Nederlands


 

 

Friedrich Engels

De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap

1880

 

 

Voorwoord bij de eerste druk (in het Duits — 1882)

Inleiding (bij de uitgave in het Engels van 1892)

I. [Utopisch socialisme]

II. [Dialectiek]

III. [Historisch materialisme]

De Mark (De Duitse boer. Wat was hij? Wat zou hij kunnen zijn?)

 

 

Voorwoord bij de eerste druk

(in het Duits — 1882)

 

 

Het hiernavolgende geschrift is ontstaan uit drie hoofdstukken van mijn werk ‘De heer Eugen Dührings omwenteling van de wetenschap’, Leipzig 1878. Ik heb het samengesteld voor mijn vriend Paul Lafargue ter vertaling in het Frans en er nog enkele uiteenzettingen aan toegevoegd. De door mij doorgeziene Franse vertaling verscheen voor het eerst in de ‘Revue socialiste’ en daarna zelfstandig onder de titel ‘Socialisme utopique et socialisme scientifique’, Parijs 1880. Een naar de Franse vertaling gemaakte uitvoering in het Pools is zojuist in Genève verschenen onder de titel ‘Socyjalizm utopijny a naukowy’ bij Imprimerie de l’Aurore, Genève 1882.

Het verrassende succes van de vertaling van Lafargue in de Franstalige landen en met name in Frankrijk zelf moest noodzakelijkerwijs de vraag bij mij doen rijzen of een afzonderlijke uitgave in het Duits van deze drie hoofdstukken niet evenzeer nuttig zou zijn. De redactie van de Züricher ‘Sozial-democrat’ , deelde me toen mede, dat binnen de Duitse sociaaldemocratische partij algemeen het verlangen kenbaar werd gemaakt naar de uitgifte van nieuwe propagandabrochures, en ze vroeg mij of ik die hoofdstukken daarvoor niet wilde aanwijzen. Ik was het daar vanzelfsprekend mee eens en stelde mijn werk ter beschikking.

Maar het was oorspronkelijk helemaal niet geschreven voor de directe propaganda onder het volk. Hoe zou een allereerst zuiver wetenschappelijk werk zich daartoe lenen? Welke wijzigingen in vorm en inhoud waren er noodzakelijk?

Wat de vorm aangaat konden alleen de vele vreemde woorden bedenkingen opwekken. Maar reeds Lassalle was in redevoeringen en propagandistische geschriften bepaald niet zuinig geweest met vreemde woorden, en voor zover ik weet, heeft men zich daar niet over beklaagd. Sinds die tijd hebben onze arbeiders veel meer en veel regelmatiger kranten gelezen en zijn daardoor in dezelfde mate meer vertrouwd geworden met vreemde woorden. Ik heb me beperkt tot het verwijderen van alle overbodige vreemde woorden. Bij de onvermijdelijke heb ik ervan afgezien er zogenaamde verklarende vertalingen aan toe te voegen. De onvermijdelijke vreemde woorden, doorgaans algemeen aanvaarde wetenschappelijk-technisch uitdrukkingen, zouden nu eenmaal niet onvermijdelijk zijn indien men ze kon vertalen. De vertaling vervalst dus de betekenis; in plaats van te verklaren schept ze verwarring. Mondelinge uiteenzetting doet hier veel meer deugd.

De inhoud daarentegen, zo meen ik te mogen beweren, zal de Duitse arbeiders weinig moeilijkheden opleveren. Moeilijk is eigenlijk slechts het derde deel, echter veel minder voor de arbeiders, wier algemene levensomstandigheden het samenvat, dan voor de ‘ontwikkelde’ bourgeois. Bij de talrijke aanvullingen, die ik hier heb gemaakt, heb ik inderdaad minder aan de arbeiders gedacht dan aan ‘ontwikkelde’ lezers; het slag mensen als meneer de afgevaardigde von Eynern, meneer de Geheimrat Heinrich von Sybel en andere Treitschkes, die de onweerstaanbare drang in zich voelen hun afgrijselijke onwetendheid en hun daardoor begrijpelijke kolossale misvatting van het socialisme telkens weer zwart op wit ten beste te geven. Wanneer Don Quichotte zijn lans op windmolens richt, doet hij dat ambtshalve en in zijn rol, Sancho Panza echter kunnen wij iets dergelijks onmogelijk toestaan.

Dergelijke lezers zullen zich er ook over verwonderen, als ze in een schetsmatig aangegeven ontwikkelingsgeschiedenis van het socialisme op de kosmogenie van Kant en Laplace stuiten, op de moderne natuurwetenschap en op Darwin, op de klassieke Duitse filosofie en op Hegel. Maar het wetenschappelijk socialisme is nu eenmaal in wezen Duits product en kon slechts ontstaan bij die natie, in welker klassieke filosofie de traditie van de bewuste dialectiek levend gebleven was: in Duitsland 

De materialistische geschiedbeschouwing en haar speciale toepassing op de moderne klassenstrijd tussen proletariaat en bourgeoisie was slechts mogelijk door middel van de dialectiek. En als de schoolmeesters van de Duitse bourgeoisie de herinnering aan de grote Duitse filosofen en aan de door hen gedragen dialectiek hebben doen verdrinken in het moeras van een doods eclecticisme en wel in die mate dat wij gedwongen zijn de moderne natuurwetenschap als getuige op te roepen om de dialectiek in de werkelijkheid op de proef te stellen — dan zijn wij Duitse socialisten er trots op niet alleen af te stammen van Saint-Simon, Fourier en Owen, maar ook van Kant, Fichte en Hegel.

 

Londen,

21 september 1882

 

 

 

 

Inleiding

(bij de uitgave in het Engels van 1892)

 

 

Dit boekje is oorspronkelijk een gedeelte van een groter geheel. Omstreeks 1875 maakte Dr. E. Dühring, privaatdocent aan de Berlijnse universiteit, plotseling en met tamelijk veel ophef bekend dat hij tot het socialisme was bekeerd, en hij bood het Duitse publiek niet alleen een wijdlopige socialistische theorie aan, maar ook een volledig praktisch plan om de maatschappij te reorganiseren. Het sprak vanzelf dat hij een aanval deed op zijn voorgangers; vooral Marx deed hij de eer aan de fiolen van zijn toorn over hem uit te gieten.

Dit gebeurde omstreeks het tijdstip dat de beide secties van de Socialistische Partij in Duitsland — Eisenachers en Lassalleanen — juist waren samengesmolten  en daarmee niet alleen onmetelijk veel sterker waren geworden. maar, wat meer was, deze gehele kracht tegen de gemeenschappelijke vijand konden richten. De Socialistische Partij in Duitsland was op weg snel een macht te worden. Maar de eerste voorwaarde om haar tot een macht te maken was dat de pas veroverde eenheid niet in gevaar werd gebracht. Dr. Dühring nu ging er openlijk toe om rond zijn persoon een sekte te vormen, de kern van een toekomstige afzonderlijke partij. Het werd dus noodzakelijk de ons toegeworpen handschoen op te nemen en de strijd uit te vechten, of wij daar nu lust in hadden of niet.

Nu was dit, ook al was het geen al te moeilijke zaak, toch kennelijk een zaak die veel tijd zou vergen. Zoals men weet, beschikken wij Duitsers over een ontstellend zwaarwichtige Gründlichkeit, een grondige diepzinnigheid of een diepzinnig grondigheid, hoe men het ook noemen wil. Telkens wanneer iemand van ons iets uiteenzet dat hij als een nieuwe leer beschouwt, moet hij het eerst tot een alles omvattend systeem uitwerken. Hij moet bewijzen dat zowel de eerste beginselen van de logica als ook de fundamentele wetten van in alle eeuwigheid met geen ander doel hebben bestaan dan om ten langen leste te leiden tot deze nieuw ontdekte, alles bekronende theorie. En in dit opzicht was Dr. Dühring volkomen een man naar nationale trant. Niets minder dan een volledig ‘systeem van de filosofie’ van de cultuur-, moraal-, natuur- en geschiedenisfilosofie; een ‘volledig systeem van de politieke economie en het socialisme’ en tenslotte een ‘Kritische geschiedenis van de politieke economie’ — drie dikke delen in octavo, log van buiten en van binnen, drie legerkorpsen van argumenten, tegen alle vroegere filosofen en economen in het algemeen en tegen Marx in het bijzonder in het veld gebracht — inderdaad de poging tot een volledige ‘omwenteling van de wetenschap’ — en die moest ik op de korrel nemen. Ik moest alle mogelijke onderwerpen behandelen: van de begrippen van tijd en ruimte af tot aan het bimetallisme toe; van de eeuwigheid van materie en beweging tot de vergankelijkheid van de morele ideeën; van Darwins natuurlijke teeltkeus tot de opvoeding van de jeugd in een toekomstige maatschappij. In ieder geval gaf de systematische wijdlopigheid van mijn tegenstander mij de gelegenheid om in een polemiek met hem en in een meer samenhangende vorm dan vroeger gebeurd was de opvattingen van Marx en mij over deze grote verscheidenheid van onderwerpen uiteen te zetten. En dit was de belangrijkste reden, die mij deze overigens ondankbare taak deed aanvaarden.

Mijn antwoord werd het eerst gepubliceerd in een reeks van artikelen in de Leipziger ‘Vorwärts’ , het centrale orgaan van de Socialistische Partij, en later als boek: ‘De heer Eugen Dührings omwenteling van de wetenschap’, waarvan in 1886 in Zürich een tweede druk verscheen.

Op verzoek van mijn vriend Paul Lafargue, thans vertegenwoordiger van Rijsel in de Franse Kamer van Afgevaardigden, bewerkte ik drie hoofdstukken van dit boek tot een brochure, die hij vertaalde en in 1880 publiceerde onder de titel ‘Socialisme utopique et socialisme scientifique’ . Naar deze Franse tekst werden een Poolse en een Spaanse uitgave verzorgd. In 1883 gaven onze Duitse vrienden de brochure in de oorspronkelijke taal uit. Sindsdien zijn op grondslag van de Duitse tekst Italiaanse, Russische, Deense, Nederlandse en Roemeense vertalingen gepubliceerd. Met deze Engelse uitgave erbij is dit kleine boekje dus in tien talen verspreid. Zover mij bekend, is geen enkel ander socialistisch werk zelfs niet eens ons ‘Communistisch Manifest’ van 1848 of Marx’ ‘Kapitaal’, zo vele malen vertaald. In Duitsland heeft het vier edities van samen ongeveer 20.000 exemplaren beleefd.

Het aanhangsel, ‘De mark’, werd geschreven met de bedoeling in de Duitse Socialistische Partij enige fundamentele kennis te verbreiden over de geschiedenis en de ontwikkeling van de grondeigendom in Duitsland. Dit leek bijzonder nodig in een tijd, toen de invloed van deze partij zich reeds tot vrijwel de gehele stedelijke arbeidersmassa uitstrekte en het erom ging de landarbeiders en de boeren te winnen. Dit aanhangsel werd in de vertaling opgenomen, omdat de oorspronkelijke vormen van grondbezit, die alle Germaanse stammen gemeen hebben, en de geschiedenis van hun verval in Engeland nog minder bekend zijn dan in Duitsland. Ik heb de originele tekst ongewijzigd gelaten, heb dus niet verwezen naar de onlangs door Maxim Kowalewski opgestelde hypothese volgens welke de verdeling van de akker- en weidegronden onder de leden van de mark was voorafgegaan door de bebouwing voor gemeenschappelijke rekening door een grote patriarchale familiegemeenschap, die verscheidene generaties omvatte (waarvan de nog thans bestaande Zuidslavische zadroega een voorbeeld is), en dat de verdeling later plaatshad, toen de gemeenschap zo groot was geworden dat ze te log werd voor het voeren van een gemeenschappelijk bedrijf. Kowalewski heeft waarschijnlijk volkomen gelijk, maar de kwestie is nog sub judice. (“in onderzoek”)

De in dit boek gebruikte economische uitdrukkingen komen, voor zover ze nieuw zijn, overeen met die welke in de Engelse uitgave van Marx’ ‘Kapitaal’ zijn gebruikt. ‘Warenproductie’ noemen we die economische fase waarin de voorwerpen niet slechts voor het gebruik van de producenten, maar ook voor ruildoeleinden worden voortgebracht, d.w.z. als waren, niet als gebruikswaarden. Deze fase strekt zich uit van het eerste begin van productie voor de ruil tot in onze tegenwoordige tijd; ze bereikt haar volle ontwikkeling pas onder de kapitalistische productie, d.w.z. onder voorwaarden, waarbij de kapitalist, de eigenaar van de productiemiddelen arbeiders tegen loon tewerkstelt, mensen die van alle productiemiddelen, met uitzondering van hun eigen arbeidskracht, beroofd zijn, en wat de verkoopprijs van de producten meer oplevert dan wat hij erin gestoken heeft in eigen zak steekt. Wij verdelen de geschiedenis van de industriële productie sinds de Middeleeuwen in drie perioden: 1) handwerk, kleine ambachtslieden met een paar gezellen en leerlingen, waarbij iedere arbeider het volledige artikel vervaardigt; 2) manufactuur, waarbij een groter aantal arbeiders, in een grote werkplaats samengebracht, het volledige artikel voortbrengt naar het beginsel van de arbeidsverdeling, zodat iedere arbeider slechts een deelhandeling verricht en het product pas voltooid is, als het achtereenvolgens door de handen van allen is gegaan; 3) moderne industrie, waarbij het product wordt voortgebracht door machines, die door mechanische kracht in beweging worden gebracht, en het werk van de arbeider beperkt is tot het uitoefenen van toezicht op en het corrigeren van de verrichtingen van het mechanisme.

Ik weet heel goed dat de inhoud van dit boekje een groot deel van het Britse publiek voor het hoofd zal stoten. Maar als wij, bewoners van het vasteland, ook maar in het minst rekening zouden hebben gehouden met de vooroordelen van de Britse ‘respectabiliteit’, d.w.z. van de Britse filisters, dan zouden wij er nog slechter aan toe zijn dan toch reeds het geval is. Dit geschrift bepleit wat wij het ‘historische materialisme’ noemen, en het woord materialisme is voor de oren van de overweldigende meerderheid van Britse lezers een schrille wanklank. ‘Agnosticisme’ zou nog gaan, maar materialisme — absoluut onmogelijk.

En toch is het gehele moderne materialisme, van de zeventiende eeuw af, nergens anders oorspronkelijk thuis dan in Engeland.

Het materialisme is de eigen zoon van Groot-Brittannië. Reeds zijn scholasticus Duns Scotus vroeg zich af “of de materie niet zou kunnen denken”.

Om dit wonder tot stand te brengen nam hij zijn toevlucht tot gods almacht, d.w.z. hij dwong de theologie zelf het materialisme te prediken. Hij was bovendien nominalist.  Het nominalisme wordt als een hoofdelement bij de Engelse materialisten aangetroffen, zoals het in het algemeen gesproken de eerste uitdrukking van het materialisme is.

De ware stamvader van het

‘Engelse materialisme is Baco. De natuurwetenschap geldt voor hem als de ware wetenschap en de met de zinnen waarneembare fysica als het belangrijkste deel van de natuurwetenschap. Zijn gezaghebbende voorbeelden zijn vaak Anaxagoras met zijn homoiomeriai en Democritos met zijn atomen. Volgens zijn leer zijn de zintuigen onbedrieglijk en de bron van alle kennis. De wetenschap is ervaringswetenschap en bestaat uit het toepassen van een rationele methode op wat zintuiglijk gegeven is. Inductie, analyse, vergelijking, waarneming, experimenteren zijn de voornaamste voorwaarden van een rationele methode. Onder de eigenschappen, die de materie ingeboren zijn, is de beweging de eerste en voortreffelijkste, niet slechts als mechanische en mathematische beweging, maar meer nog als aandrift, levensgeest, spankracht, als kwaal — om de uitdrukking van Jakob Böhme te gebruiken  — van de materie.

De primitieve vormen daarvan zijn levende, individualiserende, aan haar inherente, specifieke verschillen tot stand brengende karakteristieke krachten.

In Baco, als zijn eerste schepper, behelst het materialisme nog op een naïeve wijze de kiemen van een alzijdige ontwikkeling. De materie lacht in poëtisch-zinnelijke glans de gehele mens toe. De aforistische leer zelf wemelt daarentegen nog van theologische inconsequenties.

In zijn verdere ontwikkeling wordt het materialisme eenzijdig. Hobbes is de man die het materialisme van Baco tot een systeem maakt. De zintuiglijke waarneming verliest haar bloesem en wordt tot de abstracte zintuiglijke waarneming van de meetkundige. De fysische beweging wordt opgeofferd aan de mechanische of mathematische beweging; de meetkunde wordt tot de belangrijkste wetenschap uitgeroepen. Het materialisme wordt vijandig aan de mens. Om de mensvijandige, vleesloze geest op zijn eigen gebied te kunnen overwinnen, moet het materialisme zelf zijn vlees doden en asceet worden. Het treedt op als een verstandelijk wezen, maar het ontwikkelt ook de voor niets terugdeinzende consequentie van het verstand.

Als de zintuiglijke waarneming de mensen alle kennis verschaft, aldus redeneert Hobbes, van Baco uitgaande, dan zijn opvatting, gedachte, denkbeeld enz. niets dan schijnbeelden van de stoffelijke wereld, die meer of minder van haar met de zinnen waarneembare vorm ontdaan is. De wetenschap kan deze schijnbeelden slechts namen geven. Een naam kan op verscheidene schijnbeelden toegepast worden. Er kunnen zelfs namen van namen bestaan. Maar het zou een tegenstrijdigheid zijn, als men enerzijds alle ideeën hun oorsprong zou laten vinden in de zinnelijke wereld en anderzijds zou beweren dat een woord meer is dan een woord, dat er buiten de voorgestelde, steeds afzonderlijk bestaande wezens nog algemene wezens zouden bestaan. Een onstoffelijke substantie is veeleer dezelfde tegenstrijdigheid als een onstoffelijk lichaam. Lichaam, zijn, substantie zijn een en dezelfde reële idee. Men kan de gedachte niet scheiden van een materie die denkt. Zij is het subject van alle veranderingen. Het woord oneindig is zinloos, als het niet betekent dat onze geest in staat is zonder einde toe te voegen. Omdat alleen het materiële kan worden waargenomen en kenbaar is, weet men niets van het bestaan van god. Zeker is alleen mijn eigen bestaan. Iedere menselijke hartstocht is een mechanische beweging, die eindigt of begint. De aandriften zijn op het goede gericht. De mens is aan deze wetten onderworpen als de natuur. Macht en vrijheid zijn hetzelfde.

Hobbes had Baco in een systeem gebracht, maar diens grondbeginsel, de oorsprong van de kennis en ideeën uit de zintuiglijke wereld, niet nader gemotiveerd,

Locke motiveert het principe van Baco en Hobbes in zijn verhandeling over de oorsprong van het menselijke verstand. 

Zoals Hobbes de theïstische vooroordelen van Baco’s materialisme vernietigde, zo ruimden Collins, Dodwell, Coward, Hartley, Priestley enz. de laatste theologische beperkingen van het sensualisme van Locke op. Meer dan een gemakkelijke en achteloze manier om zich van de godsdienst te ontdoen, is het deïsme  tenminste voor de materialist niet.’

Zo sprak Marx over de Britse oorsprong van het moderne materialisme. En als de Engelsen zich tegenwoordig niet bijzonder gesticht voelen door de waardering waarmee hij zich over hun voorvaders uitliet, dan kunnen wij dat slechts betreuren. Het blijft niettemin onbetwistbaar dat Baco, Hobbes en Locke de vaders waren van die schitterende school van Franse materialisten, die in weerwil van alle door Duitsers en Engelsen te land en ter zee op de Fransen behaalde overwinningen, de achttiende eeuw tot een bij uitstek Franse eeuw hebben gemaakt; en dat lang voor de Franse Revolutie, die het einde van de eeuw bekroonde en aan de resultaten waarvan wij anderen, in Engeland zowel als in Duitsland, ons nog steeds trachten aan te passen.

Het is nu eenmaal niet te loochenen. Als een beschaafde buitenlander zich omstreeks het midden van onze eeuw in Engeland vestigde, dan was er één ding dat hem het meeste trof en dat was — zoals hij het moest opvatten — de religieuze kwezelachtigheid en domheid van de Engelse ‘fatsoenlijke’ middenklasse.

Wij waren toen allen materialisten of ten minste in zeer ruime mate vrijdenkers; het leek ons onbegrijpelijk dat bijna alle beschaafde mensen in Engeland aan allerlei onmogelijke wonderen geloofden en dat zelfs geologen als Buckland en Mantell de feiten van hun wetenschap verdraaiden om ze toch maar niet te veel in botsing te laten komen met de mythen van het Mozaïsche scheppingsverhaal; onbegrijpelijk dat men om mensen te vinden, die hun verstand in godsdienstige zaken durfden te gebruiken, naar de ongeletterden moest gaan, naar de ‘ongewassen horde’ zoals toen gezegd werd, naar de arbeiders, in het bijzonder de aanhangers van Owens socialisme.

Maar sindsdien is Engeland ‘geciviliseerd’. De tentoonstelling van 1851  luidde de doodsklok voor de Engelse insulaire teruggetrokkenheid. Engeland ging zich allengs internationaliseren, in eten en drinken, in zeden en ideeën, zozeer dat steeds meer de wens bij me opkomt dat sommige Engelse zeden evenzeer op het continent zouden zijn doorgedrongen als andere vastelandsgebruiken in Engeland. Zoveel is zeker: de verbreiding van slaolie (voor 1835 alleen aan de aristocratie bekend) ging gepaard met een noodlottige verbreiding van het continentale scepticisme in godsdienstzaken; en het is zover gekomen dat het agnosticisme weliswaar niet als even deftig wordt beschouwd als de Engelse staatskerk, maar toch, wat fatsoenlijkheid betreft, bijna op één lijn staat met de baptistensekte en beslist op een hogere trap dan het Leger des Heils.  En ik kan me niet anders indenken dan dat het voor velen, die deze vooruitgang van het ongeloof van harte betreuren en vervloeken, een troost zal zijn te ervaren dat deze nieuwbakken ideeën niet van buitenlandse oorsprong zijn, niet voorzien zijn van de opdruk ‘Made in Germany’, Duits fabrikaat, zoals zo vele andere artikelen voor het dagelijkse gebruik, maar dat ze integendeel van oude Engelse oorsprong zijn en dat hun Britse scheppers tweehonderd jaar geleden een flink stuk verder gingen dan hun nakomelingen heden ten dage.

Immers, wat is agnosticisme anders dan beschaamd materialisme? De opvatting van de agnosticus over de natuur is door en door materialistisch. De gehele natuurlijke wereld wordt door wetten beheerst en sluit elke beïnvloeding van buiten absoluut uit. Maar, zo voegt de agnosticus er voorzichtig aan toe, wij zijn niet in staat het bestaan of niet-bestaan van een of ander hoger wezen aan gene zijde van de ons bekende wereld te bewijzen. Dit voorbehoud mag zijn waarde hebben gehad in de tijd toen Laplace, op de vraag van Napoleon waarom in de ‘Mécanique céleste’ van de grote astronoom de schepper zelfs niet was genoemd, trots antwoordde: “Ik had geen behoefte aan deze hypothese”. Tegenwoordig echter is er in onze opvatting van het heelal in zijn ontwikkeling volstrekt geen ruimte meer noch voor een schepper, noch voor een bestierder; zou men evenwel een buiten de gehele bestaande wereld staand hoger wezen willen aanvaarden, dan zou dat in tegenspraak met zichzelf zijn en bovendien, naar het mij voorkomt, een ongewilde kwetsing van de gevoelens van gelovige lieden.

Onze agnosticus geeft eveneens toe dat al hetgeen wij weten berust op de mededelingen, die wij via onze zintuigen opvangen. Maar, zo voegt hij eraan toe, waardoor weten wij of onze zintuigen ons juiste afbeeldingen geven van de door hen waargenomen dingen? En voorts vertelt hij ons:

Wanneer hij het heeft over dingen of over hun eigenschappen, dan bedoelt hij in werkelijkheid niet die dingen en hun eigenschappen zelve, waarover hij niets met zekerheid kan weten, maar alleen de indrukken die ze op zijn zintuigen hebben gemaakt. Dit is overigens een manier van opvatting waarop men zo te zien slechts moeilijk langs de weg van loutere argumentatie vat kan krijgen. Maar voordat de mensen argumenteerden, handelden ze. ‘In den beginne was de daad.’  En de daad van de mens had de moeilijkheid allang opgelost voordat de wijsneuzerigheid van de mens ze had ontdekt. The proof of the pudding is in the eating. (De proef (op de kwaliteit) van de pudding ligt in het eten ervan). Op het moment dat wij deze dingen, al naar de eigenschappen die wij erin waarnemen, voor ons eigen gebruik aanwenden, op datzelfde moment onderwerpen wij onze zintuiglijke waarnemingen aan een onfeilbare proef op hun juistheid of onjuistheid.

Zijn die waarnemingen onjuist geweest, dan moet ook ons oordeel over de bruikbaarheid van zulk een ding onjuist zijn en moet onze poging om het te gebruiken mislukken. Bereiken we echter ons doel, merken we dat het ding beantwoordt aan de voorstelling die we ervan hebben, dat het datgene presteert waartoe wij het hebben gebruikt, dan is dit een positief bewijs dat onze waarnemingen van het ding en van zijn eigenschappen binnen deze grenzen overeenstemmen met de buiten ons bestaande werkelijkheid. Ontdekken we daarentegen dat we het mis hebben, dan duurt het meestal ook niet lang voordat we de oorzaak ervan ontdekken; we ontdekken dat de waarneming die aan onze poging ten grondslag heeft gelegen ofwel zelf onvolledig en oppervlakkig was, ofwel op een door de feitelijke situatie niet gerechtvaardigde wijze vervlochten was met de resultaten van andere waarnemingen. Zolang wij onze zintuigen op de juiste wijze trainen en gebruiken en onze wijze van handelen binnen de perken houden die door regelrecht gedane en verwerkte waarnemingen zijn gesteld, zolang zullen wij merken dat de uitkomsten van onze handelingen het bewijs leveren van de overeenstemming van onze waarnemingen met de objectieve aard van de waargenomen dingen. Voor zover tot vandaag toe bekend is, zijn wij in niet één enkel geval tot de conclusie genoodzaakt geworden dat onze wetenschappelijk gecontroleerde zintuiglijke waarnemingen in onze hersenen voorstellingen over de omringende wereld doen ontstaan, die qua karakter afwijken van de werkelijkheid, of dat tussen de omringende wereld en onze zintuiglijke waarnemingen daarvan een aangeboren onverenigbaarheid bestaat.

Maar dan komt de neokantiaanse agnosticus ons vertellen: Ja, wij kunnen misschien de eigenschappen van het ding wel juist waarnemen, maar het ding zelf kunnen wij door geen enkel zintuiglijk proces of denkproces vatten. Dit ‘Ding an sich’ ligt buiten het bereik van onze kennis. Hierop heeft Hegel al heel lang geleden geantwoord: Als ge alle eigenschappen van een ding kent, dan kent ge ook het ding zelf; het enige wat dan overblijft is het feit dat het bedoelde ding buiten ons bestaat, en zodra uw zintuigen dit feit aan u hebben medegedeeld, hebt ge de laatste rest van dit ding, Kants beroemde ‘Ding an sich’, gevat. Vandaag de dag kunnen wij hier nog slechts aan toevoegen dat in Kants tijd onze kennis van de natuurlijke dingen fragmentarisch genoeg was om achter elk van die dingen  nog een bijzonder geheimzinnig ‘Ding an sich’ te doen vermoeden. Maar sindsdien zijn deze ‘ongrijpbare dingen’ het een na het ander dankzij de reusachtige vooruitgang van de wetenschap begrepen, geanalyseerd, en, wat meer is, gereproduceerd. En wat wij kunnen maken, dat kunnen we beslist niet als onkenbaar beschouwen. Voor de scheikunde in de eerste helft van onze eeuw waren de organische substanties zulke mysterieuze dingen. Thans leren wij hen stuk voor stuk uit hun chemische elementen op te bouwen, en dat zonder de hulp van organische processen. De moderne chemie verklaart: zodra de chemische samenstelling van een lichaam, het doet er niet toe welk, bekend is, dan kan dit lichaam uit zijn eigen elementen worden opgebouwd. Nu zijn wij nog ver verwijderd van een nauwkeurige kennis over de samenstelling van de hoogste organische substanties, de zogenaamde eiwitlichamen, maar er is geen enkele reden waarom wij niet, zij het ook pas na eeuwen, tot deze kennis zouden geraken en, daarmee gewapend, kunstmatig eiwit zouden maken. Bereiken wij dat echter, dan hebben wij gelijktijdig ook organisch leven geproduceerd, want leven, van zijn laagste tot zijn hoogste vorm, is niets anders dan de normale bestaanswijze van eiwitlichamen.

Heeft onze agnosticus deze formele restricties echter eenmaal aangebracht, dan spreekt en handelt hij geheel en al als de doorgewinterde materialist, die hij in de grond van de zaak is. Hij zal misschien zeggen: voor zover wij weten kunnen materie en beweging, of zoals men tegenwoordig zegt: energie, noch geschapen, noch vernietigd worden, maar wij hebben geen bewijs dat ze niet beide in een of andere onbekende tijd geschapen zijn. Maar probeert men eens om deze bekentenis in een gegeven geval tegen hemzelf te gebruiken, dan zal hij dit zo spoedig mogelijk van de hand wijzen en een einde maken aan de discussie. Hij mag dan de mogelijkheid van spiritualisme in abstracto toegeven, in concreto wil hij er niets van weten. Hij zal tegen u zeggen: voor zover wij weten en kunnen weten bestaat er geen schepper of bestierder van het heelal; wat ons betreft kunnen materie en energie evenmin worden geschapen als vernietigd; voor ons is denken een vorm van energie, een functie van de hersenen; alles wat wij weten komt erop neer dat de materiële wereld wordt geregeerd door onveranderlijke wetten, enz. Kortom, voor zover hij een man van de wetenschap is, zover hij iets weet, is hij materialist; buiten zijn wetenschap, op gebieden waarop hij niet thuis is, vertaalt hij zijn onwetendheid in het Grieks en noemt hij dit ‘agnosticisme’.

Eén ding schijnt in ieder geval zeker: zelfs als ik een agnosticus was zou ik de geschiedenisopvatting die in dit boekje wordt uiteengezet niet als ‘historisch agnosticisme’ kunnen betitelen. Godsdienstige mensen zouden mij uitlachen en de agnostici zouden mij verontwaardigd vragen of ik de spot met hen wil drijven, en dus hoop ik maar dat ook de Britse ‘respectabiliteit’, die in het Duits ‘Philistertum’ heet, niet al te geschokt zal zijn als ik in het Engels, net als in zoveel andere talen, de uitdrukking ‘historisch materialisme’ gebruik om die opvatting over de loop van de wereldgeschiedenis aan te duiden, die de uiteindelijke oorzaak en de beslissende drijfkracht van alle belangrijke historische gebeurtenissen in de economische ontwikkeling van de maatschappij gelegen ziet, de veranderingen van de ruil- en productiewijze, in de splitsing van de maatschappij in verschillende klassen die daaruit ontstaat, en in de onderlinge strijd van deze klassen tegen elkaar.

Men zal mij dit wellicht des te eerder willen toestaan wanneer ik aantoon dat het historische materialisme zelfs voor het fatsoen van de Britse filister voordelig kan zijn. Ik heb erop gewezen dat veertig of vijftig jaar geleden iedere beschaafde buitenlander die zich in Engeland vestigde onaangenaam werd getroffen door wat hem toen de religieuze kwezelarij en verdwazing van de ‘fatsoenlijke’ Engelse middenstand moest lijken. Ik zal nu aantonen dat de fatsoenlijke Engelse middenklasse van die tijd lang niet zo dom was als het de intelligente buitenlander toescheen. Er is een verklaring mogelijk voor zijn godsdienstige neigingen.

Toen Europa afscheid nam van de Middeleeuwen bestond zijn revolutionaire element uit de opkomende burgerij in de steden. De erkende positie die zij binnen het kader van de middeleeuwse feodale orde voor zichzelf had veroverd was al te eng geworden voor zijn expansievermogen. De vrije ontplooiing van de burgerij verdroeg zich niet langer met het feodale stelsel; het feodale stelsel moest dus vallen.

Het grote internationale centrum van het feodale stelsel was echter de Rooms-Katholieke Kerk. Ondanks alle onderlinge oorlogen verenigde zij het hele feodaal geworden West-Europa tot een groot politiek geheel, dat zowel tegenover de schismatisch-Griekse als de Mohammedaanse wereld stond. Ze omgaf de feodale instellingen met het aureool van de goddelijke wijding. Haar eigen hiërarchie had zij naar feodaal model ingericht en tenslotte was zij de grootste van alle feodale heren, want tenminste één derde deel van de grond in de katholieke wereld behoorde haar toe. Voordat het wereldlijke feodalisme in elk land en afzonderlijk aangevallen kon worden, moest de centrale geheiligde organisatie van het feodalisme worden vernietigd.

Nu hield met de opkomst van de burgerij de geweldige opbloei van de wetenschap gelijke tred. Astronomie, mechanica, anatomie en fysiologie werden weer beoefend. Om haar industriële productie tot ontwikkeling te brengen had de bourgeoisie een wetenschap nodig, die de eigenschappen van de fysische voorwerpen en het functioneren van de natuurkrachten onderzocht. Tot dusverre was de wetenschap echter de nederige dienstmaagd van de kerk geweest aan wie het niet geoorloofd was de door het geloof gestelde grenzen te overschrijden, kortom, zij was alles geweest, behalve wetenschap. Nu kwam de wetenschap in verzet tegen de kerk; de burgerij had de wetenschap nodig en sloot zich dus bij de rebellie aan.

Ik heb hiermee slechts twee van de punten aangeroerd waarop de opkomende burgerij met de bestaande kerk in botsing moest komen. Dat zal echter voldoende zijn om te bewijzen dat: ten eerste, de klasse die het meest bij de strijd de machtspositie van de katholieke kerk betrokken was juist deze burgerij was; en ten tweede: dat iedere strijd tegen het feodalisme destijds een religieuze vermomming moest aannemen en zich in de eerste plaats tegen de kerk moest richten. Maar werd de strijdkreet aangeheven aan de universiteiten en door de kooplieden in de steden, dan moest hij onvermijdelijk een sterke weerklank vinden bij de massa’s van het landvolk, de boeren, die overal een harde strijd voerden, en wel om het naakte bestaan zelf.

De grote  strijd van de Europese burgerij tegen het feodalisme culmineerde in drie grote, beslissende slagen. De eerste was wat wij de Reformatie in Duitsland noemen. Luthers oproep tot rebellie tegen de kerk werd beantwoord met twee politieke opstanden: ten eerste die van de lagere adel onder Franz von Sickingen in 1523, gevolgd door de grote Boerenoorlog van 1525. Beide werden neergeslagen, hoofdzakelijk als gevolg van de besluiteloosheid binnen de meest belanghebbende partij, de stedelijke burgerij — een besluiteloosheid waarvan wij hier de oorzaken niet kunnen onderzoeken. Vanaf dat ogenblik ontaardde de strijd in een gekrakeel tussen de afzonderlijke vorsten en het centrale keizerlijke gezag, met het gevolg dat Duitsland de komende tweehonderd jaar geschrapt werd uit de rijen van de politiek actieve naties in Europa. De Lutherse Reformatie bracht het weliswaar tot een nieuwe religie — en wel tot een religie waaraan de absolute monarchie nu juist behoefte had. Nauwelijks waren de boeren in het Noordoosten van Duitsland overgegaan tot het Lutheranisme, of zij werden van vrije mannen gedegradeerd tot lijfeigenen.

Maar waar Luther faalde, daar overwon Calvijn. Zijn dogma was aangepast bij de stoutmoedigsten onder de toenmalige burgers. Zijn predestinatieleer vormde de religieuze uitdrukking van het feit dat succes of bankroet in de handelswereld van de concurrentie niet afhangt van de activiteit of de handigheid van het individu, maar van omstandigheden die onafhankelijk van hem zijn. ‘Het ligt dus niet aan iemands persoonlijke willen of handelen, maar aan de genade’ van machtiger, maar onbekende economische krachten. En dit was in het bijzonder waar in een tijdperk van economische omwenteling, waarin alle oude handelswegen en handelscentra werden verdrongen door nieuwe, Amerika en India voor de wereld werden ontsloten en zelfs de oudste en meest eerbiedwaardige economische geloofsartikelen — de waarde van zilver en goud — aan het wankelen raakten. Daarbij kwam nog dat Calvijns kerkelijke constitutie volstrekt democratisch en republikeins was. Maar waar het Rijk Gods republikeins was gemaakt, konden daar de staten van deze wereld onderhorig blijven aan koningen, bisschoppen en feodale heren? Terwijl het Duitse Lutheranisme een willig werktuig werd in de handen van de kleine Duitse vorsten stichtte het Calvinisme in Holland een republiek en sterke republikeinse partijen in Engeland, met name in Schotland.

In het Calvinisme vond de tweede grote opstand van de burgerij zijn strijdtheorie kant en klaar uitgewerkt. Deze opstand vond plaats in Engeland. De burgerij in de steden bracht haar aan het rollen en de vrije boeren (de yeomanry) van de plattelandsdistricten bevochten de overwinning. Het is merkwaardig genoeg: in alle drie de grote burgerlijke revoluties leveren de boeren de legers voor de veldslagen, terwijl de boeren juist de klasse vormen die na het behalen van de overwinning door de economische gevolgen van die overwinning met de grootste zekerheid te gronde wordt gericht. Honderd jaar na Cromwell was de yeomanry in Engeland zo goed als verdwenen. In ieder geval was het slechts aan het ingrijpen van deze yeomanry en van het plebeïsche element in de steden te danken dat de strijd tot het bittere einde werd uitgevochten en Karel I op het schavot kwam,  Opdat zelfs slechts die vruchten van de overwinning door de bourgeoisie geplukt konden worden, die op dat moment rijp waren om te worden geoogst, was het noodzakelijk dat de revolutie aanzienlijk verder ging dan haar eigenlijke doel — precies zoals in 1793 in Frankrijk en in 1848 in Duitsland. Dit schijnt inderdaad een van de ontwikkelingswetten van de burgerlijke maatschappij te zijn.

Op deze overmaat aan revolutionaire activiteit volgde onvermijdelijk een reactie, die op haar beurt haar doel ver voorbij schoot  Na een reeks van schommelingen werd tenslotte het nieuwe zwaartepunt bereikt dat als uitgangspunt diende voor de verdere ontwikkeling. Het grootse tijdperk van de Engelse geschiedenis, dat door de filisters als ‘the great Rebellion’ wordt aangeduid, en de strijd die daarop volgde, vonden hun afsluiting in de betrekkelijk onbetekenende gebeurtenis van 1689, die door de liberale geschiedschrijving de ‘Glorierijke Revolutie’ wordt genoemd.

Het nieuwe uitgangspunt was een compromis tussen de opkomende bourgeoisie en de vroegere feodale grootgrondbezitters. Hoewel deze laatsten nog altijd, net als tegenwoordig, als de aristocratie worden betiteld, waren zij allang op weg om datgene te worden wat Louis-Philippe in Frankrijk veel later werd: de eerste bourgeois van de natie. Engeland had het geluk dat de oude feodale baronnen elkaar in de Rozenoorlogen hadden afgemaakt.  Hoewel meestal afstammelingen van dezelfde oude geslachten waren hun opvolgers toch van zo ver afgelegen zijtakken afkomstig dat zij een geheel nieuwe groepering vormden; hun gewoonten en neigingen waren veel meer burgerlijk dan feodaal: zij kenden de waarde van het geld volkomen en waren er meteen op uit om hun grondrenten te verhogen door honderden kleine pachters te vervangen door schapen.

Hendrik VIII schiep op grote schaal nieuwe burgerlandlords door kerkelijke goederen weg te schenken of voor een spotprijs te verkopen; hetzelfde effect hadden de verbeurdverklaringen van grote landgoederen, die dan aan hele of halve parvenu’s werden geschonken, iets dat onafgebroken doorging tot het einde van de zeventiende eeuw. Daarom had de Engelse ‘aristocracy’ sedert Hendrik VII de ontwikkeling van de industriële productie niet alleen niet tegengewerkt, maar omgekeerd, geprobeerd er profijt van te trekken. Maar op dezelfde manier was een gedeelte van de grootgrondbezitters uit economische of politieke motieven altijd bereid geweest om samen te werken met de leiders van de financiële en de industriële bourgeoisie. Op die manier was het compromis van 1689 dus gemakkelijk tot stand gekomen. De beste brokken van de politieke buit — ambten, sinecures en hoge salarissen — bleven aan de grote geslachten van de landadel, op voorwaarde dat zij de economische belangen van de financiële, industriële en handeldrijvende middenklasse voldoende behartigden. En deze economische belangen waren toen al machtig genoeg; zij bepaalden in laatste instantie de algemene politiek van de natie. Over ondergeschikte kwesties kon worden getwist, maar de aristocratische oligarchie wist maar al te goed hoe onverbrekelijk haar eigen economische voorspoed verweven was met die van de industriële en commerciële bourgeoisie.

Vanaf die tijd vormde de bourgeoisie een bescheiden, maar erkend bestanddeel van de heersende klassen in Engeland. Het belang dat zij met hen allen gemeen had bestond in de onderdrukking van de grote werkende massa van het volk. De koopman of fabrikant bekleedde tegenover zijn klerken, zijn werklieden en zijn bedienden zelfs de positie van broodheer, of zoals men dat tot voor kort nog in Engeland noemde, van ‘natuurlijke meerdere’. Hij moest zoveel mogelijk en zo goed mogelijke arbeid uit hen persen en daarvoor moest hij hun de vereiste onderdanigheid bijbrengen. Hij was zelf godsdienstig; zijn godsdienst had hem het vaandel geleverd waaronder hij had gestreden tegen de koning en de landheren; en het duurde niet lang of hij had ook de middelen ontdekt die hem door dezelfde godsdienst werden geboden om in te werken op het gemoed van zijn ‘natuurlijke ondergeschikten’ en hen gehoorzaam te maken aan de orders van hun broodheer, die door god in diens ondoorgrondelijke wijsheid boven hen was gesteld. Kortom, de Engelse bourgeois had er nu mede belang bij om de ‘lagere standen’, de grote producerende massa van het volk, onder de duim te houden; en een van de middelen die hierbij werden gebruikt was de invloed van de godsdienst.

Hierbij kwam nog een ander feit, dat ertoe bijdroeg dat de godsdienstige neigingen van de bourgeoisie werden versterkt: de opkomst van het materialisme in Engeland. Deze nieuwe, goddeloze leer schokte niet alleen de vrome middenstand, ze diende zich bovendien aan als een filosofie die alleen geschikt was voor geleerde en geletterde mannen van de wereld, dit in tegenstelling tot de godsdienst, die goed genoeg was voor de onontwikkelde grote massa, de bourgeoisie daarbij inbegrepen. Met Hobbes betrad zij het toneel als verdediger van de koninklijke soevereiniteit en deed zij een beroep op de absolute monarchie om die ‘puer robustus sed malitiosus’ , het volk, in bedwang te houden. En ook bij de navolgers van Hobbes, hij Bolingbroke, Shaftesbury enz. bleef de nieuwe deïstische vorm van het materialisme een aristocratische, esoterische leer, en om die reden gehaat bij de bourgeoisie, niet alleen vanwege haar godsdienstige ketterij, maar ook wegens haar tegen de bourgeoisie gerichte politieke connecties. Zodoende vormden de protestantse sekten, die de vlag en de troepen tegen de Stuarts hadden geleverd, in tegenstelling tot het materialisme en het deïsme van de aristocratie ook de voornaamste strijdkrachten van de vooruitstrevende middenklasse en vormen zij nog altijd de ruggengraat van de ‘grote liberale partij’.

Intussen ging het materialisme van Engeland over naar Frankrijk, waar het een tweede materialistische school aantrof, die was ontstaan uit het cartesianisme , en waarmee het samensmolt. Ook in Frankrijk bleef het aanvankelijk een exclusief aristocratische leer. Maar al gauw trad het revolutionaire karakter ervan aan het licht. De Franse materialisten beperkten hun kritiek niet louter tot religieuze zaken; zij onderwierpen iedere wetenschappelijke traditie en elke politieke instelling van hun tijd aan hun kritiek. Om de algemene toepasbaarheid van hun theorie te bewijzen kozen zij de kortste weg: ze pasten haar stoutmoedig toe op alle onderwerpen van de kennis in het reusachtige werk waarnaar zij werden genoemd — de ‘Encyclopédie’. Zo werd het materialisme in deze of gene vorm — als openlijk materialisme of als deïsme — de wereldbeschouwing van heel de beschaafde jeugd in Frankrijk en wel in zo grote mate dat de door de Engelse koningsgezinde ontworpen leer tijdens de grote revolutie aan de Franse republikeinen en terroristen het theoretische vaandel en de tekst leverde voor de Verklaring van de rechten van de mens’. 

De grote Franse Revolutie was de derde opstand van de bourgeoisie, maar de eerste die haar godsdienstige kleed geheel had afgeworpen en onverhuld op politiek terrein werd uitgevochten. Ze was echter ook de eerste die werkelijk tot het einde toe werd uitgevochten, tot en met de vernietiging van één van de strijdende partijen, de aristocratie, en tot aan de de volledige overwinning van de andere, de bourgeoisie. In Engeland vonden de ononderbroken continuïteit van de instellingen van vóór en na de revolutie en het compromis tussen grootgrondbezitters en kapitalisten hun uitdrukking in de continuïteit van de precedenten in de jurisprudentie, alsook in het eerbiedig bewaren van de feodale jurisdictie, vormen. In Frankrijk veroorzaakte de revolutie een volledige breuk met de tradities van het verleden, ze wiste de laatste sporen van het feodalisme uit en schiep in de Code Civil , een meesterlijke aanpassing van het Oudromeinse recht aan de moderne kapitalistische verhoudingen — het Oudromeinse recht, die schier volmaakte uitdrukking van de juridische betrekkingen die hun grondslag vinden in de fase van de economische ontwikkeling, die door Marx de ‘warenproductie’ wordt genoemd. De aanpassing is zo meesterlijk dat dit revolutionaire Franse wetboek nog altijd model staat bij hervormingen van het eigendomsrecht in alle andere landen — Engeland niet uitgezonderd. Eén ding moeten we hierbij echter niet uit het oog verliezen. Weliswaar blijft het Engelse recht de economische verhoudingen van de kapitalistische maatschappij uitdrukken in de barbaarse taal van het feodalisme, die evenzeer beantwoordt aan de zaak die zij uit moet drukken als de Engelse spelling aan de Engelse uitspraak — vous écrivez Londres et vous prononcez Constantinople, (“Je schrijft Londen en spreekt het uit als Constantinopel”) zei een Fransman eens —, maar anderzijds is ditzelfde Engelse recht ook het enige recht dat het beste deel van al die Oudgermaanse vrijheden, zoals de persoonlijke vrijheid, het plaatselijke zelfbestuur en de waarborg tegen alle vreemde inmenging behalve die van de rechtbanken, onvervalst bewaard heeft en heeft overgeplant naar Amerika en de kolonies, vrijheden die op het vasteland van Europa in het tijdperk van de absolute monarchie verloren zijn gegaan en nog nergens volledig zijn heroverd.

Maar terug tot onze Britse bourgeoisie. De Franse Revolutie schonk haar een prachtige gelegenheid om samen met de monarchieën op het vasteland de Franse overzeese handel te gronde te richten, om de Franse kolonies te annexeren en de laatste Franse aanspraken op een medeheerschappij ter zee te verpletteren. Dit was de eerste reden waarom zij de Franse Revolutie bestreed. Een tweede reden was dat de methoden van deze revolutie volstrekt niet in haar kraam te pas kwamen. Niet alleen het ‘verfoeilijke’ terrorisme van de revolutie, maar ook haar poging om de bourgeoisheerschappij tot het uiterste door te voeren. Wat kon de Britse bourgeoisie in hemelsnaam beginnen zonder de aristocratie, die haar manieren bijbracht (die waren er dan ook naar) en de modes voor haar uitvond, die de officieren leverde voor het leger, dat in het binnenland de orde handhaafde, en voor de vloot, die in den vreemde nieuwe koloniale bezittingen en nieuwe markten veroverde? Weliswaar was er ook een vooruitstrevende minderheid onder de bourgeoisie, mensen wier belangen bij dit compromis niet zo goed waren gediend; deze minderheid, die bestond uit de lagere middenklasse sympathiseerde met de revolutie , maar in het parlement was zij machteloos. Dus, hoe meer het materialisme het credo werd van de Franse Revolutie, hoe steviger de godvruchtige Engelse bourgeoisie vasthield aan haar religie. Had de tijd van het Schrikbewind in Parijs niet bewezen wat het resultaat is als het volk de godsdienst verliest? Hoe meer het materialisme zich vanuit Frankrijk uitbreidde naar de naburige landen en door verwante theoretische stromingen, met name door de Duitse filosofie, werd versterkt, hoe meer materialisme en vrijdenkerij in het algemeen op het vasteland van Europa metterdaad het noodzakelijke kenmerk werden van de beschaafde mensen, des te koppiger hield de Engelse middenstand vast aan haar veelvuldige godsdienstige belijdenissen. Hoe sterk deze belijdenissen onderling ook mochten verschillen, het waren allemaal onomwonden godsdienstige, christelijke belijdenissen.

Terwijl de revolutie in Frankrijk de politieke overwinning van de bourgeoisie betekende, gaven in Engeland Watt, Arkwright, Cartwright e.a. de stoot tot een industriële revolutie, die een complete verschuiving teweegbracht in het zwaartepunt van de economische macht. De rijkdom van de bourgeoisie nam nu oneindig veel sneller toe dan die van de grondbezittende aristocratie. In de bourgeoisie zelf werd de financiële aristocratie, de bankiers enz, meer en meer op de achtergrond gedrongen door de fabrikanten. Het compromis van 1689 beantwoordde, zelfs ondanks de veranderingen die er in de loop van de tijden ten gunste van de bourgeoisie in waren aangebracht, niet langer aan de onderlinge positie die de betrokken partijen jegens elkaar innamen. Ook het karakter van deze partijen had een verandering ondergaan; de bourgeoisie van 1830 verschilde zeer sterk van die in de eeuw daarvoor. De politieke macht die de aristocratie nog had behouden en die zij tegen de aanspraken van de nieuwe industriële bourgeoisie in het geweer bracht, werd onverenigbaar met de nieuwe economische belangen. Een nieuwe strijd tegen de aristocratie werd noodzakelijk en zij kon slechts eindigen met een overwinning van de nieuwe economische macht. Eerst werd onder de invloed van de revolutie van 1830 in Frankrijk de Reform Bill doorgedreven, al het verzet ten spijt. Deze gaf de bourgeoisie een erkende en machtige positie in het parlement. Vervolgens kwam de afschaffing van de graanwetten, waarmee de suprematie van de bourgeoisie en vooral van haar meest actieve deel, de fabrikanten, op de grondbezittende adel eens en voor altijd werd gevestigd. Dit was de grootste overwinning van de bourgeoisie, maar ook de laatste die zij uitsluitend in haar eigen belang bevocht. Alle triomfen die zij sindsdien behaalde moest zij delen met een nieuwe maatschappelijke macht, die eerst haar bondgenoot was, maar vervolgens haar rivaal werd.

De industriële revolutie had een klasse van grote fabriekskapitalisten geschapen, maar tevens ook een veel talrijker klasse van fabrieksarbeiders. Deze klasse nam voortdurend in aantal toe, naarmate de industriële revolutie zich van de ene tak van nijverheid na de andere meester maakte.

Met haar aantal nam ook haar macht toe en deze macht bleek al in 1824, toen zij het weerbarstige parlement dwong de wetten in te trekken die gericht waren tegen het recht op vereniging. Tijdens de agitatie voor de Reform Bill vormden de arbeiders de radicale vleugel van de ‘Reform’-partij; toen de wet van 1832 hen uitsloot van het kiesrecht, formuleerden zij hun eisen in het ‘Handvest van het Volk’ (People’s Charter’ ) en organiseerden zij zich tegen de grote burgerlijke partij, de Anti-Graanwetpartij , als een onafhankelijke partij, als de Chartistenpartij. Dit was de eerste arbeiderspartij van onze tijd.

Vervolgens kwamen de revoluties van maart en februari 1848 op het vasteland van Europa, waarbij de arbeiders een belangrijke rol speelden en, althans in Parijs, eisen naar voren brachten, die vanuit het standpunt van de kapitalistische maatschappij volstrekt ontoelaatbaar waren.

En toen volgde de algemene reactie. Eerst de nederlaag van de Chartisten op 10 april 1848; dan de vermorzeling van de Parijse arbeidersopstand in juni van hetzelfde jaar; vervolgens de rampen van 1849 in Italië, Hongarije en Zuid-Duitsland; en tenslotte de overwinning van Louis Bonaparte op Parijs op 2 december 1851. Zo was, althans voor een tijdje, het spookbeeld van de arbeiderseisen verjaagd, maar tegen welke prijs! Was de Britse bourgeoisie dus al vroeger overtuigd geweest van de noodzaak om het gewone volk in een godsdienstige stemming te houden, hoeveel te meer moest zij deze noodzaak niet voelen ná al deze ervaringen? En zonder op de schimpscheuten van haar collega’s op het continent ook maar in het minst acht te slaan, ging zij voort jaar in jaar uit duizenden en tienduizenden ponden te besteden aan het evangelisatiewerk onder de lagere standen. Niet tevreden met haar eigen godsdienstige apparaat, deed zij een beroep op broeder Jonathan, in die tijd de grootste organisator van godsdienst als business, en importeerde zij uit Amerika de Revival-beweging (het Revivalisme)  Moody, Sankey enz.; en tenslotte aanvaardde zij zelfs de gevaarlijke hulp van het Leger des Heils, dat de propagandamiddelen van het eerste christendom doet herleven, zich tot de armen richt als de uitverkorenen, het kapitalisme op godsdienstige wijze bestrijdt en zodoende een element van vroegchristelijke klassenstrijd kweekt, dat voor de welgestelde mensen die er nu de contanten voor verschaffen op een goede dag nog uiterst fataal kan worden.

Het schijnt een wet van de historische ontwikkeling te zijn dat de bourgeoisie in geen enkel Europees land de politieke macht — althans niet voor langere tijd — even monopolistisch in handen kan houden als de feodale aristocratie tijdens de Middeleeuwen. Zelfs in Frankrijk, waar het feodalisme zo volkomen was uitgeroeid, heeft de bourgeoisie als klasse in haar geheel de heerschappij slechts gedurende korte periodes volledig in handen gehad. Onder Louis-Philippe — van 1830 tot 1848 — was slechts een klein gedeelte van de bourgeoisie aan de macht; verreweg het grootste deel was uitgesloten door de hoge census van het kiesrecht. Onder de Tweede Republiek werd de heerschappij uitgeoefend door de hele bourgeoisie, maar slechts gedurende drie jaar; haar onbekwaamheid effende de weg voor het Tweede Keizerrijk. Pas nu, onder de Derde Republiek, heeft de bourgeoisie in haar totaliteit het staatsbestuur twintig jaar lang onafgebroken in handen gehouden en nu al vertoont zij verblijdende tekenen van verval. Een langdurige heerschappij van de bourgeoisie was tot nu toe alleen mogelijk in landen als Amerika, waar het feodalisme nooit heeft bestaan en waar de maatschappij van meet af aan uitging van een burgerlijke grondslag. En zelfs in Frankrijk en Amerika kloppen de opvolgers van de bourgeoisie, de arbeiders, al luid aan de deur.

In Engeland heeft de bourgeoisie nooit de onverdeelde heerschappij uitgeoefend. Zelfs na de overwinning van 1832 bleven alle hogere regeringsposten vrijwel uitsluitend in handen van de aristocratie. De onderdanigheid waarmee de rijke middenklasse zich dit liet welgevallen bleef voor mij onverklaarbaar, totdat de grote liberale fabrikant W.E. Forster in een rede tot de jongelieden van Bradford hun eens met het oog op hun toekomst bezwoer om in godsnaam Frans te leren en daarbij vertelde hoe schaapachtig hij zich had gevoeld toen hij, eenmaal minister in het kabinet geworden, opeens terechtkwam in een milieu waar Frans minstens even noodzakelijk was als Engels! En inderdaad waren de Engelse bourgeois destijds in de regel volkomen ongeletterde parvenu’s, die of ze nu wilden of niet de belangrijkste regeringsposten, waarvoor andere eigenschappen waren vereist dan insulaire bekrompenheid en insulaire verwaandheid gekruid met sluwe zakengeest,  wel aan de aristocratie moesten overlaten. Ook nu nog tonen de eindeloze discussies in de kranten over ‘middle-class education’ aan dat de Engelse middenklasse zichzelf nog steeds niet goed genoeg acht voor de beste opvoeding en naar iets bescheidener zoekt. Na de intrekking van de graanwetten leek het dan ook vanzelfsprekend dat de lieden die de overwinning hadden behaald, de mensen van het slag Cobden, Bright, Forsler enz, van iedere deelname aan de officiële regering bleven uitgesloten, totdat twintig jaar later eindelijk een nieuwe Reform Act  hun de toegang tot de regering opende. Ja, tot op de dag van vandaag is de Engelse bourgeoisie zo diep doordrongen van het gevoel van haar eigen maatschappelijke inferioriteit, dat zij op kosten van zichzelf en van het volk een sierklasse van leeglopers op de been houdt om de natie bij alle staatsieplechtigheden waardig te representeren, en zij beschouwt het als een grote eer als een of andere bourgeois waardig wordt bevonden om te worden toegelaten tot dit exclusieve keurkorps, dat tenslotte door de bourgeoisie zelf is gefabriceerd.

De industriële en handeldrijvende middenklasse was er dus nog niet in geslaagd om de grondbezittende aristocratie volledig uit de politieke macht te verdrijven, toen er een nieuwe mededinger ten tonele verscheen: de arbeidersklasse. De reactie die intrad na de chartistenbeweging en de revoluties op het continent, alsook de ongekende expansie van de Britse industrie tussen 1848 en 1866 (die gewoonlijk alleen aan de vrijhandel wordt toegeschreven, maar veel meer te danken is aan de reusachtige uitbreiding van de spoorwegen, de oceaanstomers en de verkeersmiddelen in het algemeen), hadden de arbeidersklasse opnieuw in het kielzog van de liberale partij gebracht, waarvan zij de radicale vleugel vormde, evenals in de periode van voor de chartistenheweging. Geleidelijk aan konden de kiesrechteisen van de arbeiders echter niet langer worden afgewezen. Terwijl de Whigs, de leiders van de liberalen, er nog bang voor waren, bewees Disraeli zijn superioriteit: hij maakte gebruik van het gunstige moment voor de Tories door in de stedelijke kiesdistricten het household-kiesrecht (dat iedereen omvatte die een apart huis bewoonde) in te voeren en daaraan een herindeling van de kiesdistricten te verbinden. Spoedig daarop volgde de geheime stemming (the ballot), vervolgens in 1884 de uitbreiding van het household-kiesrecht tot alle districten, dus ook de graafschappelijke kiesdistricten, en opnieuw een herverdeling van de kiesdistricten, waardoor deze althans enigermate gelijk werd getrokken. Door dit alles werd de macht van de arbeidersklasse hij de verkiezingen zozeer versterkt dat zij nu in 150 à 200 kiesdistricten de meerderheid van de kiezers vertegenwoordigt. Maar er bestaat geen betere school voor de traditie dan het parlementaire stelsel. Zoals de middenklasse met respect en eerbied opkijkt naar de groep die Lord John Manners schertsend ‘onze oude adel’ noemt, zo zag de massa van de arbeiders destijds vol van eerbied en ontzag op naar wat toen de ‘betere klasse’ heette, namelijk de bourgeoisie. En inderdaad, vijftien jaar geleden was de Britse arbeider de modelarbeider, wiens eerbiedige rekening houden met de positie van zijn patroon, wiens matigheid en onderdanigheid bij het stellen van zijn eigen eisen balsem goot in de wonden die onze Duitse kathedersocialisten , waren toegebracht door de ongeneeslijke communistische en revolutionaire neigingen van de Duitse arbeiders in hun eigen land. Maar de Engelse bourgeois waren goede zakenlieden en zij keken verder dan de Duitse professoren. Slechts met tegenzin hadden zij hun macht met de arbeiders gedeeld. In de jaren van het chartisme hadden zij geleerd waartoe die ‘puer robustus sed malitiosus’, het volk, in staat is. Sinds die tijd waren zij gedwongen om het merendeel van de eisen in het People’s Charter in te willigen en tot nationale wet te verheffen. Meer dan ooit ging het er nu om het volk met behulp van morele middelen in toom te houden en het eerste en belangrijkste van die morele middelen om op de massa in te werken is en blijft — de godsdienst. Vandaar het overwicht van de dominees in de school-boards, vandaar de toenemende financiële offers die de bourgeoisie zich oplegt voor het ondersteunen van alle mogelijke soorten van vrome demagogie, vanaf het Ritualisme  tot en met het Leger des Heils.

En nu brak de triomf aan van het kleinburgerlijke Britse fatsoen over de vrijdenkerij en de godsdienstige onverschilligheid van de continentale bourgeois. De arbeiders van Frankrijk en Duitsland waren opstandig geworden. Zij waren volledig besmet met het socialisme en bovendien — om zeer goede redenen — wat betreft de middelen ter verovering van de heerschappij geenszins verstokte aanhangers van de legaliteit. Hier was de ‘puer robustus’ inderdaad elke dag meer ‘malitiosus’ geworden. Wat bleef de Franse en Duitse bourgeois als laatste redmiddel anders over dan hun vrijdenken stilzwijgend te laten vallen, zoals een kwajongen de brandende sigaar waarmee hij over het dek liep te geuren, stilletjes wegwerkt wanneer de zeeziekte hem besluipt? De een na de ander werden de spotters in hun uiterlijke optreden vroom, zij spraken met eerbied over de kerk, haar leerstellingen en gebruiken en namen die laatste zelfs in acht voor zover ze er niet onderuit konden. De Franse bourgeois gebruikten op vrijdag geen vlees en de Duitse bourgeois doorstonden in hun kerkbanken langademige protestantse preken. Zij waren met hun materialisme bedrogen uitgekomen. ‘De godsdienst moet voor het volk behouden blijven’ — dat was het enige en laatste middel om de maatschappij te redden van de totale ondergang. Tot hun ongeluk ontdekten ze dit pas nadat zij hun uiterste best hadden gedaan om de godsdienst voorgoed te verdelgen. En toen was het de beurt van de Britse bourgeois om hen uit te lachen en toe te roepen: Dwazen dat jullie zijn, dat had ik u tweehonderd jaar geleden al kunnen vertellen!

Ik vrees echter dat noch de religieuze verknochtheid van de Britse, noch de bekering post festum (“achteraf”) van de continentale bourgeois het opkomende proletarische getij zal kunnen keren. De traditie is een grote remmende kracht, de kracht van de traagheid in de geschiedenis. Maar ze is louter een passieve kracht en daarom moet zij het onderspit delven. Ook de godsdienst vormt op de duur geen schutsmuur voor de kapitalistische maatschappij. Als onze juridische, filosofische en religieuze ideeën meer of minder rechtstreeks het product vormen van de economische verhoudingen die in een gegeven maatschappij heersen, dan kunnen deze ideeën op de duur geen stand houden wanneer die economische verhoudingen grondig zijn veranderd, Wij hebben geen andere keuze dan hetzij te geloven aan een bovennatuurlijke openbaring, hetzij toe te geven dat godsdienstige preken nooit in staat zullen zijn om een ineenstortende maatschappij te schragen.

En inderdaad, ook in Engeland zijn de arbeiders begonnen weer in beweging te komen. Ongetwijfeld zijn zij in allerlei tradities verstrikt. Bourgeoistradities, zoals het wijdverbreide bijgeloof dat er maar twee partijen mogelijk zijn, conservatieven en liberalen, en dat de arbeidersklasse haar bevrijding door middel van de grote liberale partij moet bereiken.

Arbeiderstradities, overgeërfd uit de tijd van hun eerste tastende pogingen tot zelfstandig optreden — zoals het uitsluiten door talrijke oude trade-unions van alle arbeiders die geen reglementaire leertijd hebben doorlopen, hetgeen betekent dat elk van die vakorganisaties haar eigen onderkruipers kweekt. Maar ondanks dit alles beweegt de Engelse arbeidersklasse zich in voorwaartse richting, zoals zelfs professor Brentano tot zijn leedwezen moet meedelen aan zijn mede kathedersocialisten . Ze is in beweging, met langzame, afgemeten tred, zoals alles in Engeland — op de ene plaats aarzelend, elders met deels onvruchtbare, tastende pogingen; ze beweegt zich hier en daar met een al te voorzichtig wantrouwen jegens het woord socialisme, terwijl ze de inhoud geleidelijk in zich opneemt; maar zij is in beweging en de beweging breidt zich van de ene laag arbeiders uit naar de andere. Ze heeft nu de ongeschoolde arbeiders van het Londense East End uit hun doodsslaap wakker geschud en wij hebben allemaal gezien wat een prachtig elan deze nieuwe krachten hun daarvoor in de plaats hebben gegeven. En wanneer de loop van de beweging geen gelijke tred houdt met het ongeduld van deze of gene, dan moeten dezen niet vergeten dat juist de arbeidersklasse de beste kanten van het Engelse nationale karakter in leven houdt en dat iedere stap vooruit die in Engeland eenmaal is gedaan nooit meer verloren gaat. Waren de zonen van de oude chartisten om bovenvermelde redenen niet alles wat men van hen kon verwachten, dan ziet het er niettemin toch naar uit dat hun kleinzonen hun grootvaders waardig zijn.

Intussen hangt de overwinning van de Europese arbeidersklasse niet alleen van Engeland af. Zij kan slechts worden verzekerd door de samenwerking van tenminste Engeland, Frankrijk en Duitsland.  In de twee laatstgenoemde landen is de arbeidersbeweging een flink stuk voor op die in Engeland. De vooruitgang die zij daar in de laatste vijfentwintig jaar heeft geboekt is zonder weerga. Zij gaat steeds sneller voort. De Duitse bourgeoisie moge haar jammerlijke gebrek aan politieke bekwaamheid, discipline, moed en energie hebben bewezen, de Duitse arbeidersklasse heeft getoond al deze eigenschappen in ruime mate te bezitten. Bijna vierhonderd jaar geleden was Duitsland het uitgangspunt voor de eerste grote opstand van de Europese middenklasse, zou het bij de huidige stand van zaken onmogelijk zijn dat Duitsland ook het toneel zou vormen voor de eerste grote overwinning van het Europese proletariaat?

 

 

 

 

I

[Utopisch socialisme]

 

 

Het moderne socialisme is wat zijn inhoud betreft eerst het product van waarneming, enerzijds van de in de huidige maatschappij heersende klassentegenstellingen bezitters en bezitlozen, kapitalisten en loonarbeiders, anderzijds van de in de productie heersende anarchie. Wat echter zijn theoretische vorm betreft, treedt het aanvankelijk op als een verdergaande, zogenaamd meer consequente voortzetting van de door de grote mannen van de 18de-eeuwse Franse Verlichting opgestelde beginselen. Evenals iedere nieuwe theorie moest het moderne socialisme eerst aan het aanwezige gedachtemateriaal aanknopen, hoezeer het ook wortelde in de materiële economische feiten.

De grote mannen die in Frankrijk voor de komende revolutie klaarheid brachten in de hoofden, traden zelf uiterst revolutionair op. Zij erkenden geen van buiten opgelegd gezag, van welke aard ook. Godsdienst, natuurbeschouwing, maatschappij, staatsorde, alles werd aan de meest meedogenloze kritiek onderworpen; alles moest zijn bestaan voor de rechterstoel van de rede rechtvaardigen of zijn bestaan prijsgeven. Het denkende verstand werd de enige maatstaf waarmee alles werd gemeten. Het was de tijd waarin, zoals Hegel zegt, de wereld op zijn kop werd gezet,  vooreerst in die zin dat het menselijke hoofd en de door zijn denken gevonden stellingen er aanspraak op maakten als de grondslag te gelden van heel het menselijke handelen en samenleven; later echter ook in de ruimere zin dat de werkelijkheid, die met deze stellingen in strijd was, inderdaad van boven tot onder werd omgekeerd. Alle tot dusver bestaande maatschappij- en staatsvormen, alle van oudsher overgeleverde denkbeelden werden als onredelijk naar de rommelzolder verwezen; heel het verleden verdiende slechts medelijden en verachting. Nu pas brak de dageraad, het rijk van de rede, aan; van nu af aan moesten bijgeloof, onrecht, bevoorrechting en onderdrukking worden verdrongen door de eeuwige waarheid, de eeuwige gerechtigheid, de in de natuur wortelende gelijkheid en de onvervreemdbare mensenrechten.

Wij weten nu dat dit rijk der rede niets anders was dan het geïdealiseerde rijk der bourgeoisie; dat de eeuwige gerechtigheid haar verwezenlijking vond in de bourgeoisrechtspraak; dat de gelijkheid uitliep op de burgerlijke gelijkheid voor de wet; dat de burgerlijke eigendom tot een van de meest wezenlijke mensenrechten geproclameerd werd; en dat de staat van de rede, het maatschappelijk verdrag van Rousseau , op de wereld kwam en slechts op de wereld kon komen als burgerlijke, democratische republiek. Zomin als hun voorgangers konden de grote denkers van de 18de eeuw de grenzen overschrijden, die hen door hun eigen tijd waren gesteld.

Maar naast de tegenstelling tussen feodale adel en de als vertegenwoordigster van de gehele overige maatschappij optredende bourgeoisie bestond de algemene tegenstelling tussen uitbuiters en uitgebuitenen, tussen rijke leeggangers en werkende armen. Juist deze omstandigheid was het immers die het de vertegenwoordigers van de bourgeoisie mogelijk maakte zich als vertegenwoordigers niet van een bijzondere klasse, maar van heel de lijdende mensheid voor te doen. Meer dan dat, van haar ontstaan af was de bourgeoisie behept met haar tegenstelling: kapitalisten kunnen niet bestaan zonder loonarbeiders, en in dezelfde mate waarin de middeleeuwse gildenburger zich tot moderne bourgeois ontwikkelde, ontwikkelden zich ook de gildengezel en de buiten het gilde staande dagloner tot proletariër. En ook al mocht de bourgeoisie er over het geheel aanspraak op maken dat zij in de strijd met de adel tegelijkertijd de belangen van de verschillende arbeidende klassen van die tijd vertegenwoordigde, toch traden er bij elke grote burgerlijke beweging zelfstandige strevingen aan de dag van die klasse die de meer of minder ontwikkelde voorloopster van het moderne proletariaat was. Dat was het geval met de wederdopers en Thomas Münzer in de tijd van de Hervorming en van de Boerenoorlog in Duitsland, met de Levellers  in de grote Engelse revolutie, met Babeuf in de grote Franse Revolutie. Deze revolutionaire opstanden van een nog onrijpe klasse werden begeleid door dienovereenkomstige theoretische manifestaties; in de 16de en 17de eeuw utopische schilderingen van ideale samenlevingen,  in de 18de eeuw reeds uitgesproken communistische theorieën (Morelly en Mably). De eis van gelijkheid werd niet meer tot de politieke rechten beperkt, zij ging zich ook uitstrekken tot de maatschappelijke toestand van de enkelingen; niet alleen de klassenbevoorrechting moest opgeheven worden, ook de klassenverschillen zelf. Een ascetisch, alle levensgenietingen veroordelend, bij Sparta aanknopend communisme was zodoende de eerste verschijningsvorm van de nieuwe leer. Daarop volgden de drie grote utopisten:

Saint-Simon, bij wie de burgerlijke richting naast de proletarische nog een zekere betekenis behield. Fourier en Owen die, in het land van de verst ontwikkelde kapitalistische productie en onder de indruk van de daardoor ontstane tegenstellingen, systematisch zijn voorstellen ontwikkelde tot opheffing van de klassenverschillen en daarbij rechtstreeks aanknoopte hij het Franse materialisme.

Wat alle drie gemeen hebben is dat zij niet optreden als vertegenwoordigers van de belangen van het intussen historisch ontstane proletariaat. Evenals de Verlichters willen zij niet eerst één bepaalde klasse, maar meteen de gehele mensheid bevrijden. Evenals dezen willen zij het rijk van de rede en van de eeuwige gerechtigheid invoeren, maar hun rijk verschilt hemelsbreed van dat van de Verlichters. Ook de volgens de beginselen van deze Verlichters geconstrueerde burgerlijke wereld is onredelijk en onrechtvaardig en daarom evenzeer verwerpelijk als het feodalisme en alle vroegere maatschappelijke toestanden. Dat de ware redelijkheid en gerechtigheid tot nu toe niet in de wereld hebben geheerst komt slechts doordat het juiste inzicht erin had ontbroken. Wat er ontbrak was de geniale enkeling die nu is opgetreden en de waarheid heeft begrepen. Dat hij nu opgetreden is, dat de waarheid juist nu begrepen is, is niet een uit het verband van de historische ontwikkeling noodzakelijk voortvloeiende, onvermijdelijke gebeurtenis, maar louter een gelukkig toeval. Hij had evengoed 500 jaar vroeger geboren kunnen zijn en zou dan de mensheid 500 jaren van dwaling, strijd en lijden hebben bespaard.

Wij hebben gezien hoe de Franse filosofen van de 18e eeuw, de wegbereiders van de revolutie, zich op de rede beriepen als de enige rechter over alles wat bestond. Een redelijke staat, een redelijke maatschappij moesten geschapen, alles wat met de eeuwige rede in strijd was, moest onbarmhartig opgeruimd worden. Wij hebben eveneens gezien dat die eeuwige rede in werkelijkheid niets anders was dan het geïdealiseerde verstand van de middelburger, die zich juist toen als bourgeois ontwikkelde. Toen nu de Franse Revolutie deze maatschappij en deze staat van de rede verwerkelijkt had, bleken dan ook de nieuwe instellingen, hoe rationeel zij ook in vergelijking met de vroegere toestanden waren, geenszins absoluut redelijk te zijn. De staat van de rede was volledig in duigen gevallen. Het maatschappelijk verdrag van Rousseau had zijn realisatie gevonden in het Schrikbewind, waarvoor de bourgeoisie die met haar eigen politieke bekwaamheid geen raad wist, eerst hij de corruptie van het rectoire  en ten slotte onder de vleugels van het napoleontische despotisme haar toevlucht had gezocht. De beloofde eeuwige vrede was omgeslagen in een eindeloze veroveringsoorlog. Met de maatschappij van de rede was het niet beter gegaan. In plaats van op te gaan in het algemene welzijn was de tegenstelling tussen rijk en arm verscherpt door de afschaffing van de gilde- en andere privileges die deze tegenstelling in zekere mate overbrugden, en van de kerkelijke liefdadigheidsinstellingen, die haar enigszins verzacht hadden. Het nu waarheid geworden ‘vrij-zijn van de eigendom’ van feodale banden bleek voor de kleine burgers en boeren te bestaan in de vrijheid om deze door overmachtige concurrentie van het grootkapitaal en het grootgrondbezit in het nauw gebrachte kleine eigendom aan diezelfde grote heren te verkopen en veranderde zo voor de kleine burger en de kleine boer in een bevrijd-zijn van eigendom. De grote vlucht die de industrie op kapitalistische grondslag nam verhief armoede en ellende van de arbeidende massa’s tot een levensvoorwaarde van de maatschappij. De betaling in baar geld werd, naar de woorden van Carlyle, meer en meer de enige maatschappelijke band. Het aantal misdaden nam van jaar tot jaar toe.

Terwijl de vroeger op klaarlichte dag schaamteloos bedreven feodale ondeugden weliswaar niet uitgeroeid, maar vooralsnog toch op de achtergrond gedrongen waren, bloeiden de tot dusver slechts in stilte beoefende burgerlijke ondeugden thans des te weliger op. De handel ontwikkelde zich meer en meer tot afzetterij. De ‘broederschap’ van de revolutionaire leuze  werd werkelijkheid in de chicanes en de afgunst van de concurrentiestrijd. In plaats van de gewelddadige onderdrukking kwam de omkoperij; in plaats van de degen als belangrijkste maatschappelijke machtsinstrument het geld. Het recht van de eerste nacht ging van de feodale heren op de burgerlijke fabrikanten over. De prostitutie breidde zich in een tot nu toe ongekende omvang uit. Het huwelijk zelf bleef gelijk voorheen een wettelijk erkende vorm van en een officiële dekmantel voor de prostitutie, en werd bovendien aangevuld door wijd en zijd verbreide echtbreuk.

Kortom, vergeleken met de pralende beloften van de Verlichten bleken de uit de ‘overwinning van de rede’ ontstane maatschappelijke en politieke instellingen bitter teleurstellende karikaturen te zijn. Wat nog ontbrak, dat waren de mensen die deze teleurstelling constateerden, en die kwamen hij de eeuwwisseling. In 1802 verschenen de ‘Brieven uit Genève’ van Saint-Simon; in 1808 verscheen Fouriers eerste werk, hoewel de grondslag van zijn theorie reeds van 1799 dateerde; op 1 januari 1800 nam Robert Owen de leiding van New Lanark op zich. Omstreeks die tijd was de kapitalistische productiewijze en daarmee de tegenstelling van bourgeoisie en proletariaat echter nog zeer onontwikkeld. De in Engeland zojuist ontstane grote industrie was in Frankrijk nog onbekend. Maar het is pas de grote industrie die enerzijds de conflicten ontwikkelt, die een omwenteling in de productiewijze, het afschaffen van het kapitalistische karakter hiervan, tot een gebiedende noodzakelijkheid verheffen — conflicten niet alleen tussen de door haar geschapen klassen, maar ook tussen de door haar in het leven geroepen productiekrachten en revolutievormen zelf — en anderzijds, juist door deze reusachtige productiekrachten, ook de middelen ontwikkelt om deze conflicten op te lossen. Wanneer dus omstreeks 1800 de conflicten, die uit de nieuwe maatschappelijke orde voortkomen, nog pas bezig waren te ontstaan, dan geldt dit nog veel sterker voor de middelen tot de oplossing daarvan. Als de bezitsloze massa van Parijs tijdens het Schrikbewind een ogenblik de heerschappij had kunnen veroveren en daardoor de burgerlijke revolutie, zelfs tegen de burgerlijke klasse in, tot de overwinning had kunnen leiden, dan had zij daarmee slechts bewezen hoe onmogelijk haar heerschappij onder de toenmalige verhoudingen op de duur was. Het proletariaat, dat zich van deze bezitloze massa nog maar net begon af te zonderen als de kern van een nieuwe klasse en dat nog volkomen onbekwaam was tot zelfstandige politieke actie, bestond slechts als een onderdrukte, lijdende stand die, niet in staat zijnde zichzelf te helpen, hoogstens door krachten van buiten en van boven af geholpen kon worden.

Deze historische situatie beheerste ook de stichters van het socialisme. Aan de toestand van onrijpheid van de kapitalistische productie en aan de onrijpe klassensituatie beantwoordden onrijpe theorieën. De oplossing van de maatschappelijke vraagstukken, die nog verborgen lag in de onontwikkelde economische verhoudingen, moest uit het brein geboren worden. De maatschappij gaf slechts wantoestanden te zien; het was de taak van het denkende verstand ze op te ruimen. Het ging erom een nieuw, volmaakter systeem van maatschappelijke orde uit te denken en dit de maatschappij van buiten af, door propaganda, zo mogelijk door het voorbeeld van model-experimenten, op te leggen. Deze nieuwe sociale systemen waren hij voorbaat tot utopie veroordeeld; hoe verder zij in bijzonderheden werden uitgewerkt, des te meer moesten zij in louter fantasieën verlopen.

Na dit eenmaal vastgesteld te hebben, houden wij ons bij deze, nu geheel tot het verleden behorende kant van de zaak geen ogenblik langer op. Wij kunnen het aan literaire kruideniers overlaten, zich over deze nu nog slechts vermakelijk aandoende fantasieën gewichtig het hoofd te breken en de superioriteit van hun eigen nuchtere denkvermogen tegenover zulke ‘waanzin’ te stellen. Liever verheugen wij ons over de geniale gedachtekiemen en gedachten die overal door het fantastische omhulsel heen breken en waarvoor die filisters blind zijn.

Saint-Simon was een zoon van de grote Franse Revolutie. Toen die uitbrak was hij nog geen dertig jaar oud. De revolutie was de overwinning van de derde stand, d.w.z. van de grote, in de productie en de handel werkzame massa van de natie, op de tot dusver bevoorrechte niet-werkende standen, de adel en de geestelijkheid. Maar de overwinning van de derde stand bleek al spoedig uitsluitend een overwinning te zijn van een klein deel van die stand, bleek de verovering van de politieke macht door de maatschappelijk bevoorrechte laag daarvan, de bezittende bourgeoisie, te zijn. En die bourgeoisie had zich nog tijdens de revolutie snel ontwikkeld door middel van speculatie in geconfisqueerd en daarna verkocht grondbezit van adel en kerk, benevens door bedrog jegens de natie door de legerleveranciers. Het was juist de heerschappij van deze zwendelaars, die onder het Directoire Frankrijk en de revolutie aan de rand van de ondergang bracht en daarmee Napoleon het voorwendsel gaf tot zijn staatsgreep. Zo nam in het hoofd van Saint-Simon de tegenstelling van derde stand en bevoorrechte standen de vorm aan van de tegenstelling tussen ‘arbeiders’ en ‘niet-werkenden’. De niet-werkenden waren niet alleen de oude bevoorrechten, maar ook allen die zonder aan productie of handel deel te nemen van renten leefden. En de ‘arbeiders’ waren niet alleen de loonarbeiders, maar ook de fabrikanten, de kooplieden, de bankiers. Dat de niet-werkenden de bekwaamheid tot het geestelijk leiding geven en tot de politieke heerschappij verloren hadden, stond vast en was door de revolutie definitief bezegeld. Dat de bezitlozen deze bekwaamheid niet bezaten, leek Saint-Simon door de ervaringen van het Schrikbewind bewezen. Maar wie moest dan leiding geven en heersen? Volgens Saint-Simon moesten dat de wetenschap en de industrie doen, bijeengehouden door een nieuwe religieuze band die geroepen was de sinds de Hervorming verbrijzelde eenheid in de religieuze opvattingen te herstellen; een noodzakelijkerwijze mystiek en streng hiërarchisch ‘nieuw christendom’. Maar de wetenschap, dat waren de schoolgeleerden, en de industrie, dat waren in de eerste plaats de actieve bourgeois, fabrikanten, kooplieden, bankiers. Deze bourgeois moesten weliswaar in een soort van openbare ambtenaren, maatschappelijke vertrouwenslieden veranderen, maar toch tegenover de arbeiders een bevelende en ook economisch bevoorrechte positie behouden. In het bijzonder zouden de bankiers geroepen zijn door het regelen van het krediet de gehele maatschappelijke productie te regelen. Deze opvatting beantwoordde geheel aan een tijd, toen in Frankrijk de grote industrie, en daarmee de tegenstelling van bourgeoisie en proletariaat, nog pas bezig was te ontstaan. Maar waarop Saint-Simon in het bijzonder de nadruk legt, is dit: het was hem overal en altijd in de eerste plaats te doen om het lot van ‘de talrijkste en armste klasse’ (la classe la plus nombreuse et la plus pauvre).

Saint-Simon werpt reeds in zijn Brieven uit Genève’ de stelling op dat ‘alle mensen moeten werken’.

In hetzelfde geschrift weet hij al dat het Schrikbewind de heerschappij van de bezitloze massa’s was.

Ziet,’ roept hij hen toe, ‘wat er in Frankrijk gebeurd is in de tijd dat uw kameraden daar heersten, zij hebben hongersnood teweeggebracht.’ 

De Franse Revolutie echter op te vatten als een klassenstrijd, en wel niet alleen tussen adel en burgerij, maar tussen adel, burgerij en bezitlozen, dat was in het jaar 1802 een hoogst geniale ontdekking. In 1816 verklaart hij dat de politiek de wetenschap van de productie is, en voorspelt hij dat de politiek geheel en al in de economie zal opgaan.  Wanneer het inzicht dat de economische toestand de grondslag van de politieke instellingen is, zich hier nog pas in de kiem toont, dan is toch het overbrengen van de politieke regering over mensen naar een beheer van dingen en een leiding van productieprocessen, bijgevolg de onlangs met zoveel rumoer in eindeloze herhalingen aan de orde gestelde ‘afschaffing van de staat’, reeds duidelijk uitgesproken. Evenzeer stak hij boven zijn tijdgenoten uit, toen hij in 1814, terstond na de intocht van de bondgenoten in Parijs, en nog in 1815, gedurende de oorlog van de Honderd Dagen, het bondgenootschap van Frankrijk met Engeland en in de tweede plaats dat van beide landen met Duitsland als de enige waarborg voor de voorspoedige ontwikkeling en de vrede in Europa proclameerde. Aan de Fransen van 1815 de alliantie met de overwinnaars van Waterloo  te prediken, daartoe was inderdaad evenveel moed als historische vooruitziendheid nodig.

Terwijl wij bij Saint-Simon een geniale ruimheid van blik ontdekken, waardoor bijna alle niet strikt economische gedachten van de latere socialisten bij hem in kiem aanwezig zijn, vinden wij bij Fourier een echt Frans-vernuftige, maar daarom niet minder diep doordringende kritiek op de bestaande maatschappelijke toestanden. Fourier houdt de bourgeoisie, haar geestdriftige profeten van vóór en haar belanghebbende lofzangers van na de revolutie aan hun woord. Ongenadig legt hij de materiële en morele jammerlijkheid van de burgerlijke wereld bloot en plaatst daarnaast zowel de schitterende beloften van de vroegere Verlichters over een maatschappij waarin slechts de Rede zou heersen, over de alles gelukkig makende beschaving, over het onbegrensde vermogen van de mens tot vervolmaking, als de rooskleurige praatjes van de toenmalige bourgeoisideologen. Hij toont hoe aan de hoogdravendste frase overal de erbarmelijkste werkelijkheid beantwoordt en hij overlaadt dit reddeloze fiasco van de frase met bijtende spot. Fourier is niet alleen criticus, zijn altijd opgewekte natuur maakt hem tot satiricus en wel tot een van de grootste van alle tijden. De met de neergang van de revolutie opbloeiende zwendelspeculatie, evenals de algemene kruideniersgeest van de toenmalige Franse handel schildert hij even meesterlijk als vermakelijk. Nog meesterlijker is zijn kritiek op de burgerlijke vorm van de verhouding tussen de geslachten en de plaats van de vrouw in de burgerlijke maatschappij. Als eerste spreekt hij uit dat in een gegeven maatschappij de graad van emancipatie van de vrouw de natuurlijke maatstaf voor de algemene emancipatie is.  Het indrukwekkendst echter toont zich Fourier in zijn opvatting van de geschiedenis van de maatschappij. Hij deelt het hele verloop van de geschiedenis tot op heden in vier ontwikkelingstrappen in: de wildheid, het patriarchaat, het barbarendom en de civilisatie, welke laatste samenvalt met de thans zogenaamde burgerlijke maatschappij, dus met de sedert de 16de eeuw ingevoerde maatschappijorde. Hij toont aan, ‘dat de geciviliseerde maatschappij iedere ondeugd, die het barbarendom op eenvoudige wijze begaat, tot een gecompliceerd, dubbelzinnig, tweeslachtig, huichelachtig bestaan verheft’, dat de civilisatie zich in een ‘vicieuze cirkel’ beweegt, in tegenstrijdigheden die zij steeds opnieuw voortbrengt, zonder ze te kunnen overwinnen, zodat zij steeds het tegenovergestelde bereikt van hetgeen zij bereiken wil of voorgeeft te willen bereiken.  Zodat bvb. ‘in de civilisatie de armoede uit de overvloed zelf voortspruit’. 

Zoals men ziet, hanteert Fourier de dialectiek even meesterlijk als zijn tijdgenoot Hegel. Even dialectisch stelt hij tegenover het gepraat over het onbegrensde vermogen van de mens tot vervolmaking, dat iedere historische fase haar stijgende, maar ook haar dalende lijn heeft,  en hij past deze beschouwingswijze ook op de toekomst van de gehele mensheid toe. Zoals Kant de toekomstige ondergang van de aarde in de natuurwetenschap invoert, voert Fourier de toekomstige ondergang van de mensheid in de geschiedbeschouwing in.

Terwijl in Frankrijk de orkaan van de revolutie door het land raasde, had in Engeland een stillere, maar daarom niet minder geweldige omwenteling plaats. De stoom en de nieuwe werktuigmachinerie veranderden de manufactuur in de moderne grote industrie en revolutioneerden daarmee de gehele grondslag van de burgerlijke maatschappij. De slaperige ontwikkelingsgang van de manufactuurperiode ging over in een ware storm-en-drangperiode van de productie. Met steeds toenemende snelheid voltrok zich in de maatschappij de scheiding tussen grote kapitalisten en bezitloze proletariërs, waartussen, in plaats van de vroegere stabiele middenstand, nu een onbestendige massa van handwerkers en kleine handelaars, het meest fluctuerende deel van de bevolking, een wankel bestaan leidde. Nog was de nieuwe productiewijze pas aan het begin van haar stijgende lijn; nog was zij de normale, volgens de regels verlopende en onder de gegeven omstandigheden enig mogelijke productiewijze. Maar reeds toen bracht zij schreeuwende sociale wantoestanden teweeg: opeenhoping van een ontwortelde bevolking in de slechtste woonwijken van de grote steden — het verloren gaan van al de overgeleverde banden van traditie, patriarchale ondergeschiktheid en familie — overwerktheid, vooral van vrouwen en kinderen, in schrikbarende mate — demoralisatie op grote schaal van de plotseling in geheel nieuwe verhoudingen; van het land naar de stad, van de landbouw naar de industrie, uit stabiele in dagelijks wisselende onzekere levensomstandigheden geworpen arbeidende klasse. Toen trad een negenentwintigjarige fabrikant als hervormer op, een man van een tot het verhevene kinderlijke eenvoud van karakter en tegelijk een geboren leider van mensen, zoals er maar weinigen zijn.

Robert Owen had zich de leer van de materialistische Verlichters eigen gemaakt, volgens welke het karakter van de mens het product is enerzijds van zijn aangeboren gesteldheid en anderzijds van de hem gedurende zijn leven, maar vooral gedurende zijn ontwikkelingsperiode omringende omstandigheden. In de industriële revolutie zagen de meeste van zijn standgenoten slechts verwarring en chaos, goed om in troebel water te vissen en zich snel te verrijken. Hij zag daarin de gelegenheid zijn lievelingsstelling toe te passen en daarmee orde in de chaos te brengen. Reeds had hij het in Manchester als leider van ruim vijfhonderd arbeiders van een fabriek met succes beproefd; van 1800 tot 1829 leidde hij de grote katoenspinnerij van New Lanark in Schotland als besturend vennoot in dezelfde geest, alleen met grotere vrijheid van handelen en met een succes dat hem een Europese vermaardheid bezorgde. Een geleidelijk tot 2500 personen aangroeiende, oorspronkelijk uit de meest gemengde en grotendeels sterk gedemoraliseerde elementen samengestelde bevolking maakte hij tot een echte modelkolonie, waarin dronkenschap, politie, strafrechter, processen, armenzorg en behoefte aan liefdadigheid onbekende dingen waren. En wel eenvoudig omdat hij de mensen in menswaardiger omstandigheden bracht en vooral de opgroeiende generatie een zorgvuldige opvoeding liet geven. Hij was de uitvinder van de bewaarscholen en voerde ze hier voor het eerst in. Van het tweede levensjaar af kwamen de kinderen in de school, waar zij zich zo goed amuseerden dat zij bijna niet meer naar huis te krijgen waren. Terwijl zijn concurrenten dertien tot veertien uren per dag lieten werken, werd in New Lanark slechts tien en een half uur gewerkt. Toen het bedrijf door een katoencrisis gedurende vier maanden stilgelegd moest worden, werd aan de arbeiders die zonder werk waren het volle loon uitbetaald. En bij dit alles had de onderneming haar waarde meer dan verdubbeld en de eigenaars tot het laatst toe een ruime winst opgeleverd.

Met dit alles was Owen niet tevreden. Wat hij zijn arbeiders verschaft had, was in zijn ogen nog lang geen menswaardig bestaan; ‘de mensen waren mijn slaven’;

De betrekkelijk gunstige omstandigheden, waarin hij hen had gebracht, veroorloofden bij lange na nog geen alzijdige en rationele ontwikkeling van karakter en verstand, laat staan een leven van vrije activiteit.

‘En toch produceerde het werkende deel van deze 2500 mensen evenveel werkelijke rijkdom voor de maatschappij als nauwelijks een halve eeuw tevoren een bevolking van 600.000 had kunnen voortbrengen. Ik vroeg mij af: wat gebeurt er met het verschil tussen de door 2500 personen verbruikte rijkdom en die welke de 600.000 hadden moeten verbruiken?’

Het antwoord was duidelijk. Het was gebruikt om de bezitters van de onderneming vijf procent rente van het bedrijfskapitaal en bovendien nog meer dan 300.000 pond sterling (6.000.000 mark) winst uit te keren, En wat voor New Lanark gold, dat gold in nog hogere mate voor alle fabrieken van Engeland.

‘Zonder deze nieuwe, door de machines geproduceerde rijkdom had men de oorlogen om Napoleon ten val te brengen en de aristocratische maatschappijbeginselen staande te houden niet kunnen voeren. En toch was deze nieuwe macht de schepping van de arbeidende klasse.’ 

Haar moesten daarom ook de vruchten toebehoren. De nieuwe, geweldige productiekrachten, die tot dusver slechts dienden tot verrijking van enkelen en tot knechting van de massa’s, boden Owen de grondslag voor een nieuwe inrichting van de maatschappij; hun bestemming was dat zij als gemeenschappelijke eigendom van allen slechts voor het gemeenschappelijke welzijn van allen zouden werken.

Op zulk een zuiver zakelijke wijze, om zo te zeggen als vrucht van een koopmansberekening, ontstond het communisme van Owen. Dit op de praktijk gerichte karakter heeft het altijd behouden. Zo stelde Owen in 1823 de opheffing van de ellende in Ierland door middel van communistische kolonies voor en voegde er volledige berekeningen over investeringen, jaarlijkse uitgaven en vermoedelijke opbrengst aan toe.  Zo is in zijn definitieve toekomstplan  de technische uitwerking van bijzonderheden, met inbegrip van plattegrond, ontwerp en beeld in vogelvlucht, met zoveel kennis van zaken uitgevoerd, dat, wanneer men eenmaal de methode van Owen tot hervorming van de maatschappij aanvaardt, er tegen de onderdelen zelfs van vakstandpunt uit slechts weinig in te brengen is.

De ontwikkeling naar het communisme was het keerpunt in Owens leven. Zolang hij alleen als filantroop was opgetreden, had hij niets dan rijkdom, instemming, eer en roem geoogst. Hij was de populairste man van Europa. Niet alleen zijn standgenoten, ook staatslieden en vorsten luisterden met instemming naar hem. Toen hij echter met zijn communistische theorieën naar voren kwam, trad er een wending in. Drie grote hinderpalen vooral schenen hem de weg naar hervorming van de maatschappij te versperren: de particuliere eigendom, de godsdienst en de tegenwoordige vorm van het huwelijk. Hij wist wat hem te wachten stond wanneer hij ze aanviel: de gehele officiële maatschappij zou hem in de ban doen en zijn hele sociale positie zou hij verliezen. Maar hij liet er zich niet van weerhouden ze onverbiddelijk aan te vallen; en wat hij voorzien had gebeurde. Verbannen uit de officiële maatschappij, doodgezwegen door de pers, verarmd door mislukte communistische proefnemingen in Amerika waaraan hij zijn gehele vermogen opgeofferd had, wendde hij zich direct tot de arbeidersklasse en zette in haar midden nog dertig jaren zijn werk voort. Alle maatschappelijke bewegingen en elke werkelijke vooruitgang, die in Engeland in het belang van de arbeiders tot stand zijn gekomen, zijn met de naam Owen verbonden. Zo zette hij in 1819, na vijf jaren ingespannen arbeid, de eerste wet tot beperking van vrouwen- en kinderarbeid in de fabrieken door.  Ook was hij voorzitter van het eerste congres waar de Trade Unions van geheel Engeland zich tot één groot vakverbond verenigden.  Als overgangsmaatregelen naar de volledige communistische inrichting van de maatschappij voerde hij enerzijds de coöperaties in (verbruiks- en productiecoöperaties), die sindsdien althans het praktische bewijs hebben geleverd dat zowel de koopman als de fabrikant alleszins ontbeerlijke personen zijn; en anderzijds de arbeidsbazaars,  inrichtingen tot ruil van arbeidsproducten door middel van een arbeidspapiergeld, waarvan de arbeidsduur de eenheid uitmaakte. Deze instellingen moesten noodzakelijkerwijze mislukken, maar zij liepen toch geheel vooruit op de veel latere ‘ruilbank’  van Proudhon, waarvan zij juist verschilden, doordat zij niet optraden als het universele geneesmiddel voor alle maatschappelijke kwalen, maar slechts als een eerste stap op de weg naar een veel radicalere hervorming van de maatschappij.

De beschouwingswijze van de utopisten heeft de socialistische opvattingen van de 18de eeuw lang beheerst en beheerst ze ten dele nog. Ze werd nog tot voor zeer kort door alle Franse en Engelse socialisten gehuldigd; daartoe behoort ook het vroegere Duitse communisme, Weitling inbegrepen. Het socialisme is voor hen allen de uitdrukking van de absolute waarheid, rede en gerechtigheid; het behoeft slechts ontdekt te worden om door eigen kracht de wereld te veroveren; aangezien de absolute waarheid onafhankelijk is van tijd, ruimte en menselijke historische ontwikkeling, is het zuiver toeval wanneer en waar zij wordt ontdekt. Daarbij is dan de absolute waarheid, rede en gerechtigheid bij iedere stichter van een school verschillend; en aangezien hij elk van hen de bijzondere soort van absolute waarheid, rede en gerechtigheid weer afhangt van zijn subjectieve verstand, van zijn levensomstandigheden, zijn mate van kennis en geschooldheid in het denken, is voor dit conflict van absolute waarheden geen andere oplossing mogelijk dan dat zij elkaar over en weer afslijpen.

Dat kon dan weer niets anders opleveren dan een soort eclectisch doorsnee socialisme, zoals het inderdaad tot op heden in de hoofden van de meeste socialistische arbeiders in Frankrijk en Engeland heerst; een uiterst veelsoortige schakeringen toelatend mengelmoes van de minder aanstoot verwekkende kritische uitspraken, economische leerstellingen en maatschappelijke toekomstbeelden van de verschillende sektestichters, een mengelmoes dat des te gemakkelijker tot stand komt, naarmate in de stroom van de debatten van de afzonderlijke bestanddelen de scherpe kanten van de concreetheid zijn afgeslepen, zoals bij ronde kiezelstenen in een beek. Om van het socialisme een wetenschap te maken, daarvoor moest het eerst op een reële grondslag geplaatst worden.

 

 

 

 

II.

[Dialectiek]

 

 

Intussen was naast en na de Franse filosofie van de 18de eeuw de nieuwere Duitse filosofie ontstaan, die in Hegel haar afsluiting had gevonden. Haar grootste verdienste was het weer opvatten van de dialectiek als hoogste denkvorm. De oude Griekse wijsgeren waren van nature allen geboren dialectici en de universeelste kop onder hen, Aristoteles, had ook reeds de meest wezenlijke vormen van dialectisch denken onderzocht. De nieuwere filosofie daarentegen, hoewel de dialectiek ook in haar schitterende vertegenwoordigers had (bvb. Descartes en Spinoza), was vooral onder Engelse invloed meer en meer in de zogenaamde metafysische denkwijze vastgelopen, die ook de Fransen van de 18de eeuw, althans in hun specifiek filosofische werken, bijna uitsluitend beheerste. Buiten de eigenlijke filosofie waren zij eveneens in staat meesterstukken van dialectiek te leveren; wij herinneren slechts aan ‘Rameau’s neef’ van Diderot  en aan de ‘Verhandeling over de oorsprong van de ongelijkheid onder de mensen’ van Rousseau. Wij duiden hier in het kort het wezen van beide denkmethoden aan.

Wanneer wij de natuur of de menselijke geschiedenis of de werkzaamheid van onze eigen geest tot voorwerp van ons denken maken, doet zich allereerst aan ons het beeld voor van een oneindige vervlechting van samenhang en wisselwerking, waarin niets blijft wat, waar en hoe het was, maar alles zich beweegt, verandert, wordt en vergaat. Wij zien dus allereerst het totaalbeeld, waarin de bijzonderheden nog meer of minder op de achtergrond blijven; wij letten meer op de beweging, de overgangen, de samenhangen dan op dat wat beweegt, overgaat of samenhangt. Deze oorspronkelijke, naïeve, maar wat het wezen van de zaak aangaat juiste wereldbeschouwing is die van de oude Griekse filosofie en is voor het eerst door Heraclitos duidelijk uitgesproken: Alles is en is ook niet, want alles vloeit, is bezig voortdurend te veranderen, voortdurend te worden en te vergaan. Maar deze opvatting, hoe juist zij ook het algemene karakter van het totaalbeeld van de verschijnselen weergeeft, is toch niet voldoende om de afzonderlijke delen te verklaren waaruit dit totaalbeeld is samengesteld; en zolang wij deze niet kennen, wordt ons ook het totaalbeeld niet duidelijk. Om deze afzonderlijke delen te leren kennen, moeten wij ze uit hun natuurlijke of historische verband losmaken en ze, ieder op zichzelf, op hun geaardheid, bijzondere oorzaken, werkingen enz. onderzoeken. Dit is allereerst de taak van de natuurwetenschap en de geschiedvorsing, takken van onderzoek die om zeer goede redenen bij de Grieken uit het klassieke tijdperk slechts een ondergeschikte plaats innamen, daar deze vooral eerst het materiaal daarvoor moesten vergaren. Pas nadat de natuurlijke en historische stof tot op zekere hoogte is verzameld, kan het kritisch schiften, het vergelijken resp. het indelen in klassen, orden en soorten ter hand worden genomen. Het begin van het exacte natuuronderzoek wordt daarom eerst bij de Grieken van de Alexandrijnse periode en later, in de Middeleeuwen, door de Arabieren verder ontwikkeld; een werkelijke natuurwetenschap dateert intussen eerst uit de tweede helft van de 15de eeuw en sedertdien is zij met steeds toenemende snelheid vooruitgegaan.

De ontleding van de natuur in haar afzonderlijke delen, de indeling van de verschillende verschijnselen en voorwerpen van de natuur in bepaalde klassen, het onderzoek van het inwendige van de organische lichamen naar hun onderscheidene anatomische structuren was de hoofdvoorwaarde voor de geweldige vooruitgang die de laatste vierhonderd jaren ons op het gebied van de kennis van de natuur hebben gebracht. Maar ze heeft ons tevens de gewoonte nagelaten de voorwerpen en verschijnselen van de natuur op zichzelf, buiten het grote totale verband te beschouwen, d.w.z. niet in hun beweging, maar in hun stilstand; niet als in wezen veranderlijke, maar als onbeweeglijke grootheden; niet in hun leven, maar in hun dood. En doordat deze beschouwingswijze uit de natuurwetenschap overging op de filosofie, zoals dat bij Bacon en Locke het geval was, heeft zij die bijzondere soort van bekrompenheid van de laatste eeuwen, de metafysische denkwijze, voortgebracht.

Voor de metafysisch denkende mens zijn de dingen en hun afbeeldingen in het denken, de begrippen, op zichzelf staande, vaste, starre, eens en voor altijd gegeven voorwerpen van onderzoek, die één voor één en apart bekeken moeten worden. Hij denkt in louter scherpe tegenstellingen; bij hem is het ja, ja, neen, neen; wat daar bovenuit gaat is uit den boze. Voor hem bestaat een ding of het bestaat niet; een ding kan evenmin tegelijk zichzelf en een ander zijn. Positief en negatief sluiten elkaar absoluut uit; oorzaak en gevolg staan eveneens in starre tegenstelling tot elkaar. Deze denkwijze lijkt op het eerste gezicht hoogst aannemelijk, omdat zij die van het zogenaamd gezonde mensenverstand is. Maar hoe respectabel dat gezonde mensenverstand ook zijn mag binnen het huisbakken gebied van zijn vier muren, het beleeft de zonderlingste avonturen zodra het zich in de wijde wereld van het onderzoek waagt. En op hoe ruime, al naar de aard van het voorwerp meer of minder uitgestrekte gebieden de metafysische beschouwingswijze ook gerechtvaardigd en zelfs noodzakelijk is, toch stoot zij telkens, vroeger of later op een grens, aan de andere zijde waarvan zij eenzijdig, bekrompen, abstract wordt en zich in onoplosbare tegenstrijdigheden verwart, omdat zij vanwege de afzonderlijke dingen hun verband, vanwege hun zijn hun worden en vergaan, vanwege hun rust hun beweging vergeet; omdat zij door de bomen het bos niet ziet. In dagelijks voorkomende gevallen weten wij bijvoorbeeld en kunnen wij met beslistheid zeggen of een dier bestaat of niet. Bij nader onderzoek echter ontdekken wij dat dit vaak een zeer ingewikkelde zaak is, zoals de juristen zeer goed weten, die zich vergeefs hebben ingespannen een redelijke grens te ontdekken van waar af het doden van het kind in het lichaam van de moeder moord is. En het is even onmogelijk het ogenblik van de dood vast te stellen, aangezien de fysiologie aantoont dat de dood niet een eenmalig gebeuren van een ogenblik is, maar een zeer langdurig proces. Evenzo is ieder organisch wezen ieder ogenblik hetzelfde en niet hetzelfde; ieder ogenblik verwerkt het van buiten toegevoerde stoffen en scheidt andere af, ieder ogenblik sterven cellen van zijn lichaam af en vormen zich nieuwe; na langere of kortere tijd is de stof van dit lichaam volkomen vernieuwd, door andere stofatomen vervangen, zodat ieder georganiseerd  wezen steeds hetzelfde en toch een ander is. Ook vinden wij bij nadere beschouwing dat de beide polen van een tegenstelling, zoals positief en negatief, even onscheidbaar als aan elkaar tegengesteld zijn en dat zij elkaar ondanks alle tegengesteldheid toch wederzijds doordringen.

Evenzo dat oorzaak en gevolg voorstellingen zijn, die slechts bij toepassing op het afzonderlijke geval gelden, die echter, zodra wij het afzonderlijke geval in zijn algemene samenhang met het wereldgeheel beschouwen, samenvallen, zich oplossen in de visie van de universele wisselwerking, waar oorzaken en gevolgen voortdurend van plaats wisselen en dat wat nu of hier gevolg, ginds of dan oorzaak wordt en omgekeerd.

Al deze processen en denkmethoden passen niet in het raam van het metafysische denken. Voor de dialectiek daarentegen, die de dingen en hun afbeeldingen in het denken hoofdzakelijk in hun verband, hun aaneenschakeling, hun beweging, hun ontstaan en vergaan opvat, zijn verschijnselen als hierboven genoemd evenzoveel bevestigingen vast haar eigen methode. De natuur is de proef op de dialectiek En wij moeten erkennen dat de moderne natuurwetenschap voor deze proef uiterst overvloedig, dagelijks toenemend materiaal heeft geleverd en daarmee heeft bewezen dat het in de natuur in laatste instantie dialectisch en niet metafysisch toegaat, dat zij zich niet in de eeuwige eentonigheid van een steeds herhaalde kring voortbeweegt, maar een werkelijke geschiedenis doormaakt. Hier moet voor alles Darwin genoemd worden, die aan de metafysische natuurbeschouwing een enorme slag heeft toegebracht door het bewijs te leveren dat de gehele tegenwoordige organische natuur, planten en dieren en daarmee ook de mens, het product is van een miljoenen jaren in beslag nemend ontwikkelingsproces. Omdat echter de natuuronderzoekers die dialectisch hebben leren denken tot lieden te tellen zijn, is uit dit conflict tussen de ontdekte resultaten en de overgeleverde denkwijze de grenzeloze verwarring te verklaren, die thans in de theoretische natuurwetenschap heerst en die zowel leraar als leerling, schrijver als lezer wanhopig maakt.

Een exacte beschrijving van het heelal, van zijn ontwikkeling en van die van de mensheid, evenals van het spiegelbeeld van deze ontwikkeling in de hoofden van de mensen, kan dus slechts langs de weg van de dialectiek tot stand komen, ouder voortdurende inachtneming van de algemene wisselwerkingen van worden en vergaan, van voor- of achterwaarts gerichte veranderingen. In deze zin trad de nieuwere Duitse filosofie ook terstond op. Kant opende er zijn loopbaan mee dat hij het stabiele zonnestelsel van Newton en zijn — nadat de beroemde eerste stoot eenmaal was gegeven — eeuwige duur in een historisch proces oploste en wel in het ontstaan van de zon en van alle planeten uit een wentelende nevelmassa. Daarbij maakte hij reeds de gevolgtrekking dat met dit ontstaan tevens de toekomstige ondergang van het zonnestelsel noodzakelijk gegeven is. Zijn opvatting werd een halve eeuw later door Laplace wiskundig gefundeerd en nog een halve eeuw later toonde de spectroscoop het bestaan van zulke gloeiende gasmassa’s in verschillende verdichtingsgraden in het heelal aan. 

Deze nieuwere Duitse filosofie vond haar afsluiting met het systeem van Hegel, waarin voor het eerst — en dat is zijn grote verdienste — heel de natuurlijke, historische en geestelijke wereld als een proces, d.w.z. als in voortdurende beweging, verandering, gedaanteverwisseling en ontwikkeling zijnde, voorgesteld werd en er naar gestreefd werd het innerlijke verband van deze beweging en ontwikkeling aan te tonen. Van dit gezichtspunt uit vertoonde de geschiedenis van de mensheid zich niet meer als een wilde chaos van zinloze gewelddadigheden, die voor de rechterstoel van de nu gerijpte wijsgerige rede alle even verwerpelijk zijn en die men liefst zo snel mogelijk vergeet, maar als het ontwikkelingsproces van de mensheid zelf; het werd nu de taak van het denken de trapsgewijze ontwikkeling van dit proces langs alle dwaalwegen te volgen, zijn innerlijke wetmatigheid door al het schijnbaar toevallige heen aan te tonen.

Dat het systeem van Hegel de taak die het zich stelde niet vervuld heeft, doet hier niet ter zake. Zijn baanbrekende verdienste is dat hij haar aan de orde heeft gesteld. Het is nu eenmaal een taak die geen enkeling ooit zal kunnen oplossen. Ofschoon Hegel — naast Saint-Simon — de meest universele kop van zijn tijd was, was hij toch beperkt en wel ten eerste door de noodzakelijke begrensdheid van zijn eigen kennis en ten tweede door de eveneens naar omvang en diepte begrensde kennis en opvattingen van zijn tijd. Daar kwam echter nog een derde factor bij. Hegel was idealist, d.w.z. voor hem golden de gedachten in zijn hoofd niet als de min of meer abstracte afbeeldingen van de werkelijke dingen en gebeurtenissen, maar omgekeerd golden voor hem de dingen en hun ontwikkeling slechts als de verwerkelijkte afbeeldingen van de ergens reeds vóór het wereldbestaan aanwezige ‘Idee’.

Daarmee was alles op zijn kop gezet en de werkelijke samenhang van de wereld volledig omgekeerd. En hoe juist en geniaal dan ook menige op zichzelf staande samenhang door Hegel werd opgevat, zo moest toch om de genoemde redenen ook wat de onderdelen aangaat veel geknutseld, gekunsteld, geconstrueerd, kortom verkeerd uitvallen. Het systeem van Hegel als zodanig was een kolossale misgeboorte — maar ook de laatste van dien aard. Het leed namelijk nog aan een ongeneeslijke innerlijke tegenstrijdigheid: enerzijds ging het in het wezen van de zaak uit van het historische inzicht dat de menselijke geschiedenis een ontwikkelingsproces is, dat naar zijn aard niet door de ontdekking van een zogenaamde absolute waarheid verstandelijk afgesloten kan worden; anderzijds echter beweert het systeem juist de totaliteit van die absolute waarheid te zijn. Een alomvattend, eens en voor altijd afgerond systeem van de kennis van natuur en geschiedenis is in strijd met de grondwetten van het dialectische denken; wat intussen geenszins uitsluit maar integendeel inhoudt dat de systematische kennis van de gehele buitenwereld van geslacht op geslacht reusachtige vooruitgang kan boeken.

Het inzicht in de algehele verkeerdheid van het tot heden bestaande Duitse idealisme leidde noodzakelijkerwijze tot het materialisme, maar wel te verstaan niet tot het louter metafysische, uitsluitend mechanische materialisme van de 18de eeuw. Tegenover het naïef-revolutionaire, simpele verwerpen van de gehele vroegere geschiedenis ziet het moderne materialisme in de geschiedenis het ontwikkelingsproces van de mensheid en heeft het tot taak de bewegingswetten van dit proces te ontdekken. Tegenover de zowel bij de Fransen van de 18de eeuw, alsook nog bij Hegel heersende voorstelling van de natuur als van een in enge kringlopen zich bewegend, aan zichzelf gelijk blijvend geheel met eeuwige hemellichamen, zoals Newton, en met onveranderlijke soorten van organische wezens, zoals Linnaeus had geleerd, vat het moderne materialisme de nieuwe vorderingen van de natuurwetenschappen samen, volgens welke de natuur eveneens haar geschiedenis in de tijd heeft; de hemellichamen zowel als de verschillende soorten van organismen die deze hemellichamen onder gunstige omstandigheden bewonen, ontstaan en vergaan, terwijl de kringlopen, voor zover zij dan nog toelaatbaar blijven, oneindig grootsere dimensies aannemen. In beide gevallen is dat materialisme in wezen dialectisch en heeft geen boven de andere wetenschappen staande filosofie meer nodig. Zodra aan iedere afzonderlijke wetenschap de eis wordt gesteld zich van haar plaats in de samenhang van de dingen en van de kennis van de dingen rekenschap te geven, is iedere bijzondere wetenschap van de totale samenhang overbodig. Wat er dan van de hele tot dusver bestaande filosofie nog zelfstandig blijft bestaan is de leer van het denken en zijn wetten — de formele logica en de dialectiek. Al het andere gaat op in de positieve wetenschap van natuur en geschiedenis.

Terwijl echter de ommekeer in de natuurbeschouwing zich slechts kon voltrekken naarmate het onderzoek de daarvoor noodzakelijke positieve feitenkennis leverde, waren reeds veel vroeger historische feiten naar voren gekomen, die in de geschiedbeschouwing een beslissende wending teweegbrachten. In 1831 had in Lyon de eerste opstand van arbeiders plaatsgevonden; van 1838 tot 1842 bereikte de eerste nationale arbeidersbeweging, die van de Engelse Chartisten, haar hoogtepunt. In de geschiedenis van de verst gevorderde landen van Europa, trad de klassenstrijd tussen proletariaat en bourgeoisie op de voorgrond naarmate zich daar enerzijds de grootindustrie, anderzijds de pas veroverde politieke heerschappij van de bourgeoisie ontwikkelde. De leerstellingen van de burgerlijke economie over het samenvallen van de belangen van kapitaal en arbeid, over de algemene harmonie en de algemene volkswelvaart als gevolg van de vrije concurrentie, werden door de feiten steeds afdoender gelogenstraft. Al deze dingen konden niet meer van de hand gewezen worden, evenmin als het Franse en Engelse socialisme, dat daarvan de theoretische, zij het dan ook zeer onvolkomen uitdrukking was. Maar de oude idealistische geschiedbeschouwing, die nog niet was verdrongen, kende geen op materiële belangen berustende klassenstrijd, kende zelfs in het geheel geen materiële belangen; voor haar was de productie en waren alle economische verhoudingen slechts bijzaak, een element van ondergeschikte betekenis in de ‘cultuurgeschiedenis’.

De nieuwe feiten dwongen ertoe de hele tot dusver bestaande geschiedenis aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, en daaruit bleek dat alle geschiedenis tot nu toe, met uitzondering van de oertoestand, de geschiedenis van klassenstrijd was geweest, dat deze elkaar bestrijdende maatschappelijke klassen telkens voortspruiten uit de productie- en ruilverhoudingen, kortom uit de economische verhoudingen van hun tijd; dat dus steeds de economische structuur van de maatschappij de werkelijke grondslag vormt, waaruit de gehele bovenbouw van de juridische en politieke instellingen, evenals van de religieuze, filosofische en andere voorstellingswijzen van elk historisch tijdperk in laatste instantie verklaard moeten worden. Hegel had de geschiedkundige opvattingen bevrijd van de metafysica, hij had deze dialectisch gemaakt — maar zijn opvatting van de geschiedenis was in wezen idealistisch. Nu was het idealisme uit zijn laatste toevluchtsoord, uit de geschiedkunde, verdreven, was er een materialistische opvatting van de geschiedenis gegeven en was de weg gevonden om het bewustzijn van de mensen te verklaren ruit hun zijn, in plaats van zoals tot dusver hun zijn uit hun bewustzijn.

Voortaan verscheen het socialisme niet meer als de toevallige ontdekking van deze of gene geniale kop, maar als het noodzakelijke product van de strijd tussen twee historisch ontstane klassen, het proletariaat en de bourgeoisie. Het was niet meer zijn taak een zo volmaakt mogelijk maatschappijsysteem te scheppen, maar het historische economische verloop, waaruit deze klassen en hun strijd noodzakelijk waren voortgekomen, te onderzoeken en in de daardoor ontstane economische situatie de middelen tot oplossing van het conflict te ontdekken. Met deze materialistische beschouwing was echter het tot dusver bestaande socialisme even onverenigbaar als de natuurbeschouwing van het Franse materialisme met de dialectiek en de nieuwere natuurwetenschap. Het tot nu toe bestaande socialisme bekritiseerde weliswaar de bestaande kapitalistische productiewijze met haar gevolgen, maar het kon ze niet verklaren en er dus ook niet mee klaar komen; het kon ze alleen als slecht verwerpen. Hoe heftiger het tegen de van deze productiewijze onafscheidelijke uitbuiting van de arbeidersklasse ijverde, des te minder was het in staat duidelijk aan te geven waarin deze uitbuiting bestaat en hoe ze ontstaat. Het ging er echter om de kapitalistische productiewijze enerzijds in haar historische verband en haar noodzakelijkheid voor een bepaald tijdperk van de geschiedenis, dus ook de noodzakelijkheid van haar ondergang, te verklaren; anderzijds echter ook haar innerlijke aard bloot te leggen, die nog steeds verborgen was. Dit geschiedde door het onthullen van de meerwaarde.

Bewezen werd dat het toe-eigenen van onbetaalde arbeid de grondvorm van de kapitalistische productiewijze en van de door haar tot stand gebrachte uitbuiting van de arbeider is; dat de kapitalist, zelfs wanneer hij de arbeidskracht van zijn arbeider koopt tegen de volle waarde, die zij als waar op de warenmarkt heeft, daaruit toch meer waarde haalt dan hij ervoor betaald heeft; en dat deze meerwaarde in laatste instantie de waardesom vormt waaruit de steeds toenemende kapitaalmassa zich in de handen van de bezittende klassen ophoopt. De toedracht zowel van de kapitalistische productie als van de productie van kapitaal was verklaard.

Deze beide grote ontdekkingen: de materialistische geschiedbeschouwing en de onthulling van het geheim van de kapitalistische productie door middel van de meerwaarde hebben wij aan Marx te danken. Met deze ontdekkingen werd het socialisme een wetenschap die, en daar gaat het nu allereerst om, in al haar onderdelen en samenhangen verder uitgewerkt moet worden.

 

 

 

 

 

III.

[Historisch materialisme]

 

 

 

De materialistische geschiedbeschouwing gaat uit van de stelling dat de productie, en naast de productie de ruil van haar producten, de grondslag van iedere maatschappij orde is; dat in iedere in de historie optredende maatschappij de verdeling van de producten en daarmee de sociale indeling in klassen of standen zich ernaar richten wat en hoe er geproduceerd en hoe het geproduceerde geruild wordt. Op grond hiervan moeten de uiteindelijke oorzaken van alle maatschappelijke veranderingen en politieke omwentelingen niet gezocht worden in de hoofden van de mensen, in hun dieper wordend inzicht in de eeuwige waarheid en gerechtigheid, maar in veranderingen in de wijze van productie en ruil; zij moeten gezocht worden niet in de filosofie, maar in de economie van het desbetreffende tijdperk. Het ontwakend inzicht dat de bestaande maatschappelijke instellingen onredelijk en onrechtvaardig zijn, dat rede tot onzin, weldaad tot plaag  is geworden, is er slechts een teken van dat zich in de productiemethoden en in de ruilvormen in alle stilte veranderingen hebben voltrokken, waarmee de op vroegere economische voorwaarden ingestelde maatschappelijke orde niet meer overeenstemt. Daarmee is tevens gezegd dat de middelen om de ontdekte wantoestanden uit de weg te ruimen, eveneens in de veranderde productieverhoudingen zelf — meer of minder ontwikkeld — aanwezig moeten zijn. Deze middelen moeten geenszins met het verstand uitgedacht, zij moeten door middel van het verstand in de aanwezige materiële feiten van de productie ontdekt worden.

Hoe staat het op grond hiervan nu met het moderne socialisme?

De bestaande maatschappijorde — dat wordt nu vrijwel algemeen toegegeven — is geschapen door de thans heersende klasse, de bourgeoisie. De aan de bourgeoisie eigen productiewijze, die sedert Marx met de naam kapitalistische productiewijze wordt aangeduid, verdroeg zich niet met de plaatselijke en standenprivileges en met de wederzijdse persoonlijke banden van de feodale orde; de bourgeoisie verbrijzelde de feodale orde en stichtte op haar puinhopen de burgerlijke inrichting van de maatschappij, het rijk van de vrije concurrentie, de bewegingsvrijheid, de gelijke rechten voor de warenbezitters en hoe al die burgerlijke heerlijkheden meer mogen heten. De kapitalistische productiewijze kon zich nu vrij ontplooien. Van de tijd af dat de stoom en de nieuwe werktuigmachinerie de oude manufactuur in grote industrie hadden veranderd, ontwikkelden zich de onder leiding van de bourgeoisie tot stand gekomen productieverhoudingen  in een tot dusver ongekend tempo en op ongekende schaal. Maar zoals destijds de manufactuur en het onder haar invloed verder ontwikkelde handwerk met de feodale ketenen van de gilden in conflict kwamen, komt de grote industrie in baar meer volledige ontwikkeling in conflict met de grenzen, waarbinnen de kapitalistische productiewijze haar ingeperst houdt. Reeds zijn de nieuwe productiekrachten aan de burgerlijke wijze om deze te benutten over het hoofd gegroeid; en dit conflict tussen productiekrachten en productiewijze is niet een conflict dat in de hoofden van de mensen ontstaan is, zo ongeveer als dat tussen de menselijke erfzonde en de goddelijke gerechtigheid, ‘naar het bestaat in de feiten objectief, buiten ons, onafhankelijk van de wil of bemoeiing zelfs van hen die dat conflict teweeggebracht hebben. Het moderne socialisme is niets anders dan de gedachteweerspiegeling van dit feitelijke conflict, zijn ideële weerkaatsing in de hoofden van allereerst die klasse, die daaronder direct te lijden heeft, de arbeidersklasse.

Waarin bestaat nu dit conflict?

Vóór de kapitalistische productiewijze, in de Middeleeuwen dus, bestond algemeen kleinbedrijf, gebaseerd op het feit dat de arbeiders hun productiemiddelen in particulier eigendom hadden: de akkerbouw van de kleine, vrije of horige boeren, het handwerk in de steden. De arbeidsmiddelen — grond, landbouwwerktuigen, werkplaats, handwerktuig — waren arbeidsmiddelen van de enkeling, slechts op eigen gebruik berekend en dus noodzakelijk nietig, dwergachtig, beperkt. Maar juist daarom behoorden zij in de regel aan de producent zelf. Deze verstrooide, beperkte productiemiddelen te concentreren, ze uit te breiden, ze om te zetten in de geduchte hefbomen van de productie van tegenwoordig, dat was juist de historische rol van de kapitalistische productiewijze en van haar draagster, de bourgeoisie. Hoe zij dit sedert de 15de eeuw in de drie stadia van de eenvoudige coöperatie, de manufactuur en de grote industrie historisch tot stand heeft gebracht, is door Marx in de vierde afdeling van ‘Het kapitaal’ uitvoerig beschreven. Maar de bourgeoisie kon, zoals daar eveneens is aangetoond, die beperkte productiemiddelen niet tot geweldige productiekrachten maken, zonder deze van productiemiddelen van de enkeling te veranderen in maatschappelijke productiemiddelen, die slechts door een geheel van mensen te gebruiken zijn. In plaats van het spinnewiel, het handweefgetouw, de smidshamer, kwam de spinmachine, het mechanische weefgetouw, de stoomhamer; in plaats van de individuele werkplaats de fabriek die de samenwerking van honderden en duizenden noodzakelijk maakte. En evenals de productiemiddelen veranderde ook de productie zelf van een reeks van afzonderlijke handelingen in een reeks maatschappelijke daden, en de producten van individuen werden maatschappelijke producten. Het garen, het weefsel, de metaalwaren, die nu uit de fabriek kwamen, waren het gemeenschappelijke product van vele arbeiders, door wier handen zij achtereenvolgens moesten gaan, voordat zij gereed kwamen. Niet één van die arbeiders kan zeggen: dat heb ik gemaakt, dat is mijn product.

Maar waar de van nature en zonder enig plan geleidelijk ontstane arbeidsverdeling binnen de maatschappij de grondvorm van de productie is, daar drukt zij de producten het stempel vanwaren op, waarvan de wederzijdse ruil, koop en verkoop, de afzonderlijke producenten in staat stelt hun verschillende behoeften te bevredigen. En dit was in de Middeleeuwen het geval. De boer bvb verkocht landbouwproducten aan de handwerker en kocht daarvoor van hem handwerkproducten. In deze maatschappij van afzonderlijke producenten, warenproducenten, drong nu de nieuwe productiewijze door. Midden in de vanzelf ontstane planloze arbeidsverdeling, zoals deze in de gehele maatschappij heerste, plaatste zij de planmatige arbeidsverdeling, zoals deze in de afzonderlijke fabriek georganiseerd was; naast de productie van de enkeling trad de maatschappelijke productie. Van beide werden de producten op dezelfde markt verkocht, dus bij benadering voor dezelfde prijzen. Maar de planmatige organisatie was machtiger dan de natuurlijke arbeidsverdeling; de maatschappelijk werkende fabrieken produceerden hun voortbrengselen goedkoper dan de op zichzelf staande kleine producenten.

De productie van de enkeling moest het op het ene gebied na het andere afleggen, de maatschappelijke productie revolutioneerde de gehele oude productiewijze. Haar revolutionaire aard werd echter zo weinig begrepen dat zij integendeel werd ingevoerd als middel om de waren-productie te doen opleven en te bevorderen. Zij ontstond direct in aansluiting aan bepaalde, reeds bestaande hefbomen van de warenproductie en de warenruil: koopmanskapitaal, handwerk, loonarbeid. Terwijl zij zelf optrad als een nieuwe vorm van de warenproductie, bleven de toeëigeningsvormen van de warenproductie ook voor haar ten volle van kracht.

Bij de warenproductie, zoals die zich in de Middeleeuwen had ontwikkeld, kon de vraag in het geheel niet opkomen aan wie het voortbrengsel van de arbeid moest toebehoren. De afzonderlijke producent had het in de regel uit de hem toebehorende, vaak zelf gewonnen grondstoffen, met eigen arbeidsmiddelen en niet de arbeid van zijn eigen handen of die van zijn gezin vervaardigd. Het behoefde in het geheel niet eerst door hem toegeëigend te worden, het behoorde hem geheel vanzelf toe. De eigendom van de producten berustte dus op eigen arbeid. Zelfs waar vreemde hulp gebruikt werd, bleef deze in de regel bijzaak en werd meestal behalve door loon, nog op andere wijze vergoed: de gildenleerling en -gezel werkten minder ter wille van kost en loon, dan wel ter wille van hun eigen opleiding tot meester. Daarna kwam de concentratie van de productiemiddelen in grote werkplaatsen en manufactuurbedrijven, hun verandering in feitelijk maatschappelijke productiemiddelen. Maar met de maatschappelijke productiemiddelen en producten ging men te werk alsof ze, evenals vroeger, de productiemiddelen en producten van enkelingen waren. Terwijl de bezitter van de arbeidsmiddelen zich tot dusver het product toegeëigend had omdat het in de regel zijn eigen product en vreemde arbeidshulp daarbij uitzondering was, nu ging de bezitter van de arbeidsmiddelen voort zich het product toe te eigenen, hoewel het niet meer zijn product was, maar uitsluitend het product van vreemde arbeid. Zo werden dus de thans maatschappelijk vervaardigde producten niet toegeëigend door hen, die de productiemiddelen werkelijk in beweging gebracht en de producten werkelijk voortgebracht hadden, maar door de kapitalist.

Productiemiddel en productie zijn in wezen maatschappelijk geworden. Maar zij worden aan een toeëigeningsvorm onderworpen, die de particuliere productie van de enkeling tot voorwaarde heeft, waarbij dus ieder zijn eigen product bezit en op de markt brengt. De productiewijze wordt aan deze toeëigeningsvorm onderworpen, hoewel zij de voorwaarde daartoe opheft. 

In deze tegenstrijdigheid, die aan de nieuwe productiewijze haar kapitalistische karakter verleent, ligt het gehele conflict van de tegenwoordige tijd reeds in de kiem opgesloten. Hoe meer de nieuwe productiewijze op alle beslissende gebieden van de productie en in alle economisch beslissende landen de heersende werd en daarmee de individuele productie, op onbeduidende resten na, verdrong, des te scherper moest ook de onverenigbaarheid van maatschappelijke productie en kapitalistische toeëigening aan de dag treden.

De eerste kapitalisten troffen, zoals gezegd, de loonarbeid reeds als een bestaande vorm aan. Maar loonarbeid als uitzondering, als bijzaak, als noodhulp, als tijdelijke bezigheid. De landarbeider, die van tijd tot tijd in dagloon ging werken, had zijn eigen paar morgen grond, waarvan hij desnoods kon leven. De gildenbepalingen zorgden ervoor dat de gezel van heden de meester van morgen werd. Zodra echter de productiemiddelen tot maatschappelijke gemaakt en in handen van kapitalisten geconcentreerd werden, veranderde dit. Zowel het productiemiddel als het product van de kleine op zichzelf staande producent werd steeds waardelozer; er bleef hem niets anders over dan bij de kapitalist in loondienst te gaan. De loonarbeid, vroeger uitzondering en noodhulp, werd regel en grondvorm van de gehele productie; wat voorheen bijzaak was, werd thans de enige werkzaamheid van de arbeider. De menigte van levenslange loonarbeiders werd bovendien ontzaglijk vergroot door de gelijktijdige ineenstorting van de feodale orde, de ontbinding van het gevolg van de feodale heren, de verdrijving van de boeren van hun hofsteden enz. De scheiding tussen de in handen van de kapitalisten geconcentreerde productiemiddelen enerzijds en de tot het bezit van niets anders dan hun arbeidskracht teruggebrachte producenten anderzijds, was voltrokken. De tegenstrijdigheid tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toeëigening doet zich aan ons voor als tegenstelling van proletariaat en bourgeoisie.

Wij zagen dat de kapitalistische productiewijze binnendrong in een maatschappij van warenproducenten, van individuele producenten, die met elkaar in maatschappelijk verband stonden door middel van de ruil van hun producten. Maar iedere op warenproductie berustende maatschappij heeft het eigenaardige dat daarin de producenten de heerschappij over hun eigen maatschappelijke betrekkingen hebben verloren. Ieder produceert voor zichzelf met zijn toevallige productiemiddelen en voor zijn speciale ruilbehoefte. Geen van hen weet hoeveel er van zijn artikel op de markt komt, hoeveel er in het algemeen van nodig is; geen van hen weet of er aan zijn individueel product werkelijk behoefte bestaat, of hij er zijn kosten zal uithalen, ja zelfs of het te verkopen zal zijn. Er heerst anarchie in de maatschappelijke productie. Maar de warenproductie heeft, zoals iedere andere productievorm, de haar eigen, inherente, van haar onafscheidelijke wetten; en deze wetten zetten zich door ondanks de anarchie, in en via die anarchie. Zij komen te voorschijn in de enige vorm van maatschappelijke samenhang die blijft bestaan, in de ruil, en zij doen zich aan de afzonderlijke producenten voor als de dwingende wetten van de concurrentie. Zij zijn aan deze producenten zelf aanvankelijk dus onbekend en zij moeten pas door lange ervaring langzamerhand door hen ontdekt worden. Zij zetten zich dus zonder de producenten en tegen de producenten door, als de blind werkende natuurwetten van hun productievorm. Het product beheerst de producenten.

In de middeleeuwse maatschappij, met name in de eerste eeuwen daarvan, was de productie voornamelijk op het eigen gebruik gericht. Zij bevredigde hoofdzakelijk slechts de behoeften van de producent en van zijn gezin. Waar, zoals op het land, verhoudingen van persoonlijke afhankelijkheid bestonden, droeg zij ook bij tot bevrediging van de behoeften van de feodale heer. Hierbij vond dus geen ruil plaats, de producten namen daarom ook niet het karakter van waren aan. Het gezin van de boer produceerde bijna alles wat het nodig had, gereedschap en kleding niet minder dan levensmiddelen. Eerst toen het zover kwam dat het een overschot boven de eigen behoefte en de aan de feodale heer verschuldigde leveringen in natura voortbracht, eerst toen produceerde het ook waren; dit overschot, in het maatschappelijke ruilverkeer gebracht, ten verkoop aangeboden, werd waar. De stedelijke handwerkers moesten weliswaar reeds terstond voor de ruil produceren. Maar ook zij verkregen het grootste deel van wat zij zelf nodig hadden uit eigen arbeid; zij hadden tuinen en kleine akkers; zij brachten hun vee naar het gemeenschapsbos, dat hun bovendien bouw- en brandhout leverde. De vrouwen sponnen vlas, wol enz. De productie met de ruil als doel, de warenproductie, begon pas op te komen. Vandaar beperkte ruil, beperkte markt, stabiele productiewijze, plaatselijke afgeslotenheid naar buiten, plaatselijke samenvoeging naar binnen; de mark op het land, het gilde in de stad.

Met de uitbreiding van de warenproductie echter en vooral met het optreden van de kapitalistische productiewijze traden ook de tot dusver sluimerende wetten van de warenproductie openlijker en krachtiger in werking. De oude bindingen werden losser, de oude afscheidingen werden doorbroken, de producenten veranderden meer en meer in onafhankelijke, op zichzelf staande warenproducenten. De anarchie van de maatschappelijke productie trad aan de dag en werd steeds meer op de spits gedreven. Maar het voornaamste werktuig, waarmee de kapitalistische productiewijze deze anarchie in de maatschappelijke productie deed toenemen, was juist het tegenovergestelde van anarchie: de toenemende organisatie van de productie, als een maatschappelijke, in elk afzonderlijk productiebedrijf. Met deze hefboom maakte zij een einde aan de oude vreedzame stabiliteit. Waar zij in een tak van industrie werd ingevoerd, duldde zij geen oudere bedrijfsmethode naast zich. Waar zij zich van het handwerk meester maakte, vernietigde zij het oude handwerk. Het gebied van de arbeid werd een gebied van strijd. De grote aardrijkskundige ontdekkingen en de daarop volgende kolonisaties vermenigvuldigden het afzetgebied en bespoedigden de omzetting van handwerk in manufactuur. Niet alleen tussen de afzonderlijke plaatselijke producenten brak de strijd uit; de plaatselijke strijd groeide op zijn beurt uit tot nationale strijd, tot de handelsoorlogen van de 17de en 18de eeuw. 

De grote industrie en het ontstaan van de wereldmarkt hebben tenslotte de strijd universeel gemaakt en hem tegelijkertijd een ongehoorde heftigheid gegeven. Tussen afzonderlijke kapitalisten evenals tussen gehele industrieën en gehele landen beslist de gunst van de natuurlijke of kunstmatig geschapen productievoorwaarden over het bestaan. Wie het onderspit delft, wordt meedogenloos opzij geschoven. Het is de darwinistische strijd om het bestaan van de enkeling uit de natuur met versterkte heftigheid naar de maatschappij overgebracht. Het natuurlijke standpunt van het dier verschijnt als topvorm van de menselijke ontwikkeling. De tegenstrijdigheid tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toeëigening verschijnt nu als tegenstelling tussen de organisatie van de productie in de afzonderlijke fabriek en de anarchie van de productie in de gehele maatschappij.

In deze beide verschijningsvormen van de tegenstrijdigheid, waarmee zij door haar oorsprong onafscheidelijk verbonden is, beweegt zich de kapitalistische productiewijze en beschrijft zij reddeloos die vicieuze cirkel, die Fourier reeds bij haar ontdekte. Wat Fourier in zijn tijd overigens nog niet kon zien, is dat deze kringloop geleidelijk nauwer wordt, dat de beweging veeleer die van een spiraal is en, evenals die van de planeten, haar eind moet vinden in een botsing met het centrum. Het is de drijvende kracht van de maatschappelijke anarchie van de productie, die de grote meerderheid van de mensen meer en meer tot proletariërs maakt en het zijn op hun beurt de massa’s van de proletariërs, die tenslotte aan de anarchie van de productie een einde zullen maken. Het is de drijvende kracht van de anarchie van de maatschappelijke productie, die de oneindige mogelijkheid tot vervolmaking van de machines van de grote industrie voor iedere individuele industriële kapitalist verandert in het dwingende gebod om zijn machines, op straffe van ondergang, meer en meer te vervolmaken. Maar vervolmaking van de machinerie betekent het overtollig maken van de menselijke arbeid. Wanneer de invoering en vermeerdering van de machinerie het verdringen van miljoenen handarbeiders door weinige machinearbeiders betekent, dan betekent verbetering van de machinerie de verdringing van meer en meer machinearbeiders zelf en in laatste instantie het voortbrengen van een aantal beschikbare loonarbeiders, dat de gemiddelde behoefte aan tewerkstelling door het kapitaal te boven gaat, een volslagen industrieel reserveleger, zoals ik het in 1845  reeds noemde, beschikbaar voor tijden, waarin de industrie onder hoge druk werkt, op straat geworpen door de noodzakelijk volgende krach, te allen tijde een loden last aan de voeten van de arbeidersklasse in haar bestaansstrijd tegen het kapitaal en een regulateur tot het laag houden van het arbeidsloon op het aan de kapitalistische behoefte aangepaste lage niveau. Zo komt het, om met Marx te spreken, dat de machinerie het krachtigste strijdmiddel van het kapitaal tegen de arbeidersklasse wordt, dat het arbeidsmiddel de arbeider voortdurend het levensmiddel uit de hand slaat, dat het eigen product van de arbeider in een werktuig tot knechting van de arbeider verandert. Zo komt het dat het besparen van arbeidsmiddelen bij voorbaat tegelijk een niets ontziende verkwisting van arbeidskracht wordt, een roof aan de normale arbeidsvoorwaarden; dat de machinerie, het machtigste middel tot verkorting van de arbeidstijd, omslaat in het meest onfeilbare middel om de gehele levenstijd van de arbeider en zijn gezin in beschikbare arbeidstijd ten bate van het kapitaal te veranderen; zo komt het dat de overmatige arbeid van de een voorwaarde wordt voor de werkloosheid van de ander en dat de grote industrie, die de hele aardbol afstroopt op zoek naar nieuwe consumenten, de consumptie van de massa’s in het eigen land tot een hongerminimum beperkt en daardoor de eigen binnenlandse markt ondermijnt.

‘De wet, die de relatieve overbevolking of het industriële reserveleger steeds in evenwicht houdt met de omvang en de kracht van de kapitaalaccumulatie, smeedt de arbeider vaster aan het kapitaal dan Prometheus door de kluisters van Hephaistos aan de rots werd geklonken. Deze wet heeft een aan de accurnulatie van het kapitaal evenredige accumulatie van ellende tot gevolg. De accumulatie van rijkdom aan de ene pool is dus tegelijk accumulatie van ellende, kwellende arbeid, slavernij, onwetendheid, verdierlijking en morele ontaarding aan de tegenpool, d.w.z. aan de zijde van de klasse die haar eigen product als kapitaal produceert.’

(Marx, ‘Het kapitaal’, blz. 671.)

En van de kapitalistische productiewijze een andere verdeling van de producten te verwachten zou gelijk staan met de eis dat de elektroden van een batterij, zolang zij daarmee verbonden zijn, het water niet zouden ontleden en niet zuurstof aan de positieve en waterstof aan de negatieve pool zouden ontwikkelen.

Wij zagen hoe de tot het uiterste opgevoerde mogelijkheid tot vervolmaking van de moderne machinerie als gevolg van de anarchie van de productie in de maatschappij voor de afzonderlijke industriële kapitalist verandert in het dwingende gebod om zijn machinerie steeds te verbeteren, haar productievermogen steeds te verhogen. De eenvoudige feitelijke mogelijkheid tot uitbreiding van zijn productiegebied wordt voor hem eveneens tot zulk een dwingend gebod. Het ontzaglijke uitzettingsvermogen van de grote industrie, waarbij dat van de gassen waarlijk kinderspel is, verschijnt nu voor onze ogen als een kwalitatieve en kwantitatieve uitzettingsbehoefte, die met iedere tegendruk spot. De tegendruk wordt gevormd door de consumptie, de afzet, de markten voor de producten van de grote industrie. Maar de uitzettingsmogelijkheid van de markten, zowel in extensieve als in intensieve zin, wordt voorhands door geheel andere, veel minder krachtige wetten beheerst. De uitbreiding van de markten kan met de uitbreiding van de productie geen gelijke tred houden. De botsing wordt onvermijdelijk en daar ze geen oplossing kan brengen zolang zij niet de kapitalistische productiewijze zelf verbrijzelt, wordt zij periodiek. De kapitalistische productie brengt een nieuwe ‘vicieuze cirkel’ voort.

Sedert 1825, toen de eerste algemene crisis uitbrak, loopt het inderdaad zo ongeveer elke tien jaar spaak met de gehele industrie- en handelswereld, met de productie en de ruil van alle beschaafde volken en hun meer of minder barbaarse aanhangsels.

Het verkeer stagneert, de markten zijn overvuld, de producten blijven liggen, even talrijk als onverkoopbaar, het bare geld wordt onzichtbaar, het krediet verdwijnt, de fabrieken staan stil, de arbeidende massa’s krijgen gebrek aan levensmiddelen omdat zij te veel levensmiddelen hebben geproduceerd; het ene bankroet volgt op het andere, de ene gedwongen verkoop op de andere. De stagnatie duurt jaren, productiekrachten zowel als producten worden op grote schaal verspild en vernield, totdat de opgestapelde warenmassa met groter of kleiner waardeverlies eindelijk wegvloeien, totdat productie en ruil geleidelijk weer op gang komen. Geleidelijk wordt de gang sneller, geraakt in draf, de industriële draf gaat over in galop en deze versnelt zich op zijn beurt tot de teugelloze carrière van een volslagen steeple-chase van industrie, handel, krediet en speculatie, om eindelijk na de meest halsbrekende sprongen weer terecht te komen in de greppel van de krach. En zo steeds weer opnieuw. Dat hebben wij nu sedert 1825 precies vijf keer beleefd en wij beleven het op dit ogenblik (1877) voor de zesde keer. En de aard van deze crises is zo scherp omlijnd dat Fourier ze alle gekenmerkt heeft, toen hij de eerste kenschetste als crise pléthorique, crisis uit overvloed’. 

In de crises komt de tegenstrijdigheid tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toeëigening tot een gewelddadige uitbarsting. De warenomloop is voor het ogenblik vernietigd: het circulatiemiddel, het geld wordt een belemmering voor de circulatie; alle wetten van de warenproductie en de warencirculatie worden op hun kop gezet. De economische botsing heeft haar hoogtepunt bereikt: De productiewijze komt in opstand tegen de ruilwijze.

Het feit dat de maatschappelijke organisatie van de productie binnen de fabriek zich ontwikkeld heeft tot het punt, waar zij zich niet meer verdraagt met de naast en boven haar bestaande anarchie van de productie in de maatschappij — dit feit wordt voor de kapitalisten zelf tastbaar gemaakt door de gewelddadige concentratie van de kapitalen, die zich gedurende de crises voltrekt door middel van de ruïnering van vele grote en nog meer kleine kapitalisten. Het hele mechanisme van de kapitalistische productiewijze schiet te kort onder de druk van de door haarzelf in het leven geroepen productiekrachten. Zij kan deze massa van productiemiddelen niet meer alle in kapitaal omzetten; zij liggen braak en juist daarom moet ook het industriële reserveleger braak liggen. Productiemiddelen, levensmiddelen, beschikbare arbeiders, alle elementen van de productie en van de algemene rijkdom zijn in overvloed voorhanden. Maar ‘de overvloed wordt een bron van nood en gebrek’ (Fourier), omdat het juist de overvloed is, die de verandering van de productie- en levensmiddelen in kapitaal verhindert. Want in de kapitalistische maatschappij kunnen de productiemiddelen niet in werking treden, tenzij zij vooral de gedaante van kapitaal, van middel tot uitbuiting van menselijke arbeidskracht, aangenomen hebben. De noodzaak voor de productie- en levensmiddelen ons de eigenschap van kapitaal aan te nemen staat als een spookbeeld tussen hen en de arbeiders. Die alleen belet het samenkomen van de zakelijke en persoonlijke hefbomen van de productie; die alleen verbiedt de productiemiddelen te functioneren en de arbeiders te werken en te leven. Enerzijds wordt dus het bewijs geleverd dat de kapitalistische productiewijze zelf niet in staat is deze productiekrachten verder beheren. Anderzijds gaat van deze productiekrachten zelf niet toenemende kracht de drang uit naar opheffing van de tegenstrijdigheid, naar de bevrijding van hun eigenschap als kapitaal, naar de erkenning in feite van hun karakter als maatschappelijke productiekrachten.

Het is deze tegendruk van de geweldig toenemende productiekrachten tegen hun eigenschap als kapitaal, deze stijgende dwang tot erkenning van hun maatschappelijke aard, die de kapitalistenklasse zelf er meer en meer toe dwingt ze, voor zover dit althans binnen het bestek van de kapitalistische verhoudingen mogelijk is, als maatschappelijke productiekrachten te behandelen. Zowel de periode van industriële hoogconjunctuur met haar grenzeloos opzwellen van het krediet, als de door de ineenstorting van grote, kapitalistische instellingen veroorzaakte krach zelf drijven naar die vorm van vermaatschappelijking van vrij grote massa’s productiemiddelen, die wij in de verschillende soorten van maatschappijen op aandelen ontmoeten. Sommige van deze productie- en verkeersmiddelen zijn hij voorbaat reeds zo kolossaal dat zij, zoals de spoorwegen, iedere andere vorm van kapitalistische uitbuiting uitsluiten.

Op een bepaalde trap van ontwikkeling voldoet ook deze vorm niet meer; de binnenlandse grote producenten van een zelfde tak van industrie verenigen zich tot een ‘trust’, een vereniging met het doel de productie te regelen; zij stellen de totaal te produceren hoeveelheid vast, zij verdelen deze onder elkaar en dwingen zo de van tevoren vastgestelde verkoopprijs af. Omdat zulke trusts echter hij de eerste de beste slechte tijd in zaken meestal uit hun voegen raken, drijven zij daardoor juist naar een nog meer geconcentreerde vermaatschappelijking: de gehele tak van industrie wordt één grote maatschappij op aandelen, de binnenlandse concurrentie maakt plaats voor het binnenlandse monopolie van deze ene maatschappij; zoals dit nog in 1890 met de Engelse alkaliproductie gebeurd is, die thans, na de samensmelting van alle 48 grote fabrieken in de hand van een enkele, onder één leiding staande maatschappij met een kapitaal van 120 miljoen mark bedreven wordt.

In de trusts slaat de vrije concurrentie in het monopolie om, capituleert de planloze productie van de kapitalistische maatschappij voor de planmatige productie van de binnendringende socialistische maatschappij. Weliswaar voorlopig nog ten bate van de kapitalisten. Maar hier wordt de uitbuiting zo zonneklaar dat zij ineenstorten moet. Geen volk zou met een door trusts geleide productie, met een zo onbemantelde uitbuiting van het geheel door een kleine bende couponknippers genoegen nemen.

Op de ene of andere wijze, met of zonder trusts, tenslotte moet de officiële vertegenwoordiger van de kapitalistische maatschappij, de staat, de leiding van de productie op zich nemen. Deze noodzaak van omzetting in staatseigendom treedt allereerst aan de dag bij de grote verkeersinstellingen: post, telegrafie, spoorwegen.

Onthulden de crises de onbekwaamheid van de bourgeoisie om de moderne productiekrachten nog verder te beheren, de omzetting van de grote productie- en verkeersinstellingen in maatschappijen op aandelen, trusts en staatseigendom toont aan dat de bourgeoisie voor dit doel ontbeerd kan worden. Alle maatschappelijke functies van de kapitalist worden nu door betaalde ambten waargenomen. De kapitalist heeft geen maatschappelijke bezigheid meer, behalve inkomsten opstrijken, coupons knippen en aan de beurs speculeren, waar de verschillende kapitalisten elkaar hun kapitaal afhandig maken. Terwijl de kapitalistische productiewijze eerst arbeiders verdrongen heeft, verdringt zij thans de kapitalisten en verwijst hen, precies als de arbeiders, naar de rijen van de overtollige bevolking, zij het voorlopig ook nog niet naar het industriële reserveleger.

Maar noch de verandering in maatschappijen op aandelen en trusts, noch die in staatseigendom heft de kapitaaleigenschap van de productiekrachten op. Bij de maatschappijen op aandelen en trusts ligt dit voor de hand. En de moderne staat is op zijn beurt slechts de organisatie, die de burgerlijke maatschappij zich verschaft om de algemene uiterlijke geldende voorwaarden van de kapitalistische productiewijze in stand te houden tegen aanslagen zowel door de arbeiders als door afzonderlijke kapitalisten. De moderne staat is, hoe zijn vorm ook moge zijn, in wezen een kapitalistische machine, de staat van de kapitalisten, de ideële universele kapitalist. Hoe meer productiekrachten hij als eigendom overneemt, des te meer wordt hij werkelijk universeel kapitalist en des te meer staatsburgers buit hij uit. De arbeiders blijven loonarbeiders, proletariërs. De kapitaalverhouding wordt niet opgeheven, zij wordt veeleer op de spits gedreven. Maar op de spits gedreven slaat zij om. De staatseigendom van de productiekrachten is niet de oplossing van het conflict, maar bergt wel het formele middel, het aanknopingspunt voor een oplossing, in zich.

Deze oplossing kan slechts daarin liggen dat de maatschappelijke natuur van de moderne productiekrachten werkelijk erkend wordt dat dus de wijze van productie, toeëigening en ruil in overeenstemming gebracht wordt met het maatschappelijke karakter van de productiemiddelen. En dit kan slechts gebeuren doordat de maatschappij zich openlijk en zonder omwegen meester maakt van de productiekrachten, die aan iedere leiding behalve de hare ontgroeid zijn. Daarmee wordt het maatschappelijke karakter van de productiemiddelen en van de producten — dat zich nu tegen de producenten zelf keert, dat periodiek de productie- en ruilwijze verstoort en zich slechts als blindelings werkende natuurwet gewelddadig en vernielend doorzet — door de producenten volledig bewust tot gelding gebracht en van een oorzaak van storing en periodieke ineenstorting wordt het juist de machtigste hefboom van de productie.

De krachten die in de maatschappij werkzaam zijn werken net als de natuurkrachten: blindelings, gewelddadig, vernielend, zolang wij ze niet kennen en er geen rekening mee houden. Maar hebben wij ze eenmaal leren kennen en hun werkzaamheid, hun richtingen en uitwerkingen begrepen, dan hangt het slechts van ons af om ze steeds meer aan onze wil te onderwerpen en door middel ervan onze doeleinden te bereiken. En dit geldt zeer in het bijzonder voor de huidige, geweldige productiekrachten. Zolang wij hardnekkig weigeren hun aard en karakter te begrijpen en tegen dit begrijpen verzetten zich de kapitalistische productiewijze en haar verdedigers, zolang oefenen deze krachten hun werking uit ondanks ons en tegen ons, zolang beheersen zij ons, zoals wij dat uitvoerig uiteengezet hebben. Maar eenmaal in hun aard begrepen, kunnen zij in handen van de geassocieerde producenten van duivelse heersers in gewillige dienaren veranderd worden. Het is het onderscheid tussen het vernielende geweld van de elektriciteit en de bliksem van het onweer en de getemde elektriciteit van telegraaf en lichtboog; het onderscheid tussen de laaiende brand en het vuur dat in dienst van de mens zijn werk doet. Met deze behandeling van de huidige productiekrachten op grond van hun eindelijk begrepen natuur treedt in de plaats van de maatschappelijke anarchie in de productie een maatschappelijk planmatige regeling van de productie naar de behoeften van de gemeenschap en tevens van iedere enkeling. Daarmee wordt de kapitalistische wijze van toeëigening, waarbij het product eerst de producent, daarna echter ook de toeëigenaar knecht, vervangen door de op de aard van de moderne productiemiddelen zelf berustende wijze van toeëigening van de producten: enerzijds direct maatschappelijke toeëigening als middel tot instandhouding en uitbreiding van de productie, anderzijds direct individuele toeëigening als levens- en genotmiddel.

Doordat de kapitalistische productiewijze de grote meerderheid van de bevolking meer en meer in proletariërs verandert, schept zij de macht die gedwongen is deze omwenteling, op straffe van ondergang, te voltrekken. Door steeds meer aandrang uit te oefenen in de richting van het veranderen van de grote vermaatschappelijkte productiemiddelen in staatseigendom, wijst zij zelf de weg naar de voltrekking van die omwenteling. Het proletariaat maakt zich meester van de staatsmacht en maakt de productiemiddelen allereerst tot staatseigendom. Maar daarmee heft het zichzelf als proletariaat op, en ook alle klassenverschillen en klassentegenstellingen, en daarmee ook de staat als staat. De tot dusver bestaande, in klassentegenstellingen zich bewegende maatschappij had de staat nodig, d.w.z. een organisatie van de respectieve uitbuitende klasse voor de instandhouding van haar uiterlijke productievoorwaarden, dus niet name voor het met geweld in bedwang houden van de uitgebuite klasse onder voorwaarden van onderdrukking, zoals die door de bestaande productiewijze zijn gegeven (slavernij, lijfeigenschap of horigheid, loonarbeid). De staat was de officiële vertegenwoordiger van de gehele maatschappij, haar samenvatting in een zichtbaar orgaan, maar hij was dit slechts voorzover hij de staat was van de klasse, die zelf in haar tijd de gehele maatschappij vertegenwoordigde: in de Oudheid de staat van de slavenhoudende staatsburgers, in de Middeleeuwen van de feodale adel, in onze tijd van de bourgeoisie. Doordat hij eindelijk werkelijk vertegenwoordiger van de gehele maatschappij wordt, maakt hij zichzelf overbodig. Zodra er geen maatschappelijke klasse meer onderdrukt behoeft te worden, zodra met de klassenheerschappij en de strijd om het individuele bestaan, die op de tot dusver bestaande anarchie in de productie berust, de daaruit voortvloeiende botsingen en buitensporigheden zijn opgeruimd, valt er niets meer te onderdrukken, dat een bijzondere onderdrukkingsmacht, een staat, nodig zou maken. De eerste daad, waarbij de staat werkelijk als vertegenwoordiger van de gehele maatschappij optreedt de inbezitneming van de productiemiddelen in naam van de maatschappij, is tegelijk zijn laatste zelfstandige daad als staat. Het ingrijpen van een staatsmacht in maatschappelijke verhoudingen wordt op het ene gebied na het andere overbodig en slaapt dan vanzelf in. In plaats van de regering over personen komt het beheer over zaken en het leiden van productieprocessen. De staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij sterft af. Hiernaar kan men de frase over ‘de vrije volksstaat’  beoordelen, dus zowel wat betreft haar tijdelijke agitatorische gerechtvaardigheid, als wat betreft haar uiteindelijke ontoereikendheid voor de wetenschap; hieraan dient eveneens de eis van de zogenaamde anarchisten te worden afgemeten dat de staat van vandaag op morgen moet worden afgeschaft.

Het in bezit nemen van alle productiemiddelen door de maatschappij heeft, sedert de kapitalistische productiewijze in de geschiedenis is opgetreden, zowel enkelingen als gehele sekten vaak meer of minder vaag als toekomstideaal voor ogen gezweefd. Maar mogelijk, historische noodzakelijkheid kon dit eerst worden toen de feitelijke voorwaarden voor de verwezenlijking ervan aanwezig waren. Evenals iedere andere maatschappelijke vooruitgang wordt dit uitvoerbaar niet doordat men tot het inzicht komt dat het bestaan van de klassen in strijd is met de gerechtigheid, de gelijkheid enz., niet enkel door de wil om deze klassen af te schaffen, maar door bepaalde nieuwe economische voorwaarden. De splitsing van de maatschappij in een uitbuitende en een uitgebuite, een heersende en een onderdrukte klasse was een noodzakelijk gevolg van de vroegere geringe ontwikkeling van de productie. Zolang de totale maatschappelijke arbeid slechts weinig meer oplevert dan voor het nooddruftig bestaan van allen noodzakelijk is, zolang dus de arbeid de gehele of bijna de gehele tijd van de grote meerderheid van de leden van de maatschappij in beslag neemt, zo lang is deze maatschappij noodzakelijkerwijs in klassen verdeeld. Naast de uitsluitend door de arbeid in beslag genomen meerderheid vormt zich een klasse die van rechtstreeks productieve arbeid bevrijd is en die voor de gemeenschappelijke aangelegenheden van de maatschappij zorg draagt: leiding van de arbeid, staatszaken, justitie, wetenschap, kunst enz. Het is derhalve de wet van de arbeidsverdeling, die aan de klassenindeling ten grondslag ligt. Maar dit belet niet dat deze indeling in klassen met geweld en roof, met list en bedrog is doorgezet en dat de heersende klasse, eenmaal in het zadel, nooit in gebreke is gebleven om haar heerschappij op kosten van de arbeidende klasse te consolideren en de leiding over de maatschappij om te zetten in verhoogde uitbuiting van de massa’s.

Maar wanneer hierdoor de indeling in klassen een zekere historische rechtvaardiging heeft, dan heeft zij die toch slechts voor een bepaalde tijdsduur, voor bepaalde maatschappelijke verhoudingen. Zij was gebaseerd op de ontoereikendheid van de productie; zij zal worden weggevaagd door de volle ontplooiing van de moderne productiekrachten. En inderdaad heeft de afschaffing van de maatschappelijke klassen een historische ontwikkelingsgraad tot voorwaarde, waarop het bestaan niet slechts van deze of gene bepaalde heersende klasse, maar van een heersende klasse in het algemeen, dus van het klassenonderscheid zelf, een anachronisme geworden, verouderd is. Zij heeft dus een graad van ontwikkeling van de productie tot voorwaarde, waarbij de toeëigening van productiemiddelen en producten en daarmede van de politieke heerschappij, van het onderwijsmonopolie en van geestelijke leiding door een bijzondere maatschappelijke klasse niet alleen overbodig, maar ook economisch. politiek en intellectueel een hinderpaal voor de ontwikkeling is geworden. Dit punt is thans bereikt. Is het politieke en intellectuele bankroet van de bourgeoisie voor haarzelf nauwelijks meer een geheim, haar economische bankroet herhaalt zich regelmatig elke tien jaren. In iedere crisis verstikt de maatschappij onder de drukkende last van haar eigen productiekrachten en producten, die zij niet gebruiken kan, en staat zij hulpeloos tegenover de onzinnige tegenstrijdigheid dat de producenten niets te consumeren hebben om dat er gebrek aan consumenten is. De uitzettingskracht van de productiemiddelen verbreekt de banden, die de kapitalistische productiewijze haar heeft aangelegd. Haar bevrijding uit deze banden is de enige voorwaarde voor een ononderbroken, steeds sneller voortschrijdende ontwikkeling van de productiekrachten en daarmee van een praktisch onbegrensde verhoging van de productie zelf. Maar dat is niet alles. De maatschappelijke toeëigening van de productiemiddelen doet niet alleen de thans bestaande kunstmatige belemmering van de productie verdwijnen, maar ook de stellige verspilling en verwoesting van productiekrachten en producten, die tegenwoordig de onvermijdelijke begeleiders zijn van de productie en in de crises hun hoogtepunt bereiken.

Voorts maakt zij een grote hoeveelheid productiemiddelen en producten voor de gemeenschap vrij door een einde te maken aan de onzinnige weeldeverkwisting van de tegenwoordig heersende klasse en hun politieke vertegenwoordigers. De mogelijkheid om aan alle leden van de maatschappij door de maatschappelijke productie een bestaan te verzekeren, dat niet alleen materieel volkomen toereikend is en van dag tot dag rijker wordt, maar dat hun ook de volledige vrije ontwikkeling en werkzaamheid van hun lichamelijke en geestelijke aanleg waarborgt — deze mogelijkheid bestaat nu voor de eerste maal, maar zij bestaat. 

Met het in bezit nemen van de productiemiddelen door de maatschappij is de warenproductie afgeschaft en daarmee de heerschappij van het product over de producenten. De anarchie in de maatschappelijke productie wordt vervangen door planmatige, bewuste organisatie. De strijd om het individuele bestaan houdt op. De mens verlaat daarmee in zekere zin pas voorgoed het dierenrijk en komt uit dierlijke bestaansvoorwaarden in waarlijk menselijke. Het milieu van de levensvoorwaarden, die de mensen omgeven en hen tot dusver beheersten komt nu onder heerschappij en controle van de mensen die thans voor het eerst bewuste, werkelijke meesters over de natuur worden omdat en doordat zij meesters over hun eigen vermaatschappelijking worden. De wetten van hun eigen maatschappelijke handelen, die vroeger tegenover hen stonden als vreemde, hen beheersende natuurwetten, worden dan door de mensen met volledige kennis van zaken toegepast en zodoende beheerst. De eigen vermaatschappelijking van de mensen, waarmee ze tot dusver geconfronteerd waren als iets dat door de natuur en de geschiedenis aan hen was opgedrongen, wordt nu hun vrije daad. De objectieve, vreemde machten, die tot dusverre de geschiedenis beheersten, komen onder de controle van de mensen zelf. Eerst van dan af zullen de mensen hun geschiedenis in volle bewustheid zelf maken, eerst van dan af zullen de door hen in beweging gebrachte maatschappelijke oorzaken overwegend en in steeds toenemende mate ook de door hen gewilde uitwerkingen hebben, het is de sprong van de mensheid uit het rijk van de noodzakelijkheid naar het rijk van de vrijheid.

Laten wij tot slot onze uiteenzettingen kort samenvatten:

I. Middeleeuwse maatschappij: Kleine individuele productie. Productiemiddelen op het individuele gebruik ingesteld, derhalve elementair onbeholpen, peuterig, van een zeer beperkte uitwerking. Productie voor het onmiddellijke gebruik, hetzij van de producent zelf, hetzij van zijn feodale heer. Slechts daar, waar een overschot van deze productie boven het gebruik bestaat, wordt dit overschot te koop aangeboden en geruild: warenproductie dus pas in haar ontstaan; maar reeds nu behelst zij in kiemvorm de anarchie in de maatschappelijke productie.

II. Kapitalistische revolutie: Omvorming van de industrie, eerst door middel van de eenvoudige coöperatie en de manufactuur. Concentratie van de tevoren verstrooide productiemiddelen in grote werkplaatsen en daarmee hun verandering van productiemiddelen van de individuele producent in maatschappelijke — een verandering die de vorm van de ruil over het geheel niet aantast. De oude toeëigeningsvormen blijven van kracht. De kapitalist treedt op, in zijn hoedanigheid van eigenaar van de productiemiddelen eigent hij zich ook de producten toe en maakt ze tot waren. De productie is een maatschappelijke handeling geworden; de ruil en daarmede de toe-eigening blijven individuele handelingen, handelingen van de enkeling: Het maatschappelijke product wordt toegeëigend door de individuele kapitalist. Fundamentele tegenstrijdigheid, waaruit alle tegenstrijdigheden voortvloeien, waarbinnen de tegenwoordige maatschappij zich beweegt en die de grote industrie openlijk aan het daglicht brengt.

A. Scheiding van de producent van de productiemiddelen. Veroordeling van de arbeider tot levenslange loonarbeid. Tegenstelling van proletariaat en bourgeoisie.

B. De wetten, die de warenproductie beheersen, treden meer en meer op de voorgrond en doen zich steeds meer gelden. Teugelloze concurrentiestrijd.Tegenstrijdigheid tussen de maatschappelijke organisatie in de afzonderlijke fabriek en de maatschappelijke anarchie in de productie in haar geheel.

C. Aan de ene kant vervolmaking van de machinerie, door de concurrentie voor elke individuele fabrikant een dwingend gebod geworden, gelijkstaand met het in steeds sterkere mate buiten dienst stellen van arbeiders: industrieel reserveleger. Anderzijds grenzeloze uitbreiding van de productie, eveneens een dwingende wet van de concurrentie voor elke fabrikant. Van beide zijden een ongekende ontwikkeling van de productiekrachten, het aanbod overtreft de vraag, overproductie, overvoerdheid van de markten, eens in de tien jaren crisis, vicieuze cirkel: overvloed hier, van productiemiddelen en producten — overvloed daar, van arbeiders zonder werk en zonder bestaansmiddelen; maar deze beide hefbomen van de productie en de maatschappelijke welstand kunnen niet bijeenkomen, omdat de kapitalistische vorm van de productie het de productiekrachten verbiedt te werken en de producten te circuleren, tenzij zij zich van tevoren in kapitaal veranderd hebben: en dat verhindert juist hun eigen overvloed. De tegenstrijdigheid is tot ongerijmdheid opgevoerd: De productiewijze komt in opstand tegen de ruilvorm. Tegen de bourgeoisie is het bewijs geleverd dat zij niet bij machte is haar eigen maatschappelijke productiekrachten verder te leiden.

D. Gedeeltelijke erkenning van het maatschappelijke karakter van de productiekrachten, waartoe de kapitalisten zelf genoodzaakt worden. Toeëigening van de grote productie- en verkeersorganismen, eerst door maatschappijen op aandelen, later door trusts, vervolgens door de staat. De bourgeoisie blijkt een overbodige klasse te zijn; al haar maatschappelijke functies worden nu door bezoldigde beambten vervuld.

III. Proletarische revolutie: oplossing van de tegenstrijdigheden: Het proletariaat maakt zich meester van de openbare macht en verandert met behulp van die macht de maatschappelijke productiemiddelen, die aan de handen van de bourgeoisie ontglippen, in openbare eigendom. Door deze daad bevrijdt het de productiemiddelen van de eigenschap als kapitaal, die zij tot dusverre hadden, en geeft het aan hun maatschappelijke karakter de volle vrijheid om zich te ontplooien. Een maatschappelijke productie naar een vooraf vastgesteld plan wordt nu mogelijk. De ontwikkeling van de productie maakt het voortbestaan van verschillende maatschappelijke klassen tot een anachronisme. Naarmate de anarchie van de maatschappelijke productie verdwijnt, slaapt ook de politieke autoriteit van de staat in. De mensen, eindelijk meesters van hun eigen wijze van vermaatschappelijking, worden daarmee tegelijk meesters van de natuur, meesters van zichzelf — vrij.

Deze wereldbevrijdende daad te volbrengen is de historische roeping van het moderne proletariaat. Haar historische voorwaarden en daarmee haar natuur zelf te doorgronden en zo aan de tot actie geroepen, thans onderdrukte klasse de voorwaarden en de aard van haar eigen actie tot bewustzijn te brengen, dat is de taak van de theoretische uitdrukking van de proletarische beweging, van het wetenschappelijke socialisme.

Geschreven van januari tot medio maart 1880.

 

 

 

 

 

 

De Mark

(De Duitse boer. Wat was hij? Wat zou hij kunnen zijn?)

 

In een land als Duitsland, waar nog ruim de helft van de bevolking van de landbouw leeft, is het noodzakelijk dat de socialistische arbeiders, en via hen de boeren, te weten komen hoe de tegenwoordige grondeigendom, zowel de grote als de kleine, is ontstaan; het is noodzakelijk dat tegenover de huidige armoede van de dagloners en tegenover de huidige schuldslavernij van de kleine hoeren de oude gemeenschapseigendom wordt gesteld van alle vrije mannen aan hetgeen voor hen toentertijd waarachtig een ‘vaderland’, een overgeërfd vrij, gemeenschappelijk bezit was. Ik geef daarom een korte historische schets van de oeroude Duitse grondregeling, waarvan armoedige resten tot in onze dagen zijn blijven voortbestaan, maar die in de hele Middeleeuwen als grondslag en voorbeeld van elke openbare regeling heeft gediend en het hele openbare leven, niet alleen in Duitsland, maar ook in Noord-Frankrijk, Engeland en Scandinavië heeft doordrongen. En toch kon ze dermate in vergetelheid raken dat G. L. Maurer haar werkelijke betekenis pas in de laatste tijd opnieuw moest ontdekken.

Twee op natuurlijke wijze ontstane feiten beheersen de oergeschiedenis van alle of toch bijna alle volkeren: de geleding van het volk volgens verwantschap en gemeenschappelijk bezit van de grond. Zo was het ook hij de Duitsers. Zoals zij de geleding volgens stammen, grote families en geslachten uit Azië hadden meegebracht, zoals zij nog ten tijde van de Romeinen hun slagorde dusdanig vormden dat steeds de naaste bloedverwanten schouder aan schouder stonden, zo beheerste deze geleding ook het in bezit nemen van het nieuwe gebied ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau. In de nieuwe woonplaats vestigde elke stam zich niet naar willekeur of toeval, maar, zoals Ceasar uitdrukkelijk meedeelt, volgens de geslachtsverwantschap van de stamleden.  Aan de het dichtst aan elkaar verwante grotere groepen viel een bepaald gebied toe, waarin de afzonderlijke geslachten die een aantal families omvatten, zich dan weer dorpsgewijs vestigden. Een aantal verwante dorpen vormde een honderdschap (Oudhoogduits huntari, Oudnoors heradh), een aantal honderdschappen vormde een gouw; alle gouwen samen waren het volk zelf. De grond die de nederzetting niet in beslag nam bleef ter beschikking van het honderdschap; wat niet aan deze was toebedeeld, bleef aan de gouw; wat dan nog beschikbaar was — meestal een zeer groot stuk grond — bleef in rechtstreeks bezit van het hele volk, Zo vinden we in Zweden al deze verschillende trappen van gemeenschapsbezit naast elkaar. Ieder dorp had gemeenschappelijke dorpsgrond (bys almänningar) en daarnaast was er honderdschaps- (härads-), gouw- of landschaps (lands-) en tenslotte het door de koning als vertegenwoordiger van het hele volk opgeëiste volksgemeenschapsland, hier dus konungs almänningar genoemd. Maar alle, ook het koninklijke, heetten zonder onderscheid almänningar, allmenden, gemeenschapslanderijen.

Als de Oud-Zweedse, in haar nauwkeurige onderverdeling in ieder geval tot een latere trap van de ontwikkeling behorende, regeling van het gemeenschapsland in deze vorm ooit in Duitsland heeft bestaan, dan is ze spoedig verdwenen. De snelle groei van de bevolking deed op de aan elk afzonderlijk dorp toegewezen zeer uitgestrekte strook grond, de mark, een aantal dochterdorpen ontstaan, die nu met het moederdorp als gelijkberechtigden of minder gerechtigden één markgenootschap vormden, zodat wij in Duitsland, zover de bronnen teruggaan, overal een groter of kleiner aantal dorpen tot één markgenootschap verenigd vinden. Boven deze verbonden stonden echter nog, althans in de eerste tijd, de grotere markverbonden van het honderdschap of de gouw, en tenslotte vormde het hele volk oorspronkelijk één groot markgenootschap voor het beheer van de in rechtstreeks volksbezit gebleven grond en voor het opperste toezicht op de tot zijn gebied behorende ondermarken.

Nog in de tijd, toen het Frankische rijk Duitsland ten oosten van de Rijn aan zich onderwierp, schijnt het zwaartepunt van het markgenootschap in de gouw te hebben gelegen en de gouw het eigenlijke markgenootschap te hebben omvat. Want alleen daaruit kan worden verklaard dat zovele oude grote marken bij de ambtelijke indeling van het rijk weer verschijnen als gerechtsgouwen Maar al spoedig daarna begon de vernietiging van de oude grote marken. Toch geldt nog in het ‘Keizersrecht’  van de dertiende of veertiende eeuw als regel dat een mark zes tot twaalf dorpen omvatte.

In Caesars tijd bebouwde althans een groot gedeelte van de Duitsers, met name het volk van de Sueven, dat nog niet tot vaste nederzettingen was gekomen, het land gemeenschappelijk; dit gebeurde, zoals wij in analogie met andere volkeren mogen aannemen, zodanig dat de afzonderlijke, een aantal nauw verwante families omvattende geslachten het hun toegewezen land, dat van jaar tot jaar werd gewisseld, gemeenschappelijk bebouwden en de producten onder de families verdeelden. Maar toen ook de Sueven tegen het begin van onze jaartelling in hun nieuwe nederzettingen tot rust waren gekomen, hield dit spoedig op. In ieder geval kent Tacitus (150 jaar na Caesar) nog slechts het bebouwen van de grond door de afzonderlijke families. Maar ook aan hen werd het te bebouwen land slechts voor een jaar toegewezen; na dit jaar werd het opnieuw verdeeld en gewisseld.

Hoe het daarbij toeging, kunnen we nog thans aan de MoezeI en in het Hochwald aan de zogenaamde ‘Gehöferschaften’ (dorpsgemeenschappen) zien. Daar wordt weliswaar niet meer jaarlijks, maar toch alle drie, zes, negen of twaalf jaar het totale bebouwde land, akkers, weiden, bij elkaar gevoegd en naar ligging en grondgesteldheid in een aantal ‘Gewanne’ (kampen) verdeeld. Ieder kamp (Gewann) verdeelt men weer in zo vele gelijke delen, in lange, smalle stroken, als er rechthebbenden in het genootschap zijn, waarna ze door het lot onder de rechthebbenden worden verdeeld. Daardoor ontving iedere deelhebber aan het genootschap in ieder ‘Gewann’, dus van elke ligging en grondkwaliteit, oorspronkelijk een even groot stuk. Thans zijn deze aandelen door boedelscheiding, verkoop enz. ongelijk geworden, maar het oude, volle aandeel is nog steeds de eenheid volgens welke de halve, kwart, achtste enz. aandelen worden bepaald. Het onbebouwde land, bos en weide, blijft gemeenschapsbezit voor gemeenschappelijk gebruik.

Dezelfde oeroude instelling was tot aan het begin van onze eeuw blijven bestaan in de zogenaamde lotgoederen (Losgüter) van de Beierse Rijn-Palts, waarvan het bouwland sindsdien is overgegaan in de particuliere eigendom van de afzonderlijke deelhebbers aan het genootschap. Ook de ‘Gehöferschaften’ achten het hoe langer hoe meer in hun belang om de herverdelingen achterwege te laten en het wisselende bezit te veranderen in particuliere eigendom. Zo zijn de meeste, zo niet alle, in de laatste veertig jaar afgestorven en geworden tot gewone dorpen met kleine boeren, die bos en weide gemeenschappelijk gebruiken.

Het eerste stuk grond dat in particuliere eigendom van de enkeling overging was huis en hof. De onschendbaarheid van de woning, deze grondslag van iedere persoonlijke vrijheid, ging van de tentwagen van de rondtrekkende kolonne over op het blokhuis van de gevestigde boer en veranderde langzamerhand in een volledig eigendomsrecht op huis en hof. Dat was reeds gebeurd in de tijd van Tacitus. Het eigen erf van de vrije Duitser moet toen al uit de mark uitgesloten en daarmee ontoegankelijk zijn geweest voor de beambten van de mark, een veilig toevluchtsoord voor vluchtelingen, zoals we dit beschreven vinden in de latere markordeningen en ten dele reeds in de volksrechten  van de vijfde tot de achtste eeuw. Want de heiligheid van de woning was geen gevolg, maar de oorzaak van de verandering daarvan in particulier eigendom.

Vier- tot vijfhonderd jaar na Tacitus vinden we in de volksrechten ook het bebouwde land als het erfelijke, zij het ook niet onvoorwaardelijk vrije bezit van de afzonderlijke boeren, die het recht hadden daarover door verkoop of andere vervreemding te beschikken. Voor de oorzaken van deze verandering hebben wij twee aanknopingspunten.

Ten eerste waren er in Duitsland zelf, naast de reeds beschreven gesloten dorpen met volledige gemeenschap van akkers, van het begin af aan ook dorpen waar behalve de hofsteden ook de akkers buiten de gemeenschap, de mark, waren gesloten en erfelijk waren toegekend aan de afzonderlijke boeren. Maar alleen daar, waar men door de gesteldheid van de grond hiertoe als het ware gedwongen werd: in nauwe dalen, zoals in het land van Berg, op smalle, vlakke heuvelruggen tussen moerassen, zoals in Westfalen. Later ook in het Odenwald en in bijna alle Alpendalen. Hier bestond het dorp, zoals nu nog, uit verstrooide individuele hofsteden, elk omringd door de daartoe behorende velden; een wisseling was hier niet goed mogelijk en daarom bleef slechts het omliggende ongebouwde land voor de mark over. Toen later nu het recht om over huis en hof te beschikken, door er ten behoeve van een derde afstand van te doen, van belang werd, bevonden de bezitters van zulke hofsteden zich in een voordelige positie. De wens om dit voordeel eveneens te verkrijgen kan er in menig dorp met akkergemeenschap toe hebben geleid dat men de gebruikelijke herverdelingen het inslapen en daardoor de afzonderlijke aandelen van de deelhebber aan het genootschap eveneens erfelijk en overdraagbaar liet worden.

Maar ten tweede bracht de verovering de Duitsers op Romeins gebied, waar al sedert eeuwen de grond particuliere eigendom was geweest (en wel een Romeinse, onbeperkte eigendom) en waar het geringe aantal van de veroveraars onmogelijk een zo ingewortelde eigendomsvorm geheel kon doen verdwijnen. Voor het verband van de erfelijke particuliere eigendom van akkers en weiden met het Romeinse recht, althans op het eertijds Romeinse gebied, spreekt ook de omstandigheid dat de tot in onze tijd bewaarde overblijfselen van de gemeenschapseigendom op bebouwbare grond zich juist op de linkeroever van de Rijn, dus op eveneens veroverd, maar geheel gegermaniseerd gebied bevinden. Toen de Franken zich hier in de vijfde eeuw vestigden, moet er nog akkergemeenschap bij hen hebben bestaan, anders zouden wij daar thans geen dorpsgemeenschappen (‘Gehöferschaften’) en door het lot aangewezen hoeven (‘Losgüter’) kunnen vinden. Maar ook hier drong de particuliere eigendom spoedig onweerstaanbaar binnen, want alleen dit vinden wij, voor zover het bouwbaar land betreft, vermeld binnen het Ripaurisch volksrecht van de zesde eeuw.  En in het binnenland van Duitsland werd het bebouwde land, zoals gezegd, eveneens snel particulier bezit.

Maar terwijl de Duitse veroveraars de particuliere eigendom van akkers en weiden aanvaardden, d.w.z. bij de eerste landverdeling of spoedig daarna afzagen van hernieuwde verdelingen (want iets anders was het niet), voerden zij daarentegen overal hun Duitse markordening met gemeenschapsbezit van bos en weide in, met oppergezag van de mark ook over het verdeelde land. Dit gebeurde niet alleen door de Franken in Noord-Frankrijk en door de Angelsaksers in Engeland, maar ook door de Bourgondiërs in Oost-Frankrijk, de West-Goten in Zuid-Frankrijk en Spanje en de Oost-Goten en de Langobarden in Italië. In deze laatstgenoemde landen zijn evenwel, voor zover bekend, bijna alleen in het hooggebergte sporen van de markinstellingen tot vandaag aan toe behouden gebleven.

De vorm die de markordening heeft gekregen door af te zien van nieuwe verdelingen van bebouwd land, is de vorm die we niet alleen in de oude volksrechten van de vijfde tot de achtste eeuw ontmoeten, maar ook in de Engelse en Scandinavische rechtsboeken van de Middeleeuwen, in de talrijke Duitse markordeningen (zogenaamde ‘Weistümer’) uit de dertiende tot de zeventiende eeuw en in de gewoonterechten (coutumes) van Noord-Frankrijk.

Terwijl het markgenootschap afzag van het recht om van tijd tot tijd akkers en weiden opnieuw onder de afzonderlijke genoten te verdelen, gaf het van zijn overige rechten op deze landerijen er geen enkel prijs. En deze rechten waren van grote betekenis. Het genootschap had zijn velden aan de afzonderlijke genoten uitsluitend overgedragen om ze als akker en weide te gebruiken en voor geen ander doel. Wat daarboven uitging, daarop had de individuele bezitter geen recht. In de aarde gevonden schatten behoorden dus, als ze dieper lagen dan de ploegschaar gaat, niet aan hem, maar oorspronkelijk aan de gemeenschap; dit was het geval met het recht om ertsen te delven enz. Al deze rechten eigenden de landheren en de vorsten zich later ten eigen bate toe.

Maar ook het gebruik van akker en weide was gebonden aan het oppertoezicht en de regelingen van het genootschap, en wel in de volgende vorm: waar het drieslagstelsel van kracht was — en dat was bijna overal het geval — werd het gehele bebouwbare areaal van het dorp in drie even grote stukken verdeeld, waarvan elk stuk afwisselend het ene jaar voor wintergraan, het tweede jaar voor zomergraan en het derde jaar voor braak werd bestemd. Het dorp had dus ieder jaar zijn winterakker, zomerakker en braakakker. Bij het herverdelen van de grond werd er zorg voor gedragen dat het aandeel van iedere genoot gelijkelijk verdeeld was over alle drie de akkers, zodanig dat eenieder zich zonder nadeel kon schikken in de akkerregeling van het genootschap, volgens welke hij winterzaad alleen mocht uitzaaien in zijn stuk winterakker, enz.

Het braakland van elk jaar kwam nu voor de tijd dat het braak lag weer in gemeenschappelijk bezit terug en diende het hele markgenootschap als weide. En zodra de oogst van de beide andere akkers was binnengehaald, kwamen ze tot aan de zaaitijd ook terug in gemeenschapsbezit en werden ze als gemeenschappelijke weide gebruikt. Hetzelfde geschiedde met de weiden na de tweede hooioogst. Op alle velden waar geweid werd moest de bezitter de omheiningen wegnemen. Deze zogenaamde weidedwang (Hutzwang) had natuurlijk tot gevolg dat het tijdstip van de uitzaai alsook van het oogsten niet aan ieder afzonderlijk werd overgelaten, maar voor allen gemeenschappelijk was en door het genootschap of volgens de traditie werd bepaald.

Al het overige land, d.w.z. alles wat niet huis en hof of verdeelde dorpsgrond was, bleef, net als in de oertijd, gemeenschapseigendom voor gemeenschappelijk gebruik: bos, weideland, heide, veengrond, rivieren, plassen, meren, wegen en paden, de jacht en de visserij. Zoals het aandeel van iedere genoot aan de verdeelde velden van de mark oorspronkelijk even groot was geweest, zo was dat ook het geval met zijn aandeel in het gebruik van de ‘gemene mark’. De wijze van dit gebruik werd door de leden van het genootschap gezamenlijk bepaald, evenals de wijze van verdeling, als de tot dusverre bebouwde grond niet meer toereikend was en een stuk van de gemene mark in bebouwing werd genomen. Het voornaamste gebruik dat van de gemene mark werd gemaakt was het weiden van vee en het mesten van varkens met eikels; daarnaast leverde het bos timmer- en brandhout, bladloof, bessen en paddestoelen; het veen leverde — voor zover aanwezig — turf. De bepalingen over weideland, houtgebruik, enz. vormen de voornaamste inhoud van de vele, uit de meest verschillende eeuwen behouden gebleven markordeningen, opgeschreven in een tijd toen het oude, ongeschreven, traditioneel recht betwist begon te worden. De nog bestaande gemeentebossen zijn het schamele overblijfsel van deze oude, onverdeelde marken. Een ander overblijfsel, althans in West- en Zuid-Duitsland, is de diep in het volksbewustzijn wortelende opvatting dat het bos gemeengoed is, waarin iedereen bloemen, bessen, paddestoelen beukennootjes enz. mag zoeken en in het algemeen mag doen en laten wat hij wil, zolang hij geen schade aanricht. Maar ook hierop weet Bismarck raad en hij richt met zijn beroemde bessenwetgeving  de westelijke provincies op Oud-Pruisische jonkervoet in.

Zoals de deelhebbers aan de mark gelijke grondaandelen en gelijke gebruiksrechten hadden, zo hadden zij oorspronkelijk ook een gelijk aandeel aan de wetgeving, het bestuur en de rechtspraak binnen de mark. Op bepaalde tijden, en als het nodig was vaker, kwamen zij onder de vrije hemel bijeen om besluiten te nemen over markaangelegenheden en om vergrijpen en twisten in de mark te berechten. Het was, zij het slechts in het klein, de oeroude Duitse volksvergadering, die oorspronkelijk ook alleen maar een grote markvergadering was geweest. Er werden wetten gemaakt, zij het alleen in zeldzame gevallen van nood; er werden beambten gekozen, hun ambtsuitoefening werd gecontroleerd, maar er werd vooral recht gesproken. De voorzitter mocht de vraagstukken slechts aan de orde stellen, het vonnis werd uitgesproken door de gezamenlijke aanwezige deelgenoten.

De markordening was in de oertijd zo ongeveer de enige ordening van die Duitse stammen die geen koningen hadden; de oude stamadel, die in de volksverhuizingen of spoedig daarna ten onder ging, paste zich, zoals alles wat tezamen met deze ordening elementair was ontstaan, gemakkelijk daarbij aan, zoals de Keltische clan-adel nog in de zeventiende eeuw bij de Ierse grondgemeenschap. En ze heeft in het hele leven van de Duitsers zo diep wortel geschoten dat wij haar spoor telkens weer terugvinden in de ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk. In de oertijd was de hele openbare macht in vredestijd uitsluitend van rechterlijke aard en ze berustte bij de vergadering van het volk in de honderdschap, in de gouw, in de hele volksstam. Het volksgerecht was echter slechts het volksmarkgerecht, toegepast op gevallen die niet alleen markaangelegenheden waren, maar binnen het bereik van de openbare orde vielen. Ook toen met de vorming van de gouwordening de gouwgerechtshoven van de staat gescheiden werden van de gemeenschappelijke markrechtbanken, bleef in beide de rechterlijke macht bij het volk. Pas toen de oude volksvrijheid al sterk in verval was en de gerechtsdienst naast de legerdienst voor de verarmde vrijen een drukkende last werd, pas toen kon Karel de Grote bij de gouwgerechtshoven in de meeste streken het volksgerecht vervangen door schepenrechtbanken.  Maar dit liet de markgerechten volstrekt ongemoeid. Deze bleven integendeel nog voorbeelden voor de leengerechtshoven van de Middeleeuwen; ook daarin stelde de leenheer de kwestie slechts aan de orde, maar deden de leenmannen zelf uitspraak. De dorpsordening is slechts de markordening van een zelfstandige dorpsmark en gaat in een stedelijke ordening over, zodra het dorp in een stad verandert, d.w.z. zich versterkt met grachten en muren. Uit deze oorspronkelijke stadsmarkordening zijn alle latere stedelijke ordeningen voortgekomen. En tenslotte zijn naar het voorbeeld van de markordening de ordeningen gevormd van de talloze, niet op gemeenschappelijk grondbezit berustende, vrije genootschappen van de Middeleeuwen, in het bijzonder die van de vrije gilden. Het aan het gilde toegekende recht om een bepaald beroep exclusief uit te oefenen wordt precies zo behandeld als een gemene mark. Met dezelfde jaloezie als daar, en ook vaak met precies dezelfde middelen, wordt er ook bij de gilden voor gezorgd dat het aandeel van iedere gildengenoot in de gemeenschappelijke gebruiksbron geheel of toch zoveel mogelijk gelijk is.

Hetzelfde haast wonderbaarlijke aanpassingsvermogen, dat de markordening hier op de meest verschillende gebieden van het openbare leven en ten aanzien van de meest veelsoortige eisen heeft ontwikkeld, vertoont zij ook bij de verdere ontwikkeling van de landbouw en in de strijd met het opkomende grootgrondbezit. Ze was ontstaan toen de Duitsers zich in Germanië vestigden, dus in een tijd waarin veeteelt de voornaamste voedingsbron was, en de uit Azië meegebrachte, half vergeten landbouw juist pas weer begon op te komen. Ze heeft zich door de hele Middeleeuwen heen gehandhaafd in een moeilijke, onophoudelijke strijd met de grondbezittende adel. Maar ze was nog altijd zo noodzakelijk dat overal waar de adel zich het boerenland had toegeëigend, de ordening van de horige dorpen een markordening bleef, zij het ook door de inbreuken van de landheren sterk gekortwiekt; een voorbeeld daarvan zullen wij straks nog noemen. Zo paste zich aan hij de meest afwisselende bezitsverhoudingen van het bebouwbare land, zolang er nog maar een gemene mark bleef bestaan, en eveneens bij de meest verschillende eigendomsrechten op de gemene mark, zodra deze had opgehouden vrij te zijn. Ze is ondergegaan door de roof van vrijwel het totale boerenland, van het verdeelde zowel als van het onverdeelde, door adel en geestelijkheid, met de bereidwillige hulp van de landsvorsten. Maar ze werd in werkelijkheid pas economisch verouderd, niet meer levensvatbaar als bedrijfsvorm van de landbouw, sinds de geweldige vooruitgang van het agrarische bedrijf in de laatste honderd jaar de landbouw tot een wetenschap heeft gemaakt en geheel nieuwe bedrijfswijzen heeft ingevoerd.

De ondermijning van de markordening begon al spoedig na de volksverhuizingen. Als vertegenwoordigers van het volk namen de Frankische koningen de reusachtige, aan het hele volk toebehorende landerijen, en met name de bossen, in bezit om ze door schenkingen aan hun hofpersoneel, aan hun veldheren, aan bisschoppen en abten te verkwanselen. Daarmee legden ze de grondslag voor het latere grootgrondbezit van adel en kerk. Deze laatste bezat reeds lang voor Karel de Grote een volledig derde deel van alle grond in Frankrijk; het staat vast dat deze verhouding gedurende de Middeleeuwen vrijwel voor het gehele katholieke West-Europa heeft gegolden.

De voortdurende binnen- en buitenlandse oorlogen, die geregeld verbeurdverklaring van grond als gevolg hadden, richtten grote massa’s van hoeren te gronde, zodat er ten tijde van de Merovingers zeer veel vrije mannen zonder grondbezit waren. De onophoudelijke oorlogen van Karel de Grote braken de voornaamste kracht van de vrije hoerenstand. Oorspronkelijk was iedere vrije grondbezitter dienstplichtig en moest hij niet alleen zijn eigen uitrusting leveren, maar in de krijgsdienst ook zes maanden lang voor zijn eigen onderhoud zorgen. Geen wonder dat al in Karels tijd nauwelijks een op de vijf mannen in werkelijke dienst kon worden genomen. Onder het wilde bewind van zijn opvolgers ging het nog sneller bergafwaarts met de boerenvrijheid. Enerzijds dwongen de nood tijdens de rooftochten van de Noormannen, de eeuwige oorlogen van de koningen en de veten van de grote heren de ene vrije boer na de andere voor zichzelf een beschermheer te zoeken. Anderzijds verhaastte de hebzucht van dezelfde grote heren en van de kerk dit proces; met list, beloften, bedreigingen en geweld brachten zij nog meer boeren en boerenland in hun macht. Zowel in het ene als in het andere geval was het boerenland geworden tot land van de heer en werd het hoogstens aan de boeren in gebruik teruggegeven tegen cijns en vroon. De boer was echter van een vrije grondbezitter veranderd in een cijns betalende en vroondiensten verrichtende horige of zelfs in een lijfeigene. In het Westfrankische Rijk , in het algemeen ten westen van de Rijn, was dit regel. Ten oosten van de Rijn wist daarentegen een vrij groot aantal vrije boeren zich nog te handhaven, meestal verspreid wonend, zelden in geheel vrije dorpen verenigd. Maar ook hier dwong in de tiende tot de twaalfde eeuw de overmacht van adel en kerk steeds meer boeren tot knechtschap.

Als een landheer — een geestelijke of een wereldlijke — een hoerengoed verwierf, dan verwierf hij daarmee tevens de bij het goed behorende rechten in de mark. De nieuwe landheren werden op deze wijze deelgenoten aan de mark, oorspronkelijk slechts gelijkgerechtigd met de overige vrije en horige deelgenoten, zelfs met hun eigen lijfeigenen. Maar spoedig verwierven zij, in weerwil van het taaie verzet van de boeren, op vele plaatsen voorrechten binnen de mark en konden zij die vaak zelfs aan hun heerlijkheid onderwerpen. En toch bleef het oude markgenootschap voortbestaan, zij het ook onder oppervoogdij van de landheer.

Hoe beslist onmisbaar toentertijd de markordening nog was voor de landbouw, zelfs voor de grootgrondbezitter, wordt wel het treffends bewezen door het koloniseren van Brandenburg en Silezië door Friese, Nederlandse, Saksische en Rijnfrankische kolonisten. Deze mensen werden, van de twaalfde eeuw af dorpsgewijs op herenland gevestigd en wel volgens het Duitse recht, d.w.z. volgens het oude markrecht, voor zover dit was blijven bestaan op de aan de landberen onderworpen hoeven. Eenieder kreeg huis en hof, een voor iedereen even groot, op de oude wijze door het lot bepaald aandeel in de dorpsvelden en het gebruiksrecht op woud en weide, meestal in het woud van de landheer, minder vaak in een speciale mark. Dit alles was erfelijk; de beer bleef eigenaar van de grond, aan hem waren de kolonisten bepaalde cijnzen en diensten erfelijk verschuldigd. Maar deze verplichtingen waren van zo gematigde aard dat de boeren er hier beter aan toe waren dan waar ook elders in Duitsland. Zij bleven daarom ook rustig toen de Boerenoorlog uitbrak. Voor deze afvalligheid van hun eigen zaak werden ze dan ook zwaar gestraft.

In het algemeen trad omstreeks het midden van de dertiende eeuw een duidelijke wending ten gunste van de boeren in; de kruistochten hadden dit in de hand gewerkt. Vele van de erop uit trekkende landheren lieten hun boeren uitdrukkelijk vrij. Anderen zijn gestorven en vergaan, honderden adellijke geslachten verdwenen en hun boeren verkregen in vele gevallen eveneens de vrijheid. Daar kwam nog bij dat met de stijgende behoefte van de landheren de zeggenschap over de verrichtingen van de boeren veel belangrijker werd dan de zeggenschap over hun persoon. De lijfeigenschap van de vroege Middeleeuwen, die nog veel van de oude slavernij in zich droeg, gaf de heren rechten, die hoe langer hoe meer hun waarde verloren; ze sliep langzamerhand in, de positie van de lijfeigenen naderde die van hen, die alleen maar horig waren. Daar de landbouw als vanouds werd bedreven was vermeerdering van het inkomen van de landheer alleen te bereiken door nieuw land te scheuren en nieuwe dorpen aan te leggen. Dit viel echter alleen te bereiken door minnelijke schikking met de kolonisten, onverschillig of zij behoorden tot het landgoed of vreemdelingen waren. Daarom vinden wij omstreeks deze tijd overal een scherp omlijnde vaststelling van de meestal gematigde, door de boeren te verrichten diensten en een goede behandeling van de boeren, met name op de landgoederen van de geestelijkheid. En tenslotte had de gunstige toestand van de nieuw gevestigde kolonisten weer invloed op de toestand van de horigen in hun directe omgeving, zodat ook dezen in heel Noord-Duitsland bij het voortbestaan van hun diensten aan de landheer hun persoonlijke vrijheid kregen. Alleen de Slavische en de Litouws-Pruisische boeren bleven onvrij. Maar dat alles zou niet lang duren.

In de veertiende en vijftiende eeuw waren de steden snel opgekomen en rijk geworden. Hun kunstambacht en hun weelde bloeiden met name in Zuid-Duitsland en aan de Rijn. Het weelderige leven van de stedelijke patriciërs liet de grof gevoede, grof geklede en plomp gemeubileerde landsjonker niet rustig slapen. Maar waar moesten die mooie dingen vandaan worden gehaald? De struikroverij werd steeds gevaarlijker en leverde steeds minder succes op. Maar om te kopen was er geld nodig. En dat kon alleen de boer hun verschaffen. Vandaar een hernieuwde druk op de boeren, verhoogde cijnzen en vroondiensten, hernieuwde, steeds toenemende ijver om de vrije hoeren tot horigen, de horigen tot lijfeigenen neer te drukken en het gemene markland in herenland te veranderen. Daarbij werden de vorsten en adellijke geholpen door de juristen van het Romeinse recht, die met hun toepassing van de Romeinse rechtsregels op Duitse, meestal onbegrepen verhouding een grenzeloze verwarring wisten te stichten, maar dat toch op een dusdanige wijze deden dat de heer er steeds bij won en de boer steeds verloor. De geestelijke heren hielpen zichzelf op eenvoudiger wijze: ze vervaardigden valse oorkonden, waarin de rechten van de boeren werden gekortwiekt en hun plichten werden vermeerderd. Tegen deze roverijen van vorsten, adel en papen stonden sinds het einde van de vijftiende eeuw de boeren in talrijke afzonderlijke opstanden op, tot in 1525 de grote Boerenoorlog Zwabeland, Beieren, Frankenland tot in de Elzas, de Palts, de Rijngouw en tot Thüringen toe overstroomde. De boeren leden na een harde strijd de nederlaag. Vanaf die tijd dateert de hernieuwde algemene overheersing van de lijeigenschap onder de Duitse boeren.

In de streken waar de strijd had gewoed werden nu alle nog overgebleven rechten van de boeren schaamteloos vertrapt, hun gemeenschapsland werd veranderd in herenland en zijzelf in lijfeigenen. En als dank voor het feit dat de in een betere toestand verkerende Noord-Duitse boeren rustig waren gebleven, vielen zij, alleen langzamer, ten prooi aan dezelfde onderdrukking. De lijfeigenschap van de Duitse boeren wordt in Oost-Pruisen, Pommeren, Brandenburg en Silezië sinds het einde van de zestiende eeuw ingevoerd en steeds algemener aan de boeren opgelegd.

Deze nieuwe verkrachting had bovendien een economische grondslag. Uit de gevechten van de reformatietijd hadden alleen de Duitse landsvorsten toegenomen macht gewonnen. Met het edele rovershandwerk van de adel was het nu gedaan. Wilde hij niet ondergaan, dan moest hij meer inkomsten uit zijn grondgebied zien te halen. De enige weg was evenwel, naar het voorbeeld van de grotere vorsten en met name de kloosters, tenminste een deel van dit bezit voor eigen rekening in bedrijf te nemen. Wat tot dusver slechts uitzondering was, werd nu behoefte. Maar deze nieuwe bedrijfswijze werd belemmerd door de omstandigheid dat de grond bijna overal aan de cijnsboeren was uitgegeven. Doordat van de vrije of horige cijnsboeren volledige lijfeigenen werden gemaakt kreeg de genadige heer de vrije hand. Een deel van de boeren werd, zoals de vakterm luidt, ‘gelegd’, d.w.z. weggejaagd of tot keuterboertjes gedegradeerd, met niets anders dan een hut en een stukje moestuin. Hun hofsteden werden tot een groot landgoed samengevoegd en door de nieuwe keutelboeren en door die nog overgebleven boeren in herendienst bewerkt. Niet alleen werd op die manier een menigte boeren eenvoudig verdrongen, niaar de herendiensten van de nog overgeblevenen werden in aanzienlijke mate, en wel steeds verder, verzwaard. De kapitalistische periode kondigde zich op het platteland aan als de periode van het grootbedrijf in de landbouw op grondslag van de lijfeigen herendienst.

Deze omwenteling voltrok zich intussen aanvankelijk nog tamelijk langzaam. Toen kwam de Dertigjarige Oorlog.  Gedurende een hele mensenleeftijd werd Duitsland in alle richtingen doorkruist door de meest tuchteloze soldateska die de geschiedenis heeft gekend. Overal werd gebrandschat, gepIunderd, gebrand, verkracht en vermoord. Het meest had de boer daar te lijden waar los van de grote legers de kleinere vrijscharen of nog eer vrijbuiters op eigen gelegenheid en voor eigen rekening optraden. De verwoesting en ontvolking waren grenzeloos. Toen de vrede kwam lag Duitsland hulpeloos, vertrapt, verscheurd en bloedend temeer; de boer was er echter weer het ellendigst aan toe.

De grondbezittende adel werd nu de enige meester op het land. De vorsten, die juist in die tijd zijn politieke rechten in de standenvergadering vernietigden, lieten hem in ruil daarvoor de vrije hand tegen de boeren. Het laatste weerstandsvermogen van de boeren was echter gebroken door de oorlog. Zo kon de adel alle verhoudingen op het platteland dusdanig inrichten dat het het beste paste in het herstel van zijn geruïneerde financiën. Niet alleen werden de verlaten boerderijen kort en goed met de hofstede van de landheer verenigd; het verjagen van de boeren werd nu pas in het groot en systematisch bedreven. Hoe groter het landgoed van de heer was, des te groter waren natuurlijk ook de herendiensten van de boeren. De tijd van de ‘ongemeten diensten’ brak weer aan; de genadige heer kon de boer, zijn gezin en zijn vee oproepen om werk te verrichten zo vaak en zo lang het hem lustte. De lijfeigenschap werd nu algemeen; een vrije boer was nu zo zeldzaam als een witte raaf. En opdat de genadige heer in staat zou zijn elk verzet van de boeren, ook het geringste, in de kiem te smoren, kreeg hij van de landsvorst de patrimoniale rechtsbevoegdheid, d.w.z. hij werd tot enige rechter benoemd voor alle kleine vergrijpen en twisten van de boeren, zelfs wanneer een boer met hem, de heer, overhoop lag en de heer dus rechter in eigen zaak was! Vanaf die tijd heersten op het land de stok en de zweep. Evenals geheel Duitsland was ook die Duitse boer hij zijn diepste vernedering aangeland. Evenals geheel Duitsland was ook de boer zo krachteloos geworden dat eigen hulp niets meer uithaalde en dat redding slechts van buitenaf kon komen.

En die kwam. Met de Franse Revolutie brak ook voor Duitsland en de Duitse boer het morgenrood van een betere tijd aan. Nauwelijks hadden de revolutielegers de linkeroever van de Rijn veroverd, of de hele oude rommel van vroondiensten, cijns en lasten van allerlei soort aan de genadige heer verdween, met deze zelf, als bij toverslag. De boer op de linkeroever van de Rijn was nu heer op zijn eigen bezit en kreeg bovendien in de Code Civil, die in de revolutietijd was ontworpen en door Napoleon alleen maar was verknoeid, een wetboek dat aangepast was aan zijn nieuwe toestand en dat hij niet alleen kon begrijpen, maar ook gemakkelijk in zijn zak kon meedragen.

Maar de boer op de rechteroever van de Rijn moest nog lang wachten. Weliswaar werden in Pruisen, na de welverdiende nederlaag van Jena  , enkele van de allerschandelijkste adellijke rechten afgeschaft en de zogenaamde afkoop van de overige boerenlasten wettelijk mogelijk gemaakt. Maar dat stond voor een groot deel en lange tijd alleen maar op papier. In de overige staten gebeurde nog minder. Er was een tweede Franse Revolutie, in 1830, nodig om althans in Baden en enkele andere aan Frankrijk grenzende kleine staten de afkoop op gang te brengen. En toen de derde Franse Revolutie, in 1848, eindelijk ook Duitsland met zich meesleepte, was de afkoop in Pruisen nog lang niet voltooid en in Beieren zelfs nog niet begonnen! Nu ging het echter sneller; de herendiensten van de ditmaal zelf rebels geworden boeren had immers waarde verloren.

En waarin bestond deze afkoop? De genadige heer liet zich door de boer een bepaald bedrag aan geld of een stuk land overhandigen in ruil waarvoor hij de nog overgebleven grond van de boer als diens vrije, onbelaste eigendom erkende — of schoon alle landerijen tezamen, die de genadige heer al vroeger toebehoorden, niets anders waren dan gestolen boerenland! Maar dit was nog niet alles. Bij de verdelingsprocedure stonden natuurlijk de daarmee belaste ambtenaren bijna voortdurend aan de kant van de genadige heer, bij wie ze over huis kwamen en feest vierden, zodat de boeren zelfs in strijd met de tekst van de wet nog kolossaal werden benadeeld.

En zo zijn wij dan eindelijk, dank zij drie Franse Revoluties en een Duitse, zover gekomen dat wij weer vrije boeren hebben. Maar hoe ver staat onze tegenwoordige vrije boer achter bij de vrije deelgenoot aan de mark van de oude tijd! Zijn hofstede is meestal veel kleiner en de onverdeelde mark is verdwenen, op weinige, zeer verkleinde en verkommerde gemeenschapsbossen na. Maar zonder gebruik van de mark geen vee voor de kleine boer, zonder vee geen mest, zonder mest geen traditionele akkerhouw. De belastinggaarder en de achter deze dreigende deurwaarder, die de tegenwoordige boer maar al te goed kent, waren onbekende mensen voor de oude deelhebber aan de mark, evenals de hypotheekwoekeraar, in wiens klauwen de ene boerderij na de andere terechtkomt. En wat het beste is: deze nieuwe vrije boeren, van wie de hoeven en de vleugels zozeer zijn gekortwiekt, werden in Duitsland, waar alles te laat gebeurt, geschapen in een tijd waarin niet alleen de wetenschappelijke landbouw, maar ook al de nieuw uitgevonden landbouwmachines, van het kleinbedrijf meer en meer een verouderde, niet meer levensvatbare bedrijfswijze maken. Zoals de mechanische spinnerij en weverij het spinnewiel en het handweefgetouw hebben vernietigd, zo moeten deze nieuwe productiemethoden in de landbouw het kleine landbouwbedrijf reddeloos vernietigen en dit vervangen door het grootgrondbezit — voor het geval hun daartoe de nodige tijd wordt gegund.

Want nu al wordt de gehele Europese landbouw, zoals die nu wordt uitgeoefend, bedreigd door een overmachtige mededinger in de vorm van de Amerikaanse massaproductie van graan. Tegen deze door de natuur zelf vruchtbaar gemaakte en gedurende een lange reeks van jaren bemeste grond, die voor een spotkoopje te krijgen is, kunnen noch onze in schuld gedompelde kleine boeren, noch onze even diep in de schulden stekende grootgrondbezitters optornen. De hele Europese bedrijfswijze in de landbouw delft het onderspit tegen de Amerikaanse concurrentie. Landbouw in Europa blijft slechts mogelijk wanneer hij maatschappelijk en voor rekening van de maatschappij wordt uitgeoefend.

Dit zijn de vooruitzichten voor onze boeren. En dit goede heeft het tot stand brengen van een, zij het ook armetierige, vrije boerenklasse gehad, dat het de boer in een toestand heeft gebracht waarin hij — met de hulp van zijn natuurlijke bondgenoten, de arbeiders — zichzelf kan helpen, zodra hij maar wil begrijpen hoe

Maar hoe dan? — Door een wedergeboorte van de mark, maar niet in haar oude, overleefde, maar in een verjongde gedaante; door een zodanige vernieuwing van het gemeenschappelijke grondbezit dat dit de kleine boeren, leden van het genootschap, niet alleen alle voordelen van het grootbedrijf geeft en de toepassing van landbouwmachines mogelijk maakt, maar hun ook de middelen biedt om naast de landbouw een industrieel grootbedrijf iriet stoom- of waterkracht uit te oefenen, en dit niet voor rekening van de kapitalisten, maar voor rekening van het genootschap.

Landbouw op grote schaal en toepassing van landbouwmachines — dat betekent met andere woorden: het overtollig maken van de landbouwwerkzaamheden van het grootste deel van de kleine boeren, die nu hun akkers zelf bebouwen. Opdat deze uit de akkerbouw verdrongen mensen niet werkloos worden of naar de steden worden gedreven, is er industriële werkgelegenheid op het platteland zelf nodig, en deze kan alleen op voor hen voordelige wijze worden bedreven als het op grote schaal gebeurt, met stoom- of waterkracht.

Hoe dit tot stand te brengen? Denkt u daar eens over na, Duitse boeren. De enigen die u hierbij kunnen helpen, dat zijn de sociaaldemocraten. 

 

 

Geschreven van medio september tot medio december 1882


 

 


 

 

 

 

 

 

 

Marx en Engels

Nederlands