelijke uitwerking van haar productieproces behouden als zij niet de ruil tussen de individuen afschaft.

Hoe snel echter, na het ontstaan van de ruil tussen de individuen en met de verandering van de producten in waren, het product zijn macht over de producent doet gelden, dat zouden de Atheners ondervinden. Met de warenproductie kwam het bebouwen van de grond door individuele verbouwers voor eigen rekening en daarmee spoedig de individuele grondeigendom. Vervolgens kwam het geld, de algemene waar, waartegen alle andere waren geruild konden worden; maar terwijl de mensen het geld uitvonden dachten zij er niet aan dat zij daarmee weer een nieuwe maatschappelijke macht schiepen, de ene algemene macht waarvoor de hele maatschappij zou moeten buigen. En het was deze nieuwe macht, plotseling opgekomen zonder dat haar scheppers dit wilden of beseften, die met echt jeugdige meedogenloosheid de Atheners haar heerschappij liet voelen.

Wat moest er worden gedaan? De oude gensinrichting had zich niet alleen machteloos getoond tegenover de zegetocht van het geld, maar was zelf ook absoluut niet in staat binnen haar grenzen plaats te vinden voor iets als geld, schuldenaars en schuldeisers of schuldinvordering door dwang. Maar de nieuwe maatschappelijke macht was er nu eenmaal, en vrome wensen, het verlangen naar de terugkeer van de goede oude tijd konden het geld en de woekerrente niet meer uit de wereld helpen. En bovendien was er een reeks andere, minder belangrijke bressen in de gensinrichting geslagen. Ondanks het feit, dat ook thans nog de Atheners wel grondstukken maar niet hun woonhuis buiten de gens mochten verkopen, waren in heel Attika en vooral in de stad Athene zelf de gensgenoten en fratoren van geslacht op geslacht steeds meer door elkaar geraakt. De verdeling van de arbeid tussen de verschillende takken van bedrijf: landbouw, handwerk (binnen het handwerk weer tussen tal van soorten), handel, scheepvaart enz., was met de vooruitgang van industrie en verkeer steeds vollediger ontwikkeld; de bevolking was nu naar haar bezigheden in tamelijk vaste groepen verdeeld, die elk een reeks nieuwe gemeenschappelijke belangen hadden, waarvoor in de gens of de fratrie geen plaats was, zodat er voor de behartiging van deze belangen nieuwe ambten nodig werden. Het aantal slaven was belangrijk toegenomen en moet reeds toen het aantal vrije Atheners ver hebben overtroffen; de gensinrichting kende oorspronkelijk geen slavernij, dus ook geen middel om deze massa onvrijen in bedwang te houden. En tenslotte had de handel een menigte vreemdelingen naar Athene gebracht, die zich daar vestigden omdat er gemakkelijk geld te verdienen was en die eveneens volgens de oude maatschappelijke inrichting van recht en bescherming verstoken waren en ondanks het feit, dat zijn uit traditie werden geduld, een storend, vreemd element in het volk bleven.

Kortom, de gensinrichting naderde haar einde. De maatschappij groeide er dagelijks meer uit; zij kon zelfs de ergste misstanden die onder haar ogen waren ontstaan niet indijken of opheffen. Maar de staat had zich intussen in stilte ontwikkeld. De nieuwe groepen, ontstaan door de verdeling van de arbeid, eerst tussen stad en land en dan tussen de verschillende takken van bedrijf in de steden, hadden nieuwe organen geschapen om hun belangen te behartigen; allerlei soorten ambten waren ingesteld. En dan had de jonge staat in de eerste plaats behoefte aan een eigen macht, die bij de zeevarende Atheners aanvankelijk slechts een zeemacht kon zijn, voor afzonderlijke kleine oorlogen en ter bescherming van de handelsschepen. Op een onbekend tijdstip vóór Solon werden de naukrariën gevormd, kleine landelijke districten, twaalf in iedere stam; elke naukrarie moest een oorlogsschip leveren, uitrusten en bemannen, en bovendien nog twee ruiters. Deze instelling tastte de gensinrichting in tweeërlei opzicht aan. Ten eerste doordat zij een openbare macht schiep, die al niet meer eenvoudig met het gehele gewapende volk samenviel; en ten tweede doordat zij het volk voor het eerst voor openbare doeleinden indeelde niet naar verwantschapsgroepen, maar naar de gemeenschappelijke woonplaats. Het zal blijken welke betekenis dit had.

Nu de gensinrichting het uitgebuite volk geen hulp kon bieden, bleef slechts de opkomende staat over. En deze bood hulp in de wetgeving van Solon, terwijl hij zich tevens opnieuw op kosten van de oude inrichting versterkte. Solon — de wijze waarop zijn hervorming, die in het jaar 594 voor onze jaartelling valt, werd doorgevoerd, gaat ons hier niet aan — Solon opende de reeks van zogenaamde politieke revoluties en wel door in de eigendom in te grijpen. Alle revoluties zijn tot nu toe revoluties geweest ter bescherming van de ene soort van eigendom tegen een andere soort van eigendom. Zij kunnen de ene niet beschermen zonder de andere aan te tasten. In de grote Franse Revolutie werd de feodale eigendom opgeofferd om de burgerlijke eigendom te redden; in de revolutie van Solon moest de eigendom van de schuldeisers het ontgelden ten bate van die der schuldenaars. De schulden werden eenvoudig voor ongeldig verklaard. De bijzonderheden zijn ons niet precies bekend, maar Solon beroemt er zich in zijn gedichten op, de pandzuilen van de met schulden belaste stukken grond te hebben verwijderd en hen, die wegens schulden naar het buitenland verkocht of gevlucht waren, te hebben teruggevoerd. Dit was alleen mogelijk door openlijke schending van de eigendom. En inderdaad, alle zogenaamde politieke revoluties, van de eerste tot de laatste, werden gemaakt ter bescherming van de eigendom van de ene soort en doorgevoerd door de confiscatie, ook wel diefstal genoemd, van de eigendom van een andere soort. Dat is zo waar, dat sinds vijfentwintig eeuwen de particuliere eigendom slechts behouden kon worden door schending van eigendom.

Nu kwam het er echter op aan te verhinderen, dat de vrije Atheners opnieuw in zulk een slavernij vervielen. Dit geschiedde eerst door algemene maatregelen, bv. door het verbod van schuldcontracten, waarin de persoon van de schuldenaar werd verpand. Verder werd vastgesteld hoeveel grond een persoon op zijn hoogst mocht bezitten, om tenminste enige perken te stellen aan de onverzadelijke begeerte van de adel naar het boerenland.

Daarna kwamen er echter wijzigingen in de staatsinrichting; voor ons zijn de volgende de belangrijkste:

De raad werd op vierhonderd leden gebracht, honderd uit iedere stam; hier bleef de stam dus nog de grondslag. Dat was echter ook de enige wijze waarop de oude inrichting in het nieuwe staatslichaam werd betrokken. Want verder deelde Solon de burgers in vier klassen in, naar hun grondbezit en de opbrengst daarvan; 500, 300 en 150 medimnen koren (1 medimnus = ongeveer 41 liter) waren de minimumopbrengsten voor de eerste drie klassen; wie minder of geen grondbezit had viel in de vierde klasse. Alle ambten konden alleen door leden van de eerste drie klassen worden bezet, de hoogste ambten alleen door leden van de eerste klasse; de vierde klasse had slechts het recht in de volksvergadering te spreken en te stemmen; maar hier werden alle beambten gekozen, hier moesten zij rekenschap afleggen, hier werden alle wetten gemaakt en hier had de vierde klasse de meerderheid. De aristocratische voorrechten werden in de vorm van voorrechten van de rijkdom gedeeltelijk hernieuwd, maar het volk behield de beslissende macht. Verder vormden de vier klassen de grondslag van een nieuwe legerorganisatie. De beide eerste klassen leverden de ruiterij; de derde moest als zware infanterie dienen; de vierde als licht, ongeharnast voetvolk of op de vloot en werd waarschijnlijk ook wel bezoldigd.

Hier wordt dus een geheel nieuw element in de staatsinrichting gebracht: de particuliere eigendom. De rechten en plichten van de staatsburgers worden afgemeten naar de grootte van hun grondbezit, en naarmate de vermogensklassen invloed krijgen worden de oude bloedverwantschapsorganen verdrongen; de gensinrichting had opnieuw een nederlaag geleden.

Het afmeten van de politieke rechten naar het vermogen was echter geen instelling zonder welke de staat niet kan bestaan. Hoe groot de rol ook is die het in de geschiedenis van de staatkundige stelsels heeft gespeeld, toch hebben zeer vele staten en juist die welke het meest volkomen tot ontwikkeling zijn gekomen, het niet nodig gehad. Ook in Athene speelde het slechts een voorbijgaande rol: sinds Aristeides stonden alle ambten voor iedere burger open. 

Gedurende de eerstvolgende tachtig jaren kwam de Atheense maatschappij langzamerhand in de richting waarin zij zich in de volgende eeuwen verder heeft ontwikkeld. Aan de welig tierende landwoeker uit de tijd vóór Solon was paal en perk gesteld en eveneens aan de mateloze concentratie van het grondbezit. De handel en het met slavenarbeid steeds meer in het groot bedreven handwerk e n kunsthandwerk werden de heersende takken van bedrijf. Men werd beschaafder. In plaats van op de aanvankelijke, meedogenloze wijze de eigen medeburgers uit te buiten, buitte men voornamelijk de slaven en de klanten buiten Athene uit. Het roerende bezit, de geldrijkdom en de rijkdom aan slaven en schepen nam steeds toe, maar het was nu niet meer eenvoudig een middel om grondbezit te verkrijgen, zoals in de eerste bekrompen tijd, het was doel op zich zelf geworden. Daarmede was enerzijds voor de oude macht van de adel een succesvolle concurrentie opgekomen in de vorm van de nieuwe klasse van rijke industrieën en kooplieden, anderzijds echter ook aan de resten van de oude gensinrichting de laatste grond onder de voeten weggeslagen. De gentes, fratrieën en stammen, wier leden nu over heel Attika verspreid en volkomen door elkaar woonden, waren dientengevolge als politieke lichamen geheel ongeschikt geworden; tal van Atheense burgers behoorden tot geen enkele gens, het waren immigranten, die wel in het burgerrecht, maar niet in een van de oude geslachtsverbonden waren opgenomen; daarnaast stond nog het steeds toenemende aantal vreemdelingen, die alleen bescherming genoten. 

Intussen gingen de partijtwisten door; de adel trachtte zijn vroegere voorrechten te heroveren en kreeg weer voor een ogenblik de overhand, tot de revolutie van Kleisthenes (509 voor onze jaartelling) hem voor goed ten val bracht; met hem echter ook de laatste rest van de gensinrichting. 

Kleisthenes hield in zijn nieuwe wetgeving geen rekening met de vier oude, uit gentes en fratrieën bestaande stammen. In hun plaats kwam een geheel nieuwe organisatie, die berustte op de reeds in de naukrariën beproefde indeling van de burgers uitsluitend naar hun woonplaats. Het feit dat men tot een bepaald geslachtsverbond behoorde besliste niet meer, alleen de woonplaats; niet het volk, maar het gebied werd ingedeeld, de bewoners werden politiek louter het toebehoren van het gebied.

Heel Attika werd in honderd gemeenten, demen, ingedeeld, waarvan elk zich zelf bestuurde. De burgers die in iedere demos woonden (demoten), kozen een hoofd (demarch), een schatmeester en dertig rechters die in kleinere geschillen rest moesten spreken. Zij kregen verder een eigen temper met beschermgod of held, waarvoor zij de priesters kozen. De hoogste macht in de demos berustte bij de vergadering der demoten. Het is, zoals Morgan juist opmerkt, het prototype van de zichzelf besturende Amerikaanse stadsgemeente.  Met dezelfde eenheid waarmee de moderne staat in zijn hoogste ontwikkelingsvorm eindigt, begon de opkomende staat in Athene.

Tien van deze eenheden, demen, vormden een stam, die echter ter onderscheiding van de oude geslachtsstam nu plaatselijke stam wordt genoemd. De plaatselijke stam was niet alleen een zichzelf besturend politiek, maar ook een militair lichaam; hij koos de fylarch of het stamhoofd die over de ruiterij, de taxiarch die over het voetvolk, en de strateeg die over alle in het gebied van de stam opgeroepen troepen het bevel voerde. De stam leverde verder vijf oorlogsschepen met bemanning en bevelhebbers en kreeg een Attische held, waarnaar hij zich noemde, tot beschermheilige. Tenslotte koos hij vijftig raadsleden in de Atheense raad.

De sluitsteen was de Atheense staat, geregeerd door een raad van vijfhonderd, in de tien stammen gekozen vertegenwoordigers en in laatste instantie door de volksvergadering, waar iedere Atheense burger toegang en stemrecht had; daarnaast waren er archonten en andere beambten voor de verschillende takken van bestuur en voor de rechtspraak. Een opperste beambte voor de uitvoerende macht bestond in Athene niet.

Met deze nieuwe staatsinrichting en met het toelaten van een zeer groot aantal beschermden — voor een deel immigranten, voor een deel vrijgelaten slaven — waren de organen van de bloedverwantschapsinrichting uit de openbare aangelegenheden verdrongen; zij zakten af tot particuliere verenigingen en godsdienstige genootschappen. Maar de morele invloed, de traditionele opvattingen en denkwijze uit de oude genstijd gingen nog lang van generatie op generatie over en stierven pas geleidelijk af. Dat bleek uit een latere staatsinstelling.

Wij hebben gezien, dat een van de massa van het volk onderscheiden openbare macht het essentiële kenmerk van de staat is. Athene had toen nog pas een volksleger en een rechtstreeks door het volk geleverde vloot; deze boden bescherming naar buiten en hielden de slaven in bedwang, die toen al de grote meerderheid van de bevolking uitmaakten. Tegenover de burgers bestond de openbare macht vooreerst nog slechts als politie die zo oud is als de staat; derhalve spraken de naïeve Fransen van de 18de eeuw ook niet over geciviliseerde volken, maar over gepolitioneerde volken (nations policées). De Atheners organiseerden dus tegelijk met hun staat ook een politie, een echte gendarmerie van boogschutters te voet en te paard — landjagers, zoals men in Zuid-Duitsland en in Zwitserland zegt. Deze gendarmerie bestond echter uit slaven. Zulk een rabauwendienst kwam de vrije Athener zo vernederend voor, dat hij zich liever door een gewapende slaaf liet arresteren dan dat hij zich zelf tot zulk een smadelijke daad leende. Dit was nog de oude gezindheid uit de tijd van de gens. De staat kon zonder de politie niet bestaan, maar hij was nog jong en had nog niet genoeg moreel gezag om een handwerk achtenswaard te maken, dat de oude gensgenoten noodzakelijkerwijs onterend moest lijken.

Hoezeer de thans in zijn hoofdtrekken gereed zijnde staat aangepast was aan de nieuwe maatschappelijke verhoudingen van de Atheners blijkt uit het snelle opbloeien van rijkdom, handel en industries De klassentegenstelling, waarop de maatschappelijke en politieke instellingen berustten, was niet meer die tussen de adel en het gemene volk, maar die tussen slaven en vrijen, beschermden en burgers. Ten tijde van de grootste bloei bestond de hele Atheense vrije burgerij, vrouwen en kinderen daarbij inbegrepen, uit ongeveer 90.000 personen, waarnaast 365.000 slaven van beiderlei geslacht en 45.000 beschermden — vreemdelingen en vrijgelatenen. Op iedere volwassen mannelijke burger kwamen dus minstens 18 slaven en meer dan twee beschermden. Het grote aantal slaven vond zijn oorzaak in het feit, dat velen van hen in manufacturen, in grote ruimten, onder opzichters tezamen arbeidden. De ontwikkeling van handel en industrie bracht echter de accumulatie en concentratie der rijkdommen in handen van enkelen mee en de verarming van de massa der vrije burgers, aan welke slechts de keus bleef hetzij door eigen handwerk met de slavenarbeid te concurreren, wat voor onterend en ordinair gold en ook weinig resultaat beloof de, hetzij te verpauperen. Zij deden onder de gegeven omstandigheden noodzakelijkerwijs het laatste, en omdat zij de massa vormden, richtten zij daarmee de hele Atheense staat te gronde. Niet de democratie heeft Athene te gronde gericht, zoals de Europese, voor hun vorsten met de staart kwispelende schoolmeesters beweren, maar de slavernij, die maakte, dat met verachting werd neergekeken op de arbeid van de vrije burger.

Het ontstaan van de staat bij de Atheners is een bijzonder typisch voorbeeld van staatsvorming in het algemeen, omdat het enerzijds geheel zuiver plaats heeft, zonder gewelddadig ingrijpen van buiten af of van binnen uit — de usurpatie van Peisistratos liet van haar korte bestaan geen spoor achter  — omdat anderzijds hier een naar de vorm zeer hoog ontwikkelde staat, een democratische republiek, rechtstreeks uit de gensmaatschappij voortkomt, en tenslotte omdat wij met alle belangrijke bijzonderheden voldoende bekend zijn.

 

 

 

 

 

VI.

Gens en staat in Rome

 

 

Uit de sage van de stichting van Rome blijkt, dat de eerste nederzetting door een aantal tot een stam verenigde Latijnse gentes (honderd volgens de sage) gevormd werd; hierbij voegde zich spoedig een Sabellische stam, die eveneens honderd gentes moet hebben geteld en tenslotte een derde stam die uit verschillende elementen bestond, en ook honderd gentes moet hebben omvat. Uit het hele verhaal blijkt op het eerste gezicht, dat hier behalve de gens slechts weinig meer in de oorspronkelijke vorm bestond en dat de gens zelf in vele gevallen slechts een aflegger was van de moedergens die in de oude geboortestreek bleef voortbestaan. De stammen dragen de stempel van kunstmatige samenstelling, meestal echter uit verwante elementen en volgens het voorbeeld van de oude natuurlijk gegroeide, niet kunstmatig gevormde stam; waarbij het niet is uitgesloten, dat de kern van ieder van de drie stammen een werkelijke oude stam kan zijn geweest. De tussenschakel, de fratrie, bestond uit tien gentes en heette curie; er waren dus dertig curiën.

Men is het er over eens, dat de Romeinse gens dezelfde instelling was als de Griekse; is de Griekse gens een latere ontwikkelingsvorm van de maatschappelijke eenheid, waarvan wij de oervorm bij de Amerikaanse roodhuiden zien, dan geldt hetzelfde zonder meer ook voor de Romeinse gens. Wij kunnen hier dus korter zijn.

De Romeinse gens was, althans in de oudste tijd van de stad, op de volgende wijze ingericht:

1. Wederzijds erfrecht van de gensgenoten; het vermogen bleef in de gens. Daar in de Romeinse gens evenals in de Griekse reeds vaderrecht heerste, waren de nakomelingen in vrouwelijke Iijn uitgesloten. Volgens de wet van de twaalf tafelen,  het oudste ons bekende geschreven Romeinse recht, erfden in de eerste plaats de kinderen als natuurlijke erfgenamen; wanneer die er niet waren de agnaten (verwanten in de mannelijke lijn); en bij het ontbreken van dezen de gensgenoten. In elk geval bleef het vermogen in de gens. Wij zien hier dat langzamerhand nieuwe, door grotere rijkdom en monogamie tot stand gekomen rechtsnormen in de gensgebruiken doordringen: het oorspronkelijke gelijke erfrecht van de gensgenoten wordt eerst — en wel al vroeg, zoals gezegd — in de praktijk beperkt tot de agnaten en tenslotte tot de kinderen en bun nakomelingen in de mannelijke lijn; in de twaalf tafelen doet zich dit vanzelfsprekend in een omgekeerde volgorde voor.

2. Het bezit van een gemeenschappelijke begraafplaats. De patricische gens Claudia kreeg bij haar verhuizing van Regilli naar Rome een stuk land toegewezen en bovendien in de stad een gemeenschappelijke begraafplaats. Nog onder Augustus werd het naar Rome meegebrachte hoofd van de in het Teutoburgerwoud gesneuvelde Varus  in de gentilitius tumulus (grafheuvel van de gens) bijgezet; de gens (quinctilia) had dus nog een afzonderlijke grafheuvel.

3. Gemeenschappelijke godsdienstige feesten. Deze, de sacra gentilitia, zijn bekend.

4. De verplichting niet in de gens te huwen. Dit schijnt in Rome nooit een geschreven wet te zijn geworden, maar het bleef gewoonte. Van het grote aantal Romeinse echtparen wier namen ons bewaard zijn, heeft er geen dezelfde gensnaam voor man en vrouw. Het erfrecht is eveneens een bewijs voor deze regel. De vrouw verliest door het huwelijk haar rechten als agnaat, zij treedt uit haar gens en zij noch haar kinderen kunnen van haar vader of diens broers erven, omdat anders dat erfdeel voor de gens van de vader verloren zou gaan. Dit heeft slechts zin als men er van uitgaat, dat de vrouw geen gensgenoot kan huwen.

5. Een gemeenschappelijk grondbezit. Dit was in de oertijd steeds aanwezig zodra men begon de grond van de stam te verdelen. Onder de Latijnse stammen vinden wij de grond voor een deel in het bezit van de stam, voor een deal in dat van de gens, voor een deel in het bezit van de huishoudingen, die toen bezwaarlijk afzonderlijke gezinnen kunnen zijn geweest. Romulus moet het eerst land aan afzonderlijke personen hebben toegewezen, ongeveer één hectare (twee jugora) per persoon. Toch vinden wij nog later grondbezit in handen van de gentes, om maar niet te spreken van de staatsgrond, om welke de hele binnenlandse geschiedenis van de republiek draait.

6. De plicht van de gensgenoten tot wederzijdse bescherming en bijstand. De geschreven geschiedenis toont ons daarvan slechts overblijfselen; de Romeinse staat trad reeds van de aanvang af met zulk een overmacht op, dat het recht van bescherming tegen onrecht op hem overging. Toen Appius Claudius gearresteerd werd, ging zijn gehele gens in de rouw, zelfs zij die zijn persoonlijke vijanden waren. Tijdens de tweede Punische oorlog  verbonden de gentes zich om hun krijgsgevangen gensgenoten los te kopen; de senaat verbood het hun.

7. Het recht de gensnaam te dragen. Dit bleef tot in de keizertijd bestaan; vrijgelatenen stond men toe de gensnaam van hun vroegere meesters aan te nemen, maar zonder gensrechten.

8. Het recht vreemden in de gens te adopteren. Dit geschiedde door adoptie in een gezin (zoals bij de Indianen), die opname in de gens ten gevolge had.

9. Het recht om het hoofd te kiezen en af te zetten wordt nergens genoemd. Daar echter in de eerste tijd van Romes bestaan alle ambten door verkiezing of benoeming werden bezet, vanaf de gekozen koning tot aan de lagere beambten, en ook de priesters van de curiën door dezen werden gekozen, mogen wij voor de hoofden (principes) van de gentes hetzelfde aannemen — ook al was de keuze uit een en dezelfde familie in de gens misschien al regel geworden.

Dit waren de bevoegdheden van een Romeinse gens. Behalve de reeds voltooide overgang tot het vaderrecht zijn zij het getrouwe spiegelbeeld van de rechten en plichten van een Irokese gens; ook hier ‘herkent men de Irokees onmiskenbaar’.

Van de grote verwarring die ook nog tegenwoordig bij onze erkende geschiedschrijvers over de Romeinse gensorganisatie heerst, volgt hier slechts één voorbeeld. In Mommsens verhandeling over de Romeinse eigennamen uit de tijd van de republiek en van Augustus (‘Romeinse onderzoekingen’, Berlijn 1864, deel 1)  wordt gezegd: ‘Behalve aan alle mannelijke geslachtsgenoten, de slaven natuurlijk uitgezonderd, maar met inbegrip van de cliënten en beschermden, komt de geslachtsnaam ook toe aan de vrouwen... De stam’ (zo vertaalt Mommsen hier gens) ‘is... een uit gemeenschappelijke — werkelijke of vermoede of ook gefantaseerde — afstamming voortgekomen, door feestbegrafenis- en erfgenootschap verenigde gemeenschap, waartoe alle persoonlijk vrije individuen, dus ook de vrouwen zich mogen en moeten rekenen. Het is echter moeilijk de geslachtsnaam van de gehuwde vrouwen te bepalen. Deze moeilijkheid vervalt weliswaar zolang de vrouw slechts met een man uit hetzelfde geslacht mocht huwen; en zoals kan worden aangetoond, was het voor vrouwen range tijd moeilijker buiten dan binnen het geslacht te huwen; het recht daartoe, het gentis enuptio werd dan ook nog in de zesde eeuw als persoonlijk voorrecht ter beloning gegeven... Waar nu echter zulk een uithuwelijken voorkwam, moet de vrouw in de oudste tijd daarbij tevens in de stam van de man zijn overgegaan. Niets is zekerder dan dat de vrouw in het oude religieuze huwelijk geheel en al in de rechts- en godsdienstgemeenschap van de man, en uit haar eigen trad. Wie weet niet, dat de gehuwde vrouw het erfrecht ten opzichte van haar gensgenoten actief en passief verliest en daarentegen met haar man, haar kinderen en in het algemeen met de gensgenoten van dezen in erfverhouding treedt? En wanneer zij tegenover haar man als het ware de plaats van een kind inneemt en in zijn familie komt, hoe kan zij dan buiten zijn geslacht blijven?’ (Blz. 8-11.)

Mommsen beweert dus, dat de Romeinse vrouwen, die tot een gens behoorden, oorspronkelijk alleen binnen haar gens mochten huwen, dat de Romeinse gens dus endogaam, niet exogaam is geweest. Deze opvatting, die in tegenspraak is met elke ervaring bij andere volkeren, berust voornamelijk, zo niet uitsluitend, op één enkele passage bij Livius, waarover veel is gestreden (Boek XXXIX, h. 19), volgens welke de senaat in het jaar 568 na de stichting van de stad, 186 voor onze jaartelling, besloot: uti Feceniae Hispallae datio, deminutio, gentis enuptio, tutoris optio item esset quasi ei vir testaments dedisset; utique ei ingenuo nubere liceret, neu quid ei qui eam duxisset, ob id fraudi ignominiaeve esset — dat Fecenia Hispalia het recht zal hebben over haar vermogen te beschikken, het te verminderen, buiten de gens te huwen en zich een voogd te kiezen, geheel alsof haar (overladen) man dit recht bij testament aan haar had overgedragen; dat zij met een vrijgeborene mag huwen en dat dit degene die haar tot vrouw neemt niet als een slechte handeling of schande zal worden aangerekend.

Ongetwijfeld wordt hier dus aan Fecenia, een vrijgelatene, het recht gegeven buiten de gens te huwen. En evenmin kan worden betwijfeld, dat volgens deze passage de echtgenoot bevoegd was bij testament zijn vrouw het recht over te dragen na zijn dood buiten de gens te huwen. Maar buiten welke gens?

Moest de vrouw binnen haar gens huwen, zoals Mommsen aanneemt, dan bleef zij ook na het huwelijk in deze gens. Maar ten eerste is deze beweerde endogamie van de gens juist datgene wat bewezen moet worden. En ten tweede, wanneer de vrouw in de gens moest huwen, dan natuurlijk ook de man, omdat hij toch anders geen vrouw kreeg. Dan volgt daaruit, dat de man aan zijn vrouw bij testament een recht kon vermaken, dat hij zelf en voor zichzelf niet bezat; wij komen tot een juridische ongerijmdheid. Mommsen voelt dit ook en vermoedt derhalve: ‘Voor het huwen buiten het geslacht zal juridisch wel niet alleen de toestemming van de machthebbende, maar die van alle gensgenoten nodig zijn geweest’ (blz. 10, noot). Dat is ten eerste een zeer stout vermoeden en ten tweede is het in tegenspraak met de duidelijke tekst van de aangehaalde plaats; de senaat geeft haar dit recht in plaats van haar man, de senaat geeft haar uitdrukkelijk niet meer en niet minder dan haar man haar had kunnen geven, maar wat hij haar geeft is een absoluut recht, van geen andere beperking afhankelijk; zodat, wanneet zij er gebruik van maakt, ook haar nieuwe man daaronder niet zat lijden; de senaat draagt zelfs de tegenwoordige en toekomstige consuls en praetoren op er voor te zorgen, dat er voor haar geen onrecht uit voortvloeit. Mommsens veronderstelling schijnt dus volkomen ontoelaatbaar.

Ofwel: de vrouw huwde met een man uit een andere gens, bleef echter zelf in haar geboortegens. Dan zou volgens de hierboven aangehaalde passage haar man het recht hebben gehad zijn vrouw te veroorloven buiten haar eigen gens te huwen. Dat betekent, dat hij het recht zou hebben gehad schikkingen te treffen in aangelegenheden van een gens, waartoe hij zelf niet eens behoorde. Dit is zo onzinnig, dat er verder geen woord aan behoeft te worden verspild.

Er blijft dus alleen de veronderstelling, dat de vrouw in het eerste huwelijk met een man uit een andere gens is gehuwd en door het huwelijk zonder meer in de gens van de man is overgegaan, zoals Mommsen dit feitelijk ook voor dergelijke gevallen toegeeft. Dan wordt het gehele verband dadelijk duidelijk. De vrouw, door het huwelijk losgemaakt uit haar oude gens en opgenomen in het nieuwe gensverband van de man, heeft daarin een zeer bijzondere plaats. Zij is wel gensgenote, maar niet bloedverwante; de wijze van haar opname sluit haar reeds dadelijk uit van ieder huwelijksverbod binnen de gens waarin zij immers juist door haar huwelijk is gekomen; zij is verder in het huwelijksverband van de gens opgenomen, erft bij de dood van haar man zijn vermogen, dus het vermogen van een gensgenoot. Wat is natuurlijker dan dat dit vermogen in de gens moet blijven en dat zij dus verplicht is een gensgenoot van haar eerste man te huwen en geen ander? En wanneer er een uitzondering moet worden gemaakt, wie is er dan meer bevoegd haar daartoe volmacht te geven dan degene, die haar het vermogen heeft vermaakt, haar eerste man? Op het ogenblik waarop hij haar een deel van zijn vermogen vermaakt en haar tegelijk veroorlooft dit deel van zijn vermogen door een huwelijk of tengevolge van een huwelijk in een vreemde gens te brengen, behoort dit vermogen hem nog toe, hij beschikt dus letterlijk slechts over zijn eigendom. Wat de vrouw zelf betreft en haar verhouding tot de gens van haar man — het is de man die haar in deze gens heeft gebracht door een vrijwillige handeling, het huwelijk; het schijnt dus eveneens natuurlijk dat hij de persoon is, bevoegd haar volmacht te geven om door een tweede huwelijk uit deze gens te treden. Kortom, de zaak lijkt eenvoudig en vanzelfsprekend, zodra wij de wonderlijke voorstelling van de endogame Romeinse gens opgeven en met Morgan aannemen, dat zij oorspronkelijk exogaam was.

Er blijft nog een laatste veronderstelling over, die ook haar aanhangers heeft gevonden en wel de talrijkste: de genoemde passage zou slechts betekenen, ‘dat vrijgelaten dienstmaagden (libertae) niet zonder bijzondere toestemming buiten de gens huwen mochten (e gente enubere) of verder handelingen verrichten die, verbonden met het verlies van erfrecht (capitis deminutio minima), het uittreden van de liberta uit het gensverband zouden hebben veroorzaakt’. (Lange, ‘Romeinse oudheden’, Berlijn 1856, 1, blz. 195, waar hij zich op Huschke beroept met betrekking tot onze passage bij Livius.)  Is deze veronderstelling juist, dan bewijst de passage voor de verhoudingen van de geheel vrije Romeinse vrouwen juist niets en kan er van een verplichting voor hen om binnen de gens te trouwen in het geheel geen sprake zijn.

De uitdrukking enuptio gentis komt alleen in deze ene passage en verder in de gehele Romeinse literatuur nergens meer voor, het woord enubere, naar buiten huwen, slechts driemaal, eveneens bij Livius, en dan niet met betrekking tot de gens. Het verzinsel, dat Romeinse vrouwen slechts binnen de gens mochten huwen, heeft zijn bestaan alleen aan deze ene passage te danken. Het kan echter in geen geval staande worden gehouden. Want of de passage heeft betrekking op bijzondere beperkingen voor vrijgelatenen en dan bewijst zij niets voor geheel vrijen (ingenuae); of zij geldt ook voor geheel vrijen en dan getuigt zij velleer, dat de vrouw in de regel buiten haar gens trouwde, maar met het huwelijk overging in de gens van de man, dus tegen Mommsen en voor Morgan.

Nog bijna driehonderd jaar na de stichting van Rome waren de gensbanden zo sterk, dat een patricische gens, die van Fabius, met toestemming van de senaat op eigen houtje een krijgstocht tegen de naburige stad Veji kon ondernemen: 306 Fabiërs moeten zijn uitgetrokken en in een hinderlaag allen zijn gedood; één enkele achtergebleven knaap moet de gens hebben voortgeplant.

Tien gentes vormden, zoals we reeds zeiden, een fratrie, die hier curie heette en belangrijker openbare bevoegdheden kreeg dan de Griekse fratrie. Iedere curie had haar eigen godsdienstoefeningen, heiligdommen en priesters; deze laatsten vormden gezamenlijk een van de Romeinse priestercolleges. Tien curiën vormden een stam, die waarschijnlijk, evenals de overige Latijnse stammen, oorspronkelijk een gekozen hoofd — legeraanvoerder en opperpriester — had. De drie stammen tezamen vormden het Romeinse volk, de populus romanus.

Derhalve kon alleen hij tot het Romeinse volk behoren, die lid van een gens was en daardoor van een curie en van een stam. De eerste bestuursinrichting van dit volk was de volgende. De openbare aangelegenheden werden eerst door de senaat geregeld, die, zoals Niebuhr voor het eerst juist heeft gezien, uit de hoofden van de driehonderd gentes was samengesteld; juist daarom, als de oudsten van de gentes, heetten zij vaders, patres, en allen tezamen senaat (raad van oudsten, van senex, oud). De gewoonte om hen in iedere gens steeds uit dezelfde familie te kiezen riep ook hier de eerste stamadel in het leven; deze families noemden zich patriciërs en legden beslag op het uitsluitende recht in de senaat zitting te nemen en alle andere ambten te bezetten. Dat het volk zich deze aanmatiging mettertijd liet welgevallen, zodat er een werkelijk recht uit voortkwam, drukt de sage in die zin uit, dat Romulus aan de eerste senatoren en hun nakomelingen het patriciaat met zijn voorrechten heeft verleend. De senaat had evenals de Atheense boelê in vele aangelegenheden het recht van beslissing en van voorafgaande beraadslagingen bij belangrijke en speciaal bij nieuwe wetten. Hierover werd in de volksvergadering beslist, comitia curiata (vergadering der curien) genaamd. Het volk kwam bijeen in curiën gegroepeerd, in iedere curie waarschijnlijk volgens gentes; bij de beslissing had elk van de dertig curiën één stem. De vergadering van de curiën nam alle wetten aan of verwierp ze, koos alle hogere beambten met inbegrip van de rex (de zogenaamde koning), verklaarde oorlog (maar de senaat sloot vrede) en besliste als hoogste rechtbank over het beroep van de betrokkenen in alle gevallen waarbij van de doodstraf voor een Romeins burger sprake was. Tenslotte stond naast de senaat en de volksvergadering de rex, die geheel overeenkwam met de Griekse basileus en volstrekt niet de bijna absolute koning was, zoals Mommsen  hem ons beschrijft.  Ook hij was legeraanvoerder, opperpriester en voorzitter van bepaalde rechtbanken. Burgerlijke bevoegdheden of macht over leven, vrijheid en eigendom van de burgers had hij volstrekt niet, voor zover die niet voortvloeiden uit de disciplinaire macht van de legeraanvoerder of uit de vonnisvoltrekkende macht van de voorzitter der rechtbank. Het ambt van rex was niet erfelijk; hij werd integendeel, waarschijnlijk op voorstel van zijn ambtsvoorganger, door de vergadering van de curiën eerst gekozen en daarna in een tweede vergadering plechtig geïnstalleerd. Dat hij ook afzetbaar was, bewijst het lot van Tarquinius Superbus.

Evenals de Grieken in de heldentijd, leefden de Romeinen in de tijd van de zogenaamde koningen dus in een op gentes, fratrieën en stammen berustende en daaruit ontwikkelde militaire democratie. Zelfs al waren de curiën en stammen voor een deel kunstmatige instellingen, toch waren zij gevormd naar de echte, oorspronkelijke voorbeelden van de maatschappij waaruit zij waren voortgekomen en waardoor zij nog aan alle zijden waren omringd. Ook al had de traditionele patricische adel reeds veld gewonnen, ook al trachtten de reges (koningen) hun bevoegdheden langzamerhand uit te breiden — dat verandert niets aan de oorspronkelijke grondtrekken van de bestuursinrichting en daarop alleen komt het aan.

Ondertussen groeide de bevolking van de stad Rome en van het door veroveringen uitgebreide Romeinse gebied ten dele door immigratie, ten dele door inlijving der bewoners van de onderworpen, meestal Latijnse streken. Al deze nieuwe staatsburgers (het vraagstuk betreffende de cliënten laten wij hier achterwege) stonden buiten de oude gentes, curiën en stammen en maakten dus geen deel uit van de populus romanus, het eigenlijke Romeinse volk. Zij waren persoonlijk vrije mensen, konden grond bezitten, moesten belasting betalen en krijgsdienst verrichten. Maar zij konden geen ambten bekleden en zomin aan de vergadering van de curiën deelnemen, als aan de verdeling van de veroverde staatslanderijen. Zij vormden het van alle openbare rechten uitgestoten plebs. Door hun steeds toenemend aantal, hun militaire opleiding en bewapening werden zij een dreigende macht tegenover de oude populus, die nu voor elke aanwas van buitenaf hecht gesloten was. Daarbij kwam dat het grondbezit vrij gelijkmatig tussen populus en plebs verdeeld schijnt te zijn geweest, terwijl de weliswaar nog niet zeer ontwikkelde handels- en industriële rijkdom waarschijnlijk hoofdzakelijk in handen van het plebs was.

Bij de diepe duisternis, waarin de volkomen legendarische oergeschiedenis van Rome is gehuld — een duisternis, die nog veel dieper is geworden door de rationeel pragmatische uitlegpogingen en berichten van de latere rechtsgeleerde bronnenschrijvers — is het onmogelijk ook maar met enige zekerheid iets te zeggen over tijdstip, verloop of aanleiding van de revolutie, die een eind maakte aan de oude gensinrichting. Alleen dit is zeker, dat haar oorzaak lag in de strijd tussen plebs en populus.

De nieuwe wetgeving, die aan de rex Servius Tullius wordt toegeschreven en met het Griekse voorbeeld, nl. dat van Solon overeenkwam, schiep een nieuwe volksvergadering, die populus en plebejers zonder onderscheid in- of uitsloot, naargelang zij al dan niet krijgsdienst verrichtten. De gehele weerplichtige mannelijke bevolking werd naar het vermogen in zes klassen ingedeeld. Het minimumbezit in de eerste vijf klassen bedroeg: I. 100.00 as; II. 75.000; Ill. 50.000; IV. 25.000; V. 11.000 as. Volgens Dureau de la Malle komt dit ongeveer overeen met 14.000, 10.500, 7.000, 3.600 en 1.570 mark. De zesde klasse, die der proletariërs, bestond uit de minder gegoeden en de van dienst en belastingen vrijgestelden. In de nieuwe volksvergadering der centuriën (comitia centuriata), traden de burgers op militaire wijze aan, compagniegewijs in hun centuriën die uit honderd man bestonden, en iedere centurie had een stem. Daarbij leverde de eerste klasse 80 centuriën; de tweede 22, de derde 20, de vierde 22, de vijfde 30 en de zesde fatsoenshalve ook één. Bovendien was er nog de uit de rijksten samengestelde ruiterij met 18 cen-turiën; totaal 193; meerderheid der stemmen 97. De ruiters en de eerste klasse hadden samen alleen 98 stemmen, dus de meerderheid; waren zij het eens, dan werden de overigen niet eens gevraagd, het geldige besluit was genomen.

Op deze nieuwe vergadering der centuriën gingen nu alle politieke rechten van de vroegere vergadering der curiën over (op enige nominale rechten na); de curiën en de gentes waaruit zij waren samengesteld werden dientengevolge evenals in Athene gedegradeerd tot louter particuliere en religieuze genootschappen en als zodanig vegeteerden zij nog lang voort, terwijl de vergadering van de curiën weldra geheel insliep. Om ook de oude drie geslachtsstammen uit de staat te verdringen, werden er vier plaatselijke stammen ingesteld, die elk een wijk  van de stad bewoonden en een aantal politieke rechten kregen.

Zo was dus ook in Rome voor de afschaffing van het zogenaamde koningschap de oude, op persoonlijke banden van bloedverwantschap berustende maatschappelijke orde vernietigd en vervangen door een nieuwe, werkelijke staatsinrichting, die op territoriale indeling en verschil in vermogen berustte. De openbare macht bestond hier uit de tot krijgsdienst verplichte burgers en was niet alleen gericht tegen de slaven, maar ook tegen de van krijgsdienst en bewapening uitgesloten zogenaamde proletariërs.

Binnen deze nieuwe staatsinrichting, die slechts tot verdere ontwikkeling werd gebracht met de verjaging van de laatste, werkelijke koningsmacht usurperende, rex Tarquinius Superbus, en met het vervangen van de rex door twee legeraanvoerders (consuls) met gelijke ambtsbevoegdheden (zoals bij de Irokezen) binnen deze staatsinrichting beweegt zich de hele geschiedenis van de Romeinse republiek met al haar strijd tussen patriciërs en plebeiers om de toelating tot de ambten en het delen in de staatslanderijen; met het opgaan tenslotte van de patricische adel in de nieuwe klasse van de grote grond- en geldbezitters, die langzamerhand al het grondbezit van de door de krijgsdienst geruïneerde boeren opzogen, de zo ontstane enorme landgoederen met slaven bewerkten, Italië ontvolkten en daarmee niet alleen de deur openden voor de heerschappij van keizers, maar ook voor hun opvolgers, de Duitse barbaren.

 

 

 

 

VII.

De gens bij Kelten en Duitsers

 

 

De plaatsruimte staat ons niet toe, in te gaan op de thans nog bij de verschillende wilde en barbaarse volken in min of meer zuivere vorm bestaande gensinstellingen of op de sporen daarvan in de oude geschiedenis van de Aziatische cultuurvolken. Overal is van deze of gene wel wat te vinden. Slechts een paar voorbeelden: nog voordat men had begrepen wat de gens was, heeft de man, die zich de meeste moeite gaf om haar verkeerd te begrijpen, McLennan, haar aangetoond en in het algemeen juist beschreven bij de Kalmukken, Tsjerkessen, Samojeden en bij drie Indische volken: de Warali’s de Magars en de Munnipuri’s. Onlangs heeft M. Kowalewski haar ontdekt en beschreven bij de Psjawen, Chewsoeren, Swaneten en andere Kaukasische stammen. Hier volgen slechts enkele korte aantekeningen over het voorkomen van de gens bij de Kelten en de Duitsers.

De oudste bewaard gebleven Keltische wetten tonen ons de gens nog in vol leven; in Ierland leeft zij, althans instinctief, vandaag nog in het volksbewustzijn, nadat de Engelsen haar met geweld hebben vernietigd; in Schotland was zij nog in het midden van de vorige eeuw in volle bloei en bezweek ook hier eerst voor de wapens, de wetgeving en de gerechtshoven van de Engelsen.

De oud-welshe wetten, die verscheidene eeuwen voor de verovering door de Engelsen,  op zijn laatst in de elfde eeuw, werden neergeschreven, tonen nog gemeenschappelijke akkerbouw van gehele dorpen, zij het ook slechts als zeldzaam overblijfsel van de vroeger algemene gewoonte, ieder gezin had vijf akkers voor eigen bebouwing, daarnaast werd een stuk gemeenschappelijk bebouwd en de opbrengst verdeeld. Op grond van analoge verschijnselen in Ierland en Schotland valt het niet te betwijfelen, dat deze dorpsgemeenschappen gentes of onderafdelingen van gentes vertegenwoordigen, zelfs al zou een nieuw onderzoek van de Welshe wetten, waartoe mij de tijd ontbreekt (mijn uittreksels zijn van het jaar 1869) , dat niet rechtstreeks bewijzen. De Welshe bronnen en daarnaast ook de Ierse bewijzen echter rechtstreeks, dat bij de Kelten het paringshuwelijk in de elfde eeuw nog geenszins door de monogamie was verdrongen. In Wales kon een huwelijk eerst na zeven jaar niet meer ontbonden, of juister, opgezegd worden. Ontbraken er slechts drie nachten aan de zeven jaar, dan konden de echtgenoten uit elkaar gaan. Dan werd er gedeeld: de vrouw deelde, de man koos zijn deel. De meubels werden volgens bepaalde, zeer humoristische regels verdeeld. Verbrak de man het huwelijk, dan moest hij de vrouw haar bruidschat en nog het één of ander teruggeven; deed de vrouw het, dan kreeg zij minder. Van de kinderen kreeg de man er twee en de vrouw één en wel het middelste kind. Nam de vrouw na de scheiding een andere man en de eerste man haalde haar weer terug, dan moest zij hem volgen, ook at had zij reeds één voet in het nieuwe huwelijksbed gezet. Waren de twee echter zeven jaar bijeen geweest, dan waren zij man en vrouw, ook zonder voorafgaand formeel huwelijk. Aan kuisheid van de meisjes voor het huwelijk werd helemaal niet streng de hand gehouden en deze werd niet geëist; de hierop betrekking hebbende bepalingen zijn van zeer lichtzinnige aard en komen geenszins met de burgerlijke moraal overeen. Beging een vrouw echtbreuk, dan mocht de man haar slaan (een van de drie gevallen, waarin hem dit was geoorloofd, in andere werd hij gestraft), maar ook verder geen genoegdoening eisen, want ‘hetzelfde vergrijp moet of gezoend of gewroken worden, maar niet beide tegelijk’.  De gronden waarop de vrouw scheiding mocht eisen, zonder haar rechten bij de verdeling te verliezen, waren van zeer omvattende aard: kwalijk riekende adem van de man was voldoende. Het geld, dat aan het hoofd van de stam of aan de koning moest worden betaald om het recht van de eerste nacht (gobr merch, waarvan het middeleeuwse marcheta en het Franse Marquette is afgeleid) af te kopen, speelt een grote rol in het wetboek. De vrouwen hadden stemrecht in de volksvergaderingen. Voegen wij hieraan toe, dat in Ierland het bestaan van soortgelijke verhoudingen is aangetoond; dat daar eveneens huwelijken voor een bepaalde termijn heel gewoon waren en dat aan de vrouw bij de scheiding nauwkeurig geregelde grote tegemoetkomingen, zelfs vergoeding voor haar huiselijke diensten, werden toegekend; dat daar een ‘eerste vrouw’ naast andere vrouwen voorkomt en er bij de verdeling van erfenissen tussen echtelijke en buitenechtelijke kinderen geen onderscheid wordt gemaakt — dan hebben wij een beeld van een paringshuwelijk, waarbij vergeleken de huwelijksvorm die in Noord-Amerika geldt, streng schijnt; hetgeen ons echter voor de elfde eeuw niet verwonderen kan bij een volk, dat nog in Caesars tijd in het groepshuwelijk leefde.

De Ierse gens (sept, de stam heet clainne, clan) wordt niet alleen door de oude wetboeken geconstateerd en beschreven, maar ook door Engelse juristen, in de 17de eeuw naar Ierland gestuurd om het clanland tot domein van de Engelse koning te maken. De grond was tot in die tijd gemeenschappelijk bezit van de clan of de gens, voor zover hij niet al door de hoofden tot hun particuliere domein was gemaakt. Wanneer een gensgenoot stierf, dus een huishouding ophield te bestaan, dan legde het hoofd (caput cognationis noemden de Engelse juristen hem) een nieuwe verdeling van de grond van het gehele gebied onder de overige huishoudingen ten uitvoer. Die moet in het algemeen volgens de in Duitstand geldende regels zijn geschied. Ook nu nog zijn er enkele — veertig of vijftig jaar geleden zeer talrijke — dorpsakkers met z.g. rundale. De boeren, individuele pachters van de grond die vroeger gemeenschappelijk aan de gens toebehoorde en door de Engelse veroveraar is geroofd, betalen ieder de pacht voor hun stuk, maar voegen het bouw- en hooiland van alle stukken samen, verdelen het naar ligging en hoedanigheid in ‘Gewanne’, zoals men aan de Moezel zegt, en geven een ieder zijn aandeel in elk ‘Gewann’; veengrond en weiland worden gemeenschappelijk gebruikt. Vijftig jaar geleden nog werd het land van tijd tot tijd, veelal elk jaar opnieuw verdeeld. De kaart van zulk een rundale-dorp ziet er net zo uit als die van een Duitse dorpsgemeenschap (Gehaferschaft) aan de Moezel of in het Hochwald. Ook in de ‘factions’ (partijen) leeft de gens voort. De Ierse boeren zijn vaak verdeeld in partijen, die op volkomen onzinnige of zinloze verschillen schijnen te berusten, voor de Engelsen volmaakt onbegrijpelijk zijn en geen ander doel schijnen te hebben dan de populaire, plechtige vechtpartijen van de ene faction tegen de andere. Het is een kunstmatig doen herleven, een later ontstaan surrogaat van de vernietigde gentes, dat het voortbestaan van het overgeërfde gens-instinct op zijn manier aantoont. In verscheidene streken wonen overigens de gensgenoten nog vrijwel op het oude gebied tezamen, zo had nog in de jaren ‘30 de grote meerderheid van de bewoners van het graafschap Monoghan slechts vier familienamen, d.w.z. stamde van vier gentes of clans af.

In Schotland dateert de ondergang der gensinrichting van het onderdrukken van de opstand van 1745.  Welke plaats de Schotse clan in deze inrichting inneemt, moet nog worden onderzocht; maar het is zeker, dat hij er toe behoort. In Walter Scotts romans zien wij deze clan van de Schotse Hooglanden levend voor ons. Hij is, zegt Morgan, ‘wat organisatie en geest betreft een uitstekend voorbeeld van de gens en geeft een treffend beeld van de heerschappij van het gensleven over de leden van de gens... In hun veten en in hun bloedwraak, in de verdeling van her gebied volgens clans, in hun gemeenschappelijke grondgebruik, in de trouw van de clanleden aan het hoofd en aan elkaar herkennen wij de overal terugkerende trekken van de gensmaatschappij ... De afstamming werd gerekend volgens het vaderrecht, zodat de kinderen van de mannen in de clans bleven, terwijl die van de vrouwen overgingen in de clans van hun vaders.’ Dat er echter in Schotland vroeger moederrecht heerste, bewijst het feit dat in de koninklijke familie van de Pikten, volgens Beda,  vrouwelijke erfopvolging gold. Ja, zelfs een stuk poenaloea familie was zowel bij de bewoners van Wales als van Schotland tot in de middeleeuwen bewaard gebleven in het recht van de eerste nacht, dat het hoofd van de clan of de koning, als laatste vertegenwoordiger van de vroegere gemeenschappelijke echtgenoten, bij iedere bruid kon uitoefenen, voor zover het niet werd afgekocht.

Het lijdt geen twijfel, dat de Duitsers tot aan de volksverhuizing in gentes waren georganiseerd. Zij kunnen het gebied tussen Donau, Rijn, Weichsel en de noordelijke zeeën pas enkele eeuwen voor onze jaartelling hebben bezet; de Kimbren en Teutonen hadden hun zwerftochten nog in het geheel niet beëindigd en de Sueven vonden eerst in Caesars tijd vaste woonplaatsen. Van hen zegt Caesar uitdrukkelijk, dat zij zich naar gentes en verwantschappen (gentibus cognationibusque)  hadden gevestigd en in de mond van een Romein uit de gens Julia heeft dit woord gentibus een concrete betekenis, die men niet kan wegredeneren. Dit gold van alle Duitsers; zelfs in de veroverde Romeinse provincies schijnen zij zich nog gensgewijze te hebben gevestigd. In het volksrecht der Alemannen wordt bevestigd, dat het volk in het veroverde gebied ten zuiden van de Donau volgens geslachten (genealogiae)  ging wonen; genealogia wordt geheel in dezelfde betekenis gebruikt als later mark- en dorpsgenootschap. Onlangs werd door Kowalewski de mening verkondigd, dat deze genealogiae de grote huisgenootschappen waren, onder welke het land was verdeeld en waaruit zich eerst later het dorpsgenootschap heeft ontwikkeld. Hetzelfde zou dan ook van de fara kunnen gelden; met dit woord wordt bij de Bourgondiërs en de Langobarden — dus bij een Gotische en een Herminonse of Hoog-duitse volksstam — ongeveer, zoal niet nauwkeurig, hetzelfde aangeduid als met het woord genealogia in het Alemanse wetboek. Of wij hier in werkelijkheid met een gens of met een huisgenootschap te doen hebben, moet nog verder worden onderzocht.

De overblijfselen van de taal laten ons in twijfel over de kwestie of er bij alle Duitsers een gemeenschappelijke uitdrukking voor gens heeft bestaan en welke. Etymologisch komt het Gotische kuni, het Middelhoogduitse künne met het Griekse genos en het Latijnse gens overeen en het wordt ook in dezelfde zin gebruikt. Het verband met de tijd van het moederrecht blijkt uit het feit, dat de naam voor vrouw van dezelfde wortel wordt afgeleid: in het Grieks gyne, in het Slavisch zjena, in het Gotisch qvino, in het Oudnoors kona, kuna. Bij de Langobarden en Bourgondiërs vinden wij, zoals wij al zeiden, fara, dat Grimm van een hypothetische wortel fisan, voortbrengen, afleidt. Liever zou ik teruggaan tot de meer voor de hand liggende afleiding van faran, varen, rondtrekken, ter aanduiding van een bijna vanzelfsprekend uit verwanten samengestelde vaste afdeling van trekkenden, welke naam gedurende een rondtrekken van vele eeuwen, eerst naar het oosten, dan naar het westen, langzamerhand op het geslachtsgenootschap zelf werd overgedragen. — Verder in het Gotisch siba, Angelsaksisch sib, Oudhoogduits sippia, sippa, sippe. In het Oudnoors komt alleen het meervoud sifjar, de verwanten, voor; het enkelvoud slechts als naam van een godin, Sif.

En tenslotte komt er in het ‘Hildebrandslied’  nog een andere uitdrukking voor, waar Hildebrand aan Hadubrand vraagt: ‘Wie was je vader onder de mannen van het volk... of van welk geslacht ben je’ (eddo huêlihhes cnuosles du sîs). Voor zover er een gemeenschappelijke Germaanse naam voor de gens heeft bestaan, zal het wel Gotisch kuni geweest zijn; daarvoor spreekt niet alleen de gelijkheid van de overeenkomstige uitdrukking in de verwante talen, maar ook de omstandigheid, dat er het woord kuning, koning van afgeleid is, dat oorspronkelijk gens- of stamhoofd betekent. Sibja, sibbe, schijnt niet in aanmerking te komen, sifjar betekent, althans in het Oudnoors, niet alleen bloedverwanten, maar ook aangehuwden en omvat dus de leden van minstens twee gentes; sif kan dus niet zelf de uitdrukking voor gens zijn geweest.

Evenals bij de Mexicanen en de Grieken was ook bij de Duitsers de slagorde zowel van de ruiterafdeling als van de wigkolonne van het voetvolk naar gensgenootschappen ingedeeld. Als Tacitus zegt: volgens families en verwantschappen,  dan valt deze onbepaalde uitdrukking uit het feit te verklaren, dat in zijn tijd de gens in Rome al lang geleden opgehouden had een levende eenheid te zijn.

Beslissend is een plaats bij Tacitus, waar gezegd wordt: De moedersbroeder beschouwt zijn neef als zijn zoon, sommigen houden zelfs de band van bloedverwantschap tussen de oom van moederskant en de neef voor heiliger en nauwer dan die tussen vader en zoon, zodat de zusterszoon, wanneer er gijzelaars worden verlangd, als een grotere waarborg geldt dan de eigen zoon van degene die men wil binden. Hier hebben wij een levend stuk van de volgens het moederrecht georganiseerde, dus oorspronkelijke gens en wel in de vorm, die in het bijzonder de Duitsers kenmerkte. 

Werd door een lid van zulk een gens de eigen zoon als pand gegeven voor het nakomen van een gelofte en viel die ten offer als de vader de overeenkomst verbrak, dan moest deze dat met zichzelf uitmaken. Werd echter de zusterszoon opgeofferd, dan was het heiligste gensrecht geschonden; de naaste gensverwant, die vóór allen verplicht was de knaap of jongeling te beschermen, was schuldig aan zijn dood; of hij had hem niet mogen verpanden, of hij had zich aan de overeenkomst moeten houden. Ook indien wij overigens geen spoor van een gensinrichting bij de Duitsers hadden, zou deze ene passage voldoende zijn.

Nog beslissender, omdat hij van ongeveer 800 jaar later dateert, is een plaats uit het Oudnoorse lied over godenschemering en ondergang der wereld, de ‘Völuspâ’  . In dit ‘Visioen van de zieneres’, waarin, zoals nu door Bang en Bugge is aangetoond, ook christelijke elementen zijn vervlochten, heet het bij de schildering van de tijd van algemene ontaarding en verdorvenheid, die de grote catastrofe inleidt:

Broedhr munu berjask ok at bönum verdask, munu systrungar sifium spilla

‘Broeders zullen vijanden zijn en elkaars moordenaars worden, zusterskinderen zullen de verwantschap breken.’ Systrungr heet de zoon van de moederszuster en het feit, dat dezen tegenover elkaar de bloedverwantschap verloochenen, geldt voor de dichter nog als een overtreffende trap van de misdaad van de broedermoord. De overtreffende trap ligt in het woord systrungar, dat de nadruk legt op de verwantschap van moederskant; zou er in plaats daarvan syskina-börn, kinderen van broeders en zusters, of syskina-synir, zonen van broeders en zusters hebben gestaan, dan zou de tweede regel tegenover de eerste geen versterking, maar een verzwakking hebben betekend. Dus zelfs in de tijd van de Vikings, toen de ‘Völuspâ’ ontstond, was de herinnering aan het moederrecht in Scandinavië nog niet verdwenen.

Overigens had het moederrecht in de tijd van Tacitus althans bij de hem nader bekende Duitsers reeds zijn plaats aan het vaderrecht afgestaan; de kinderen erfden van de vader; waren er geen kinderen, dan erfden de broers en de ooms van vaders- en moederskant. De toelating van de moedersbroeder tot de erfenis staat in verband met het vasthouden aan de zojuist genoemde gewoonte en bewijst in ieder geval hoe jong het vaderrecht toen bij de Duitsers nog was. Nog tot ver in de middeleeuwen vindt men sporen van moederrecht. Men schijnt toen het vaderschap, vooral bij de lijfeigenen, nog niet goed vertrouwd te hebben; wanneer dus een feodale heer een weggelopen lijfeigene van een stad terugeiste, moest bv. in Augsburg, Bazel en Kaiserslautern de lijfeigenschap van de aangeklaagde bezworen worden door zes van zijn naaste bloedverwanten en wel uitsluitend van moederskant. (Maurer, ‘Stedewetgeving’, 1. blz. 381) 

Verder vindt men een overblijfsel van het pas afstervende moederrecht in de voor de Romeinen bijna onbegrijpelijke hoogachting van de Duitsers voor het vrouwelijke geslacht. Jonkvrouwen van adellijke familie golden als de beste gijzelaars bij overeenkomsten met de Duitsers; de gedachte, dat hun vrouwen en dochters in gevangenschap en slavernij zouden kunnen geraken, is vreselijk voor hen en prikkelt boven alles hun moed in de slag; zij zien in de vrouw iets heiligs en profetisch, zij luisteren naar haar raad ook in de belangrijkste aangelegenheden. Zo was bv. Veleda, de Brukteerse priesteres aan de Lippe, de ziel van de gehele Batavierenopstand, die met Civilis aan het hoofd van Duitsers en Belgen de gehele heerschappij van de Romeinen in Gallië deed wankelen. In huis schijnt de heerschappij van de vrouw onbestreden; zij, de ouden en kinderen moeten dan ook voor at het werk zorgen, de man jaagt, drinkt of luiert. Zo spreekt Tacitus; omdat hij echter niet zegt, wie de akkers bebouwde en ten stelligste verklaart dat de slaven slechts schatting opbrachten, maar geen herendiensten verrichtten, zal de meerderheid van de volwassen mannen toch wel het weinige werk hebben moeten verrichten, dat de landbouw vereiste.

De vorm van het huwelijk was, zoals gezegd, een paringshuwelijk, dat langzamerhand de monogamie naderde. Strikte monogamie was het nog niet, want veelwijverij was aan de voornamen geoorloofd. In het algemeen werd streng gelet op de kuisheid van de meisjes (in tegenstelling tot de Kelten); ook spreekt Tacitus met bijzondere warmte over de onverbrekelijkheid van de huwelijksband bij de Duitsers. Alleen echtbreuk van de vrouw geeft hij als grond voor echtscheiding aan. Maar zijn bericht is hier menigmaal onvolledig en toont bovendien al te duidelijk, dat hier de liederlijke Romeinen een spiegel van de deugd wordt voorgehouden. Zoveel is zeker: indien de Duitsers in hun wouden zulke buitengewone ridders van de deugd waren, is er toch maar een kleine aanraking met de buitenwereld nodig geweest om hen tot op het niveau van de overige Europese doorsnee mensen te doen afzakken; het laatste spoor van de strengheid van zeden verdween te midden van de Romeinse wereld nog veel sneller dan de Duitse taal. Men leze slechts Gregorius van Tours. Het spreekt vanzelf, dat in de Duitse oerwouden niet een geraffineerde zinnelijke wellust kon heersen als in Rome; de Duitsers hebben dus ook in dit opzicht nog genoeg voor op de Romeinse wereld, zonder dat wij hun een onthouding in vleselijke dingen behoeven toe te dichten, die nooit en nergens onder een geheel volk heeft geheerst.

Uit de gensinrichting afkomstig is de plicht om de veten zowel als de vriendschapsbetrekkingen van vader en bloedverwanten te erven, en ook het weergeld, de boete, die de bloedwraak voor doodslag of verwondingen verving. Dit weergeld, dat een mensenleeftijd geleden nog als een specifiek Duitse instelling werd beschouwd, is thans bij honderden volken aangetoond als een algemene gemilderde vorm van de aan de gensinrichting ontsproten bloedwraak. Wij vinden het evenals de plicht tot gastvrijheid onder anderen bij de Amerikaanse Indianen; de beschrijving, die Tacitus (‘Germania’, c. 21) van het verlenen van gastvrijheid geeft, is bijna tot in bijzonderheden gelijk aan die welke Morgan van zijn Indianen geeft.

De felle en eindeloze strijd over de vraag of de Duitsers van Tacitus het bouwland al definitief hadden opgedeeld of niet, en over de uitleg der desbetreffende passages, behoort nu tot het verleden. Sinds de gemeenschappelijke bebouwing van de akkers door de gens en later door de communistische familiegemeenten, die Caesar nog bij de Sueven  vaststelt, en de daarop volgende toewijzing van de grond aan individuele gezinnen met periodieke herverdeling bijna bij alle volken is aangetoond, en sinds vastgesteld is, dat de periodieke herverdeling van het akkerland in Duitsland zelfs hier en daar tot in onze tijd bewaard is gebleven, behoeven wij daar verder geen woord meer aan te verspillen. Wanneer de Duitsers van de gemeenschappelijke landbouw, die Caesar de Sueven uitdrukkelijk toeschrijft (verdeelde of particuliere akkers bestonden er bij hen in het geheel niet, zegt hij), in de 150 jaar tot Tacitus waren overgegaan tot individuele bebouwing met jaarlijkse herverdeling van de grond, dan is dat waarlijk een grote vooruitgang. Het van deze trap van ontwikkeling overgaan tot de volledige particuliere eigendom van de grond, in zo’n korte tijdsruimte en zonder enige inmenging van buiten af, is eenvoudig een onmogelijkheid. Ik lees dus in Tacitus slechts wat hij letterlijk zegt: zij verwisselen (of verdelen opnieuw) het bebouwde land ieder jaar en er blijft dan genoeg gemeenschappelijk land over . Dat is de trap van de akkerbouw en van het grondgebruik, die precies past bij de toenmalige gensinrichting van de Duitsers.

De voorafgaande laatste alinea laat ik onveranderd, zoals zij in de vorige uitgaven staat. Intussen is het vraagstuk anders komen te liggen. Sinds Kowalewski het veelvuldig, zo niet algemeen voorkomen van het patriarchale huisgenootschap als tussentrap tussen de op moederrecht berustende communistische familie en het moderne geïsoleerde gezin heeft aangetoond , is het niet meer, zoals nog in de tijd van Maurer tot Waitz, de vraag of de grond gemeenschappelijke dan wel particuliere eigendom ‘was, maar welke vorm de gemeenschappelijke eigendom had aangenomen. Het valt niet te betwijfelen, dat in Caesars tijd bij de Sueven niet alleen gemeenschappelijke eigendom bestond, maar ook gemeenschappelijke bebouwing van de grond voor gemeenschappelijke rekening. Er zal nog lang over kunnen worden gestreden of de economische eenheid de gens of het huisgenootschap was of een tussen deze beide staande communistische verwantschapsgroep; of wel dat naar gelang van de bodemgesteldheid alle drie groepen voorkwamen. Nu beweert echter Kowalewski, dat de door Tacitus geschilderde toestand niet op het mark- of dorpsgenootschap, maar op het huisgenootschap berustte; eerst uit dit laatste zou zich dan veel later, tengevolge van de toename der bevolking, het dorpsgenootschap hebben ontwikkeld.

Volgens deze opvatting zouden de nederzettingen van de Duitsers op het gebied dat zij in de tijd van de Romeinen bewoonden, evenals op het gebied dat zij later de Romeinen afnamen, niet hebben bestaan uit dorpen, maar uit grote familie-genootschappen die verschillende generaties omvatten, een passend stuk land bebouwden en de daaromheen liggende woeste gronden met de buren als gemeenschappelijke mark gebruikten. De passage bij Tacitus over het wisselen van het bebouwde land zou dan inderdaad in landbouwkundige zin moeten worden opgevat, het genootschap zou ieder jaar een ander stuk hebben omgeploegd en het bouwland van het vorige jaar braak hebben laten liggen of geheel hebben laten verwilderen. Bij de dunne bevolking zou er dan nog altijd genoeg woeste grond zijn overgebleven om elke strijd over grondbezit overbodig te maken. Eerst eeuwen later, toen het aantal huisgenoten zo groot was geworden, dat een gemeenschappelijke huishouding onder de toenmalige productievoorwaarden niet meer mogelijk was, zouden deze genootschappen uiteen zijn gevallen; het tot dusver gemeenschappelijke akker- en grasland zou op de bekende wijze onder de nu tot stand komende afzonderlijke huishoudingen verdeeld zijn geworden, eerst voor een bepaalde tijd en later voorgoed, terwijl bos, weiden en water gemeenschappelijke eigendom bleven.

Voor Rusland schijnt deze ontwikkelingsgang historisch volledig te zijn aangetoond. Wat Duitsland en in de tweede plaats de overige Germaanse landen betreft, kan men niet ontkennen, dat deze veronderstelling de bronnen in vele opzichten beter verklaart en moeilijkheden gemakkelijker oplost dan de tot dusver aangenomen veronderstelling, die de dorpsgemeenschap tot Tacitus laat teruggaan. De oudste documenten bv. van de Codex Laureshamensis  laten zich in het algemeen veel beter met behulp van het huisgenootschap dan van het dorpsmarkgenootschap verklaren. Aan de andere kant brengt deze verklaring weer nieuwe moeilijkheden en nieuwe nog onopgeloste vraagstukken mee. Hier kunnen alleen nieuwe onderzoekingen uitsluitsel geven; ik kan echter niet ontkennen, dat de tussentrap van het huisgenootschap ook voor Duitsland, Scandinavië en Engeland veel waarschijnlijkheid heeft.

Terwijl de Duitsers bij Caesar deels sinds kort vaste woonplaatsen hebben en die deels nog zoeken, leven zij ten tijde van Tacitus reeds een volle eeuw in vaste nederzettingen; en dienovereenkomstig is er een onmiskenbare vooruitgang in de productie van het levensonderhoud. Zij wonen in blokhuizen; hun kleding is nog zeer primitief, grove wollen mantels, dierenvellen, voor vrouwen en voornamen linnen onderkleding. Hun voedsel bestaat uit melk, vlees, wilde vruchten en, zoals Plinius er aan toevoegt, haverbrij  (nu nog een Keltisch nationaal gerecht in Ierland en Schottand). Hun rijkdom bestaat uit vee: dit is echter van een slecht ras, de runderen zijn klein, onaanzienlijk, zonder horens; de paarden zijn kleine pony’s en geen dravers. Geld werd zelden en weinig gebruikt en dan alleen Romeinse munt. Goud en zilver werd door hen niet verwerkt, noch gewaardeerd; ijzer was zeldzaam en schijnt althans bij de stammen aan de Rijn en de Donau bijna uitsluitend ingevoerd, niet zelf gewonnen te zijn. Het runenschrift (nabootsing van Griekse of Latijnse letters) was alleen bekend als geheimschrift en werd slechts voor religieuze toverij gebruikt. Mensenoffers waren nog gebruikelijk. Kortom, wij hebben hier met een volk te doen, dat pas van de middelste trap van de barbaarsheid op de hoogste trap was gekomen. Terwijl nu de stammen, die onmiddellijk naast de Romeinen woonden, door de gemakkelijker geworden invoer van Romeinse industrieproducten belemmerd werden bij de ontwikkeling van een zelfstandige metaal- en textielindustrie, kwam zulk een industrie in het noordoosten, aan de Oostzee, ongetwijfeld tot ontwikkeling. De in de Sleeswijkse venen gevonden uitrustingsstukken — een lang ijzeren zwaard, maliënkolder, zilveren helm enz. met Romeinse munten uit het einde van de tweede eeuw — en de door de volksverhuizing verbreide Duitse metalen voorwerpen vertonen een geheel eigen type van niet geringe ontwikkeling, zelfs waar zij bij oorspronkelijk Romeinse voorbeelden aansluiten. De volksverhuizing naar het beschaafde Romeinse rijk maakte overal een einde aan deze inheemse industries behalve in Engeland. Hoezeer deze industrie op eendere wijze is ontstaan en zich verder heeft ontwikkeld, tonen bv. de bronzen gespen; de gespen, die in Bourgondië, in Roemenië en aan de Zee van Azow zijn gevonden, zouden uit een zelfde werkplaats afkomstig kunnen zijn als de Engelse en Zweedse gespen en zijn evenzeer van ongetwijfeld Germaanse oorsprong.

Ook de inrichting der maatschappij komt overeen met de hoogste trap van de barbaarsheid. Er bestond volgens Tacitus overal een raad van hoofden (principes), die in kleinere aangelegenheden besliste, maar de meer belangrijke ter beslissing door de volksvergadering voorbereidde; deze zelf bestaat op de laagste trap van de barbaarsheid, althans daar waar wij haar kennen, bij de Amerikanen, pas alleen voor de gens, maar nog niet voor de stam of de bond van stammen. De hoofden (principes) zijn nog scherp onderscheiden van de legeraanvoerders (duces), geheel als bij de Irokezen. De eersten leven al gedeeltelijk van eregaven in vee, koren enz. van de stamgenoten; zij worden, evenals in Amerika, meestal uit dezelfde familie gekozen; de overgang tot het vaderrecht begunstigt evenals in Griekenland en Rome de geleidelijke overgang van verkiezing tot erfelijkheid en daarmee de vorming van een adellijke familie in iedere gens. Deze oude, zogenaamde stamadel verdween meestal in de volksverhuizing of in ieder geval spoedig daarna. De legeraanvoerders werden, zonder rekening te houden met hun afstamming, alleen op grond van hun bekwaamheid gekozen. Zij hadden weinig macht en moesten door hun voorbeeld invloed uitoefenen; de eigenlijke disciplinaire macht in het leger kent Tacitus nadrukkelijk aan de priesters toe. De werkelijke macht was in handen van de volksvergadering. De koning of het stamhoofd is voorzitter; het volk beslist — neen: door gemor; ja: door bijval en wapengekletter. De volksvergadering spreekt tevens recht; hier worden klachten ingediend en behandeld; hier worden doodvonnissen geveld; de doodstraf staat alleen op lafheid, volksverraad en tegennatuurlijke wellust. Ook in de gentes en de andere onderafdelingen spreken allen tezamen recht onder voorzitterschap van het hoofd, dat, zoals bij de hele oorspronkelijke Duitse rechtspraak, alleen de leider van de behandeling en de ondervrager kan zijn geweest; het vonnis werd bij de Duitsers van oudsher en overal door de gehele vergadering geveld.

Sedert Caesars tijd hadden er zich bonden van stammen gevormd; bij sommige daarvan waren reeds koningen; de opperste legeraanvoerder streefde, zoals bij de Grieken en Romeinen, reeds naar de tirannie en bereikte die soms. Zulke gelukkige usurpators waren nu volstrekt geen onbeperkte heersers; maar zij begonnen toch al de boeien van de gensinrichting te verbreken. Terwijl anders vrijgelaten slaven een ondergeschikte plaats innamen omdat zij tot geen gens konden behoren, brachten zulke gunstelingen het bij de nieuwe koning vaak tot rang, rijkdom en eer. Dat gebeurde ook na de verovering van het Romeinse rijk door de legeraanvoerders die nu koningen van grote landen waren geworden. Bij de Franken speelden de slaven en vrijgelatenen van de koning eerst aan het hof en daarna in de staat een grote rol; de nieuwe adel stamt grotendeels van hen af. Er was een instelling, die de opkomst van het koningschap begunstigde: het gevolg. Al bij de Amerikaanse roodhuiden zagen wij hoe naast de gensinrichting particuliere gezelschappen ontstaan met het doel op eigen gelegenheid oorlog te voeren.

Deze particuliere gezelschappen waren bij de Duitsers al blijvende eenheden geworden. De legeraanvoerder, die zich een goede naam had verworven, omringde zich met een schaar op buit beluste jonge mannen, die evenals hijzelf tot wederzijdse persoonlijke trouw verplicht waren. Hij onderhield hen, gaf hun geschenken en deelde hen naar rangorde in; een lijfgarde en slagvaardige troep voor kleinere, een vaardig officierskorps voor grotere expedities. Hoe zwak deze groepen volgelingen ook waren en nog later, bv. die van Odoaker in Italië, bleken te zijn, toch waren zij reeds de kiem van het verval der oude volksvrijheid en deden zich gedurende en na de volksverhuizing ook als zodanig gelden. Want ten eerste begunstigden zij de opkomst van de koninklijke macht en ten tweede konden zij, zoals Tacitus al opmerkt, alleen door voortdurende oorlogen en rooftochten bijeen worden gehouden. De roof werd doel. Had de aanvoerder in de nabijheid niets te doen, dan trok hij met zijn manschappen naar andere volken waar oorlog was en kans op buit; de Duitse hulpvolken, die onder het Romeinse vaandel in groten getale zelfs tegen Duitsers vochten, bestonden voor een deel uit zulke groepen gevolg. Hun landsknechtendom, de smaad en de vloek van de Duitsers, was hier al in eerste aanleg aanwezig. Na de verovering van het Romeinse rijk vormde dit gevolg van de koningen tezamen met de onvrijen en de Romeinse hofbedienden het tweede hoofdbestanddeel van de latere adel.

In het algemeen geldt dus voor de door bondgenootschappen tot volken verenigde Duitse stammen dezelfde bestuursinrichting die zich bij de Grieken van de heldentijd en de Romeinen van de zogenaamde koningstijd had ontwikkeld: volksvergadering, raad van genshoofden en de legeraanvoerder die reeds naar werkelijke koninklijke macht streeft. Het was de meest volmaakte bestuursvorm die de gensinrichting ook maar heeft kunnen ontwikkelen. Het was de modelbestuursinrichting van de hoogste trap der barbaarsheid. Overschreed de maatschappij de grenzen waarbinnen deze bestuursinrichting toereikend was, dan was het met de gens gedaan; zij viel uiteen en in haar plaats trad de staat.

 

 

 

 

VIII.

De vorming van de staat bij de Duitsers

 

 

De Duitsers waren volgens Tacitus een zeer talrijk volk. Bij Caesar krijgen wij een globale voorstelling van de sterkte der verschillende Duitse volken; hij geeft als aantal van de aan de linker Rijnoever verschenen Ulsipeten en Tenktaren 180.000 man op, vrouwen en kinderen daarbij inbegrepen. Dus ongeveer 100.000 voor ieder volk;  reeds belangrijk meer dan bv. het totale aantal Irokezen in hun bloeitijd, toen zij, nog geen 20.000 man sterk, de schrik waren van het hele land, van de grote meren tot aan de Ohio en de Potomac. Zulk een afzonderlijk volk neemt op de kaart, wanneer wij de nauwkeuriger bekende volken die in de buurt van de Rijn woonden op grond van de berichten trachten te groeperen, gemiddeld ongeveer de oppervlakte van een Pruisisch regeringsdistrict in, dus ongeveer 10.000 km2 of 182 vierkante geografische mijlen. Het Germania Magna  van de Romeinen beslaat echter, tot aan de Weichsel, in afgeronde cijfers 500.000 km2. Bij een gemiddelde sterkte van de verschillende volken van 100.000 man zou het hele aantal voor Germania Magna vijf miljoen bedragen; voor een groep van volken uit het tijdvak der barbaarsheid een aanzienlijk aantal, voor onze verhoudingen — 10 bewoners per km2 of 550 op de vierkante geografische mijl — zeer weinig. Dat is echter volstrekt niet het totale aantal der toentertijd levende Duitsers. Wij weten, dat langs de Karpaten tot aan de mond van de Donau Duitse volken van Gotische stam woonden, Bastarnen, Peukinen en anderen, die zo talrijk waren dat Plinius hen als de vijfde hoofdstam van de Duitsers indeelt  en dat zij, die reeds in 180 voor onze jaartelling als huurlingen van de Macedonische koning Perseus optraden, nog in de eerste jaren van keizer Augustus tot in de omstreken van Adrianopel doordrongen. Schatten wij hun aantal op slechts één miljoen, dan vinden wij als waarschijnlijke sterkte van de Duitsers in het begin van onze jaartelling minstens zes miljoen.

Na de vestiging in Germanië moet de bevolking zich met toenemende snelheid hebben vermeerderd; alleen at de bovengenoemde industriële vooruitgang zou dit bewijzen. De vondsten uit de Sleeswijkse venen zijn, naar de bijbehorende Romeinse munten te oordelen, uit de derde eeuw. Omstreeks deze tijd bestond dus at aan de Oostzee een ontwikkelde metaal- en textielindustrie, een levendig verkeer met het Romeinse rijk en een zekere weelde bij de rijkeren — alles bewijzen van een vrij dichte bevolking. Omstreeks deze tijd begint echter ook de algemene aanvalsoorlog van de Duitsers langs de hele linie van Rijn, Romeinse grenswal en Donau, van de Noordzee tot aan de Zwarte Zee — een rechtstreeks bewijs voor het steeds toenemen van de bevolking, die zich vrij baan maakt naar buiten. Driehonderd jaar duurde de strijd, tijdens welke de hele hoofdstam van de Gotische volken (behalve de Scandinavische Goten en de Bourgondiërs) naar het zuidoosten trok en de linkervleugel vormde van het grote aanvalsfront, in welks centrum de Hoogduitsers (Herminonen) aan de Boven-Donau en op welks rechtervleugel de Iskaevonen, nu Franken genaamd, aan de Rijn vooruit drongen, terwijl de Ingaevonen Brittannië veroverden. Aan het einde van de vijfde eeuw lag het Romeinse rijk verzwakt, bloedeloos en hulpeloos open voor de binnendringende Duitsers.

Hierboven stonden wij aan de wieg van de antieke Griekse en Romeinse beschaving. Hier staan wij aan haar graf. Over alle landen van het Middellandse Zeebekken was de gelijkmakende schaaf van de Romeinse wereldheerschappij gegaan en dat eeuwen achtereen. Daar waar het Grieks geen weerstand bood, hadden alle nationale talen moeten wijken voor een bedorven Latijn; er bestond geen onderscheid in natie meer, er waren geen Galliërs, lberiërs, Liguriërs, Norikers meer, zij waren allen Romeinen geworden. Het Romeinse bestuur en het Romeinse recht hadden overal het oude geslachtsverband uiteen doen vallen en daarmee de laatste rest van lokale en nationale zelfstandigheid. Het nieuwbakken Romeinse burgerschap kon deze niet vervangen; het drukte geen nationaliteit uit, maar slechts het ontbreken er van. De elementen voor nieuwe naties waren overal aanwezig; de Latijnse dialecten van de verschillende provincies liepen meer en meer uiteen; de natuurlijke grenzen die Italië, Gallië, Spanje, Afrika vroeger tot zelfstandige gebieden hadden gemaakt, waren nog voorhanden en deden zich ook nog gevoelen. Maar nergens was de kracht aanwezig om deze elementen tot nieuwe naties samen te vatten; nergens was ook maar een spoor van vatbaarheid voor ontwikkeling; nergens een spoor van weerstandsvermogen, laat staan van scheppingskracht. De geweldige mensenmassa van het geweldige gebied had slechts één band, die haar bijeenhield: de Romeinse staat, en deze was in de loop van de tijd haar ergste vijand en onderdrukker geworden. De provincies hadden Rome vernietigd; Rome zelf was een provinciestad geworden als de andere — bevoorrecht, maar niet langer overheersend, niet langer middelpunt van het wereldrijk, niet eens meer zetel van de keizers en onderkeizers, die in Constantinopel, Trier en Milaan woonden. De Romeinse staat was een reusachtige, gecompliceerde machine geworden, uitsluitend voor het uitzuigen van de onderdanen. Belastingen, diensten en leveranties van allerlei soort drukten de massa van de bevolking in steeds diepere armoede; bijna ondraaglijk werd deze druk door de afpersingen van stadhouders, belastinggaarders en soldaten. Zover had de Romeinse staat het met zijn wereldheerschappij gebracht — zijn recht van bestaan was gegrond op het bewaren van de orde in het land zelf en op de bescherming tegen de barbaren naar buiten. Maar zijn orde was erger dan de ergste wanorde en de barbaren, waartegen hij de burgers heette te beschermen, werden door dezen als redders verbeid.

De toestand van de maatschappij was niet minder ellendig. Al vanaf de nadagen van de republiek was de Romeinse heerschappij gericht op de niets ontziende uitbuiting van de veroverde provincies; het keizerrijk had deze uitbuiting niet afgeschaft, maar integendeel geregeld. Hoe meer het rijk in verval raakte, des te hoger stegen de belastingen en de verplichte diensten, des te onbeschaamder werd er door de beambten geroofd en afgeperst. Handel en industrie waren nooit iets geweest voor de volkenbeheersende Romeinen; alleen op het gebied van de rentewoeker hadden zij alles overtroffen wat er voor en na hen bestond. Wat er aan handel bestond en behouden was gebleven, ging te gronde door de afpersing van de beambten; wat zich nog staande wist te houden komt voor rekening van het oostelijke, Griekse gedeelte van het rijk, dat wij buiten beschouwing laten. Algemene verarming, achteruitgang van verkeer, handwerk en kunst, daling van de bevolking, verval van de steden, terugval van de akkerbouw tot op een lagere trap — dat was het eindresultaat van de Romeinse wereldheerschappij.

De akkerbouw, in de gehele oude wereld de belangrijkste tak van productie, was dat ook nu meer dan ooit. In Italië waren de uitgestrekte complexen van landgoederen (latifundiën), die sedert het einde van de republiek bijna het gehele gebied innamen, op tweeërlei wijze gebruikt; hetzij als veeweide waar de bevolking was vervangen door schapen en ossen die door enkele slaven konden worden gehoed, hetzij als villa’s, waar met massa’s slaven tuinbouw op grote schaal werd gedreven, deels voor weelde-behoeften van de bezitter, deels voor verkoop op de markten in de steden. De grote veeweiden hadden stand gehouden en waren soms nog uitgebreid; de villa-landgoederen en hun tuinbouw waren in verval geraakt met de verarming van hun bezitters en het verval van de steden. Het op slavenarbeid berustende bedrijf van de latifundiën rendeerde niet meer; het was toen echter de enig mogelijke vorm van grootlandbouwbedrijf. Het kleinbedrijf was weer de enig lonende vorm geworden. De ene villa na de andere werd in kleine stukken verkaveld en aan erfpachters uitgegeven die een bepaalde som betaalden, of aan partiarii, meer beheerders dan pachters, die het zesde of ook wel slechts het negende deel van de jaarlijkse opbrengst voor hun arbeid kregen. In de meeste gevallen echter werden deze kleine stukken grond uitgegeven aan kolonen, die jaarlijks een bepaald bedrag betaalden, aan het land gebonden waren en met hun grond verkocht konden worden; zij waren wel geen slaven, maar zij waren ook niet vrij, konden niet met vrijen huwen en hun huwelijken onder elkaar werden niet als volwaardige echtverbintenis beschouwd, maar zoals die van de slaven slechts als bijslaperij (contubernium). Zij waren de voorlopers van de middeleeuwse lijfeigenen.

De antieke slavernij had zich overleefd. Noch op het land in het grootlandbouwbedrijf, noch in de stedelijke manufacturen was zij nog lonend — de markt voor haar producten was verdwenen. De kleine akkerbouw echter en het kleine handwerk, waartoe de reusachtige productie uit de bloeitijd van het rijk ineengeschrompeld was, boden geen plaats voor talrijke slaven. Alleen voor huis- en weeldeslaven van de rijken was er nog plaats in de maatschappij. Maar de uitstervende slavernij was nog altijd voldoende om alle productieve arbeid als slavenwerk te doen beschouwen, als onwaardig voor de vrije Romeinen dat was nu immers iedereen. Vandaar enerzijds een toenemend aantal vrijlatingen van overbodige, tot last geworden slaven, anderzijds toename van kolonen en van verarmde vrijen (zoals de poor whites — arme blanken — in de ex-slavenstaten van Amerika). Het christendom is volmaakt onschuldig aan het langzamerhand uitsterven van de antieke slavernij. Het heeft de slavernij eeuwenlang in het Romeinse rijk meegemaakt en later nooit de slavenhandel van de christenen verhinderd, noch die van de Duitsers in het noorden, noch die van de Venetianen op de Middellandse Zee, noch de latere negerhandel.  De slavernij loonde niet meer, daarom stierf zij uit. Maar de afstervende slavernij liet haar giftige angel achter in de minachting van de productieve arbeid van vrijen. Dit was het uitzichtloze slop, waarin de Romeinse wereld zich bevond: de slavernij was economisch onmogelijk, de arbeid van vrijen was moreel veroordeeld. De ene kon niet meer, de ander kon nog niet grondvorm zijn van de maatschappelijke productie. Het enige wat hier kon helpen was een algehele revolutie.

In de provincies zag het er niet beter uit. Wij hebben de meeste berichten uit Gallië. Behalve kolonen waren hier nog vrije kleine boeren. Ten einde tegen de overweldiging door beambten, rechters en woekeraars bescherming te vinden, stelden zij zich vaak onder de hoede, onder patronaat vaneen machtige; en niet alleen enkelingen deden dit, maar ook hele gemeenten, zodat de keizers in de vierde eeuw daartegen meermalen een verbod uitvaardigden. Maar wat hielp het hen, die bescherming zochten? De patroon stelde hun tot voorwaarde, dat zij de eigendom op hun stukken grond aan hem overdroegen, waartegenover hij hun het vruchtgebruik voor hun gehele leven verzekerde — een truc, die de heilige kerk zich in de oren knoopte en die zij in de negende en tiende eeuw ruimschoots navolgde om het rijk gods en haar eigen grondbezit te vergroten. In die tijd, omstreeks het jaar 475, ijvert bisschop Salvianus van Marseille weliswaar nog verontwaardigd tegen zulk een diefstal en verhaalt, dat de druk van de Romeinse beambten en grote landheren zo erg was geworden, dat vele ‘Romeinen’ naar de al door barbaren bezette gebieden vluchtten en dat de daar gevestigde Romeinse burgers niets zozeer vreesden als weer onder Romeinse heerschappij te geraken.  Dat ouders toen dikwijls uit armoede hun kinderen als slaven verkochten, bewijst een daartegen uitgevaardigde wet.

Als loon voor het bevrijden der Romeinen van hun eigen staat namen de Duitse barbaren hun twee derden van de gehele grond af en verdeelden die onder elkaar. De verdeling geschiedde volgens de genswetten; gezien het betrekkelijk geringe aantal veroveraars bleven zeer grote streken onverdeeld, deels als bezit van het gehele volk, deels van de verschillende stammen en gentes. In iedere gens werd het akker- en grasland onder de verschillende huishoudingen in gelijke stukken verloot; of er periodiek nieuwe verdelingen plaatsvonden, weten wij niet; in de Romeinse provincies verdwenen zij in ieder geval spoedig en de afzonderlijke aandelen werden vervreemdbare particuliere eigendom, allodium. Bos en weide bleven onverdeeld in gemeenschappelijk gebruik; dit gebruik zowel als de wijze van bebouwing van de verdeelde grond werd geregeld naar aloude gewoonte en volgens de besluiten van de gemeenschap. Hoe langer de gens in haar dorp zetelde en hoe meer Duitsers en Romeinen langzamerhand samensmolten, des te meer trad het karakter van het stamverband op de achtergrond ten opzichte van het territoriale karakter; de gens ging op in het markgenootschap, dat echter nog vaak sporen toont van zijn oorsprong uit het verwantschapsverband van de genoten. Zo ging hier de gensinrichting, althans in de landen waar de markgemeenschap bleef bestaan — in Noord-Frankrijk, Engeland, Duitstand en Scandinavië —, geleidelijk over in een territoriale organisatie en werd daardoor geschikt om in de staat ingepast te worden. Maar zij behield toch het oorspronkelijke democratische karakter, dat de hele gensinrichting kenmerkt, en zelfs in de haar later opgedrongen ontaarding een stuk gensinrichting, dat een wapen is in handen van de onderdrukten en tot in de jongste tijd voortleeft.

Wanneer aldus in de gens de verwantschapsbanden spoedig verloren gingen, dan was dat het gevolg van het feit, dat ook in de stam en in het hele volk haar organen ontaardden tengevolge van de verovering. Wij weten, dat heerschappij over onderworpenen met de gensinrichting niet kan samengaan. Wij zien dit hier op grote schaal. Toen de Duitse volken de Romeinse provincies overmeesterd hadden, moesten zij dit nieuwe bezit organiseren. Men kon echter de massa’s Romeinen: evenmin in de gentes opnemen, als hen door middel van de gensinrichting beheersen. Men moest aan het hoofd van de aanvankelijk grotendeels verder bestaande Romeinse lokale bestuurslichamen iets stellen, dat de plaats kon innemen van de Romeinse staat en dit kon alleen een andere staat zijn. De organen van de gensinrichting moesten dus staatsorganen worden en onder de drang van de omstandigheden moest dit bovendien zeer snel geschieden. De meest voor de hand liggende vertegenwoordiger van het veroverende volk nu was de legeraanvoerder. De beveiliging van het veroverde gebied naar binnen en naar buiten eiste de versterking van zijn macht. Het ogenblik was gekomen om het veldheerschap in een koningschap te veranderen — en dit gebeurde dan ook.

Nemen wij het rijk der Franken. Hier waren aan de overwinnaar, het volk der Saliërs, niet alleen de uitgestrekte Romeinse staatsdomeinen als eigendom ten deel gevallen, maar ook het hele enorme gebied dat niet aan de grotere en kleinere gouwen markgenootschappen was toebedeeld, met name alle grotere woudcomplexen. Het eerste wat de van eenvoudige opperste legeraanvoerder werkelijke vorst van een land geworden Frankenkoning deed, was, van dit volkseigendom koninklijk domein te maken, het aan het volk te ontstelen en het aan zijn gevolg te schenken of in leen te geven. Dit gevolg was oorspronkelijk zijn persoonlijke krijgsgevolg plus de overige onderbevelhebbers van het leger; spoedig werd het versterkt niet alleen door Romeinen, d.w.z. door geromaniseerde Galliërs, die door hun schrijfkunst, hun ontwikkeling, hun kennis van de Romaanse landstaal, de Latijnse schrijftaal en het landrecht hem spoedig onontbeerlijk werden, maar ook door slaven, lijfeigenen en vrijgelatenen, die zijn hofhouding vormden en waaruit hij zijn gunstelingen koos. Aan al deze lieden werden stukken land van het volk eerst meestal geschonken, later verleend in de vorm van beneficiën, aanvankelijk als regel voor de duur van het leven van de koning. Op deze wijze werd op kosten van het volk de grondslag voor een nieuwe adel geschapen.

Maar dat was nog niet alles. De grote uitgestrektheid van het rijk kon door middel van de oude gensinrichting niet worden geregeerd; de raad van hoof den zou, indien hij niet al lang in onbruik was geraakt, niet hebben kunnen bijeenkomen en werd spoedig door de vaste omgeving van de koning vervangen; de oude volksvergadering bleef in schijn nog bestaan, maar veranderde eveneens meer en meer in een eenvoudige vergadering van onderbevelhebbers van het leger en van de nieuw opkomende groten. De vrije grondbezittende boeren, die de massa van het Frankische volk vormden, werden door de eeuwige burger- en veroveringsoorlogen, de laatste vooral onder Karel de Grote, net zo uitgeput en aan lager wal gebracht als vroeger de Romeinse boeten in de laatste tijd van de Republiek. Zij, die oorspronkelijk het hele leger en na de verovering van Frankrijk de kern daarvan hadden gevormd, waren in het begin van de negende eeuw zo verarmd, dat ternauwernood nog iedere vijfde man dienst kon nemen. Er kwam in de plaats van de direct door de koning opgeroepen heerban van vrije boeren een leger, dat was samengesteld uit het dienstvolk van de nieuw opgekomen groten, dus ook uit horige boeren, uit de nakomelingen van hen die vroeger geen andere heer dan de koning en nog vroeger in het geheel geen heer, zelfs geen koning hadden gekend. Ten tijde van de opvolgers van Karel werd de Frankische boerenstand definitief geruïneerd door binnenlandse oorlogen, door de zwakheid van de koninklijke macht en de daaruit voortvloeiende eigenmachtige handelingen van de groten, waarbij thans ook de door Karel aangestelde, naar erfelijkheid van hun ambt strevende gouwgraven  kwamen, en tenslotte door de invallen van de Noormannen. Vijftig jaar na de dood van Karel de Grote lag het Frankenrijk even weerloos aan de voeten van de Noormannen als vierhonderd jaar daarvoor het Romeinse rijk aan de voeten van de Franken.

En niet alleen de machteloosheid naar buiten, maar ook de binnenlandse maatschappelijke orde, of liever wanorde, was bijna even groot. De vrije Frankische boeren waren in een soortgelijke toestand geraakt als hun voorlopers, de Romeinse kolonen. Omdat de koninklijke macht te zwak was om hen te beschermen, hadden zij zich, geruïneerd als ze waren door oorlogen en plunderingen, onder bescherming moeten stellen van de nieuw opgekomen groten of van de kerk, maar deze bescherming moesten zij duur betalen. Zoals, vroeger de Gallische boeren, moesten zij de eigendom van hun stuk grond aan hun beschermheer overdragen en kregen dit van hem als cijnsplichtig land terug op verschillende en wisselende voorwaarden, maar steeds uitsluitend tegen het verlenen van diensten en het opbrengen van schatting; waren zij eenmaal op deze wijze afhankelijk geworden, dan verloren zij langzamerhand ook hun persoonlijke vrijheid; na enkele generaties waren ze meestal reeds lijfeigenen. Hoe snel de ondergang van de vrije boerenstand zich voltrok, blijkt uit Irminons grondboek  van de abdij Saint Germain des Prés, toen bij, nu in Parijs. Op het uitgestrekte, in de omgeving verspreide grondbezit van deze abdij zaten toen, nog ten tijde van Karel de Grote, 2.788 huishoudingen, bijna zonder uitzondering Franken met Duitse namen. Onder hen 2.080 kolonen, 35 liten,  220 slaven en slechts 8 vrije boeren! Het door Salvianus goddeloos genoemde gebruik, waarbij de beschermheer zich het stuk grond van de boer toe-eigende om het hem slechts voor de duur van het leven ten gebruike terug te geven, werd thans door de kerk zelf opzichte van de boeren algemeen in praktijk gebracht. De herendiensten, die nu meer en meer in gebruik kwamen, steunden evenzeer op het voorbeeld van de Romeinse angariën , de gedwongen diensten voor de staat, als op dat van de diensten der Duitse markgenoten voor het bouwen van bruggen, het aanleggen van wegen en andere gemeenschappelijke doeleinden. Het leek er dus op dat de massa van de bevolking na vierhonderd jaar weer volledig bij het uitgangspunt terechtgekomen was.

Dit was echter slechts een bewijs voor twee dingen: ten eerste, dat de maatschappelijke indeling en de verdeling van de eigendom in het ondergaande Romeinse rijk volkomen beantwoordden aan het toenmalige ontwikkelingspeil van de productie in akkerbouw en industrie, en dus onvermijdelijk waren geweest; ten tweede dat dit peil van de productie in de loop van de volgende vierhonderd jaar niet noemenswaard gedaald, noch noemenswaard gestegen was, dus met dezelfde noodzakelijkheid weer eendere eigendomsverdeling en eendere bevolkingsklassen had voortgebracht. De stad had in de laatste eeuwen van het Romeinse rijk haar vroegere heerschappij over het land verloren en ze in de eerste eeuwen van de Duitse heerschappij niet herkregen. Dit veronderstelt een lage trap van ontwikkeling zowel van de akkerbouw als van de industries Zulk een algemene toestand brengt noodzakelijkerwijze grote heersende grondbezitters en afhankelijke kleine boeren voort. Hoe gering de mogelijkheid was, enerzijds het Romeinse op slavenarbeid berustende latifundiënbedrijf, anderzijds het nieuwere, grote, op herendiensten berustende landbouwbedrijf aan zulk een maatschappij op te dringen, bewijzen de geweldige experimenten van Karel de Grote met de beroemde keizerlijke villa’s, die echter zo goed als geen sporen hebben nagelaten. Zij werden uitsluitend door de kloosters voortgezet en droegen slechts voor deze vruchten; de kloosters waren echter abnormale maatschappelijke instellingen, gebaseerd op het celibaat; zij konden iets uitzonderlijks volbrengen, maar moesten juist daarom ook uitzonderingen blijven.

En toch was men in de loop van deze vierhonderd jaar verder gekomen. Al vinden wij aan het eind ook weer bijna dezelfde hoofdklassen als aan het begin, toch waren de mensen die deze klassen vormden anders geworden. Verdwenen was de antieke slavernij, verdwenen waren de haveloze arme vrijen, die de arbeid verachtten als een bezigheid voor slaven. Tussen de Romeinse kolonen en de nieuwe horigen had de vrije Frankische boer gestaan. De ‘nutteloze herinneringen en vergeefse strijd’ van de ondergaande Romeinse wereld waren dood en begraven. De maatschappelijke klassen van de negende eeuw hadden zich niet gevormd in het moeras van een ondergaande beschaving, maar in de geboorteweeën van een nieuwe. Het nieuwe geslacht, zowel heren als knechten, was een geslacht van mannen, vergeleken bij zijn Romeinse voorgangers. De verhouding tussen machtige landheren en dienende boeren, die voor dezen de doodlopende ondergangsvorm van de antieke wereld was geweest, was nu voor genen het uitgangspunt van een nieuwe ontwikkeling. En voorts, hoe onproductief deze vierhonderd jaar ook mogen schijnen, één groot product lieten zijn na: de moderne nationaliteiten, de nieuwe samenstelling en geleding van de Westeuropese mensheid voor de komende geschiedenis. De Duitsers hadden Europa inderdaad nieuw leven ingeblazen en daarom eindigde het uiteenvallen van de staten in de Germaanse periode niet met een onderwerping aan Noormannen en Saracenen, maar met de verdere ontwikkeling van de beneficiën en het zich onder bescherming stellen (commendatie)  naar het feodalisme en met een zo geweldige vermeerdering van de bevolking, dat nauwelijks tweehonderd jaar later de sterke aderlating door de kruistochten zonder schade werd verdragen.

Wat was evenwel het geheimzinnige tovermiddel, waardoor de Duitsers het afstervende Europa nieuwe levenskracht inbliezen? Was het een aangeboren wondermacht van de Duitse volksstam, zoals onze chauvinistische geschiedschrijving ons wil wijsmaken? Volstrekt niet. De Duitsers waren, speciaal toentertijd, een zeer begaafde Arische volksstam  en bevonden zich volop in levendige ontwikkeling. Maar het waren niet hun bijzondere nationale eigenschappen, die Europa hebben verjongd, het was eenvoudig hun barbaarsheid, hun gensinrichting.

Hun persoonlijke flinkheid en dapperheid, hun vrijheidszin en democratische instinct, dat in alle openbare aangelegenheden de eigen aangelegenheden zag, kortom, alle eigenschappen die de Romeinen hadden verloren en die alleen in staat waren uit het slijk van de Romeinse wereld nieuwe staten te vormen en nieuwe nationaliteiten te doen groeien — wat waren zij anders dan de karaktertrekken van de barbaar op de hoogste trap, de vruchten van zijn gensinrichting?

Wanneer zij de antieke vorm van de monogamie veranderden, de heerschappij van de man in het gezin verzachtten, de vrouw een hogere plaats gaven dan de klassieke wereld ooit had gekend, wat anders stelde hen daartoe in staat als het niet hun barbaarsheid was, wat anders dan hun gensgewoonten, hun nog levende tradities uit de tijd van het moederrecht?

Wanneer zij althans in drie van de belangrijkste landen, in Duitsland, Noord-Frankrijk en Engeland in de vorm van de markgenootschappen een stuk echte gensinrichting wisten te redden en in de feodale staat te behouden, en daarmee aan de onderdrukte klasse, de boeren, zelfs onder de hardste middeleeuwse lijfeigenschap een lokaal verband en een middel tot verzet gaven, dat noch de antieke slaven, noch de moderne proletariërs kant en klaar aantroffen — waaraan was dat te danken, als het niet was aan hun barbaarsheid, aan hun uitsluitend barbaarse wijze zich naar geslachten te vestigen?

En wanneer zij, tenslotte, de al in’ het vaderland bestaande mildere vorm van knechtschap, waarin de slavernij ook in het Romeinse rijk steeds meer overging, konden ontwikkelen en tot enig bestaande konden maken; een vorm, die, zoals Fourier  het eerst heeft doen uitkomen, aan de geknechten de middelen tot hun geleidelijke bevrijding als klasse geeft (fournit aux cultivateurs des moyens d’affranchissement collectif et progressif); een vorm die hierdoor ver boven de slavernij staat, welke alleen de directe vrijlating van afzonderlijke personen zonder overgangstoestand kent (afschaffing van de slavernij door een zegevierende opstand kent de Oudheid niet) — terwijl in werkelijkheid de lijfeigenen van de middeleeuwen langzamerhand hun bevrijding als klasse doorzetten — waaraan hebben wij dat anders te danken dan aan hun barbaarsheid, die de oorzaak was dat zij het nog niet tot de volledig ontwikkelde slavernij hadden gebracht, noch tot de antieke arbeidsslavernij, noch tot de Oosterse huisslavernij?

Alles wat de Duitsers aan levenskracht en levensvatbaarheid in de Romeinse wereld plantten, was barbaarsheid. Inderdaad zijn alleen barbaren in staat een wereld, die aan een ondergaande beschaving lijdt, te verjongen. En de hoogste trap van barbaarsheid, waartoe en waarin de Duitsers zich vóór de volksverhuizing hadden opgewerkt, was juist de gunstigste voor dit dit proces.

Dit verklaart alles.

 

 

 

 

IX.

Barbaarsheid en beschaving

 

 

Aan de hand van de drie grote aparte voorbeelden van de Grieken, de Romeinen en de Duitsers hebben wij nu het verval van de gensinrichting gevolgd. Laten wij thans tot slot de algemene economische verhoudingen onderzoeken, die de gensorganisatie van de maatschappij op de hoogste trap van de barbaarsheid reeds ondermijnden en met de intrede van de beschaving geheel deden verdwijnen. Hier zal Marx’ ‘Het Kapitaal’ even onontbeerlijk voor ons zijn als het boek van Morgan.

Opgekomen op de middentrap, verder ontwikkeld op de hoogste trap van de wildheid, bereikt de gens, voor zover wij dit naar onze bronnen kunnen beoordelen, haar bloeitijdperk op de laagste trap van de barbaarsheid. Met deze trap van ontwikkeling beginnen wij dus.

Wij vinden hier, waar de Amerikaanse roodhuiden ons tot voorbeeld moeten dienen, de gensinrichting volkomen ontwikkeld. Een stam heeft zich in verscheidene, meestal twee gentes gesplitst; deze oorspronkelijke gentes vallen bij het toenemen der bevolking ieder in verscheidene dochtergentes uiteen, waarbij de moedergens als fratrie gaat optreden; de stam zelf splitst zich in verscheidene stammen en in elk van deze stammen vinden wij de oude gentes grotendeels terug; een bond omvat althans in sommige gevallen de verwante stammen. Deze eenvoudige organisatie is volkomen voldoende voor de maatschappelijke toestanden, waaruit zij is ontsproten. Zij is niets anders dan de aan deze maatschappij eigen, natuurlijke groepering, zij is in staat alle conflicten te beslechten die in de op deze wijze georganiseerde samenleving kunnen ontstaan. Naar buiten beslecht de oorlog; hij kan met de vernietiging van de stam eindigen, maar nooit met zijn onderwerping. Het grootse, maar ook het beperkte van de gensinrichting bestaat daarin, dat zij geen ruimte laat voor heerschappij en onderdrukking. Naar binnen is er nog geen onderscheid tussen rechten en plichten; de vraag of het deelnemen aan openbare aangelegenheden, aan bloedwraak of zoen een recht of een plicht is, bestaat voor de Indianen niet; zij zou hun even dwaas toeschijnen als de vraag of eten, slapen, jagen een recht of een plicht is. Evenmin kan er een splitsing van de stam en de gens in verschillende klassen plaats hebben. En dit brengt ons tot het onderzoek van de economische grondslag van deze toestand.

De bevolking is uiterst dun; zij is alleen dichter op de woonplaats van de stam, waaromheen in een grote kring eerst het jachtgebied ligt, dan het neutrale beschermende woud dat de stam van andere stammen scheidt. De verdeling van de arbeid is zuiver van natuurlijke aard; zij bestaat alleen tussen de beide geslachten. De man voert oorlog, gaat jagen en vissen, verschaft de grondstoffen voor de voeding en de daarvoor nodige werktuigen. De vrouw zorgt voor het huis, voor het toebereiden van het voedsel en voor de kleding, zij kookt, weeft en naait. Ieder van hen heerst op zijn gebied; de man in het woud, de vrouw in huis. Ieder is eigenaar van de zelf vervaardigde en gebruikte werktuigen: de man van de wapens, van het jachtgerei en het vistuig, de vrouw van het huisraad. De huishouding is communistisch voor verscheidene, soms voor vele gezinnen.  Wat gemeenschappelijk gemaakt en gebruikt wordt is gemeenschappelijke eigendom: het huis, de tuin, de boot. Dus hier en uitsluitend hier geldt nog de ‘door eigen arbeid verkregen eigendom’, die juristen en economen de beschaaf de maatschappij toedichten, en die de laatste, op leugen berustende juridische rechtsgrond is, waarop de tegenwoordige kapitalistische eigendom nog steunt.

Maar de mensen bleven niet overal op deze trap staan. In Azië troffen zij dieren aan die zich lieten temmen en die men getemd kon fokken. Op de wilde buffelkoe moest jacht gemaakt worden, terwijl de tamme jaarlijks een kalf leverde en bovendien nog melk. Een aantal van de meest ontwikkelde stammen — Ariërs, Semieten, misschien ook al de Turaniërs — maakten eerst het temmen, later alleen nog het fokken en hoeden van vee tot hun voornaamste tak van bedrijf. Herdersstammen scheidden zich af van de overige massa der barbaren: de eerste grote maatschappelijke verdeling van de arbeid. De herdersstammen produceerden niet alleen méér, maar ook andere levensmiddelen dan de overige barbaren. Zij hadden niet alleen melk, melkproducten en vlees in grotere hoeveelheden dan de anderen, maar ook huiden, wol, geitenhaar en gesponnen en geweven goederen, waarvan er meer kwamen naarmate de grondstoffen zich vermeerderden. Daarmee werd voor het eerst een geregelde ruil mogelijk. Op vroegere trappen kan er slechts nu en dan ruil plaats hebben, bijzondere vaardigheid bij het maken van wapens en werktuigen kan tot een tijdelijke verdeling van de arbeid leiden. Zo zijn op vele plaatsen ontwijfelbare overblijfselen van werkplaatsen voor stenen werktuigen uit de latere steentijd gevonden; de kunstenaars, die hier hun vaardigheid ontwikkelden, werkten waarschijnlijk, zoals nu nog de vaste handwerkers in de Indische gens-gemeenschappen, voor rekening van de gemeenschap. In geen geval kon er op deze trap een andere ruil ontstaan dan die binnen de stam en deze bleef een uitzondering. Hier daarentegen, na de afscheiding van de herdersstammen, zijn alle voorwaarden aanwezig voor de ruil tussen de leden van verschillende stammen en voor de ontwikkeling en bevestiging van de ruil als vaste instelling. Oorspronkelijk ruilde stam met stam door tussenkomst van de wederzijdse genshoofden; toen de kudden echter in afzonderlijke eigendom begonnen over te gaan, kreeg de individuele ruil steeds meer de overhand en werd tenslotte de enige vorm. Het voornaamste artikel echter dat de herdersstammen aan hun buren in ruil gaven was vee; vee werd de waar, waarin alle andere waren werden geschat en die men overal gaarne in ruil tegenover deze aannam — kortom, vee kreeg de functie van geld en verrichtte al op deze trap de dienst van geld. Zo noodzakelijk en zo snel kwam al direct bij het begin van de warenruil de behoefte aan een geldwaar op.

De tuinbouw, die de Aziatische barbaren op de laagste trap waarschijnlijk niet kenden, ontstond bij hen uiterlijk op de middentrap als voorloper van de akkerbouw. Het klimaat van de Turaanse hoogvlakte sluit herdersleven zonder voorraden aan veevoeder voor de lange en strenge winter uit; hier was dus de grasbouw en het verbouwen van koren een vereiste. Hetzelfde geldt voor de steppen ten noorden van de Zwarte Zee. Terwijl koren ester eerst voor het vee werd verbouwd, kwam het spoedig ook als voedsel voor de mensen in zwang. Het bebouwde land bleef nog eigendom van de stam; aanvankelijk werd het in gebruik gegeven aan de gens, later door de gens aan de huisgenootschappen en tenslotte aan ieder gezin afzonderlijk; een zeker bezitsrecht konden zij er op hebben, maar meer ook niet.

Onder datgene wat op deze trap op industrieel gebied bereikt werd zijn twee dingen van bijzonder belang. Het eerste is de weefstoel, het tweede het smetten van erts en de bewerking van metalen. Koper en tin en het daaruit samengestelde brons waren verreweg het belangrijkste; het brons leverde bruikbare werktuigen en wapens, kon echter de stenen werktuigen niet verdringen; dat vermocht eerst het ijzer, en ijzer winnen kon men nog niet. Men begon goud en zilver voor opschik en sieraden te gebruiken en het moet tegenover koper en brons reeds een hoge waarde hebben gehad.

De verhoging van de productie in alle takken — veeteelt, akkerbouw, handwerk — stelde de menselijke arbeidskracht in staat meer te produceren dan voor haar onderhoud nodig was. Zij verhoogde tegelijk de dagelijkse hoeveelheid arbeid, die ieder lid van de gens, van de huisgemeenschap of van het individuele gezin ten deel viel. Het inschakelen van nieuwe arbeidskrachten werd wenselijk. De oorlog leverde ze: van de krijgsgevangenen werden slaven gemaakt. De eerste grote maatschappelijke verdeling van de arbeid had met haar verhoging van de productiviteit van de arbeid, dus van de rijkdom, en met haar uitbreiding van het gebied van de productie onder de gegeven algemene historische verhoudingen noodzakelijkerwijze de slavernij ten gevolge. Uit de eerste grote maatschappelijke verdeling van de arbeid sproot de eerste grote splitsing van de maatschappij in twee klassen voort: heren en slaven, uitbuiters en uitgebuitenen. Hoe en wanneer de kudden uit het gemeenschappelijke bezit van de stam of van de gens in eigendom aan de afzonderlijke gezinshoofden zijn overgegaan, daarover weten wij tot nu toe niets. Het moet echter in hoofdzaak op deze trap zijn geschied. En met de kudden en de overige nieuwe rijkdommen kwam er een hele revolutie in het gezin. De kostwinning was steeds de zaak van de man geweest, de middelen voor de kostwinning werden door hem vervaardigd en waren zijn eigendom. De kudden waren de nieuwe middelen voor het levensonderhoud, eerst het temmen en later het hoeden daarvan was zijn werk. Hem behoorde derhalve het vee toe, alsook de waren en de slaven die tegen het vee waren geruild. Het gehele overschot, dat het bedrijf nu opleverde, viel de man ten deel; de vrouw genoot er ook van, maar zij had geen aandeel in de eigendom. De ‘wilde’ krijger en jager was in huis tevreden geweest met de tweede plaats, na de vrouw; de ‘zachtmoedigere’ herder, pochend op zijn rijkdom, drong zich naar voren op de eerste plaats en de vrouw terug naar de tweede. En zij kon zich niet beklagen. De verdeling van de arbeid in het gezin had de verdeling van de eigendom tussen man en vrouw geregeld; de verdeling was hetzelfde gebleven en toch keerde zij de tot nu toe bestaande verhouding in huis onderste boven, alleen omdat de verdeling van de arbeid buiten het gezin een andere was geworden. Dezelfde oorzaak, die aan de vrouw vroeger de heerschappij in huis had verzekerd: haar beperking tot de huiselijke arbeid, diezelfde oorzaak verzekerde nu aan de man de heerschappij in huis: de huiselijke arbeid van de vrouw verzonk nu in het niet naast de arbeid van de man voor de kostwinning; deze was alles, gene slechts een onbelangrijke toegift. Hier blijkt al, dat de bevrijding van de vrouw en haar gelijkstelling met de man onmogelijk is en blijft, zolang de vrouw van de maatschappelijk productieve arbeid uitgesloten is en op de particuliere huiselijke arbeid aangewezen blijft. De bevrijding van de vrouw wordt eerst mogelijk, zodra zij op grote, maatschappelijke schaal aan de productie kan deelnemen en de huiselijke arbeid haar nog maar in onbetekenende mate in beslag neemt. En dit is pas mogelijk geworden door de moderne grootindustrie, die niet alleen vrouwenarbeid op grote schaal toelaat, maar deze direct eist en die ook meer en meer er naar streeft de particuliere huiselijke arbeid te doen opgaan in een openbaar bedrijf.

Door de feitelijke heerschappij van de man in huis was de laatste belemmering voor zijn alleenheerschappij verdwenen. Deze alleenheerschappij werd bevestigd en vereeuwigd door het ten val brengen van het moederrecht, door de invoering van het vaderrecht en de geleidelijke overgang van het paringshuwelijk naar de monogamie. Daarmee kwam er echter een scheur in de oude gensorde: het individuele gezin werd een macht en verhief zich dreigend tegenover de gens.

De volgende stap voert ons naar de hoogste trap van de barbaarsheid, naar de periode waarin alle cultuurvolken hun heldentijd doormaken: de tijd van het ijzeren zwaard, maar ook van de ijzeren ploegschaar en de ijzeren bijl. Het ijzer was in dienst gekomen van de mens, de laatste en belangrijkste van alle grondstoffen die in de geschiedenis een omwenteling teweegbrachten, de laatste — op de aardappel na. Het ijzer schiep de akkerbouw op grotere oppervlakten, de ontginning van uitgestrekte stroken bosgrond; het gaf de handwerksman werktuigen van een hardheid en scherpte, waaraan geen steen, geen ander bekend metaal weerstand kon bieden. Dit ging alles geleidelijk; het eerste ijzer was vaak nog zachter dan brons. Zo verdween het stenen wapen slechts langzaam; niet alleen in het ‘Hildebrandslied’, maar ook in het jaar 1066 bij Hastings  werden er in het gevecht nog stenen bijlen gebruikt. Maar de vooruitgang had nu onweerstaanbaar, met minder onderbrekingen en sneller plaats. De met stenen muren, torens en tinnen omringde stad van stenen of bakstenen huizen werd de centrale woonplaats van de stam of van de bond van stammen; een geweldige vooruitgang in de bouwkunst, maar tevens een teken van groter gevaar en behoefte aan bescherming. De rijkdom nam snel toe, maar als rijkdom van enkelen; de weverij, de metaalbewerking en de andere zich meer en meer van elkaar afzonderende handwerken voerden tot toenemende verscheidenheid van de productie en tot grotere kunstvaardigheid; de tandbouw leverde naast koren, peulvruchten en ooft nu ook olie en wijn, die men had leren toebereiden. Zo uiteenlopende bezigheden konden niet meer door een en dezelfde persoon worden verricht; de tweede grote verdeling van de arbeid had plaats: het handwerk scheidde zich af van de landbouw. De voortdurende toename van de productie en daarmee van de productiviteit van de arbeid verhoogde de waarde van de menselijke arbeidskracht; de slavernij, die al op de vorige trap ontstaan was en sporadisch voorkwam, wordt nu een belangrijk bestanddeel van het maatschappelijke stelsel, de slaven houden op, eenvoudige helpers te zijn; ze worden bij tientallen op de akker en in de werkplaats naar de arbeid gedreven. Met de splitsing van de productie in de twee grote hoofdtakken, landbouw en handwerk, ontstaat de productie rechtstreeks voor de ruil, de warenproductie; en met deze de handel, niet alleen binnen de stam en haar grenzen, maar ook al over zee. Dit alles echter in nog onontwikkelde vorm; de edele metalen beginnen de voornaamste en algemene geldwaar te worden, maar nog ongemunt; zij worden alleen volgens hun nog zuivere gewicht geruild.

Naast het onderscheid tussen vrijen en slaven ontstaat het onderscheid tussen rijken en armen — met de nieuwe verdeling van de arbeid een nieuwe splitsing van de maatschappij in klassen. Het onderscheid in het bezit van de afzonderlijke gezinshoofden scheurt de oude communistische huisgemeenschap overal waar zij tot nu toe was blijven bestaan uiteen, en daarmee verdwijnt ook de gemeenschappelijke bebouwing van de grond voor rekening van deze gemeenschap. Het akkerland wordt eerst tijdelijk, later voorgoed aan de afzonderlijke gezinnen in gebruik gegeven, de overgang tot de volledige particuliere eigendom heeft geleidelijk plaats, gelijktijdig met de overgang van het paringshuwelijk tot de monogamie. Het individuele gezin begint de economische eenheid in de maatschappij te worden.

De grotere dichtheid van de bevolking eist een nauwere aaneensluiting zowel naar binnen als naar buiten. De bond van verwante stammen wordt overal noodzakelijk; weldra ook al hun samensmelting en daarmee de samensmelting van de gescheiden stamgebieden tot één gemeenschappelijk gebied van het hele volk. De legeraanvoerder van het volk — rex, basileus, thiudans — wordt een onontbeerlijke, vaste beambte. De volksvergadering ontstaat voor zover zij nog niet bestond. Legeraanvoerder, raad, volksvergadering vormen de organen van de tot een militaire democratie ontwikkelde gensmaatschappij. Militair — want de oorlog en de organisatievorm ten behoeve van de oorlog zijn nu geregelde functies van het volksleven geworden. De rijkdommen van de buren wekken de hebzucht op van volken, bij wie het verwerven van rijkdom reeds als een van de eerste levensdoeleinden geldt. Zij zijn barbaren; roven vinden zij gemakkelijker en zelfs eervoller dan iets door arbeid verkrijgen. De oorlog, die vroeger alleen gevoerd werd om aanvallen te wreken of om het gebied dat te klein was geworden uit te breiden, wordt nu met louter roof als doel gevoerd, wordt een vaste tak van bedrijf. Niet voor niets staan de dreigende muren om de nieuwe versterkte steden: in hun grachten gaapt het graf van de gensinrichting en hun torens steken met de spits reeds in de beschaving. En hetzelfde geldt voor de maatschappij. De roofoorlogen verhogen de macht van de opperste legeraanvoerder, zowel als die van de onderbevelhebbers; de gewoonte om de opvolgers uit dezelfde familie te kiezen gaat vooral sedert de invoering van het vaderrecht langzamerhand over in een erfelijkheid, die eerst geduld, daarna geëist en tenslotte geüsurpeerd wordt, de grondslag van het erfelijke koningschap en de erfelijke adel is gelegd. Zo scheuren de organen van de gensinstellingen zich langzamerhand los van hun wortels in het volk, in gens, fratrie en stam, en de hele gensinrichting verandert in haar tegendeel: van een organisatie van stammen tot vrije regeling van eigen aangelegenheden wordt zij een organisatie tot plundering en onderdrukking van buren, en dienovereenkomstig worden haar organen van werktuigen van de volkswil zelfstandige organen van heerschappij en onderdrukking tegenover het eigen volk. Dit zou echter nooit mogelijk zijn geweest, als niet de dorst naar rijkdom de gensgenoten gescheiden had in rijken en armen, als niet ‘het verschil in eigendom binnen dezelfde gens de eenheid van belangen had veranderd in antagonisme van de gensgenoten’ (Marx), en als de uitbreiding van de slavernij niet al was begonnen het werken voor eigen levensonderhoud te bestempelen als een bezigheid slechts een slaaf waardig en verachtelijker dan roof.

Daarmee zijn wij aan de drempel van de beschaving gekomen. Deze wordt ingeleid door een nieuwe vooruitgang in de verdeling van de arbeid. Op de onderste trap produceerden de mensen alleen rechtstreeks voor eigen behoefte; slechts af en toe had er ruil plaats en deze betrof slechts een toevallig aanwezig overschot. Op de middentrap van de barbaarsheid vinden wij bij herdersvolken in het vee al een bezit, dat bij een zekere omvang van de kudde geregeld een overschot oplevert boven de eigen behoefte, en tegelijkertijd een verdeling van de arbeid tussen herdersvolken en meer achterlijke stammen zonder kudden; daardoor vinden wij hier twee verschillende naast elkaar bestaande ontwikkelingstrappen van de productie en daarmee de voorwaarden voor een regelmatige ruil. De hoogste trap van de barbaarsheid levert ons de verdere arbeidsverdeling tussen landbouw en handwerk, daarmee productie van een steeds groter deel van de arbeidsproducten rechtstreeks voor de ruil en daarmee verheffing van de ruil tussen afzonderlijke producenten tot een noodzakelijkheid in het leven van de maatschappij. De beschaving verdiept en vergroot alle reeds aanwezige arbeidsverdeling, vooral door de verscherping van de tegenstelling tussen stad en land (waarbij de stad het land economisch kan beheersen, zoals in de oudheid, of ook het land de stad, zoals in de middeleeuwen), en voegt daarbij een derde soort arbeidsverdeling, die karakteristiek en van beslissend belang voor haar is, zij brengt een klasse voort, die zich niet meer met de productie bezighoudt, maar alleen met de ruil van de producten — de kooplieden. Ieder vroeger begin van klassenvorming had nog uitsluitend betrekking op de productie; de mensen die aan de productie deelnamen, werden in leidende en uitvoerende personen verdeeld, ofwel in producenten op grote en op kleine schaal. Hier treedt voor het eerst een klasse op, die zonder op enigerlei wijze deel te nemen aan de productie, zich in het algemeen van de leiding van de productie meester maakt en de producenten economisch aan zich onderwerpt; die zich tot onvermijdelijke bemiddelaar tussen telkens twee producenten maakt en beiden uitbuit. Onder voorwendsel de producenten de moeite en het risico van de ruil te ontnemen, de afzet van hun producten tot ver afgelegen markten uit te breiden en daardoor de nuttigste klasse van de bevolking te worden, ontwikkelt zich een klasse van parasieten, van echte maatschappelijke woekerdieren, die als loon voor zeer geringe werkelijke diensten zowel van de inheemse als van de buitenlandse productie de room afschept, snel geweldige rijkdommen en overeenkomstige maatschappelijke invloed verwerft en juist daarom in het tijdperk van de beschaving tot steeds nieuwe eer en steeds grotere beheersing van de productie is geroepen, tot zij eindelijk zelf ook een eigen product ter wereld brengt — de periodieke handelscrises.

Op de trap van ontwikkeling die ons thans bezighoudt heeft de jonge koopmanschap evenwel nog geen vermoeden van de grote dingen die haar wachten. Maar zij vormt zich en maakt zich onontbeerlijk en dat is voldoende. Met haar ontwikkelt zich echter het metalen geld — de geslagen munt, en met metalen geld een nieuw middel tot heerschappij van de niet-producent over de producent en zijn productie. De waar der waren, die alle andere waren in het verborgene bevat, was ontdekt; her tovermiddel, dat naar verkiezing in elk wenselijk en gewenst ding kan veranderen. Wie het had, beheerste de wereld van de productie, en wie had het vooral? De koopman. In zijn hand was de eredienst van het geld veilig. Hij zorgde er voor dat het duidelijk werd hoezeer alle waren en daarmee alle warenproducenten zich in aanbidding ter aarde moesten werpen voor het geld. Hij bewees praktisch hoezeer alle andere vormen van rijkdom zelf slechts louter schijn worden tegenover deze belichaming van de rijkdom als zodanig. Nooit is de macht van het geld meer met zulke primitieve grofheid en gewelddadigheid opgetreden als in deze jeugdperiode van her geld. Na het kopen van waren voor geld kwam het voorschieten van geld, en daarmee de rente en de woeker. En geen wetgeving van latere tijd werpt de schuldenaar zo onbarmhartig en zo volkomen aan de voeten van de woekerende schuldeiser als de oudatheense en oudromeinse wetgeving — en beide ontstonden spontaan, als gewoonterecht, uitsluitend als gevolg van economische dwang.

Naast de rijkdom aan waren en slaven, naast de geldrijkdom, kwam nu ook de rijkdom aan grondbezit. Het bezitsrecht van afzonderlijke personen op de stukken grond, die hun oorspronkelijk door de gens of de stam waren afgestaan, had zich nu zo verankerd, dat deze stukken grond hun erfelijke eigendom waren geworden. Waar zij in de laatste tijd vooral naar streefden, dat was de grond vrij te maken van de rechten die het gengenootschap er op had en die hun tot een keten werden. De keten raakten zij kwijt — maar spoedig daarna ook de nieuwe grondeigendom. Volledige vrije eigendom van de grond betekende niet alleen de mogelijkheid de grond onverminderd en onbeperkt te bezitten, het betekende ook de mogelijkheid hem van de hand te doen. Zolang de grond eigendom van de gens was, bestond deze mogelijkheid niet. Toen de nieuwe grondbezitter echter de ketenen van het hoogste eigendomsrecht van de gens en de stam definitief afschudde, verbrak hij ook de band, die hem tot nu toe onverbrekelijk aan de grond had gebonden. Wat dit betekende werd hem duidelijk gemaakt door het gelijktijdig met de particuliere grondeigendom uitgevonden geld. De grond kon nu een waar worden, die men verkoopt en verpandt. Nauwelijks was de grondeigendom ingevoerd of ook de hypotheek werd uitgevonden (zie Athene). Zoals het hetaerisme en de prostitutie de monogamie op de voet volgden, zo volgt van nu af aan de hypotheek de grondeigendom op de voet. U hebt de volle, vrije, vervreemdbare grondeigendom willen hebben, welnu, daar hebt U hem — tu l’as voulu, Georges Dandin! 

Zo schreed met uitbreiding van de handel, met geld en geldwoeker, met grondeigendom en hypotheek de concentratie en de centralisatie van de rijkdom in handen van een weinig talrijke klasse snel voorwaarts en daarnaast ook de toenemende verarming van de massa’s en de toenemende massa van de armen. De nieuwe aristocratie van de rijkdom drong de oude stamadel, voor zover zij niet bij voorbaat met hem samenviel, voorgoed op de achtergrond (in Athene, in Rome, bij de Duitsers). En aan deze splitsing van de vrijen in klassen naargelang hun rijkdom ging voorat in Griekenland een geweldige vermeerdering gepaard van het aantal slaven , wier gedwongen arbeid de grondslag vormde, waarop zich de bovenbouw van de gehele maatschappij verhief.

Laat ons thans nagaan, wat er onder deze maatschappelijke omwenteling van de gensinrichting was geworden. Tegenover de nieuwe elementen, die buiten haar toedoen waren opgegroeid, stond zij machteloos. De gensinrichting toch ging er van uit, dat de leden van een gens of althans van een stam op hetzelfde gebied samenwoonden en dat zij dat gebied alleen bewoonden. Dat was al lang niet meer het geval. Overal waren gentes en stammen door elkaar geworpen, overal woonden slaven, beschermden en vreemdelingen midden tussen de burgers. De bestendigheid van woonplaats, die eerst aan het eind van de middentrap van de barbaarsheid was verworven, werd steeds weer doorbroken door de beweeglijkheid en de veranderlijkheid van verblijfplaats als gevolg van handel, verandering van bedrijf of verwisseling van grondbezit.

De leden van de gensinstellingen konden niet meer bijeenkomen om hun eigen gemeenschappelijke aangelegenheden te behartigen; alleen aan dingen van minder belang, zoals religieuze plechtigheden, werd nog enigszins de hand gehouden. Naast de behoeften en belangen, die de gensinstellingen geroepen en in staat waren te behartigen, ontstonden uit de omwenteling van de productieverhoudingen en de daaruit voortkomende verandering van de maatschappelijke structuur nieuwe behoeften en belangen, die niet alleen vreemd waren aan de oude gensorde, maar deze op alle mogelijke manieren doorkruisten. De belangen van de groepen handwerkslieden, die door de verdeling van arbeid ontstaan waren, en de bijzondere behoeften van de stad ten opzichte van het land maakten nieuwe organen nodig; ieder van deze groepen bestond echter uit mensen van de meest verschillende gentes, fratrieën en stammen, en bevatte zelfs vreemdelingen; deze organen moesten dus gevormd worden buiten de gensinrichting om, naast haar en dus tegen haar. En ook binnen elke gensorganisatie deed zich deze tegenstrijdigheid van belangen gelden, die haar toppunt bereikte in de vereniging van rijken en armen, woekeraars en schuldenaars in dezelfde gens en dezelfde stam. Daarbij kwam nog de massa der nieuwe, buiten de gensgenootschappen staande bevolking die zoals in Rome een macht in het land kon worden en bovendien te talrijk was om geleidelijk in de op bloedverwantschap berustende geslachten en stammen te worden opgenomen. Tegenover deze massa stonden de gensgenootschappen als gesloten, bevoorrechte lichamen; de oorspronkelijke, primitieve democratie was omgeslagen in een verfoeilijke aristocratie. Tenslotte was de gensinrichting gegroeid in een maatschappij, die geen innerlijke tegenstellingen kende, en ook alleen aan zulk een maatschappij aangepast. Zij had geen ander dwangmiddel dan de openbare mening. Hier echter was een maatschappij ontstaan, die zich krachtens al haar economische levensvoorwaarden in vrijen en slaven, in uitbuitende rijken en uitgebuite armen moest splitsen, een maatschappij, die deze tegenstellingen niet alleen niet weer kon verzoenen, maar ze steeds verder moest verscherpen. Zulk een maatschappij kon alleen bestaan, hetzij in een voortdurende openlijke strijd van deze klassen tegen elkaar, hetzij onder de heerschappij van een derde macht, die, in schijn boven de met elkaar strijdende klassen staande, hun openlijke strijd onderdrukte en hen de klassenstrijd hoogstens op economisch gebied, in zogenaamd wettige vorm liet uitvechten. De gensinrichting had haar tijd gehad. Zij was uiteengereten door de verdeling van de arbeid en door het resultaat daarvan: de splitsing van de maatschappij in klassen. Zij werd vervangen door de staat.

De drie hoofdvormen, waarin de staat zich op de bouwvallen van de gensinrichting verheft, hebben wij hierboven in bijzonderheden onderzocht. Athene biedt ons de zuiverste, meest klassieke vorm: hier ontstaat de staat rechtstreeks en overwegend uit de klassentegenstellingen, die zich binnen de gensmaatschappij zelf ontwikkelen. In Rome wordt de gensmaatschappij een gesloten aristocratie te midden van een talrijk plebs, dat buiten haar staat en geen rechten maar wel plichten heeft; de overwinning van het plebs vernietigt de oude gensorganisatie en doet op haar overblijfselen de staat verrijzen, waarin gensaristocratie en plebs beide spoedig geheel opgaan. Bij de Duitse veroveraars van het Romeinse rijk tenslotte ontstaat de staat rechtstreeks uit de verovering van grote vreemde gebieden, voor welker beheersing de bestuursinrichting van de gens geen middelen biedt. Doordat deze verovering echter niet met ernstige strijd tegen de oude bevolking is verbonden en ook niet met meer ontwikkelde verdeling van de arbeid; doordat de trap van economische ontwikkeling van hen die veroverd werden en van hen die veroverden vrijwel dezelfde is en de economische grondslag van de maatschappij dus dezelfde blijft, daardoor kan de gensinrichting zich nog vele eeuwen lang in veranderde, territoriale vorm als mark-inrichting handhaven en zich zelfs in latere adels- en patriciërsgeslachten, ja zelfs in boerengeslachten zoals in Dithmarschen , een tijdlang in zwakkere vorm verjongen. 

De staat is dus volstrekt geen macht die de maatschappij van buiten is opgedrongen; evenmin is hij ‘de werkelijkheid van de zedelijke idee’, ‘het beeld en de werkelijkheid van de rede’, zoals Hegel beweert.  De staat is veeleer een product van de maatschappij op een bepaalde trap van ontwikkeling; hij is de erkenning van de onoplosbare tegenspraak met zichzelf waarin deze maatschappij verward is geraakt, van de onverzoenlijke tegenstellingen waarin zij zich heeft gesplitst en die zij niet bij machte is te bezweren. Opdat echter deze tegenstellingen, klassen met tegenstrijdige economische belangen, zichzelf en de maatschappij niet in een vruchteloze strijd vernietigen, is een in schijn boven de maatschappij staande macht nodig geworden, die het conflict moet temperen, het binnen de perken van de ‘orde’ moet houden; en deze macht, die uit de maatschappij is voortgekomen, maar zich boven haar stelt en meer en meer van haar vervreemdt, is de staat.

In vergelijking met de oude gensorganisatie kenmerkt zich de staat ten eerste door de indeling van de staatsburgers naar het gebied. De oude, door banden des bloeds gevormde en bijeengehouden gensgenootschappen waren, zoals wij zagen, ontoereikend geworden; voornamelijk omdat zij vooronderstelden dat de genoten aan een bepaald gebied waren gebonden, terwijl dit reeds lang niet meer het geval was. Het gebied was gebleven, maar de mensen waren mobiel geworden. Men nam dus de indeling naar het gebied als uitgangspunt en liet de burgers hun publieke rechten en plichten daar vervullen waar zij gingen wonen, zonder rekening te houden met gens of stam. Deze organisatie van de staatsburgers naar de woonplaats hebben alle staten gemeen. Daarom komt zij ons natuurlijk voor; wij hebben echter gezien, welk een harde en langdurige strijd het gekost heeft eer zij in Athene en in Rome de plaats kon innemen van de oude organisatie volgens geslachten.

Het tweede kenmerk is de inrichting van een openbare macht, die niet meer onmiddellijk samenvalt met de zich als gewapende macht organiserende bevolking. Deze afzonderlijke openbare macht is nodig, omdat een zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking sinds de splitsing in klassen onmogelijk is geworden. De slaven behoren ook tot de bevolking; de 90.000 Atheense burgers vormen tegenover de 365.000 slaven slechts een bevoorrechte klasse. Het volksleger van de Atheense democratie was een aristocratische openbare macht tegenover de slaven en hield hen in bedwang; maar om ook de burgers in bedwang te houden werd een gendarmerie nodig, zoals eerder werd geschetst. Deze openbare macht bestaat in iedere staat; zij bestaat niet alleen uit gewapende mensen, maar ook uit zakelijk toebehoren — gevangenissen en allerlei dwanginrichtingen, waarvan de gensmaatschappij geen weet had. Zij kan zeer gering, bijna onmerkbaar zijn in maatschappijen met nog onontwikkelde klassentegenstellingen en in afgelegen streken, zoals tijdelijk en plaatselijk in de Verenigde Staten van Amerika. Zij wordt echter sterker naargelang de klassentegenstellingen binnen de staat zich verscherpen en de aan elkaar grenzende staten groter en dichter bevolkt worden — men zie slechts naar ons huidige Europa, waar klassenstrijd en veroveringsconcurrentie de openbare macht hebben opgeschroefd -tot een hoogte, waarop zij de gehele maatschappij en zelfs de staat dreigt te verslinden.

Om deze openbare macht in stand te houden zijn bijdragen nodig van de staatsburgers — de belastingen. Deze waren in de gensmaatschappij volkomen onbekend. Wij weten er echter tegenwoordig over mee te praten. Naarmate de beschaving voortschrijdt, zijn ook zij niet meer voldoende; de staat trekt wissels op de toekomst, sluit leningen, maakt staatsschulden. Ook daarvan kan het oude Europa heel wat vertellen.

De ambtenaren, die in het bezit zijn van de openbare macht en van het recht om belastingen te innen, staan nu als organen van de maatschappij boven de maatschappij. De vrije ongedwongen achting die de organen van de gensrichting genoten is hun niet genoeg, zelfs indien zij die konden krijgen; als dragers van een macht die vreemd wordt aan de maatschappij, moet hun respect worden verschaft door uitzonderingswetten, krachtens welke zij een bijzondere heiligheid en onschendbaarheid genieten. De meest onbehouwen politieagent in de beschaafde staat heeft meer ‘autoriteit’ dan alle organen van de gensmaatschappij tezamen; maar de machtigste vorst en de grootste staatsman of veldheer van de beschavingsperiode kan het kleinste genshoofd benijden om de ongedwongen en onbestreden achting die deze geniet. Want de één staat nu eenmaal midden in de maatschappij; de ander moet trachten iets voor te stellen buiten en boven haar. Omdat de staat uit de behoefte is ontstaan de klassentegenstellingen in bedwang te houden; omdat hij echter tegelijk midden in het conflict van deze klassen is ontstaan, is hij in de regel de staat van de machtigste, economisch heersende klasse, die door zijn tussenkomst ook de politiek heersende klasse wordt en zo nieuwe middelen verwerft om de onderdrukte klasse er onder te houden en uit te buiten. Zo was de antieke staat vóór alles een staat van slavenbezitters ter onderdrukking van slaven, zoals de feodale staat het orgaan was van de adel tot onderdrukking van lijfeigene en horige boeren, en de moderne parlementaire staat een werktuig is tot uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal. Bij uitzondering komen er evenwel perioden voor, waarin de strijdende klassen zo zeer met elkaar in evenwicht zijn, dat de staatsmacht voor korte duur als schijnbare bemiddelaarster een zekere zelfstandigheid tegenover beide krijgt. Zo bv. de absolute monarchie van de 17de en 18de eeuw, die adel en burgerij tegen elkaar in evenwicht houdt; zo het bonapartisme van het eerste en vooral van het tweede Franse keizerrijk, dat het proletariaat tegen de bourgeoisie en de bourgeoisie tegen het proletariaat uitspeelde. De nieuwste prestatie op dit gebied, waarbij de heersers en beheersten een even komisch figuur slaan, is het nieuwe Duitse rijk van Bismarckse natie.  Hier worden kapitalisten en arbeiders tegen elkaar uitgespeeld en beide gelijkelijk bedrogen ten voordele van de verlopen Pruisische kooljonkers.

In de meeste historische staten worden bovendien de aan de staatsburgers toegekende rechten afgemeten naar het vermogen en daarmee wordt ronduit gezegd, dat de staat een organisatie van de bezittende klasse ter bescherming tegen de niet-bezittenden is. Dat kwam reeds tot uitdrukking in de Atheense en Romeinse vermogensklassen. Eveneens in de middeleeuwse feodale staat, waar de politieke machtspositie van de omvang van het grondbezit afhing. Zo is het ook met het censuskiesrecht in de moderne parlementaire staten. Deze politieke erkenning van het verschil in bezit is overigens volstrekt niet van wezenlijk belang. Integendeel, zij duidt op een lage trap van ontwikkeling van de staat. De hoogste staatsvorm, de democratische republiek, die in onze moderne maatschappelijke verhoudingen meet en meet een onvermijdelijke noodzakelijkheid wordt en de staatsvorm is, waarin de laatste beslissende strijd tussen proletariaat en bourgeoisie alleen kan worden uitgevochten — de democratische republiek weet officieel niets meer van verschillen in bezit. Hier oefent de rijkdom zijn macht indirect, maar des te zekerder uit. Enerzijds in de vorm van rechtstreekse corruptie van de ambtenaren, waarvan Amerika het klassieke voorbeeld is; anderzijds in de vorm van een verbond tussen de regering en de beurs, dat des te gemakkelijker tot stand komt, naargelang de staatsschulden stijgen en de maatschappijen op aandelen niet alleen het transport, maar ook de eigenlijke productie in hun handen concentreren en op hun beurt in de beurs hun centrum hebben. Daarvan is behalve Amerika de nieuwste Franse republiek een treffend voorbeeld en ook het brave Zwitserland heeft op dit gebied zijne gepresteerd. Dat er echter voor dit broederlijke verbond tussen regering en beurs geen democratische republiek nodig is, bewijst behalve Engeland het nieuwe Duitse rijk, waar niet op te maken is wie door het algemene kiesrecht hoger werd verheven: Bismarck of Bleichröder. En tenslotte heerst de bezittende klasse rechtstreeks door middel van het algemene kiesrecht. Zolang de onderdrukte klasse, dus in ons geval het proletariaat, nog niet rijp genoeg is om zichzelf te bevrijden, zal haar meerderheid de bestaande maatschappelijke orde als de enig mogelijke erkennen en in politiek opzicht de staart van de kapitalistenklasse, haar uiterste linkervleugel vormen. Naargelang zij echter rijp wordt voor haar eigen vrijmaking, constitueert zij zich als eigen partij en kiest haar eigen vertegenwoordigers in plaats van die der kapitalisten. Het algemene kiesrecht is zo de graadmeter voor de rijpheid van de arbeidersklasse. Meer kan en zal het in de tegenwoordige staat nooit zijn; maar dat is ook voldoende. Op de dag waarop de thermometer van het algemene kiesrecht het kookpunt bij de arbeiders aanwijst, weten zowel zij als de kapitalisten waar zij aan toe zijn.

De staat is dus niet van alle eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig. Wij naderen thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de productie, waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn, maar ook een directe belemmering voor de productie wordt. Even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten onder gaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de productie op grondslag van vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert, zal de hele staatsmachinerie een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl

De beschaving is dus volgens het voorafgaande de trap van ontwikkeling van de maatschappij, waarop de verdeling van de arbeid, de daaruit voortkomende ruil tussen afzonderlijke personen en de deze beide samenvattende warenproductie tot volle ontwikkeling komen en de gehele vroegere samenleving omwentelen.

Op alle vroegere trappen van ontwikkeling der maatschappij was de productie in wezen gemeenschappelijk, evenzo had ook de consumptie plaats onder rechtstreekse verdeling van de producten binnen grotere of kleinere communistische gemeenschappen. Deze gemeenschappelijkheid van de productie bestond binnen de engste grenzen; maar zij ging gepaard met de heerschappij van de producenten over het productieproces en over het product. Zij weten wat er met dat product gebeurt: zij gebruiken het, het verlaat hun handen niet; en zolang de productie op deze grondslag bedreven wordt, kan zij de producenten niet over het hoofd groeien, geen spookachtige, hen vreemde machten voortbrengen, zoals dat in de beschaving geregeld en onvermijdelijk het geval is.

Maar in dit productieproces dringt de verdeling van de arbeid langzaam binnen. Zij ondermijnt de gemeenschappelijkheid van het produceren en van het toeëigenen, zij maakt de toeëigening door afzonderlijke personen tot heersende regel en brengt daarmee de ruil tussen de individuen voort — hoe, dat hebben wij hierboven onderzocht. Langzamerhand wordt de warenproductie de heersende vorm.

Met de warenproductie, de productie niet meer voor eigen gebruik, maar voor de ruil, gaan de producten noodzakelijk van de ene hand in de andere. De producent geeft zijn product al ruilende uit handen, hij weet niet meer wat er van wordt. Zodra het geld en met het geld de koopman als bemiddelaar tussen de producenten treedt, wordt het ruilproces nog ingewikkelder en de eindbestemming van de producten nog onzekerder. Er zijn vele kooplieden en geen van hen weet wat de andere doet. De waren gaan nu al niet meer alleen van hand tot hand, maar ook van markt tot markt; de producenten hebben de heerschappij over het geheel der productie van hun levensomstandigheden verloren, maar de kooplieden hebben deze heerschappij ook niet verkregen. Producten en productie zijn aan het toeval overgelaten.

Maar toeval is slechts de ene pool van een onderling verband, waarvan de andere pool noodzakelijkheid heet. In de natuur, waar ook het toeval schijnt te heersen, hebben wij sinds lang op ieder afzonderlijk gebied de innerlijke noodzaak en wetmatigheid aangetoond, die in dit toeval tot uiting komt. Wat echter voor de natuur geldt, geldt ook voor de maatschappij. Hoe meer een maatschappelijke werkzaamheid, een reeks van maatschappelijke gebeurtenissen de bewuste controle van de mensen te boven gaat, hun over het hoofd groeit, hoe meer deze werkzaamheid louter aan het toeval schijnt te zijn overgelaten, des te meer zetten zich in dit toeval de voor deze werkzaamheid typische, innerlijke wetten als een noodzakelijke natuurkracht door. Zulke wetten beheersen ook de toevalligheden van de warenproductie en van de warenruil; voor de afzonderlijke producenten en ruilers zijn zij vreemde, in het begin zelfs onbegrepen machten, waarvan de aard eerst met moeite nagespeurd en doorgrond moet worden. Deze economische wetten van de warenproductie wijzigen zich met de verschillende trappen van ontwikkeling van de productievorm; in het algemeen beschouwd staat echter de hele periode van de beschaving onder hun heerschappij. En vandaag nog beheerst het product de producenten; vandaag nog wordt de totale productie van de maatschappij niet volgens een gemeenschappelijk opgesteld plan geregeld, maar door blinde wetten, die zich met elementair geweld doen gevoelen, in laatste instantie in de stormen van de periodieke handelscrises.

Wij zagen hierboven, hoe op een tamelijk vroege trap van ontwikkeling der productie de menselijke arbeidskracht het vermogen krijgt een aanzienlijk groter product te leveren dan voor het onderhoud van de producent nodig is en hoe dit in hoofdzaak dezelfde trap van ontwikkeling is, waarop de verdeling van de arbeid en de ruil tussen afzonderlijke personen opkomen. Het duurde nu niet lang meer of de grote ‘waarheid’ werd ontdekt, dat ook de mens een waar kan zijn; dat de menselijke kracht geruild en effectief gemaakt kan worden, doordat men van de mens een slaaf maakt. Nauwelijks waren de mensen begonnen te ruilen, of zij werden ook al zelf geruild. Het onderwerp werd lijdend voorwerp, of de mensen het wilden of niet.

Met de slavernij, die onder de beschaving tot haar volste ontplooiing kwam, begon de eerste grote splitsing van de maatschappij in een uitbuitende en een uitgebuite klasse. Deze splitsing bleef bestaan gedurende de hele beschaafde periode. De slavernij is de eerste, voor de antieke wereld typische vorm van uitbuiting; daarop volgt de lijfeigenschap in de middeleeuwen en de loonarbeid in de nieuwe tijd. Dit zijn de drie grote vormen van knechtschap, die kenmerkend zijn voor de drie grote tijdperken van de beschaving; daarmee gepaard gaat steeds een openlijke en, in de laatste tijd, verhulde slavernij.

De ontwikkelingstrap van de warenproductie, waarmee de beschaving begint, wordt economist gekenmerkt door de invoering: 1. van het metalen geld en daarmee van geldkapitaal, rente en woeker; 2. van kooplieden als bemiddelende klasse tussen de producenten; 3. van particuliere grondeigendom en hypotheek en 4. van slavenarbeid als heersende productievorm. De gezinsvorm, die met de beschaving in overeenstemming is en met haar definitief de heersende vorm wordt, is de monogamie, de heerschappij van de man over de vrouw, en het individuele gezin als economische eenheid van de maatschappij. De samenvatting van de beschaafde maatschappij is de staat, die in alle typische perioden zonder uitzondering de staat van de heersende klasse is en steeds in wezen een werktuig tot het onder de duim houden van de onderdrukte, uitgebuite klassen blijft. Kenmerkend voor de beschaving is nog: enerzijds het fixeren van de tegenstelling tussen stad en land als grondslag van de hete maatschappelijke verdeling van de arbeid; anderzijds de invoering van testamenten, waardoor de eigenaar ook voor na zijn dood over zijn eigendom kan beschikken. Deze instelling, die de oude gensinrichting rechtstreeks voor het hoofd slaat, was in Athene vóór Solon onbekend; in Rome is zij al vroeg ingevoerd, wanneer weten wij niet ; bij de Duitsers voerden de priesters haar in, opdat de brave Duitser zijn erfdeel ongehinderd aan de kerk zou kunnen vermaken.

Op deze grondslagen heeft de beschaving dingen volbracht, waartoe de oude gensmaatschappij bij lange na niet in staat was. Maar zij heeft ze volbracht door de smerigste drijfveren en hartstochten van de mensen in beweging te brengen en die ten koste van al hun andere gaven te ontwikkelen. Lage hebzucht was de drijfkracht van de beschaving, van haar eerste dag af tot heden toe; rijkdom, nog eens rijkdom en voor de derde maal rijkdom, rijkdom niet van de maatschappij, maar van het afzonderlijke, miserabele individu, was haar enige beslissende doel. Wanneer de beschaving daarbij de toenemende ontwikkeling van de wetenschap en in verscheidene perioden de hoogste bloei van de kunst in de schoot zijn gevallen, dan toch alleen, omdat het zonder deze niet mogelijk zou zijn geweest, de rijkdommen van onze tijd te verwerven.

Omdat de grondslag van de beschaving de uitbuiting van de ene klasse door de andere is, beweegt zich haar hele ontwikkeling in een voortdurende tegenstrijdigheid. Elke vooruitgang van de productie is tegelijkertijd een achteruitgang in de levensvoorwaarden van de onderdrukte klasse, d.w.z. van de grote meerderheid. Elke weldaad voor de enen is noodzakelijk een kwaad voor de anderen, elke nieuwe bevrijding van de ene klasse een nieuwe onderdrukking voor een andere klasse. Het meest treffende bewijs daarvoor levert de invoering van de machines, waarvan de uitwerking tegenwoordig algemeen bekend is. En als er, zoals wij zagen, bij de barbaren nog nauwelijks onderscheid kon worden gemaakt tussen rechten en plichten, dan maakt de beschaving het onderscheid en de tegenstelling tussen beide ook aan de onnozelste duidelijk, door aan de ene klasse vrijwel alle rechten en aan de andere daarentegen vrijwel alle plichten te geven.

Dit behoort echter niet zo te zijn. Wat voor de heersende klasse goed is, moet goed zijn voor de hele maatschappij waarmee de heersende klasse zich vereenzelvigt. Hoe verder dus de beschaving voortschrijdt, des te meer is zij genoodzaakt de misstanden, die onvermijdelijk door haar worden geschapen, met de mantel der lief de te bedekken, ze te vergoelijken of te loochenen, kortom een conventionele huichelarij in te voeren, die noch in vroegere vormen van de maatschappij, noch zelfs in de eerste periode van de beschaving bekend was en die tenslotte haar toppunt vindt in de bewering, dat de uitbuiting van de onderdrukte klasse door de uitbuitende klasse enkel en alleen in het belang van de uitgebuite klasse zelf bedreven wordt; en als deze dat niet inziet en zelfs rebels wordt, dan is dat de snoodste ondank ten opzichte van de weldoeners, de uitbuiters. 

En nu tot slot Morgans oordeel over de beschaving: ‘Sedert de intrede van de beschaving is de rijkdom zo ontzaglijk toegenomen, werden zijn vormen zo veelsoortig, werd zijn toepassing zo veelomvattend en wordt zijn beheer zo handig in het belang van de bezitters gevoerd, dat deze rijkdom tegenover het volk een niet te overweldigen macht is geworden. De menselijke geest staat radeloos en verstomd voor zijn eigen schepping. Maar toch zal de tijd komen, dat het menselijke vernuft sterk genoeg zal worden om over de rijkdom te heersen, dat het zowel de verhouding van de staat zal vaststellen tot de eigendom die hij beschermt, alsook de grenzen van de rechten der eigenaars. De belangen van de maatschappij gaan onvoorwaardelijk voor de individuele belangen en beide moeten in een rechtvaardige en harmonische verhouding worden gebracht. De blote jacht naar rijkdom is niet de eindbestemming van de mensheid, althans indien vooruitgang de wet van de toekomst blijft, zoals hij die was in het verleden. De sedert het aanbreken van de beschaving verlopen tijd is maar een zeer klein deel van de voorbijgegane levenstijd der mensheid en slechts een zeer klein deel van de tijd die nog voor haar ligt. Het verval der maatschappij staat dreigend voor ons als het slot van een historische loopbaan die als enige einddoel de rijkdom heeft; want zulk een loopbaan bevat de elementen van haar eigen vernietiging. Democratie in het bestuur, broederschap in de maatschappij, gelijkheid van rechten, algemene ontwikkeling zullen de eerstvolgende hogere trap van de maatschappij inwijden, waarheen ervaring, verstand en wetenschap onophoudelijk drijven. Zij zal een vernieuwing zijn — maar in hogere vorm — van de vrijheid, gelijkheid en broederschap van de oude gentes.’ (Morgan, ‘Ancient Society’, blz. 552)

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

Marx en Engels

Nederlands