Nederlands


 

 

Friedrich Engels

Anti-Dühring

Geschreven: eind mei 1876 – begin juli 1878

 

Inhoud

Voorwoorden bij de drie uitgaven

 

Inleiding

 

I. Algemeen gedeelte


II. Wat de heer Dühring belooft

 

 

 

 

Eerste deel:

FILOSOFIE

 

III. Indeling. Apriorisme


IV. Wereldschematisme


V. Natuurfilosofie. Tijd en ruimte


VI. Natuurfilosofie. Kosmogonie, natuurkunde, scheikunde


VII. Natuurfilosofie. De organische wereld


VIII. Natuurfilosofie. De organische wereld (slot)


IX. Moraal en recht. Eeuwige waarheden


X. Moraal en recht. Gelijkheid


XI. Moraal en recht. Vrijheid en noodzakelijkheid


XII. Dialectiek. Kwantiteit en kwaliteit


XIII. Dialectiek. Negatie van de negatie


XIV. Slot

 

 

 

Tweede deel:

POLITIEKE ECONOMIE

 

 

I. Onderwerp en methode


II. De theorie van het geweld


III. De theorie van het geweld (vervolg)


IV. De theorie van het geweld (slot)


V. De waardetheorie


VI. Eenvoudige en samengestelde arbeid


VII. Kapitaal en meerwaarde


VIII. Kapitaal en meerwaarde (slot)


IX. Natuurwetten van de economie. Grondrente.


X. Uit de ‘Kritische geschiedenis’

 

 

 

 

Derde deel:

SOCIALISME

 

I. Geschiedkundige kwesties


I. Theoretische kwesties


III. De productie


IV. De verdeling


V. Staat, gezin, opvoeding

 

 

Materiaal bij de Anti-Dühring

 

Oud woord vooraf bij de Anti-Dühring. Over de dialectiek


Uit het voorbereidende werk van Engels voor de Anti-Dühring

 

Eerste afdeling
Tweede afdeling

 

Tactiek van de infanterie, uit de materiële oorzaken afgeleid


Aantekeningen bij de Anti-Dühring

 

 

Inleiding

I. Algemeen gedeelte

 

Wat zijn inhoud betreft is het moderne socialisme in de eerste plaats het product van de waarneming, enerzijds van de in de moderne maatschappij heersende klassentegenstellingen tussen bezitters en bezitlozen, loonarbeiders en bourgeoisie, anderzijds van de in de productie heersende anarchie. Wat echter zijn theoretische vorm betreft, treedt het aanvankelijk op als een verdere zogenaamd meer consequente voortzetting van de grondstellingen van de grote mannen van de 18e eeuwse Franse Verlichting.  Evenals iedere nieuwe theorie moest het moderne socialisme eerst aan het aanwezige gedachtenmateriaal aanknopen, hoezeer het ook wortelde in de materiële economische feiten.

De grote mannen die in Frankrijk voor de komende revolutie klaarheid brachten in de hoofden, traden zelf uiterst revolutionair op. Zij erkenden geen van buiten opgelegd gezag, van welke aard ook. Godsdienst, natuurbeschouwing, maatschappij, staatsorde, alles werd aan de meest meedogenloze kritiek onderworpen; alles moest zijn bestaan voor de rechterstoel van de rede rechtvaardigen of zijn bestaan prijsgeven. Het denkend verstand werd de enige maatstaf waarmede alles werd gemeten. Het was de tijd waarin, zoals Hegel zegt, de wereld op zijn kop werd gezet,  vooreerst in die zin, dat het menselijk hoofd en de door zijn denken gevonden stellingen er aanspraak op maakten de grondslag te zijn van heel het menselijk handelen en samenleven. Later echter ook in de ruime zin dat de werkelijkheid die met deze stellingen in strijd was, inderdaad eveneens van boven tot onder werd omgekeerd. Alle tot dusver bestaande maatschappij en staatsvormen, alle van oudsher overgeleverde denkbeelden werden als onredelijk naar de rommelzolder verwezen. De wereld had zich tot dusver slechts door vooroordelen laten leiden; heel het verleden verdiende slechts meelij en verachting. Nu eerst brak de dageraad aan, van nu af aan moesten bijgeloof, onrecht, bevoorrechting en onderdrukking door de eeuwige waarheid, de eeuwige gerechtigheid, door de in de natuur wortelende gelijkheid en de onvervreemdbare mensenrechten worden verdrongen.

Wij weten nu dat dit rijk der rede niets anders was dan het geïdealiseerde rijk der bourgeoisie. Dat de eeuwige gerechtigheid haar verwezenlijking vond in de burgerlijke justitie. Dat de gelijkheid uitliep op de burgerlijke gelijkheid-voor-de-wet. Dat de burgerlijke eigendom tot een der meest wezenlijke mensenrechten geproclameerd werd. Dat de Staat van de Rede, het Maatschappelijk Verdrag van Rousseau  op de wereld kwam en slechts op de wereld komen kon als burgerlijke, democratische republiek. Zomin als hun voorgangers konden de grote denkers van de 18e eeuw de grenzen overschrijden die hun door hun eigen tijd waren gesteld.

Maar naast de tegenstelling tussen de feodale adel en de bourgeoisie bestond de algemene tegenstelling van uitbuiters en uitgebuite, van rijke lediggangers en zwoegende armen. Juist deze omstandigheid was het immers die het aan de vertegenwoordigers van de bourgeoisie mogelijk maakte zich als vertegenwoordigers, niet van een bijzondere klasse, maar van heel de lijdende mensheid voor te doen. Meer dan dat. Van haar ontstaan af was de bourgeoisie met haar eigen tegenstrijdigheid behept: kapitalisten kunnen niet bestaan zonder loonarbeiders en in dezelfde mate waarin de middeleeuwse gildenburger zich tot de moderne bourgeois ontwikkelde, ontwikkelden zich ook de gildengezel en de buiten het gilde staande dagloner tot proletariër. En ook al mocht de bourgeoisie er over het geheel aanspraak op maken dat zij in haar strijd tegen de adel tegelijkertijd ook de belangen van de verschillende arbeidende klassen van die tijd vertegenwoordigde, toch traden er bij elke grote burgerlijke beweging zelfstandige bewegingen aan de dag van die klasse, die de meer of minder ontwikkelde voorloopster van het moderne proletariaat was. Dat was het geval met de beweging van Thomas Münzer in de tijd van de Duitse Hervorming en van de Boerenoorlog, van de Levellers  in de grote Engelse revolutie, van Babeuf in de grote Franse Revolutie. Naast dit revolutionaire optreden van een daartoe nog onrijpe klasse hadden dienovereenkomstige theoretische manifestaties plaats. In de 16e en 17e eeuw utopistische schilderingen van ideale samenlevingen,  in de 18e eeuw reeds uitgesproken communistische theorieën (Morelly en Mably). De eis van gelijkheid werd niet meer tot de politieke rechten beperkt, hij ging zich ook uitstrekken tot de maatschappelijke toestand van het individu; niet alleen de klassenbevoorrechting moest opgeheven worden, ook de klassenverschillen zelf. Een ascetisch, aan Sparta verwant, communisme was zo de eerste verschijningsvorm van de nieuwe leer. Daarop volgden de drie grote utopisten. Saint-Simon, bij wie de burgerlijke richting naast de proletarische nog een zekere betekenis behield, Fourier in Frankrijk, en Owen die in Engeland, het land van de verst ontwikkelde kapitalistische productie, en onder de indruk van de daardoor ontstane tegenstellingen, zijn voorstellen tot opheffing van de klassenverschillen systematisch, en rechtstreeks bij het Franse materialisme aanknopend, ontwikkelde.

Wat alle drie gemeen hebben is dat zij niet als vertegenwoordigers van de belangen van het intussen historisch ontstane proletariaat optreden. Evenals de Verlichters willen zij niet één bepaalde klasse, maar de gehele mensheid bevrijden. Evenals dezen willen zij het Rijk der Rede en der Eeuwige Gerechtigheid invoeren, maar hun rijk verschilt hemelsbreed van dat der Verlichters. Ook de volgens de stellingen van deze Verlichters ingerichte burgerlijke wereld is onredelijk en onrechtvaardig en daarom evenzeer verwerpelijk als het feodalisme en alle vroegere maatschappelijke toestanden. Dat de ware redelijkheid en gerechtigheid tot nu toe niet in de wereld hebben geheerst, komt slechts daardoor dat tot nu toe de juiste kennis er van had ontbroken. Wat er ontbrak was de geniale enkeling die er nu is en die de waarheid heeft begrepen. Dat hij nu opgetreden is, dat de waarheid juist nu begrepen wordt, is niet een uit het verband van de historische ontwikkeling noodzakelijk voortvloeiende onvermijdelijke gebeurtenis, maar louter een gelukkig toeval. Hij had evengoed 500 jaar vroeger geboren kunnen zijn en zou dan de mensheid 500 jaren van dwaling, strijd en lijden hebben bespaard.

Deze opvatting is typerend voor alle Engelse, Franse en eerste Duitse socialisten, Weitling daarbij inbegrepen. Het socialisme is voor hen allen de uitdrukking van de absolute waarheid, rede en gerechtigheid. Het behoeft slechts ontdekt te worden om door eigen kracht de wereld te veroveren. Aangezien de absolute waarheid onafhankelijk is van tijd, ruimte en menselijke historische ontwikkeling, is het zuiver toeval wanneer en waar zij wordt ontdekt. Daarbij is dan de absolute waarheid, redelijkheid en gerechtigheid hij iedere stichter van een school verschillend; en aangezien hij elk van hen de bijzondere soort van absolute waarheid, redelijkheid en gerechtigheid weer van zijn subjectief verstand afhangt, van zijn levensomstandigheden, zijn mate van kennis en geschooldheid in het denken, is voor dit conflict van absolute waarheden geen andere oplossing mogelijk dan dat zij elkaar over en weer bijslijpen. Dat kon dan weer niets anders opleveren dan een soort eclectisch doorsnee-socialisme, zoals het inderdaad tot op heden in de hoofden van de meeste socialistische arbeiders in Frankrijk en Engeland heerst. Een uiterst veelvuldige schakeringen toelatend mengelmoes van de minder in het oog vallende kritische uitspraken, economische leerstellingen en maatschappelijke toekomstbeelden van de verschillende sektestichters; een mengelmoes dat des te gemakkelijker tot stand komt naarmate de afzonderlijke bestanddelen de scherpe kanten der bepaaldheid in de stroom der debatten hebben verloren zoals ronde kiezelstenen in een beek. Om het socialisme tot een wetenschap te maken moest het eerst op een reële grondslag geplaatst worden.

Intussen was naast en na de Franse filosofie van de 18e eeuw de nieuwere Duitse filosofie ontstaan die in Hegel haar afsluiting had gevonden. Haar grootste verdienste was de wederopvatting van de dialectiek als hoogste denkvorm. De oude Griekse wijsgeren waren van nature allen geboren dialectici en de universeelste kop onder hen, Aristoteles, had dan ook reeds de meest wezenlijke vormen van het dialectisch denken onderzocht . De nieuwere filosofie daarentegen, hoewel de dialectiek ook in haar schitterende vertegenwoordigers had (bv. Descartes, Spinoza), was vooral onder Engelse invloed meer en meer in de zogenaamde metafysische denkwijze vastgelopen, die ook de Fransen van de 18e eeuw, althans in hun speciaal filosofische werken, bijna uitsluitend beheerste. Buiten de eigenlijke filosofie waren zij eveneens in staat meesterstukken van dialectiek te leveren. Wij herinneren slechts aan Rameau’s neef van Diderot  en aan deVerhandeling over de oorsprong der ongelijkheid onder de mensen van Rousseau. — Wij duiden hier in het kort het wezen van beide denkmethoden aan. Wij zullen er ons later nog uitvoeriger mee moeten bezighouden.

Wanneer wij de natuur of de geschiedenis van de mens of de werkzaamheid van onze eigen geest tot voorwerp van ons denken maken, dan doet zich allereerst aan ons het beeld voor van een oneindige vervlechting van samenhang en wisselwerkingen, waarin niets blijft wat, waar en hoe het was. Maar alles zich beweegt, verandert, wordt en vergaat. Deze oorspronkelijke, naïeve, maar wat het wezen van de zaak aangaat juiste wereldbeschouwing is die van de oude Griekse filosofie en is voor het eerst door Heraclitus duidelijk uitgesproken: alles is en is ook niet, want alles vloeit, is in voortdurende verandering, in voortdurend worden en vergaan. Maar deze opvatting, hoe juist zij ook het algemene karakter van het totaalbeeld der verschijnselen weergeeft, is toch niet voldoende om de afzonderlijke delen te verklaren waaruit dit totaalbeeld is samengesteld. En zolang wij dit niet kunnen wordt ons ook het totaalbeeld niet duidelijk. Om deze afzonderlijke delen te leren kennen moeten wij hen uit hun natuurlijk of historisch verband losmaken en ze ieder op zichzelf, op hun geaardheid, bijzondere oorzaken, werkingen enz. onderzoeken. Dit is allereerst de taak van de natuurwetenschap en de geschiedvorsing, takken van onderzoek die om zeer goede redenen bij de Grieken uit het klassieke tijdperk slechts een ondergeschikte plaats innamen daar deze allereerst het materiaal ervoor moesten vergaren. Het begin van een exact natuuronderzoek werd daarom eerst bij de Grieken van de Alexandrijnse periode  en later, in de Middeleeuwen, door de Arabieren verder ontwikkeld. Een werkelijke natuurwetenschap dateert overigens eerst uit de tweede helft van de 15e eeuw en sindsdien is zij met steeds toenemende snelheid vooruitgegaan. De ontleding van de natuur in haar afzonderlijke delen, de indeling van de verschillende verschijnselen en voorwerpen van de natuur in bepaalde klassen, het onderzoek van het inwendige der organische lichamen naar hun veelvuldige anatomische structuren, was de hoofdvoorwaarde voor de geweldige vooruitgang die de laatste 400 jaren ons op het gebied van de kennis der natuur hebben gebracht. Maar deze heeft ons tevens de gewoonte nagelaten om de voorwerpen en verschijnselen van de natuur op zichzelf, buiten het grote totale verband te beschouwen, d.w.z. niet in hun beweging, maar als onbeweeglijke grootheden. Niet in hun leven, maar in hun dood. En doordat deze beschouwingswijze uit de natuurwetenschap overging op de filosofie, zoals dat bij Bacon en Locke het geval was, heeft zij die bijzondere soort van bekrompenheid van de laatste eeuwen — de metafysische denkwijze voortgebracht.

Voor de metafysisch denkende mens zijn de dingen en hun afbeeldingen in het denken, de begrippen, op zichzelf staande, vaste, starre, eens en voor altijd gegeven voorwerpen van onderzoek, die één voor één en apart bekeken moeten worden. Hij denkt in louter absolute tegenstellingen. Zijn gedachtegang is: ja, ja; neen, neen; wat daar bovenuit gaat is uit den boze. Voor hem bestáát een ding of het bestaat niet. Een ding kan evenmin tegelijk zichzelf en een ander zijn. Positief en negatief sluiten elkaar absoluut uit. Oorzaak en gevolg staan eveneens in starre tegenstelling tot elkaar. Deze denkwijze lijkt ons op het eerste gezicht daarom hoogst aannemelijk, omdat zij die van het zogenaamd gezonde mensenverstand is. Maar hoe respectabel dat gezonde mensenverstand ook zijn mag binnen de vier muren van de huiskamer, het beleeft de zonderlingste avonturen zodra het zich in de wijde wereld der onderzoekingen waagt. En op hoe ruime, al naar de aard van het te onderzoeken voorwerp, meer of minder uitgestrekte gebieden de metafysische beschouwingswijze ook gerechtvaardigd en zelfs noodzakelijk is, toch stoot zij telkens vroeg of laat op een grens aan gene zijde waarvan zij eenzijdig, bekrompen, abstract wordt en zich in onoplosbare tegenstrijdigheden verwart, omdat zij vanwege de eigenaardigheid der dingen — hun verband, vanwege hun zijn — hun worden en vergaan, vanwege hun rust — hun beweging vergeet. Omdat zij door de bomen het bos niet ziet. In dagelijks voorkomende gevallen weten wij bv. en kunnen wij met beslistheid zeggen, of een dier bestaat of niet. Bij nader onderzoek echter ontdekken wij dat dit vaak een zeer ingewikkelde zaak is, hetgeen de juristen zeer goed weten die zich vergeefs hebben ingespannen een redelijke grens te ontdekken vanwaar af het doden van het kind in het moederlijf moord is. En het is even onmogelijk het ogenblik van de dood vast te stellen, aangezien de fysiologie aantoont dat de dood niet een plotselinge ogenblikkelijke gebeurtenis is, maar een zeer langdurig proces. Evenzo is ieder organisch wezen ieder ogenblik hetzelfde en niet hetzelfde; ieder ogenblik verwerkt het van buiten toegevoerde stoffen en scheidt andere af, ieder ogenblik sterven cellen van het lichaam af en vormen zich nieuwe. Na langere of kortere tijd is de stof van dit lichaam volkomen vernieuwd, door andere stofatomen vervangen, zodat ieder organisch wezen steeds hetzelfde en toch een ander is. Ook vinden wij bij nadere beschouwing dat de beide polen van een tegenstelling, zoals positief en negatief, even onscheidbaar als aan elkaar tegengesteld zijn en dat zij elkaar ondanks alle tegengesteldheid toch wederzijds doordringen. Evenzo dat oorzaak en gevolg voorstellingen zijn, die slechts bij de toepassing op het afzonderlijke geval gelden. Die echter, zodra wij het afzonderlijke geval in zijn samenhang met het wereldgeheel beschouwen, samenvallen, zich oplossen in de visie van de universele wisselwerking waar oorzaken en gevolgen voortdurend van plaats wisselen en dat wat nu of hier gevolg, ginds of dan oorzaak wordt en omgekeerd.

Al deze processen en denkmethoden passen niet in het raam van het metafysische denken. Voor de dialectiek echter, die de dingen en hun afbeeldingen in het denken wezenlijk in hun verband, hun aaneenschakeling, hun beweging, hun ontstaan en vergaan opvat, voor haar zijn verschijnselen als hierboven genoemd evenzoveel bevestigingen van haar eigen methode. De natuur is de proef op de dialectiek. En wij moeten erkennen dat de moderne natuurwetenschap voor deze proef een uiterst rijk, dagelijks toenemend, materiaal heeft geleverd en daarmee heeft bewezen dat het in de natuur in laatste instantie dialectisch, en niet metafysisch toegaat. Omdat echter de natuuronderzoekers die dialectisch hebben leren denken tot heden te tellen zijn, is uit dit conflict tussen de ontdekte resultaten en de overgeleverde denkwijze de grenzeloze verwarring te verklaren die nu in de theoretische natuurwetenschap heerst en die zowel leraar als leerling, schrijver als lezer wanhopig maakt.

Een exacte voorstelling van het heelal, van zijn ontwikkeling en van die der mensheid, evenals van het spiegelbeeld van deze ontwikkeling in de hoofden der mensen, kan dus slechts langs de weg van de dialectiek tot stand komen, onder voortdurende inachtneming van de algemene wisselwerkingen van worden en vergaan, van progressieve en regressieve veranderingen. In deze zin trad de nieuwere Duitse filosofie ook terstond op. Kant opende er zijn loopbaan mede, dat hij het stabiele zonnestelsel van Newton en zijn eeuwige duur — nadat de beroemde eerste stoot eenmaal was gegeven — in een historisch proces oploste en wel in het ontstaan van de zon en van alle planeten uit een wentelende nevelmassa. Daarbij maakte hij reeds de gevolgtrekking dat met dit ontstaan eveneens de toekomstige ondergang van het zonnestelsel noodzakelijk gegeven was. Zijn opvatting werd een halve eeuw later door Laplace wiskundig gefundeerd en nog een halve eeuw later toonde de spectroscoop het bestaan van zulke gloeiende gasmassa’s in verschillende verdichtingsgraden in het heelal aan. 

Deze nieuwe Duitse filosofie vond haar afsluiting met het systeem van Hegel. Waarin voor het eerst — en dat is zijn grote verdienste — heel de natuurlijke, historische en geestelijke wereld als een proces, d.w.z. als in voortdurende beweging, verandering, gedaanteverwisseling en ontwikkeling voorgesteld werd en er naar gestreefd werd het innerlijke verband van deze beweging en ontwikkeling op te sporen. Van dit gezichtspunt uit vertoonde zich de geschiedenis der mensheid niet meer als een wilde chaos van zinloze gewelddadigheden die voor de rechterstoel van de nu gerijpte wijsgerige rede alle even verwerpelijk zijn en die men liefst zo snel mogelijk vergeet, maar als het ontwikkelingsproces van de mensheid zelf. Het werd nu de taak van het denken de trapsgewijze ontwikkeling langs alle dwaalwegen te volgen, zijn innerlijke wetmatigheid, doorheen al het schijnbaar toevallige aan te tonen.

Dat Hegel deze taak niet vervuld heeft doet hier niet terzake. Zijn baanbrekende verdienste is dat hij haar aan de orde heeft gesteld. Inderdaad is het een taak die geen enkeling ooit zal kunnen oplossen. Ofschoon Hegel naast Saint-Simon de universeelste kop van zijn tijd was, was hij toch beperkt en wel ten eerste door de noodzakelijke begrensdheid van zijn eigen kennis en ten tweede door de eveneens naar omvang en diepte begrensde kennis en opvattingen van zijn tijd. Daar kwam echter nog een derde factor bij. Hegel was idealist, d.w.z. voor hem golden de gedachten in zijn hoofd niet als min of meer abstracte afbeeldingen der werkelijke dingen en gebeurtenissen, maar omgekeerd golden voor hem de dingen en hun ontwikkeling slechts als de verwerkelijkte afbeeldingen van de ergens reeds vóór het wereldbestaan aanwezige ‘Idee’. Daarmee was alles op zijn kop gezet en de werkelijke samenhang in de wereld volledig omgekeerd. En hoe juist en geniaal ook menig op zichzelf genomen verband door Hegel werd opgevat, zo moest toch om de genoemde redenen ook wat de onderdelen aangaat veel geknutseld, gekunsteld, geconstrueerd, kortom averechts uitvallen. Het systeem van Hegel als zodanig was een kolossale misgeboorte — maar ook de laatste van dien aard. Het leed namelijk nog aan een ongeneeslijke innerlijke tegenstrijdigheid. Enerzijds ging het in wezen van de zaak uit van het historische inzicht dat de menselijke geschiedenis een ontwikkelingsproces is, wat van nature niet door de ontdekking van een zogenaamde absolute waarheid verstandelijk afgesloten kan worden, anderzijds echter pretendeert het systeem juist de totaliteit van die absolute waarheid te zijn. Een alomvattend, eens en voorgoed afgerond systeem van de kennis der natuur en der geschiedenis is in strijd met de grondwetten van het dialectisch denken. Wat intussen niet uitsluit, maar integendeel inhoudt, dat de systematische kennis van de gehele buitenwereld van geslacht op geslacht geweldige stappen voorwaarts maken kan.

Het inzicht in de algehele verkeerdheid van het tot heden bestaande Duitse idealisme leidde noodzakelijkerwijze tot het materialisme, maar wel te verstaan niet tot het enkel metafysische, uitsluitend mechanische materialisme van de 18e eeuw. Tegenover de naïef-revolutionaire eenvoudige verwerping van de gehele vroegere geschiedenis ziet het moderne materialisme in de geschiedenis het ontwikkelingsproces der mensheid en het heeft tot taak de bewegingswetten van dit proces te ontdekken. Tegenover de, zowel bij de Fransen van de 18e eeuw alsook bij Hegel heersende voorstelling van de natuur als van een in enge kringlopen zich bewegend, aan zichzelf gelijkblijvend geheel met eeuwige hemellichamen, zoals Newton — en met onveranderlijke soorten van organische wezens, zoals Linnaeus had geleerd, vat het moderne materialisme de nieuwe vorderingen van de natuurwetenschappen samen, volgens welke de natuur eveneens haar geschiedenis in de tijd heeft. De hemellichamen zowel als de verschillende soorten van organismen die deze hemellichamen onder gunstige omstandigheden bewonen, ontstaan en vergaan terwijl de kringlopen, voor zover zij in het algemeen toelaatbaar zijn, oneindig grootsere afmetingen aannemen. In beide gevallen is dat materialisme in wezen dialectisch en heeft geen boven de andere wetenschappen staande filosofie meer nodig. Zodra aan iedere afzonderlijke wetenschap de eis wordt gesteld zich van haar plaats in de samenhang der dingen en van de kennis van de dingen rekenschap te geven, is iedere bijzondere wetenschap van de totale samenhang overbodig. Wat er dan van de hele tot dusver bestaande filosofie nog zelfstandig blijft bestaan, is de leer van het denken en zijn wetten — de formele logica en de dialectiek. Al het andere gaat op in de positieve wetenschap van natuur en geschiedenis.

Terwijl echter de ommekeer in de natuurbeschouwing zich slechts in die mate kon voltrekken waarin het onderzoek de daarvoor noodzakelijke positieve feitenkennis leverde, waren reeds veel vroeger historische feiten naar voren gekomen, die in de geschiedbeschouwing een beslissende wending teweegbrachten. In 1831 had in Lyon de eerste opstand van arbeiders plaatsgevonden. Van 1838 tot 1842 bereikte de eerste nationale arbeidersbeweging, die der Engelse Chartisten, haar hoogtepunt. In de geschiedenis der meest gevorderde landen van Europa trad de klassenstrijd tussen proletariaat en bourgeoisie op de voorgrond in dezelfde mate waarin zich daar enerzijds de grootindustrie, anderzijds de pas veroverde politieke heerschappij van de bourgeoisie ontwikkelde. De leerstellingen van de burgerlijke economie over het samenvallen van de belangen van kapitaal en arbeid, over de algemene harmonie en de algemene volkswelvaart als gevolg van de vrije concurrentie, werden door de feiten steeds treffender gelogenstraft. Al deze feiten konden niet meer over het hoofd worden gezien, evenmin als het Franse en Engelse socialisme dat daarvan de theoretische, zij het dan ook zeer onvolkomen, uitdrukking was. Maar de oude idealistische geschiedbeschouwing, die nog niet was verdrongen, kende geen op materiële belangen berustende klassenstrijd, kende zelfs in het geheel geen materiële belangen. Voor haar was de productie, evenals alle economische verhoudingen slechts bijzaak, een element van ondergeschikte betekenis in de ‘cultuurgeschiedenis’.

De nieuwe feiten dwongen er toe de hele tot dusver bestaande geschiedenis aan een nieuw onderzoek te onderwerpen en daaruit bleek dat alle geschiedenis tot nu toe de geschiedenis van klassenstrijd  was geweest, dat deze elkaar bestrijdende maatschappelijke klassen telkens voortspruiten uit de productie- en verkeersverhoudingen, kortom uit de economischeverhoudingen van hun tijd. Dat derhalve steeds de economische structuur van de maatschappij de werkelijke grondslag vormt waaruit de gehele bovenbouw van de rechterlijke en politieke instellingen, evenals van de religieuze, filosofische en andere voorstellingswijzen van elk historisch tijdperk in laatste instantie zijn te verklaren. Hierdoor was het idealisme uit zijn laatste toevluchtsoord, uit de geschiedkunde, verdreven. Een materialistische opvatting van de geschiedenis gegeven en de weg gevonden om het bewustzijn der mensen uit hun zijn, in plaats van zoals tot dusver, hun zijn uit hun bewustzijn te verklaren. Met deze materialistische geschiedbeschouwing was echter het tot dusver bestaand socialisme even onverenigbaar als het de natuurbeschouwing van het Franse materialisme met de dialectiek en de nieuwere natuurwetenschap is. Het tot dusverre bestaande socialisme kritiseerde weliswaar de bestaande kapitalistische productiewijze en haar gevolgen, het kon ze echter niet verklaren en dus ook niet wijzigen. Het kon ze alleen als slecht verwerpen. Het ging er echter om deze kapitalistische productiewijze enerzijds in haar historisch verband en haar noodzakelijkheid voor een bepaald tijdperk der geschiedenis — dus ook de noodzakelijkheid van haar ondergang — te verklaren. Anderzijds echter ook haar innerlijke aard bloot te leggen, die nog immer verborgen was omdat de kritiek zich tot dusver meer op de kwade gevolgen dan op de gang van zaken zelf geworpen had. Dit geschiedde door de ontdekking van de meerwaarde. Bewezen werd dat de toe-eigening van onbetaalde arbeid de grondvorm van de kapitalistische productiewijze en van de daardoor verwezenlijkte uitbuiting van de arbeider is. Dat de kapitalist, zelfs wanneer hij de arbeidskracht van zijn arbeider koopt tegen de volle waarde, die zij als waar op de warenmarkt heeft, daaruit toch meer waarde haalt dan hij er voor betaald heeft; en dat deze meerwaarde in laatste instantie de waardesom vormt waaruit zich de steeds toenemende kapitaalmassa in de handen van de bezittende klassen ophoopt. Het proces zowel van de kapitalistische productie als van de productie van kapitaal was hiermee verklaard.

Deze beide grote ontdekkingen: de materialistische geschiedbeschouwing en de onthulling van het geheim van de kapitalistische productie door middel van de meerwaarde, hebben wij aanMarx te danken. Met deze ontdekkingen werd het socialisme een wetenschap die, waar het nu allereerst om gaat, in al haar onderdelen en samenhangen verder uitgewerkt moet worden.

Zo ongeveer was de stand van zaken op het gebied van het theoretische socialisme en van de nu wijlen filosofie, toen de heer Eugen Dühring, niet zonder aanzienlijk lawaai, op het toneel sprong en een door hem volbrachte totale omwenteling in de filosofie, in de politieke economie en in het socialisme aankondigde.

Laat ons zien wat de heer Dühring ons belooft en — wat hij vervult.

 

 

II.

Wat de heer Dühring belooft

 

Tot de geschriften van de heer Dühring, met welke wij hier allereerst te maken hebben, behoren zijn Cursus der filosofie, zijn Cursus der nationale en sociale economie en zijn Kritische geschiedenis van de nationale economie en van het socialisme.  Voorlopig interesseert ons vooral het eerste werk.

Reeds aanstonds op de eerste bladzijde kondigt de heer Dühring zich aan als

“degene die aanspraak maakt op de vertegenwoordiging van deze macht (van de filosofie) in zijn tijd en van haar ontwikkeling in de naaste afzienbare toekomst.” 

Hij verklaart zich dus tot de enige ware filosoof van het heden en van de ‘afzienbare’ toekomst. Wie van hem afwijkt, wijkt af van de waarheid. Vele lieden hebben vóór de heer Dühring reeds zoiets van zichzelf gedacht, maar — behalve Richard Wagner — is hij wel de eerste die het doodkalm van zichzelf zegt. En wel is die waarheid, waar het bij hem om gaat,

‘een definitieve waarheid in laatste instantie’.

De filosofie van de heer Dühring is

“het natuurlijke systeem of de werkelijkheidsfilosofie... de werkelijkheid wordt in dit systeem gedacht op een wijze waarbij iedere neiging tot dromerij en subjectief begrensde wereldvoorstelling uitgesloten is.”

Met deze filosofie staat het dus zo dat zij de heer Dühring boven de door hemzelf niet te loochenen grenzen van zijn persoonlijk-subjectieve beperktheid verheft. Dit is ook wel nodig, wanneer hij in staat wil zijn de in laatste instantie definitieve waarheid te constateren, hoewel wij voorlopig nog niet inzien hoe dit wonder tot stand zal komen.

Dit ‘natuurlijke systeem van het op zich zelf voor de geest waardevolle weten’ heeft ‘zonder aan de diepte van het denken iets te kort te doen, de grondvormen van het Zijn met zekerheid vastgesteld’. Van zijn ‘werkelijk kritisch standpunt’ uit, biedt het ‘de elementen van een werkelijke en dienovereenkomstig op de werkelijkheid van de natuur en het leven gerichte filosofie, die zich niet maar met een schijn-verschiet tevreden stelt, doch in haar machtige, omwentelende beweging, alle aarden en hemelen van de uiterlijke en innerlijke natuur ontrolt’; het is ‘een nieuwe denkwijze’, en haar resultaten zijn ‘oerbijzondere uitkomsten en opvattingen... systeem-scheppende gedachten... vastgestelde waarheden’. In haar hebben wij vóór ons ‘een arbeid die haar kracht in het geconcentreerde initiatief moet zoeken’ — wat dat dan ook moge betekenen; een ‘tot aan de wortels reikend onderzoek..., een wortelvaste wetenschap..., een streng wetenschappelijke opvatting van dingen en mensen..., een alzijdig doordringende denkarbeid..., een scheppend ontwerpen van de door gedachten beheerste onderstellingen en gevolgen...,het absoluut fundamentele’.

Op economisch-politiek gebied geeft hij ons niet alleen

‘werken die het onderwerp historisch en systematisch omvatten’, waarvan de historische zich bovendien door ‘mijn geschiedschrijving in grote stijl’ onderscheiden en die in de economie ‘scheppende wendingen’ teweegbrachten,

maar hij besluit ook met een eigen, volledig uitgewerkt socialistisch plan voor de toekomstmaatschappij, dat de

‘praktische vrucht van een klare en tot aan de diepste wortels reikende theorie is’

en daarom even onfeilbaar en alleenzaligmakend is als de Dühring-filosofie; want

slechts in zulk een socialistisch scheppingswerk als ik in mijn ‘Cursus der nationale en sociale economie’... omschreven heb, kan het werkelijk eigene de plaats innemen van het slechts schijnbare en voorlopige, of anders gewelddadige eigendom’. Waarnaar de toekomst zich te richten heeft.

Deze bloemlezing van loftuitingen op de heer Dühring door de heer Dühring zou gemakkelijk tot het tienvoudige uitgebreid kunnen worden. Zo reeds zal zij de lezer hebben doen betwijfelen of hij werkelijk met een filosoof te doen heeft of met — maar wij moeten de lezer verzoeken zijn oordeel op te schorten totdat hij met de genoemde wortelvastheid nader kennis heeft gemaakt. Wij geven bovenstaande bloemlezing dan ook slechts om te laten zien dat wij niet maar een gewone filosoof en socialist voor ons hebben, die zijn gedachten op eenvoudige wijze uitspreekt en het aan de verdere ontwikkeling overlaat hun waarde te beoordelen, maar met een zeer buitengewoon wezen dat beweert niet minder onfeilbaar te zijn dan de paus en wiens alleenzaligmakende leer men eenvoudig te aanvaarden heeft wil men niet in de meest verwerpelijke ketterij vervallen. Wij hebben hier geenszins met een van die werken te doen waarmee alle socialistische literaturen en in de laatste tijd ook de Duitse, rijkelijk zijn bedeeld. Werken, waarin mensen van verschillend kaliber zich op de meest oprechte wijze ter wereld moeite geven vraagstukken tot klaarheid te brengen, voor welke beantwoording hun misschien in meerdere of mindere mate het materiaal ontbreekt, maar waarbij, ondanks wetenschappelijke en literaire gebreken, toch de socialistische goede wil steeds te prijzen valt. Integendeel, de heer Dühring legt ons stellingen voor die hij voor definitieve waarheden in laatste instantie verklaart, waarnaast iedere andere mening dus bij voorbaat foutief is. Evenals van de uitsluitende waarheid is hij ook in het bezit van de enige, streng wetenschappelijke methode van onderzoek, waarnaast alle andere onwetenschappelijk zijn. Of hij heeft gelijk en dan staat het grootste genie van alle tijden voor ons, de eerste bovenmenselijke, wijl onfeilbare mens óf hij heeft ongelijk en dan zou, hoe ons oordeel ook moge uitvallen, een welwillend rekening houden met zijn eventuele goede wil voor de heer Dühring altijd nog de meest dodelijke belediging zijn.

Wanneer men in het bezit is van de definitieve waarheid in laatste instantie en van de enige strenge wetenschappelijkheid, spreekt het vanzelf dat men voor de overige dwalende en onwetenschappelijke mensheid een zekere mate van verachting moet hebben. Wij mogen er ons dus niet over verbazen, wanneer de heer Dühring over zijn voorgangers op uiterst geringschattende wijze spreekt en slechts enkele, die bij uitzondering door hem als grote mannen zijn gekwalificeerd, voor de rechterstoel van zijn wortelvastheid genade vinden.

Laten wij hem eerst toehoren over de filosofen:

“de van iedere betere gezindheid ontblote Leibniz..., deze voornaamste onder alle mogelijke filosoferende hovelingen”.

Kant wordt nog net geduld, maar na hem liep alles in het honderd:

toen kwamen ‘de woestheden en de even onnozele als holle verdwazingen van de eerstvolgende epigonen, met name dus van een Fichte en een Schelling... monsterachtige karikaturen van onwetend natuurgefilosofeer... de na-kantiaanse monsterachtigheden’ en ‘koortsfantasieën’, wier bekroning ‘een Hegel’ was. Deze sprak een ‘Hegel-jargon’ en verbreidde de ‘Hegel-epidemie’ door middel van zijn ‘bovendien ook wat de vorm betreft, onwetenschappelijke manier’ en van zijn ‘grofheden’.

De natuuronderzoekers komen er niet beter af, maar daar alleen Darwin met name wordt genoemd, moeten wij ons tot deze bepalen:

‘Darwinistische halfpoëtische ontboezemingen en gedaanteverwisselingshandigheid met haar grofzinnelijke bekrompenheid van opvatting en botheid van onderscheidingsvermogen... Naar onze mening is het specifieke darwinisme, natuurlijk met uitzondering van Lamarcks geschriften, een tegen de menselijkheid gericht stuk bruutheid.’

Het ergst komen echter de socialisten er af. Met uitzondering hoogstens van Louis Blanc — de onbeduidendste van allen — zijn ze allemaal zondaars en verdienen zij de roem niet die hun vóór (of na) de heer Dühring te beurt zou zijn gevallen. En niet alleen op grond van waarheid en wetenschappelijkheid, neen, ook wat hun karakter betreft. Met uitzondering van Babeuf en enige communards van 1871 zijn zij geen van allen ‘mannen’. De drie utopisten heten ‘sociale alchimisten’. Van hen wordt Saint-Simon in zoverre nog mild behandeld dat hem alleen geestes-‘overspanning’ verweten wordt en dat meelijdend wordt te kennen gegeven dat hij aan godsdienstwaanzin zou hebben geleden. Bij Fourier daarentegen verliest de heer Dühring het geduld geheel en al. Want Fourier

‘vertoonde alle elementen van waanzin... ideeën die men eerder in een gekkenhuis zou zoeken... de meest woeste dromen... producten van verstandsverbijstering... De onuitsprekelijk onnozele Fourier’, die ‘kindskop’, die ‘idioot’, is bovendien niet eens socialist: zijn phalanstère  is in geen enkel opzicht een stuk rationeel socialisme, maar een ‘naar de sjablone van het gewone handelsverkeer geconstrueerd wangedrocht’.

En eindelijk:

‘voor wie deze uitlatingen’ (van Fourier over Newton) ‘nog niet voldoende zijn om zich er van te overtuigen dat in de naam Foerier en in het gehele fourierisme alleen de eerste lettergreep (fou=gek) iets waar bevat, die dient zelf bij de een of andere categorie van idioten ingedeeld te worden’.

Tenslotte Robert Owen

‘had matte en armzalige ideeën... zijn op het gebied van de moraal zo grove denkwijze... enige tot verdraaidheden ontaarde gemeenplaatsen... tegenstrijdige en grove beschouwingswijze... De loop van Owens gedachten is nauwelijks waard dat men er ernstige kritiek aan besteedt... zijn ijdelheid’, enz.

Waar de heer Dühring de utopisten aldus, uiterst vernuftig, naar hun namen karakteriseert: Saint-Simon — saint (heilig), Fourier — fou (gek), Enfantin. — enfant (kind), ontbreekt nog slechts dat hij er aan toevoegt: Owen — o, wee! En een heel belangrijke periode van de geschiedenis van het socialisme is met vier woorden eenvoudig — afgemaakt. En wie daaraan twijfelt ‘dient zelf bij de een of andere categorie van idioten ingedeeld te worden’.

Van Dührings oordeelvellingen over de latere socialisten halen wij, terwille van de kortheid, alleen die over Lassalle en Marx aan:

Lassalle: ‘Schoolmeesterachtige kleingeestige pogingen populair te zijn... overwoekerende scholastiek... afschuwelijk mengelmoes van algemene theorie en miezerig geklets... zin- en vormloos Hegel-bijgeloof... afschrikwekkend voorbeeld... hem eigen bekrompenheid... gewichtigdoenerij over de onbenulligste beuzelarij... onze Joodse held... pamfletschrijver... plat innerlijke ongestadigheid in zijn levens- en wereldbeschouwing.’

Marx: ‘Bekrompenheid van opvatting... zijn werken en prestaties zijn op zichzelf, d.w.z. louter theoretisch beschouwd, voor ons gebied (de kritische geschiedenis van het socialisme) zonder blijvende betekenis en voor de algemene geschiedenis van de geestelijke stroming hoogstens als symptoom van de inwerking van een tak van de nieuwere sektenscholastiek te vermelden... onmacht tot samenvattend en rangschikkend vermogen... vormloosheid van gedachten en stijl, onwaardige taal-allures... verengelste ijdelheid... misleiding... onbeheerste opvattingen, die feitelijk niets anders dan bastaards van historische en logische fantasterij zijn... bedrieglijke draai... persoonlijke ijdelheid... gemene kunstgrepen... brutaal... bellettristische potsen en grimassen... Chinezengeleerdheid... filosofische en wetenschappelijke achterlijkheid.’

Enzovoort, enzovoort — want ook dit is maar een kleine oppervlakkige bloemlezing uit Dührings rozenhof. Wel te verstaan, voorlopig gaat het ons nog in het geheel niet aan of deze beminnelijke schimpscheuten die er de heer Dühring, bij enige beschaving, van hadden moeten terughouden, ook maar iets gemeen en brutaal te vinden, eveneens definitieve waarheden in laatste instantie zijn. Tevens zullen wij er ons — nu nog — voor wachten ook maar de geringste twijfel te uiten aan hun wortelvastheid, daar men ons anders zelfs wel eens zou kunnen verbieden die categorie van idioten uit te zoeken, waartoe wijzelf behoren. Wij hebben het alleen voor onze plicht gehouden enerzijds een voorbeeld te geven van wat de heer Dühring

‘de keur van een discrete en in de ware zin van het woord bescheiden wijze van uitdrukken’

noemt en anderzijds te constateren dat bij de heer Dühring de verwerpelijkheid van zijn voorgangers niet minder vaststaat dan zijn eigen onfeilbaarheid. Hierna besterven wij het van allerdiepste eerbied voor het geweldigste genie aller tijden — wanneer het namelijk met dit alles werkelijk zo gesteld is.

 

 

 

 

Eerste deel — Filosofie

 

III. Indeling. Apriorisme

 

Filosofie is volgens de heer Dühring de ontwikkeling van de hoogste vorm van het bewustzijn omtrent wereld en leven, en omvat in een ruimere betekenis de grondbeginselen van al het weten en willen. Waar een of andere reeks van inzichten of drijfveren of een groep van bestaansvormen zich aan het menselijke bewustzijn voordoet, moeten de grondbeginselen van deze verschijnselen een onderwerp der filosofie zijn. Deze beginselen zijn de enkelvoudige of tot nu toe als enkelvoudig aangenomen bestanddelen waaruit zich het veelvoudige weten en willen laat samenstellen. Evenals de chemische samenstelling der lichamen kan ook de algemene gesteldheid der dingen tot grondvormen en grondelementen teruggebracht worden. Deze laatste bestanddelen of beginselen gelden, zodra zij eenmaal gevonden zijn, niet slechts voor het rechtstreeks bekende en toegankelijke, maar ook voor de ons onbekende en ontoegankelijke wereld. De filosofische beginselen leveren dus de laatste aanvulling die de wetenschappen nodig hebben om tot een gesloten systeem ter verklaring van natuur en mensenleven te worden. Buiten de grondvormen van al het bestaande heeft de filosofie slechts twee eigenlijke voorwerpen van onderzoek, nl. de natuur en de mensenwereld. Hieruit volgen voor de indeling van onze stofvolkomen ongedwongen drie groepen, nl. de algemene wereldschematiek, de leer van de grondbeginselen van de natuur en tenslotte die van de mens. Deze volgorde bevat tegelijk eeninnerlijke logische orde, want de formele grondslagen die voor al het Zijn gelden, staan voorop, en de zakelijke gebieden waarop zij van toepassing zijn, volgen naargelang van hun rangorde.

Tot zover de heer Dühring en wel bijna geheel woordelijk.

Bij hem gaat het dus om grondbeginselen om uit het denken, niet uit de buitenwereld, afgeleide formele grondstellingen die op de natuur en op het rijk van de mens toegepast moeten worden. Waarnaar zich dus natuur en mens hebben te richten. Maar waar haalt het denken deze grondstellingen vandaan? Uit zichzelf? Neen, want de heer Dühring zegt zelf: het zuiver ideële gebied bepaalt zich tot logische schema’s en wiskundige stellingen (welk laatste, zoals wij nog zullen zien, bovendien fout is). Logische schema’s kunnen slechts op denkvormen betrekking hebben. Hier echter gaat het slechts om de vormen van het Zijn, van de buitenwereld, en deze vormen kan het denken nooit uit zichzelf, maar kan het juist alleen uit de buitenwereld putten en afleiden. Daarmee wordt echter de hele verhouding omgekeerd: de beginselen zijn niet het uitgangspunt van het onderzoek, maar hun eindresultaat. Zij worden niet op natuur en mensengeschiedenis toegepast, maar uit deze afgeleid: niet de natuur en het rijk der mensen richten zich naar de beginselen, maar de beginselen zijn slechts in zoverre juist als zij met natuur en geschiedenis overeenstemmen. Dat is de enige materialistische opvatting van de zaak en de daaraan tegenovergestelde van de heer Dühring is idealistisch, zet de zaak volkomen op zijn kop en construeert de werkelijke wereld uit de gedachte, uit ergens los van de wereld eeuwig bestaande schema’s, regels of categorieën, geheel als — een Hegel.

Inderdaad. Leggen wij de Encyclopedie van Hegel  met al haar koortsfantasieën naast de in laatste instantie definitieve waarheden van de heer Dühring. Bij de heer Dühring hebben wij eerst de algemene wereldschematiek, die bij Hegel de logica heet. Dan hebben wij bij beiden de toepassing van deze schema’s, resp. logische categorieën op de natuur: natuurfilosofie, en eindelijk hun toepassing op het rijk der mensen, wat Hegel de filosofie-van-de-geest noemt. De ‘innerlijke logische orde’ van de heer Dühring brengt ons dus ‘volkomen ongedwongen’ bij HegelsEncyclopedie terug, waaruit zij zo getrouw overgenomen is dat de eeuwige Jood van de Hegelse school, professor Michelet in Berlijn , wel tot tranen toe ontroerd zal zijn.

Dat komt ervan wanneer men ‘het bewustzijn’, ‘het denken’ geheel naturalistisch als iets vaststaand opvat, als iets dat van meet af aan aan het Zijn, aan de natuur tegenovergesteld is. Dan moet men het ook hoogst merkwaardig vinden dat bewustzijn en natuur, denken en Zijn, denkwetten en natuurwetten zozeer overeenstemmen. Vraagt men echter verder wat dus denken en bewustzijn zijn en wat hun oorsprong is, dan vindt men dat het producten van het menselijke brein zijn en dat de mens zelf een natuurproduct is dat zich in en met zijn omgeving ontwikkeld heeft. Waarbij het dan vanzelf spreekt dat de voortbrengselen van het menselijke brein, die tenslotte ook natuurproducten zijn, niet in tegenspraak maar in overeenstemming zijn met het overige natuurverband. 

Maar de heer Dühring mag zich deze eenvoudige behandeling der dingen niet veroorloven. Hij denkt niet slechts in naam der mensheid — wat toch al een heel mooi ding zou zijn — maar in naam van de bewuste en denkende wezens aller hemellichamen.

Inderdaad, het zou “een vernedering van de grondvormen van het bewustzijn en het weten zijn, wanneer men hun soevereine geldigheid en hun onvoorwaardelijk recht op waarheid door de toevoeging ‘menselijk’ zou willen te niet doen of zelfs maar in twijfel trekken”.

Om dus de verdenking te ontgaan als zou op het een of ander hemellichaam twee maal twee vijf kunnen zijn, mag de heer Dühring het denken niet als menselijk aanduiden, moet hij het daarmee losrukken van de enig werkelijke grondslag, waarop het voor ons bestaat, namelijk die van de mens en van de natuur, en hij plompt daarmee reddeloos in een ideologie die hem doet optreden als epigoon van de ‘epigoon’ Hegel. Overigens zullen wij de heer Dühring nog meermalen op andere hemellichamen begroeten.

Het spreekt vanzelf, dat men op een zo ideologische grondslag geen materialistische leer kan grondvesten. Wij zullen later zien dat de heer Dühring genoodzaakt is aan de natuur meer dan eens bewust handelen toe te schrijven, dus datgene wat men op zijn Diets... god noemt.

Intussen had onze werkelijkheidsfilosoof ook nog andere redenen om de grondslagen van alle werkelijkheid uit de werkelijke wereld naar de gedachtewereld te laten verhuizen. De wetenschap van dit algemene wereldschema, van deze formele grondstellingen van het Zijn is immers juist de grondslag van mijnheer Dührings filosofie. Wanneer wij het wereldschema niet uit het brein maar slechts door middel van het brein uit de werkelijke wereld, de grondstellingen van het Zijn, uit datgene wat is, afleiden dan hebben wij daarvoor geen filosofie nodig, maar positieve kennis van de wereld en van wat daarin geschiedt; en wat daarbij voor de dag komt is evenmin filosofie, maar positieve wetenschap. Daarmee zou echter het hele boekdeel van de heer Dühring niets dan vergeefse moeite zijn.

Verder: wanneer geen filosofie als zodanig meer nodig is, dan ook geen systeem, zelfs geen natuurlijk systeem der filosofie. Het inzicht dat het totaal der natuurprocessen in een systematisch verband staat, drijft de wetenschap er toe dit systematisch verband overal, zowel in onderdelen als in het geheel aan te tonen. Maar een overeenkomstige, volledige wetenschappelijke beschrijving van deze samenhang, de opstelling van een exact gedachtebeeld van het wereldsysteem waarin wij leven, blijft voor ons zowel als voor alle tijden een onmogelijkheid. Zou op een of ander tijdstip van ontwikkeling der mensheid zulk een definitief afgesloten systeem van wereldverbanden, fysische zowel als geestelijke en historische, bereikt worden, dan zou daarmee het rijk der menselijke kennis afgesloten en de toekomstige historische verdere ontwikkeling afgesneden zijn van het ogenblik af waarop de samenleving in harmonie met dat systeem gebracht werd — wat een ongerijmdheid en volkomen onzinnig zou zijn. De mensen zien zich dus voor een tegenstrijdigheid geplaatst. Enerzijds de opgave het wereldsysteem volledig in zijn totaalverband te leren kennen, en anderzijds zowel op grond van hun eigen natuur als op die van het wereldsysteem, deze taak nooit volkomen te kunnen vervullen. Maar deze tegenstelling ligt niet alleen in de natuur van de beide factoren: wereld en mensen, maar zij is ook de voornaamste hefboom van de gehele intellectuele vooruitgang en vindt iedere dag en voortdurend haar oplossing in de eindeloos voortschrijdende ontwikkeling van de mensheid, net zoals bv. wiskundige opgaven in een oneindige reeks of in een kettingbreuk tot oplossing komen. Feitelijk is en blijft ieder gedachtebeeld van het wereldsysteem objectief door de historische toestand, en subjectief door de lichaam- en geestesgesteldheid van degene, die zich het beeld vormt, beperkt. Maar de heer Dühring verklaart bij voorbaat, dat bij zijn denkwijze ieder afglijden naar een subjectief beperkte wereldvoorstelling uitgesloten is. Wij zagen zo-even, dat hij alomtegenwoordig is — op alle mogelijke hemellichamen. Nu zien wij ook, dat hij alwetend is. Hij heeft de laatste opgaven der wetenschap opgelost en aldus de toekomst van de gehele wetenschap met planken dichtgespijkerd.

De heer Dühring meent dat hij, evenals de grondvormen van het Zijn, ook de hele zuivere wiskunde a-prioristisch, d.w.z. zonder gebruikmaking van ervaringen die ons de buitenwereld biedt, van het brein uit op kan bouwen.

In de zuivere wiskunde zou zich het verstand bezig moeten houden ‘met zijn eigen vrije scheppingen en verbeeldingen’; de begrippen van getal en figuur zijn ‘het object dat voor haar toereikend is en dat zijzelf voortbrengen kan’ en bijgevolg heeft zij ‘een van de bijzondere ervaring en van de reële wereldinhoud onafhankelijke geldigheid’.

Dat de zuivere wiskunde een van de bijzondere ervaring van ieder individu onafhankelijke geldigheid heeft is ongetwijfeld juist en geldt voor alle vastgestelde feiten in alle wetenschappen, ja zelfs voor alle feiten als zodanig. De magnetische polen, de samenstelling van water uit waterstof en zuurstof, het feit dat Hegel dood is en de heer Dühring leeft, gelden onafhankelijk van mijn of van iemand anders ervaring, zelfs onafhankelijk van die des heren Dühring zodra hij de slaap des rechtvaardigen slaapt. Maar in de zuivere wiskunde houdt het verstand zich geenszins alleen met zijn eigen scheppingen en verbeeldingen bezig. De begrippen getal en figuur zijn uitsluitend genomen uit de werkelijke wereld. De tien vingers waaraan de mens aftelt, waarmee hij dus de eerste rekenkundige bewerking heeft leren uitvoeren, zijn alles behalve een vrije schepping van het verstand. Tot het tellen behoren niet alleen telbare voorwerpen, maar ook de bekwaamheid om bij de beschouwing van de voorwerpen van al hun andere eigenschappen, behalve van hun aantal, te kunnen afzien — en deze bekwaamheid is het resultaat van een lange historische ervaringsontwikkeling. Zoals het begrip getal, zo is ook het begrip figuur uitsluitend aan de buitenwereld ontleend en niet in het brein aan het zuivere denken ontsproten. Er moesten dingen voorhanden zijn die een vorm hadden en wier vormen men vergeleek voordat men op het begrip figuur kon komen. De zuivere wiskunde heeft tot onderwerp: de ruimtevormen en de kwantitatieve verhoudingen van de werkelijke wereld; een zeer reële stof dus. Dat deze stof in een hoogst abstracte vorm verschijnt, kan zijn oorsprong uit de buitenwereld slechts oppervlakkig verbergen. Om deze vormen en verhoudingen zuiver te kunnen onderzoeken, moet men ze echter volledig van hun inhoud losmaken en deze als niet terzake dienende terzijde schuiven; op die wijze verkrijgt men de punten zonder afmetingen, de lijnen zonder dikte en breedte, de a en b, de x en y, de constanten en de variabelen en als allerlaatste komt men dan tot de eigen vrije scheppingen en verbeeldingen van het verstand, nl. tot de imaginaire grootheden. Ook de schijnbare afleiding uit elkaar van wiskundige grootheden bewijst niet hun a-prioristische oorsprong, doch slechts hun rationele samenhang. Voordat men op het denkbeeld kwam om de vorm van een cilinder uit de wenteling van een rechthoek om een van zijn zijden af te leiden, moest men een aantal werkelijke rechthoeken en cilinders in hoe onvolkomen vorm dan ook, onderzocht hebben. Evenals alle andere wetenschappen is de wiskunde uit de behoeften der mensen voortgekomen: uit het meten van landoppervlakte en inhoud van voorwerpen, uit tijdrekening en mechanica. Maar evenals op ieder gebied van het denken worden op een bepaalde ontwikkelingstrap de uit de werkelijke wereld geabstraheerde wetten van die werkelijke wereld losgemaakt, als iets zelfstandig daar tegenovergesteld, als van buiten komende wetten, waarnaar de wereld zich te richten heeft. Zo is het in samenleving en staat toegegaan, zo en niet anders wordt de zuivere wiskunde achteraf op de wereld toegepast, hoewel zij juist aan deze wereld ontleend is en slechts een deel der vormen van haar samenstelling uitmaakt — en enkel en alleen daarom dan ook toepasbaar is.

Zoals echter de heer Dühring zich inbeeldt, uit de wiskundige axioma’s

‘die, ook zuiver-logisch gedacht, evenmin bewezen kunnen worden als een bewijs nodig hebben,’

de hele zuivere wiskunde, zonder enige toevoeging uit de ervaring te kunnen afleiden en die dan op de wereld te kunnen toepassen, — beeldt hij zich eveneens in, dat hij eerst de grondvormen van het Zijn, de enkelvoudige bestanddelen van heel het weten, de axioma’s van de filosofie uit het brein kan voortbrengen, dat hij daaruit de hele filosofie of het wereldschema kan afleiden en deze door hem ontworpen grondwet met hoogst eigen hand aan natuur en mensenwereld kan voorschrijven. Jammer genoeg bestaat de natuur helemaal niet en de mensenwereld slechts voor een allergeringst deeltje uit de Pruisen à la Manteuffel van 1850. 

De wiskundige axioma’s zijn de uitdrukking van de uiterst schrale gedachte-inhoud, die de wiskunde aan de logica moet ontlenen. Zij laten zich tot twee herleiden, en wel:

1. Het geheel is groter dan het deel. Deze stelling is een zuivere tautologie, omdat de kwantitatief genomen voorstelling deel bij voorbaat en op bepaalde wijze op de voorstelling geheelbetrekking heeft, namelijk zo, dat ‘deel’ zonder meer uitdrukt, dat het kwantitatieve ‘geheel’ uit meerdere kwantitatieve ‘delen’ bestaat. Waar het zogenaamde axioma dit uitdrukkelijk vaststelt, zijn wij hiermee geen stap verder. Men kan deze tautologie zelfs tot op zekere hoogte bewijzen wanneer men zegt: een geheel is datgene wat uit meerdere delen bestaat; een deel is datgene waarvan meerdere een geheel uitmaken, bijgevolg is het deel kleiner dan het geheel — waarbij de onbenulligheid van de herhaling de onbenulligheid van de inhoud nog sterker doet uitkomen.

2. Wanneer twee grootheden aan een derde gelijk zijn, dan zijn zij ook onderling gelijk. Deze stelling is, zoals Hegel al aangetoond heeft, een gevolgtrekking voor de juistheid waarvan de logica instaat , die dus bewezen is, zij het dan buiten de zuivere wiskunde. De overige axioma’s over gelijkheid en ongelijkheid zijn enkel logische uitbreidingen van deze sluitrede.

Deze magere stellingen lokken noch in de wiskunde, noch ergens anders een hond achter de kachel vandaan. Om verder te komen moeten wij werkelijke verhoudingen er bij halen, verhoudingen en ruimtevormen die aan werkelijke lichamen ontleend zijn. De voorstellingen van lijnen, vlakken, hoeken van veelhoeken, kubussen, bollen enz. zijn alle aan de werkelijkheid ontleend en er is een flink stuk naïeve ideologie voor nodig om met de wiskundigen aan te nemen, dat de eerste lijn door de beweging van een punt in de ruimte zou zijn ontstaan, het eerste vlak door de beweging van een lijn, het eerste lichaam door de beweging van een vlak enz. Daartegen komt reeds de taal in opstand. Een wiskundige figuur van drie afmetingen heet een lichaam, corpus solidum, in het Latijn dus zelfs een tastbaar lichaam, en draagt zo een naam die geenszins aan de vrije verbeelding van het verstand, maar aan de grijpbare werkelijkheid ontleend is.

Maar waartoe al die omhaal? Nadat de heer Dühring op blz. 42 en 43  de onafhankelijkheid van de zuivere wiskunde van de ervaringswereld, haar aprioriteit, haar zich bezig houden met eigen vrije scheppingen en verbeeldingen van het verstand geestdriftig heeft bezongen, zegt hij op blz. 63:

‘men ziet nl. licht over het hoofd, dat deze wiskundige elementen (aantal, grootte, tijd, ruimte en meetkundige beweging) slechts naar hun vorm ideëel zijn... de absolute grootheden zijn bijgevolg iets volkomen proefondervindelijks, tot welke soort zij ook mogen behoren’ ... maar ‘de wiskundige schema’s zijn van dien aard, dat zij los van de ervaring, niettemin voldoende gekarakteriseerd kunnen worden’

— dit laatste geldt min of meer voor iedere abstractie, maar bewijst in het geheel niet dat zij niet uit de werkelijkheid geput is. In het wereldschematisme is de zuivere wiskunde uit het zuivere denken ontsproten — in de natuurfilosofie is zij iets volstrekt proefondervindelijks, genomen uit de buitenwereld en dan daarvan losgemaakt. Wat moeten wij nu geloven?

 

 

 

 

IV. Wereldschematisme

 

‘Het alomvattende Zijn is enig. Daar het absoluut onafhankelijk in zich bestaat, kan het niets naast of boven zich hebben. Een tweede Zijn er aan toe te voegen zou betekenen, het te maken tot wat het niet is, nl. tot het bestanddeel van een omvangrijker geheel. Doordat wij onze eenzijnde gedachte als het ware als een raam uitspannen, kan niets wat onder deze gedachte-eenheidbegrepen moet worden tweeledigheid behouden. Maar aan deze gedachte-eenheid kan zich ook niets onttrekken ... Het wezen van alle denken bestaat in de vereniging van bewustzijnselementen tot een eenheid... Het is het eenheidspunt van de samenvatting waardoor het ondeelbare wereldbegrip ontstaan is en het universum, zoals het woord reeds uitdrukt, begrepen wordt als iets, waarin alles tot één eenheid verenigd is’.

Zover de heer Dühring. De wiskundige methode:

‘ieder vraagstuk dient naar eenvoudige grondvormen axiomatisch opgelost te worden, alsof het eenvoudige... grondstellingen der wiskunde betrof’

— deze methode wordt hier voor het eerst toegepast.

‘Het alomvattende Zijn is enig’. Wanneer een tautologie, een eenvoudige herhaling in het gezegde van wat in het onderwerp reeds is uitgesproken — wanneer dàt een axioma is, dan hebben wij er hier een van het zuiverste water. In het onderwerp zegt de heer Dühring ons, dat het Zijn alles omvat en in het gezegde beweert hij onversaagd dat dan daarbuiten niets meer bestaat. Welk een kolossale ‘systeemscheppende gedachte’?

Systeemscheppend, inderdaad. Voordat wij zes regels verder zijn, heeft de heer Dühring de enigheid van het Zijn door middel van onze eenzijnde gedachte in zijn eenheid veranderd. Daar het wezen van al het denken in de samenvatting tot een eenheid bestaat, is het Zijn, zodra het gedacht wordt, als eenheid gedacht, is het wereldbegrip ondeelbaar, en omdat het gedachte Zijn, hetwereldbegrip, een eenheid is, daarom is het werkelijke Zijn, de werkelijke wereld eveneens een ondeelbare eenheid. En bijgevolg

‘is er voor al het bovenaardse geen plaats meer, zodra de geest eenmaal geleerd heeft het Zijn te begrijpen in zijn homogene universaliteit.’

Ziedaar een veldtocht waarbij die van Austerlitz en Jena, Königgrätz en Sedan  volslagen in het niet verzinken. In een paar zinnen, nauwelijks een bladzijde nadat wij het eerste axioma hebben laten aanrukken hebben wij alvast al het bovenaardse, god, de hemelse heerscharen, hemel, hel en vagevuur plus de onsterfelijkheid der ziel afgeschaft, aan de kant gezet, — vernietigd.

Hoe komen wij van de enigheid van het Zijn tot zijn eenheid? Door het ons eenvoudig voor te stellen. Wanneer wij onze eenzijnde gedachte als een raam daaromheen uitspannen, wordt het enige Zijn in gedachten een eenzijn, een gedachte-eenheid. Want het wezen van al het denken bestaat in de vereniging van bewustzijnselementen tot een eenheid.

Deze laatste zin is eenvoudig foutief. Ten eerste bestaat het denken evenzeer in de ontleding van bewustzijnsvoorwerpen in hun elementen als in de vereniging van bij elkaar behorende elementen tot een eenheid. Zonder ontleding geen samenstelling. Ten tweede kan het denken, zonder bokken te schieten, slechts die bewustzijnselementen tot een eenheid samenvatten in welke of in welker reële oergedaanten die eenheid reeds van tevoren bestond. Wanneer ik een schoenborstel onder de eenheid ‘zoogdier’ samenvat, dan krijgt hij daarom nog lang geen melkklieren. De eenheid van het Zijn, resp. het goedrecht van zijn beschouwing door het denken als een eenheid, is dus precies datgene wat te bewijzen was. En wanneer de heer Dühring ons verzekert dat hij zich het Zijn als eenheid en niet bv. als tweeledigheid denkt, zo zegt hij ons daarmee verder niets dan zijn persoonlijke, niemand tot iets verplichtende mening.

Wanneer wij zijn gedachtegang zuiver willen weergeven, dan ziet deze er zo uit: ik begin met het Zijn. Dus denk ik mij het Zijn. De gedachte aan het Zijn is éénvormig. Denken en Zijn moeten echter overeenstemmen, zij beantwoorden aan elkaar, zij ‘dekken elkaar’. Dus is het Zijn ook in de werkelijkheid éénvormig. Dus bestaan er generlei ‘bovenaardsheden’. Indien de heer Dühring zo onomwonden gesproken had, in plaats van ons bovenstaande orakeltaal ten beste te geven, dan was de ideologie volkomen duidelijk geweest. Uit de identiteit van Denken en Zijn de realiteit van het een of ander denkproduct te willen bewijzen, dat was immers precies een van de dolste koortsfantasieën van — een Hegel.

Op de spiritualisten zou de heer Dühring, zelfs al was zijn hele bewijsvoering juist, nog geen duimbreed grond hebben gewonnen. De spiritualisten antwoorden hem kortweg: de wereld is ook voor ons ondeelbaar, de splitsing in het aardse en het bovenaardse geldt slechts voor ons specifiek aardse, erfzondige standpunt. Op zich zelf genomen, d.w.z. in god, is het gehele Zijn enig. En zij zullen de heer Dühring naar zijn geliefde andere hemellichamen begeleiden en hem er een of meer tonen, waar geen zondeval heeft plaatsgehad, waar dus ook geen tegenstelling tussen aards en bovenaards bestaat en waar de wereld-als-eenheid eis des geloof is.

Het vermakelijke van de zaak is, dat de heer Dühring, om het niet-bestaan van god uit het begrip van het Zijn te bewijzen, het ontologisch bewijs voor het bestaan van god gebruikt. Dit luidt: wanneer wij ons god denken, dan denken wij hem als het totaal van alle volkomenheden. Daartoe echter behoort in de eerste plaats het bestaan, want een niet-bestaand wezen is noodzakelijkerwijs onvolkomen. Dus moeten wij tot de volkomenheden gods ook het bestaan rekenen. Dus moet god bestaan. — Precies zo redeneert de heer Dühring: Wanneer wij ons het Zijn denken, dan denken wij het ons als één begrip. Wat in één begrip samen gevat is, dat is een eenheid. Het Zijn zou dus aan zijn begrip niet beantwoorden, wanneer het geen eenheid was. Bijgevolg moet het een eenheid zijn. Bijgevolg bestaat er geen god, enz.

Wanneer wij van het Zijn spreken, en alleen van het Zijn, dan kan de eenheid slechts daarin bestaan dat alle voorwerpen waar het om gaat — zijn, bestaan. In de eenheid van dit Zijn en in geen andere, zijn zij samen gevat en de algemene uitspraak, dat zij alle zijn, kan hun niet alleen geen verdere, gemeenschappelijke of niet-gemeenschappelijke eigenschappen geven, maar sluit alle zodanig eigenschappen voorlopig uit van de beschouwing. Want zodra wij van het eenvoudige fundamentele feit, dat al deze dingen het Zijn gemeen hebben, ook maar een millimeter afwijken, dan treden de verschillen van deze dingen op de voorgrond — en of nu die verschillen daarin bestaan, dat het ene wit, het andere zwart, het ene levend, het andere levenloos, het ene bv. van deze, het andere van gene wereld is, — dit alles kunnen wij niet afleiden uit het feit dat hun allen gelijkenmate het naakte bestáán toegeschreven wordt.

De eenheid van de wereld bestaat niet in haar Zijn, hoewel dat een voorwaarde voor haar eenheid is, aangezien zij toch eerst moet zijn vóór zij één zijn kan. Het Zijn is immers in het algemeen een open vraag van die grens af waar onze gezichtskring ophoudt. De werkelijke eenheid van de wereld bestaat in haar stoffelijkheid en deze is bewezen, niet door een paar hokus-pokus-tiraden, maar door een lange en moeizame ontwikkeling van de filosofie en van de natuurwetenschap.

Volgen we de tekst verder. Het Zijn, waarmee de heer Dühring ons bezighoudt, is ‘niet dat zuivere Zijn, dat aan zichzelf gelijk, verstoken moet zijn van alle bijzondere bepalingen en inderdaad slechts de tegenhanger vertegenwoordigt van het gedachtenniets of van de afwezigheid van iedere gedachte.’

Nu zullen wij echter al heel gauw zien dat de wereld van de heer Dühring welzeker met een Zijn begint, dat elke innerlijke onderscheiding, beweging en verandering mist en dus inderdaad niets anders is dan een tegenhanger van het gedachten-niets, dus een werkelijk niets. Eerst uit dit Zijn-niets ontwikkelt zich de tegenwoordige, gedifferentieerde en steeds wisselende wereldtoestand die een ontwikkeling, een Worden vormt. En eerst nadat wij dit begrepen hebben, komen wij zover om ook onder deze eeuwige verandering ‘het begrip van het universele, zichzelf gelijk blijvende Zijn vast te houden’.

Wij hebben dus nu het begrip van het Zijn op een hogere trap, waar dit begrip zowel bestendigheid als verandering, zowel Zijn als Worden omvat. Hier aangekomen, vinden wij dat

‘geslacht en soort, of wel het algemene en het bijzondere, de eenvoudigste onderscheidingsmiddelen zijn zonder welke de dingen in hun bestaan en verband niet kunnen worden begrepen’.

Dit zijn echter onderscheidingsmiddelen van de kwaliteit. En hiermee klaar, gaan wij verder:

‘tegenover de geslachten staat het begrip van de grootte als dat homogene, waarin geen soortverschillen meer voorkomen’,

d.w.z. van de kwaliteit gaan wij over tot de kwantiteit, en deze is steeds ‘meetbaar’.

Wanneer wij nu deze ‘scherpe afgrenzing van de algemene schemata’ en hun ‘werkelijk kritisch standpunt’ met de grofheden, dolzinnigheden en koortsfantasieën van een Hegel vergelijken, vinden wij dat Hegels Logica met het Zijn aanvangt — evenals de heer Dühring; dat het Zijn hetzelfde blijkt te zijn als het Niets, evenals bij de heer Dühring; dat men vanuit dit Zijn-Niets overgaat tot het Worden, waaruit het bestaan voortvloeit, d.w.z. een hogere meer complete vorm van het Zijn, — precies als bij de heer Dühring. Het bestaan leidt tot kwaliteit, de kwaliteit totkwantiteit — precies als bij de heer Dühring. En opdat er geen wezenlijke schakel in de vergelijking ontbreke, vertelt de heer Dühring ons bij een andere gelegenheid:

‘Uit het rijk van gewaarwordingsloosheid geraakt men in dat van de gewaarwording, ondanks alle geleidelijkheid der kwantitatieve veranderingen, slechts met een kwalitatieve sprong, waarbij wij ... staande kunnen houden, dat die sprong oneindig verschilt van de eenvoudige gradatie bij-een-en-dezelfde eigenschap’.

Dit is geheel en al Hegels knopenlijn van maatverhoudingen, waar louter kwantitatieve toename en afname op bepaalde knooppunten een kwalitatieve sprong veroorzaakt, bv. bij het verwarmen of afkoelen van water, waar kookpunt en vriespunt de knopen zijn, bij welke zich de sprong naar een nieuwe aggregatietoestand — bij normale druk — voltrekt, waar dus de kwantiteit in kwaliteit omslaat.

Ons onderzoek heeft eveneens getracht tot aan de wortels door te dringen en als de wortels van de wortelvaste Dühringse grondschema’s vinden wij — de ‘koortsfantasieën’ van een Hegel, de categorieën van Hegels Logica, Eerste Deel, Leer van het Zijn,  streng in de oudhegeliaanse ‘volgorde’ en dat nauwelijks vergezeld van een poging tot bemanteling van het plagiaat!

De heer Dühring stelt er zich niet mee tevreden, zijn meest belasterde voorganger heel diens schema van het Zijn afhandig te maken en speelt het, nadat hij zelf bovenstaand voorbeeld van het sprongsgewijze omslaan van kwantiteit in kwaliteit geleverd heeft, nog klaar om van Marx te zeggen:

‘Hoe lachwekkend doet toch bv. zijn (Marx) beroep op Hegels verwarde nevelige voorstelling aan, dat de kwantiteit in de kwaliteit omslaat!’

Een verwarde, nevelige voorstelling! Wie slaat hier om, mijnheer Dühring, en wie is hier lachwekkend?

Al deze fraaie dingetjes worden dus niet alleen niet naar voorschrift ‘volgens axioma’s beslist’, maar heel gewoon van buiten, d.w.z. uit Hegels Logica binnengesmokkeld. En wel zo dat in het hele hoofdstuk zelfs niet eens de schijn van een innerlijk verband bewaard blijft — voor zover dit verband niet eveneens aan Hegel is ontleend — en het geheel tenslotte op een leeg geredeneer over ruimte en tijd, bestendigheid en veranderlijkheid uitloopt.

Van het Zijn komt Hegel op het Wezen, op de dialectiek. Hier behandelt hij de bepalingen van de reflectie, hun innerlijke tegenstellingen en tegenstrijdigheden, zoals bv. positief en negatief. Daarna komt hij op de causaliteit of de verhouding van oorzaak en gevolg, en hij besluit met de noodzakelijkheid. Evenzo en niet anders de heer Dühring. Wat Hegel de Leer van het Wezen noemt, formuleert de heer Dühring als: logische eigenschappen van het Zijn. Deze bestaan echter vóór alles in ‘antagonisme van krachten’, in tegenstellingen. De tegenstrijdigheid daarentegen ontkent de heer Dühring volkomen. Wij zullen later tot dit onderwerp terugkeren. Dan gaat hij over tot de causaliteit en vandaar tot de noodzakelijkheid. Wanneer de heer Dühring dus van zichzelf zegt:

‘Wij, die niet uit de kooi filosoferen’, dan bedoelt hij zeker, dat hij in de kooi filosofeert, nl. in de kooi van Hegels categorieënschematisme.

 

 

 

 

V. Natuurfilosofie. Tijd en ruimte

 

Wij komen nu tot de natuurfilosofie. Hier heeft de heer Dühring weer alle reden om over zijn voorgangers ontevreden te zijn.

De natuurfilosofie ‘zonk zo diep dat zij een voze, op onwetendheid berustende dwaalpoëzie werd’ en aan ‘de boelerende filosofeerderij van een Schelling en consorten, van het publiek bedottende gezellen die in het priesterschap van het Absolute doen, ten prooi gevallen’ was. De afmatting heeft ons van deze ‘misbaksels’ gered, maar slechts om tot dusver voor ‘stuurloosheid’ plaats te maken; ‘en wat het bredere publiek betreft is, zoals bekend, het verdwijnen van een grote kwakzalver dikwijls alleen een goede gelegenheid voor een kleiner, maar handiger opvolger, om de producten van de eerste met een ander etiket weer aan de man te brengen’. Bij de natuuronderzoekers zelf bestaat weinig ‘lust in een uitstapje in het rijk der wereldomvattende ideeën’ en daarom begaan zij niets dan ‘verwarde overijldheden op theoretisch gebied’.

Hier is redding dringend noodzakelijk en gelukkig staat de heer Dühring op zijn post.

Om de nu volgende onthullingen over de ontwikkeling van de wereld in de tijd en haar begrenzing in de ruimte op hun juiste waarde te schatten moeten wij weer op enige passages in het ‘wereldschematisme’ terugkomen.

Aan het Zijn wordt, alweer in overeenstemming met Hegel (Encyclopedie, paragraaf 93), oneindigheid — wat Hegel de slechte oneindigheid  noemt — toegeschreven en dan wordt deze oneindigheid onderzocht.

‘het duidelijkste beeld van een zonder innerlijke tegenstrijdigheden te denken oneindigheid is de onbeperkte opeenvolging van de getallen in de getallenreeks... Zoals wij aan ieder getal nog een nieuwe eenheid kunnen toevoegen, zonder ooit de mogelijkheid om verder te tellen uit te putten, zo sluit zich ook bij iedere toestand van het Zijn een nieuwe toestand aan en in het onbeperkt verwekken van deze toestanden bestaat de oneindigheid. Deze nauwkeurig gedachte oneindigheid heeft daarom ook slechts één enkele grondvorm met één enkele richting. Wanneer het namelijk ook voor ons denken onverschillig is, een tegenovergestelde richting van de opeenvolging van toestanden te ontwerpen, dan is de zich achterwaarts bewegende oneindigheid toch slechts een overijld voorstellingsbeeld. Daar zij namelijk in de werkelijkheid in omgekeerde richting doorlopen zou moeten zijn, zou zij bij elk van haar toestanden een oneindige getallenreeks achter zich hebben. Hiermee zou echter de ontoelaatbare tegenstrijdigheid van een afgetelde, oneindige getallenreeks begaan zijn en daaruit blijkt hoe ongerijmd het is ten opzichte van de oneindigheid een tweede richting te vooronderstellen’.

De eerste gevolgtrekking die uit deze opvatting van de oneindigheid getrokken wordt is dat de keten van oorzaken en werkingen in de wereld ééns een begin moet hebben gehad:

‘een oneindig aantal oorzaken, die zich reeds aaneengeregen zouden hebben, is al daarom ondenkbaar, omdat het het eindeloze aantal als afgeteld vooronderstelt.’

Bijgevolg is een uiteindelijke oorzaak bewezen.

De tweede gevolgtrekking is ‘de wet van het bepaalde aantal; de opeenhoping van het identieke van het een of andere werkelijke soort zelfstandigheden is slechts als vorming van een bepaald getal denkbaar.’ Niet slechts het aanwezige aantal hemellichamen moet noodzakelijkerwijze op ieder tijdstip een op zichzelf bepaald aantal zijn, maar ook het totaal van alle in de wereld bestaande kleinste, zelfstandige delen van de materie. Laatstgenoemde noodzakelijkheid is de ware reden, waarom geen samengesteld geheel zonder atomen gedacht kan worden. Alle werkelijke gedeeldheid heeft steeds een eindige bepaaldheid en moet die hebben, daar anders de tegenstrijdigheid van het afgetelde oneindige aantal optreedt. Om dezelfde reden moet niet alleen het tot dusver bestaand aantal wentelingen van de aarde om de zon een bepaald, hoewel niet uitdrukbaar aantal zijn, maar ook alle periodieke natuurprocessen moeten het een of ander begin gehad hebben, en alle verschilvorming, alle menigvuldigheden van de natuur die elkaar opvolgen, moeten in een aan zichzelf gelijke toestand wortelen. Deze kan zonder tegenstrijdigheid van alle eeuwigheid aan bestaan hebben, maar ook deze voorstelling zou uitgesloten zijn wanneer de tijd op zichzelf uit reële delen bestond en niet veeleer slechts door de ideële opstelling van mogelijkheden naar believen door ons verstand zou worden ingedeeld. Met de reële en in zichzelf onderscheiden tijdsinhoud staat het anders. Deze werkelijke vulling van de tijd met feiten van onderscheidbare soort naast de bestaansvormen op dit gebied behoren, juist wegens hun onderscheidbaarheid, tot het telbare. Denken wij ons een toestand die zonder veranderingen is en zijn zichzelf gelijkblijven in het geheel geen verschillen in opeenvolging biedt, dan verandert zich ook het meer bijzondere tijdsbegrip in de meer algemene idee van het Zijn. Wat de opeenhoping van een lege tijdsduur zou moeten betekenen, is in het geheel niet te begrijpen.

- Zover de heer Dühring, en hij is in niet geringe mate gesticht door de betekenis van deze ontdekkingen. Hij hoopt allereerst dat men ze ‘tenminste niet als een onbeduidende waarheid beschouwen zal’. Later echter zegt hij:

‘Men herinneren zich de hoogst eenvoudige zinswendingen waarmee wij de oneindigheidsbegrippen en hun kritiek een tot dusver ongekende draagwijdte bezorgd hebben... de door de huidige verscherping en verdieping zo eenvoudig opgebouwde elementen van de universele ruimte- en tijdopvatting.’

Wij hebben eraan geholpen! Aan de huidige verdieping en verscherping! Wie zijn wij en op welke tijd slaat ons ‘huidig’? Wie verdiept en verscherpt?

‘Stelling: De wereld heeft een begin in de tijd en is ruimtelijk ook binnen grenzen besloten. — Bewijs: Want aangenomen dat de wereld naar de tijd geen begin zou hebben, dan is tot op elk gegeven tijdstip een eeuwigheid verlopen en is er dus een oneindige reeks van op elkaar volgende toestanden der dingen in de wereld vervloten. Maar de oneindigheid van een reeks bestaat juist daarin, dat zij door opeenvolgende samenvoeging nooit voltooid kan zijn. Dus is een oneindig verlopen wereldreeks onmogelijk en derhalve is een begin der wereld een noodzakelijke voorwaarde voor haar bestaan, wat als eerste te bewijzen was. Neemt men ten aanzien van het tweede weer het tegendeel aan, dan zal de wereld een oneindig gegeven geheel van tegelijk bestaande dingen zijn. Nu kunnen wij de grootte van een hoeveelheid die niet binnen zekere grenzen van iedere beschouwing gegeven wordt op geen andere wijze denken dan alleen door de samenvoeging der delen, en het totaal van zulk een hoeveelheid alleen door de voltooide samenvoeging of door herhaalde toevoeging van de eenheid aan zichzelf. Bijgevolg, om zich de wereld die heel de ruimte vult als een geheel te denken, zou de opeenvolgende samenvoeging der delen van een oneindige wereld als voltooid beschouwd moeten worden, d.w.z. een oneindige tijd zou bij het tellen van alle coëxisterende dingen als afgelopen moeten worden beschouwd, wat onmogelijk is. Bij gevolg kan een oneindige opeenhoping van werkelijke dingen niet als een gegeven geheel, dus ook niet als tegelijk gegeven worden beschouwd. Een wereld is derhalve ten opzichte van de uitbreiding in de ruimte niet oneindig, maar binnen haar grenzen besloten, wat als tweede (bewezen) moest worden.’

Deze zinnen zijn letterlijk overgeschreven uit een welbekend boek, dat in 1781 voor het eerst verscheen en tot titel heeft: Kritiek van de zuivere rede door Immanuel Kant, waar iedereen ze kan nalezen in het eerste deel, tweede afdeling, tweede boek, tweede hoofdstuk, tweede paragraaf: Eerste ongerijmdheid van de zuivere rede.  Zodat voor de heer Dühring slechts de roem overschiet de naam: wet van het bepaalde aantal, op een door Kant uitgesproken gedachte te hebben geplakt en de ontdekking te hebben gedaan dat er eens een tijd was toen er nog geen tijd, maar wel een wereld bestond. Wat al het overige betreft, d.w.z. bij datgene wat in ‘s heren Dührings betoog nog enige zin heeft, betekent ‘wij’ — Immanuel Kant, en het ‘heden’ is maar eventjes vijfennegentig jaar oud. Voorwaar ‘hoogst eenvoudig’! Een merkwaardige ‘tot nu toe ongekende draagwijdte’!

Nu beschouwt Kant echter de boven aangehaalde stellingen geenszins als door zijn bewijs afgedaan. Integendeel, op de bladzijde ernaast verzekert en bewijst hij het tegenovergestelde. Dat de wereld, wat de tijd betreft, geen begin en wat de ruimte betreft geen einde heeft. En daarin stelt hij juist de ongerijmdheid, de niet op te lossen tegenstrijdigheid, dat het één precies zo bewijsbaar is als het andere. Mensen van geringer formaat had het misschien te denken gegeven dat ‘een Kant’ hier een onoplosbare moeilijkheid zag. Niet aldus onze dappere vervaardiger van ‘fundamenteel uitzonderlijke resultaten en opvattingen’: wat hij van Kants tegenstrijdigheid gebruiken kan schrijft hij zonder een spier te vertrekken over, de rest werpt hij over boord.

De zaak zelf laat zich zeer eenvoudig oplossen. Eeuwigheid in de tijd, oneindigheid in de ruimte, bestaan reeds van het begin af en volgens de eenvoudige zin van het woord daarin, dat tijd en ruimte naar geen enkele zijde een einde hebben, naar voren noch naar achteren, naar boven noch naar onder, naar rechts noch naar links. Deze oneindigheid is een heel andere dan die van een oneindige reeks, want deze vangt van het begin af altijd met één; met een eerste term aan. Het ontoepasbare van deze reeksvoorstelling op ons onderwerp blijkt terstond, wanneer wij haar op de ruimte toepassen. De oneindige reeks, in het ruimtelijke overgebracht, is de vanuit een bepaald punt in bepaalde richting oneindig doorgetrokken lijn. Is daarmee de oneindigheid van de ruimte ook maar enigermate uitgedrukt? Integendeel, er zijn niet minder dan zes vanuit dit ene punt in drievoudig tegenovergestelde richtingen getrokken lijnen nodig om de afmetingen van de ruimte te begrijpen en van die afmetingen zouden wij er dus zes hebben. Kant zag dat zo goed in, dat hij zijn getallenreeks ook slechts indirect, langs een omweg, op de ruimtelijkheid van de wereld overbracht. De heer Dühring daarentegen dwingt ons tot het aannemen van zes afmetingen in de ruimte en heeft terstond daarop geen woorden genoeg om zijn verontwaardiging te luchten over het wiskundige mysticisme van Gauss die zich niet tevreden wilde stellen met de gewone drie ruimte-afmetingen. 

Op de tijd toegepast, heeft de naar beide zijden eindeloze lijn of reeks van eenheden een zekere zinnebeeldige betekenis. Stellen wij ons echter de tijd als een bij één te beginnen of van een bepaald punt uitgaande lijn voor, dan zeggen wij daarmee bij voorbaat dat de tijd een begin heeft. Wij vóóronderstellen wat wij juist moeten bewijzen. Wij geven aan de oneindigheid van de tijd een eenzijdig, half karakter; maar een eenzijdige, gehalveerde oneindigheid is ook iets dat met zichzelf in strijd is, precies het tegendeel van een ‘zonder tegenstelling gedachte oneindigheid’. Deze tegenstrijdigheid komen wij slechts te hoven, wanneer wij aannemen dat de één waarmee wij met de aftelling van de reeks beginnen, het punt vanwaar wij de lijn verder meten, een willekeurige één in de reeks, een willekeurig punt in de lijn is, waarbij het er voor de lijn of reeks niet op aankomt waar wij dit punt kiezen.

Maar de tegenstrijdigheid van de ‘afgetelde oneindige getallenreeks’? Wij zullen in staat zijn haar nader te onderzoeken zodra de heer Dühring ons het kunststuk vertoond zal hebben haar af te tellen. Zodra hij het klaar gespeeld heeft van — ∞ (minus oneindig) tot nul te tellen, moet hij maar terugkomen. Het is immers duidelijk dat waar hij ook begint te tellen, hij een oneindige reeks achter zich laat en daarmee het vraagstuk dat hij moest oplossen. Laat hij alleen maar zijn eigen oneindige reeks 1+2+3+4... omkeren, en proberen van het oneindige eind naar één terug te tellen. Het is kennelijk de poging van iemand die helemaal niet ziet waar het om gaat. Meer dan dat. Wanneer de heer Dühring beweert, dat de oneindige reeks van de verstreken tijd afgeteld zou zijn, dan beweert hij daarmee dat de tijd een begin heeft. Want anders zou hij geenszins met ‘aftellen’ hebben kunnen beginnen. Hij onderschuift dus datgene weer als vooronderstelling, wat hij bewijzen moet. De voorstelling van de afgetelde oneindige reeks, met andere woorden, Dührings wereldomvattende wet van het bepaalde aantal is dus een contradictio in adjecto, zij bevat een tegenstrijdigheid in zichzelf, en wel een absurde tegenstrijdigheid.

Het is duidelijk: de oneindigheid, die een einde heeft maar geen begin, is niet meer en niet minder oneindig dan die, die een begin maar geen einde heeft. Het geringste dialectische inzicht zou de heer Dühring hebben moeten zeggen dat begin en einde noodzakelijk bijeenhoren, zoals Noord- en Zuidpool, en dat, wanneer men het einde weglaat, het begin dan juist het einde wordt — hetene einde, dat de reeks heeft, en omgekeerd. De hele dwaling zou onmogelijk zijn zonder de wiskundige gewoonte met oneindige reeksen te werken. Omdat men in de wiskunde van bepaaldheden, van eindige grootheden moet uitgaan, om tot onbepaaldheden, tot oneindige grootheden te komen, moeten alle wiskundige reeksen, positieve of negatieve, met één aanvangen, anders kan men er niet mee rekenen. Dat de wiskundige voor zijn geestelijke arbeid dit nodig heeft, betekent volstrekt niet dat het een dwingende wet voor de werkelijke wereld zou moeten zijn.

Overigens zal de heer Dühring het nooit klaarspelen zich de werkelijke oneindigheid zonder tegenstrijdigheid te denken. De oneindigheid is een tegenstrijdigheid en vol van tegenstrijdigheden. Het is reeds een tegenstrijdigheid dat een oneindigheid uit louter eindigheden zou zijn samengesteld en toch is dat het geval. De begrensdheid van de stoffelijke wereld leidt niet minder tot tegenstrijdigheden dan haar onbegrensdheid, en iedere poging deze tegenstrijdigheden uit de weg te ruimen, leidt, zoals wij gezien hebben, tot nieuwe en ergere tegenstrijdigheden. Juist omdatde oneindigheid een tegenstrijdigheid is, is zij een eindeloos, zich zonder einde in tijd en ruimte afwikkelend proces. De opheffing van de tegenstrijdigheid zou het einde van de oneindigheid zijn. Dat had Hegel reeds volkomen juist ingezien en hij behandelt dan ook de over die tegenstrijdigheid piekerende heren met de verachting die hun toekomt.

Gaan wij verder. Dus de tijd heeft een begin gehad. Wat was vóór dit begin? De wereld die zich in een aan zichzelf gelijke, onveranderlijke toestand bevindt. En daar in deze toestand geen veranderingen op elkaar volgen, daarom verandert zich ook het meer specifieke tijdsbegrip in de meer algemene idee van het Zijn. Ten eerste gaat het ons hier helemaal niets aan welke begrippen zich in het hoofd van de heer Dühring veranderen. Het gaat niet om het tijdsbegrip, maar om de werkelijke tijd waarvan de heer Dühring niet zo maar op een koopje af komt. Ten tweede kan het tijdsbegrip zich nog zozeer in de algemenere idee van het Zijn veranderen, toch komen wij daarmee geen stap verder. Want de grondvormen van al het Zijn zijn ruimte en tijd, en een Zijn buiten de tijd is even grote onzin als een Zijn buiten de ruimte. Het ‘tijdloos verstreken Zijn’ van Hegel en het ‘voor-eeuwige Zijn’  van de latere Schelling zijn rationele voorstellingen vergeleken met dit Zijn buiten de tijd. Daarom gaat de heer Dühring ook zeer behoedzaam te werk: eigenlijk is het wel een tijd, maar zulk een die men, in de grond beschouwd, geen tijd noemen kan. De tijd bestaat immers niet op zichzelf uit reële delen en wordt alleen door ons verstand naar believen ingedeeld — alleen een werkelijke vulling van de tijd met van elkaar te onderscheiden feiten behoort tot het telbare — wat de opeenvolging van een lege duur zou betekenen, laat zich in het geheel niet denken. Wat deze opeenvolging zou betekenen doet hier volstrekt niet terzake, de vraag is of de wereld in de hier veronderstelde toestand duurzaam is, een tijdsduur doormaakt. Dat het tot niets leidt zulk een inhoudsloze duur te meten, zomin het zin heeft er in de lege ruimte doelloos op los te meten, dat weten wij al lang en Hegel noemt deze oneindigheid immers ook juist wegens het vervelende van die bezigheid, — de slechte. Volgens de heer Dühring bestaat de tijd slechts door de verandering, niet de verandering in en door de tijd. Juist omdat de tijd van de verandering verschilt, onafhankelijk is, kan men hem door de verandering meten, want voor het meten is altijd iets nodig dat verschilt van wat gemeten moet worden. En die tijd waarin geen waarneembare veranderingen plaatsvinden, is er ver vanaf:geen tijd te zijn. Hij is veeleer de zuivere, door geen vreemde bijmengsels beïnvloede tijd, dus de ware tijd, de tijd als zodanig. Inderdaad, wanneer wij het tijdsbegrip in heel zijn zuiverheid, afgezonderd van alle vreemde en daartoe niet behorende bijmengsels begrijpen willen, dan zien wij ons gedwongen al deze verschillende gebeurtenissen die naast en na elkaar in de tijd plaatsvinden, als niet hiertoe behorend, opzij te zetten en ons bijgevolg een tijd voor te stellen waarin niets gebeurt. Daarmee hebben wij dus niet het tijdsbegrip in de algemene idee van het Zijn laten ondergaan, maar wij zijn daarmee pas bij het zuivere tijdsbegrip aangeland.

Al deze tegenstrijdigheden en onmogelijkheden zijn echter nog louter kinderspel vergeleken bij de verwarring waarin de heer Dühring met zijn aan zichzelf gelijke begintoestand van de wereld geraakt. Wanneer de wereld eenmaal in een toestand heeft verkeerd waarin absoluut geen enkele verandering plaatshad, hoe kon zij dan uit deze toestand tot verandering overgaan? Het volstrekt veranderingsloze, wanneer het bovendien nog van eeuwigheid af in die toestand was, kan uit zichzelf onmogelijk uit deze toestand komen en in die van beweging en verandering overgaan. Er moet dus van buitenaf, van buiten de wereld, een eerste stoot gekomen zijn die haar in beweging zette. De ‘eerste stoot’ echter is zoals bekend, slechts een andere uitdrukking voor god. De god en het hiernamaals, welke de heer Dühring in zijn wereldschematische beweerde zo flink afgetakeld te hebben, brengt hij zelf beide, verscherpt en verdiept, hier in de natuurfilosofie weer terug.

Verder. De heer Dühring zegt:

‘Waar de grootte tot een bestendig element van het Zijn behoort, daar zal zij in haar bepaaldheid onveranderd blijven. Dit geldt... van de materie en van de mechanische kracht’.

De eerste stelling is, terloops gezegd, een kostelijk voorbeeld van de axiomatisch-tautologische grootsprekerstaal des heren Dühring. Waar de grootte geen verandering ondergaat, daar blijft zij dezelfde. De voorraad mechanische kracht dus, die eenmaal in de wereld is, blijft eeuwig dezelfde. Wij laten nog in het midden dat, zover dit juist is, Descartes  het in de filosofie reeds bijna driehonderd jaar geleden geweten en gezegd heeft, en dat in de natuurwetenschap de leer van het behoud van de kracht sinds twintig jaar algemeen in zwang is; en ook dat de heer Dühring, waar hij deze leer tot de mechanische kracht beperkt, volstrekt geen verbetering aanbrengt. Waar echter was de mechanische kracht ten tijde van de veranderingsloze toestand? Op die vraag weigert de heer Dühring hardnekkig ons een antwoord te geven.

Wáár, mijnheer Dühring, was destijds de zich eeuwig gelijk blijvende mechanische kracht en wat voerde zij uit? Antwoord:

‘De oorspronkelijke toestand van het heelal, of beter uitgedrukt, van een veranderingsloos, geen tijdelijke opeenhoping van veranderingen insluitend Zijn van de materie, is een kwestie die slechts door een verstand afgewezen kan worden, dat in de zelfverminking van zijn scheppingskracht het toppunt der wijsheid ziet.’

Bijgevolg: Een van beide, of gij neemt mijn veranderingsloze oertoestand onbezien aan, of ik, de scheppingskrachtige Eugen Dühring, verklaar u voor geestelijke eunuchen. Dat kan stellig velen afschrikken. Wij, die van de scheppingskracht van de heer Dühring reeds enige voorbeelden gezien hebben, kunnen ons veroorloven het elegante scheldwoord nu te laten voor wat het is en nogmaals te vragen: Maar mijnheer Dühring, neemt u ons niet kwalijk, hoe staat het toch met de mechanische kracht?

De heer Dühring wordt terstond verlegen.

Inderdaad, stamelt hij, ‘de volstrekte aan zichzelf gelijkheid van die aanvankelijke grenstoestand levert op zichzelf geen overgangsbeginsel. Bedenken wij echter, dat het met iedere, ook de kleinste nieuwe schakel in de ons welbekende bestaansketen in de grond genomen precies zo staat. Wie dus in het onderhavige voornaamste geval moeilijkheden wil opwerpen, die ziet toe dat hij zich daarvan niet onthoudt bij minder sterk in het oog lopende gevallen. Bovendien staat de mogelijkheid tot het invoegen van geleidelijke, trapsgewijze tussentoestanden en derhalve de brug der bestendigheid open om de weg terug, tot daar waar het spel der wisselingen ten einde gaat, te vinden. Zuiver als begrip genomen helpt ons weliswaar deze bestendigheid niet over de grondgedachte heen, maar zij is voor ons de grondvorm van alle wetmatigheid en van iedere verdere bekende overgang, zodat wij het recht hebben haar ook als tussenschakel te gebruiken tussen dat eerste evenwicht en zijn verstoring. Zouden wij ons echter het om zo te zeggen (!) roerloze evenwicht denken naar de maatstaf van de begrippen die door onze tegenwoordige mechanica zonder bijzondere bedenkingen (!) worden toegelaten, dan zou men in het geheel niet kunnen aangeven hoe de materie tot het spel der veranderingen zou hebben kunnen geraken’. Buiten de mechanica van de massa’s bestaat echter ook nog een omzetting van massabeweging in beweging van de kleinste deeltjes, maar hoe die tot stand komt, ‘daarvoor staat ons tot op heden geen algemeen beginsel ter beschikking en daarom mogen wij er ons niet over verbazen wanneer dit proces een beetje in het duister verloopt’.

Dat is alles wat de heer Dühring te zeggen heeft. En inderdaad, wij zouden niet alleen in de zelfverminking van de voortbrengingskracht, maar ook in het stekenblinde geloof het toppunt van wijsheid moeten zien om ons met deze waarlijk jammerlijk voze uitvluchten en frases te laten afschepen. Uit zichzelf, dat geeft de heer Dühring toe, kan de volstrekte aan zichzelf gelijkheid niet tot verandering geraken. Uit zichzelf bestaat er geen middel waardoor het volstrekte evenwicht tot beweging kan overgaan. Wat bestaat er dan wel? Er bestaan drie, foutieve, voze zinswendingen:

Ten eerste: Het zou even moeilijk zijn bij iedere, ook de kleinste schakel van de ons welbekende bestaansketen de overgang tot de daaropvolgende schakel aan te tonen. De heer Dühring schijnt zijn lezers voor pasgeboren kinderen te houden. Het aantonen van de overgangen en samenhangen van de kleinste schakels in de bestaansketen, maakt juist de inhoud van de natuurwetenschap uit, en wanneer daarbij ergens iets hapert dan denkt niemand, zelfs de heer Dühring er niet aan de tot stand gekomen beweging uit niets te verklaren, maar steeds en uitsluitend uit het overdragen, veranderen of voortplanten van een voorafgaande beweging. Hier echter gaat het er, zoals wordt toegegeven, om de beweging uit het bewegingloze, dus uit nietste laten ontstaan.

Ten tweede hebben wij de ‘brug der bestendigheid’. Daarmee komen wij zuiver begripsmatig weliswaar met de moeilijkheid niet klaar, maar wij hebben toch het recht haar als verbindingsstuk tussen het bewegingloze en de beweging te gebruiken. Jammer genoeg bestaat de bestendigheid van het bewegingloze daarin, dat het zich niet beweegt. Hoe daar dus beweging uit ontstaan kan blijft geheimzinniger dan ooit. En wanneer mijnheer Dühring zijn overgang van het niets-der-beweging tot de al-beweging in nog zo oneindig kleine stukjes hakt en er een nog zo lange tijdsduur aan toekent, dan schieten wij daarmee toch nog geen tienduizendste millimeter op. Van Niets kunnen wij zonder scheppingsdaad nu eenmaal niet tot Iets komen, ook al zou dat Iets zo klein zijn als een wiskundige differentiaal. De brug der bestendigheid is dus nog niet eens een ezelsbruggetje; alleen de heer Dühring kan er overheen.

Ten derde. Zolang de hedendaagse mechanica geldigheid heeft, en volgens de heer Dühring is zij een der voornaamste hefbomen tot de vorming van het denken, is het volkomen onmogelijk aan te geven, hoe men van het bewegingloze tot de beweging komt. Maar de mechanische warmtetheorie toont ons dat de beweging van een massa onder zekere voorwaarden in moleculaire beweging omslaat (hoewel ook hier een beweging uit een andere beweging voortkomt, maar nooit uit het bewegingloze) en dit, duidt de heer Dühring schuchter aan, zou wellicht een brug kunnen leveren tussen het strikt statische (evenwichtige) en het dynamische (zich bewegende). Maar dit proces verloopt ‘een beetje in het duister’. En het is dan ook in het duister, dat de heer Dühring ons laat zitten.

Zo hebben wij dan met alle verdieping en verscherping bereikt dat wij ons steeds dieper in steeds scherpere onzin verdiept hebben en eindelijk belanden waar wij noodzakelijkerwijze belanden moesten — ‘in het duister’. Maar daar geneert de heer Dühring zich niet voor. Direct op de volgende bladzijde beweert hij boudweg dat hij —

‘aan het begrip van de aan zichzelf gelijk blijvende bestendigheid, direct uitgaande van het gedrag van de materie en van de mechanische krachten, een reële inhoud heeft kunnen geven’.

En deze man maakt andere lieden voor ‘kwakzalvers’ uit!

Gelukkig blijft ons bij al deze hulpeloze verdwaald- en verward zijn ‘in het duister’ nog een troost en die is in ieder geval hartverheffend:

‘De wiskunde der bewoners van andere hemellichamen kan op geen andere axioma’s berusten dan de onze!’

 

 

 

 

VI. Natuurfilosofie. Kosmogonie, natuurkunde, scheikunde

 

In het verdere verloop komen wij nu aan de theorieën omtrent de wijze waarop de huidige wereld tot stand is gekomen.

Een toestand van universeel verstrooid-zijn van de materie was reeds het uitgangspunt voor de voorstelling der Ionische filosofen. Vooral sedert Kant echter zou het aannemen van een oernevel een nieuwe rol gespeeld hebben, waarbij zwaartekracht en warmte-uitstraling de geleidelijke vorming van de afzonderlijke, vaste hemellichamen bewerkstelligden. De mechanische warmtetheorie van onze tijd maakt het mogelijk, de gevolgtrekkingen over de vroegere toestanden van het heelal een veel stelliger karakter te geven. Bij dit alles kan ‘de toestand van het verstrooid-zijn in gasvorm slechts dan een uitgangspunt voor ernstige overwegingen zijn, wanneer men in staat is het daarin gegeven mechanische systeem eerst bepaald te kentekenen. Anders blijft niet alleen de idee inderdaad uiterst nevelachtig, maar de oorspronkelijke nevel wordt ook naarmate de conclusies verder gaan, werkelijk steeds dichter en ondoordringbaarder; ... voorlopig blijft alles nog in het vage en vormloze van een niet nader te omlijnen verspreidingsidee’, en zo hebben wij ‘met dit gasheelal slechts een hoogst ijle conceptie’.

De theorie van Kant over het ontstaan van alle tegenwoordige hemellichamen uit draaiende nevelmassa’s was de grootste vooruitgang die de sterrenkunde sedert Copernicus gemaakt had. Voor het eerst begon men te wrikken aan de voorstelling als zou de natuur geen geschiedenis in de tijd hebben. Tot dusver heette het dat de hemellichamen van het begin af steeds aan gelijke banen en toestanden gebonden waren, en al stierven ook op de afzonderlijke hemellichamen de individuele organische wezens, toch golden geslachten en soorten als onveranderlijk. De natuur bevond zich wel ogenschijnlijk in voortdurende beweging, maar deze beweging werd opgevat als de onophoudelijke herhaling van dezelfde processen. In deze, met de metafysische denkwijze volkomen overeenstemmende voorstelling, sloeg Kant de eerste bres en dit wel op zo wetenschappelijke wijze dat de meeste door hem aangevoerde bewijsgronden ook thans nog gelden. Stellig is Kants theorie tot op heden nog, strikt genomen, een hypothese. Maar ook het Copernicaanse wereldsysteem is tot op de huidige dag niet méér  en nadat de spectroscoop zulke gloeiende gasmassa’s aan de sterrenhemel heeft aangetoond, en zo elke tegenspraak neergeslagen is, heeft de wetenschappelijke oppositie tegen Kants theorie gezwegen. Ook de heer Dühring kan zijn wereldconstructie niet zonder zulk een nevelfase pasklaar maken, waarvoor hij wraak neemt door te eisen dat men hem het in die neveltoestand gegeven mechanische systeem zal tonen, en omdat men dat niet kan wordt de neveltoestand door hem in allerlei geringschattende termen afgedaan. De hedendaagse wetenschap kan helaas dit systeem niet tot tevredenheid van de heer Dühring omschrijven. Evenmin is zij in staat op vele andere vragen te antwoorden. Op de vraag: waarom hebben de padden geen staarten? — kan zij tot op heden slechts antwoorden: omdat zij ze verloren hebben. Maar wanneer men er zich dan druk over zou willen maken en zeggen: ja, maar dat is allemaal in het vage en vormloze van een niet nader te bepalen verlies-idee en een hoogst ijle conceptie, dan zouden wij met dergelijke toepassingen van de moraal op de natuurwetenschap geen stap verder komen. Dergelijke discrediterende opmerkingen en gemelijkheden kan men altijd en overal te pas brengen en juist daarom zijn zij nooit en nergens van pas. Wie belet de heer Dühring om zelf het mechanisch systeem van de oernevel te ontdekken?

Gelukkig krijgen wij nu te horen, dat Kants nevelmassa

‘zich in de verste verte niet met een volledig identieke toestand van het wereldmedium, of anders gezegd, met de aan zichzelf gelijke toestand van de materie kan dekken’.

Een buitenkansje voor Kant, die er tevreden mee kon zijn van de bestaande hemellichamen terug te kunnen gaan tot de nevelbal en in het geheel nog niet droomde van de aan zichzelf gelijke toestand van de materie! Terloops opgemerkt, wanneer in de huidige natuurwetenschap Kants nevelbal als oernevel wordt aangeduid, dan spreekt het vanzelf dat dit slechts betrekkelijk opgevat moet worden. Oernevel is hij enerzijds als oorsprong van de bestaande hemellichamen, en anderzijds als de vroegste vorm van de materie waartoe wij tot dusver kunnen teruggaan. Wat volstrekt niet uitsluit, maar veeleer veronderstelt, dat de materie vóór de oernevel een oneindige reeks andere vormen heeft doorgemaakt.

Hier waant de heer Dühring het voordeel aan zijn kant. Waar wij met de wetenschap bij de voorlopige oernevel voorlopig blijven staan, helpt zijn wetenschap van de wetenschap hem veel verder terug naar de ‘toestand’ van het wereldmedium, die noch als zuiver statisch in de huidige zin der voorstelling, noch als dynamisch’ — dus in het geheel niet — ‘te begrijpen is. De eenheid van materie en mechanische kracht, die wij als wereldmedium aanduiden, is een om zo te zeggen logisch-reële formule om de zichzelf gelijke toestand van de materie als de voorwaarde voor alle telbare ontwikkelingsstadia aan te duiden’.

Wij zijn blijkbaar van de zichzelf gelijk blijvende oertoestand van de materie nog lang niet af. Hier wordt hij aangeduid als eenheid van materie en mechanische kracht, en dat als een logisch-reële formule enz. Zodra dus de eenheid van materie en mechanische kracht ophoudt, vangt de beweging aan.

De logisch-reële formule is niets dan een kreupele poging om Hegels categorieën van het op zichzelf en voor zichzelf, voor de ‘werkelijkheidsfilosofie’ bruikbaar te maken. In het ‘op zichzelf’ bestaat bij Hegel de oorspronkelijke identiteit van de in een ding, een proces, een begrip verborgene, onontwikkelde tegenstellingen. In het ‘voor zichzelf’ zet de onderscheiding en de afscheiding van deze verborgen elementen in en begint hun onderlinge strijd. Wij zouden ons dus de roerloze oertoestand moeten voorstellen als eenheid van materie en mechanische kracht en de overgang naar de beweging als afscheiding en aan elkaar tegenoverstelling van die beide. Wat wij daarmee gewonnen hebben is niet dat daarmee de realiteit van die fantastische oertoestand aangetoond is, maar slechts dit, dat men hem bij Hegels categorie van het ‘op zichzelf’ kan onderbrengen en zijn even fantastisch wegvallen bij de categorie van het ‘voor zichzelf’. Hegel, kom te hulp!

De materie, zegt de heer Dühring, is de drager van al het werkelijke. Bijgevolg kan buiten de materie geen mechanische kracht bestaan. Verder is de mechanische kracht een toestand van de materie. In de oertoestand nu, waar niets gebeurde, was de materie en haar toestand, de mechanische kracht, één en hetzelfde. Later, toen er wel iets begon te gebeuren, moet de toestand zich dus wel van de materie onderscheiden hebben. Met zulke mystieke frases dus en met de verzekering, dat de zichzelf gelijke toestand noch statisch noch dynamisch, noch in evenwicht, noch in beweging was, moeten wij ons laten afschepen. Wij weten nog altijd niet waar de mechanische kracht in de toestand was, en hoe wij zonder stoot van buiten, d.w.z. zonder god, van het absoluut bewegingloze tot beweging zouden moeten komen.

Vóór de heer Dühring spraken de materialisten van materie en beweging. Hij brengt de beweging terug tot de mechanische kracht als haar vermeende grondvorm en daarmee maakt hij het zichzelf onmogelijk het werkelijke verband tussen stof en beweging te begrijpen, dat trouwens ook alle vroegere materialisten niet duidelijk was. En toch is de zaak eenvoudig genoeg. Debeweging is de bestaanswijze van de materie. Nooit en nergens heeft materie zonder beweging bestaan, of kan zij bestaan. Beweging in de wereldruimte, mechanische beweging van kleine massa’s op afzonderlijke hemellichamen, moleculaire trillingen als warmte of als elektrische of magnetische stroom, chemische ontleding en verbinding, organisch leven — in de ene of andere van deze bewegingsvormen of in verscheidene tegelijk bevindt zich ieder afzonderlijk stofatoom van de wereld op elk gegeven ogenblik. Elke rust, elk evenwicht is slechts betrekkelijk, heeft alleen zin met betrekking tot deze of gene bepaalde bewegingsvorm. Een lichaam kan zich bv. op de aarde in mechanisch evenwicht, mechanisch in rust bevinden; dit belet volstrekt niet dat het aan de beweging van de aarde zogoed als aan die van het hele zonnestelsel deelneemt, en evenmin belet het zijn kleinste natuurkundige deeltjes om de met zijn warmtegraad overeenkomende trillingen te verrichten of zijn stofatomen om een scheikundig proces door te maken. Materie zonder beweging is even ondenkbaar als beweging zonder materie. De beweging is daarom even onverwerkbaar en onvernietigbaar, als de materie zelf. Wat de oudere filosofie (Descartes) zo uitdrukt, dat de hoeveelheid van de in de wereld voorhandene beweging steeds dezelfde is. Beweging kan dus niet verwerkt, zij kan slechts overgebracht worden. Wanneer beweging van het ene lichaam op het andere overgaat, kan men haar — voor zover zij zich overdraagt, actief is — beschouwen als de oorzaak van de beweging, voor zover deze overgedragen wordt, passief is. De actieve beweging noemen wij kracht, de passieve krachtsuiting. Dientengevolge is het zonneklaar dat de kracht even groot is als haar uiting, omdat het in beide toch dezelfde beweging is die zich voltrekt.

Een bewegingloze toestand van de materie is derhalve een van de meest holle en platte voorstellingen, een echte ‘koortsfantasie’. Om daartoe te komen, moet men het relatieve mechanische evenwicht, waarin zich een lichaam hier op aarde bevinden kan, als volstrekte rust voorstellen en dan op het ganse heelal overdragen. Dat wordt weliswaar vergemakkelijkt wanneer men de universele beweging tot enkel mechanische kracht terugbrengt. En dan biedt de beperking van de beweging tot enkel mechanische kracht nog het voordeel, dat men zich een kracht als rustend, gebonden, als voor het ogenblik niet werkend kan voorstellen. Wanneer nl. het overbrengen van een beweging, wat zeer vaak voorkomt, een enigszins ingewikkeld proces is, waartoe verschillende tussenschakels behoren, dan kan men de werkelijke overbrenging naar een willekeurig ogenblik verschuiven door de laatste schakel in de keten weg te laten. Zo bv. wanneer men een geweer laadt en zich het ogenblik voorbehoudt waarop door overhalen van de trekker het afgaan, de overbrenging van de door ontsteking van het kruit vrijgekomen beweging moet plaatsgrijpen. Men kan zich derhalve voorstellen dat gedurende de bewegingloze, aan zichzelf gelijke toestand de stof met kracht geladen zou zijn geweest en dit schijnt de heer Dühring onder eenheid van materie en mechanische kracht te verstaan, als hij daar in het algemeen tenminste iets onder verstaat. Deze voorstelling is onzinnig, omdat zij op het heelal een toestand die van nature relatief is en waaraan dus steeds slechts een deel van de materie tegelijkertijd onderworpen kan zijn, als iets absoluuts overbrengt. Maar ook afgezien daarvan blijft toch nog altijd de moeilijkheid: ten eerste, hoe de wereld het zover brengen kan geladen te worden, aangezien geweren tegenwoordig niet de gewoonte hebben zichzelf te laden; en ten tweede, wiens vinger dan wel de trekker overgehaald heeft. Wij kunnen ons draaien en keren zoveel wij willen, onder leiding van de heer Dühring komen wij altijd weer terecht bij — de vinger gods.

Van de sterrenkunde begeeft onze werkelijkheidsfilosoof zich naar de mechanica en de natuurkunde, en beklaagt er zich over dat de mechanische warmtetheorie in een mensenleeftijd sedert zij ontdekt werd, niet belangrijk verder gekomen is dan tot daar waar Robert Mayer zelf haar geleidelijk gebracht heeft. Bovendien is de hele zaak, naar hij meent, nog zeer duister:

wij moeten er ‘altijd weer aan herinneren dat met de bewegingstoestanden van de stof ook statische verhoudingen gegeven zijn en dat deze laatste in de mechanische arbeid geen maat vinden ... Wanneer wij vroeger de natuur als een groot arbeidster gekenschetst hebben en deze uitdrukking nu streng opvatten, dan moeten wij daaraan nog toevoegen dat de aan zichzelf gelijke toestanden en rustende verhoudingen geen mechanische arbeid vertegenwoordigen. Hier ontbreekt ons dus wederom de brug van het statische naar het dynamische, en wanneer de zogenaamde latente warmte tot nu toe voor de theorie een steen des aanstoots is gebleven, dan moeten wij ook hier een tekort toegeven dat bij de kosmische toepassingen wel allerminst mag worden verloochend’.

Deze gehele orakeltaal is weer niets anders dan een uiting van het slechte geweten, dat heel goed voelt dat zijn verwekking van beweging uit het volstrekt bewegingloze hopeloos vastgelopen is en zich toch schaamt op de enige redder een beroep te doen, namelijk op de schepper van hemel en aarde. Wanneer zelfs in de mechanica, met inbegrip van die der warmte, de brug van het statische naar het dynamische, van evenwicht tot beweging, niet gevonden kan worden, hoe zou het dan de plicht van de heer Dühring kunnen zijn de brug van zijn bewegingloze toestand tot de beweging te vinden? En daarmee zou hij dan gelukkig uit de nood zijn.

In de gewone mechanica is de brug van het statische naar het dynamische — de stoot van buiten. Wanneer een steen ter zwaarte van een centenaar tien meter hoog opgeheven en vrij in de ruimte opgehangen wordt, zodat bij in een aan zichzelf gelijke toestand en in staat van rust daar blijft hangen, dan moet men zich wel tot een publiek van zuigelingen wenden om te kunnen beweren dat deze toestand van dat voorwerp geen mechanische arbeid vertegenwoordigt of dat voor de afstand tot zijn vroegere plaats in de mechanische arbeid geen maat zou zijn te vinden. Iedere voorbijganger zou de heer Dühring zonder moeite kunnen uitleggen dat de steen niet vanzelf daar hoven in de lus gekomen is en het eerste het beste handboek over mechanica kan hem vertellen, dat wanneer hij de steen weer laat vallen, deze bij het vallen precies zoveel mechanische arbeid verricht als nodig was om hem tien meter hoog op te heffen. Zelfs het eenvoudige feit dat de steen daar boven hangt, vertegenwoordigt mechanische arbeid, want als hij lang genoeg blijft hangen breekt het touw zodra het tengevolge van chemische ontbinding niet sterk genoeg meer is om de steen te dragen. Maar tot zulke eenvoudige grondvormen, om met de heer Dühring te spreken, laten zich alle mechanische processen terugvoeren en de ingenieur moet nog geboren worden die de brug van het statische naar het dynamische niet vinden kan zolang hij over de nodige stootkracht de beschikking heeft.

Het is echter voor onze metafysicus een harde noot en een bittere pil, dat de beweging haar maat moet vinden in baar tegendeel, in de rust. Dat is toch een ten hemel schreiende tegenstrijdigheid, en iedere tegenstrijdigheid is volgens de heer Dühring, zinloosheid. Niettemin is het een feit dat de hangende steen een bepaalde, door zijn gewicht en door zijn afstand tot de grond nauwkeurig meetbare, op verschillende wijze — bv. door rechtstreekse val, door afglijding op het hellend vlak, door het in draaiing brengen van een drijfas — een willekeurig te gebruiken hoeveelheid mechanische beweging vertegenwoordigt; en zo staat het ook met een geladen geweer. Voor de dialectische opvatting biedt de mogelijkheid om de beweging in haar tegendeel, de rust, uit te drukken in het geheel geen moeilijkheid. Voor haar is, zoals wij gezien hebben, de gehele tegenstelling slechts betrekkelijk, voor haar bestaat geen volstrekte rust, geen onvoorwaardelijk evenwicht. De afzonderlijke beweging streeft naar het evenwicht, de totaalbeweging heft het evenwicht weer op. Zo zijn rust en evenwicht, waar zij voorkomen, het resultaat van een beperkte beweging en spreekt het vanzelf dat deze beweging aan haar resultaat meetbaar is, daarin is uit te drukken en daaruit in de een of andere vorm weer te voorschijn is te roepen. Maar met zulk een eenvoudig voorstelling der dingen mag de heer Dühring zich niet tevreden stellen. Als goed metafysicus scheurt hij eerst beweging en evenwicht zover uiteen dat tussen beide een, in de werkelijkheid niet bestaande, gapende kloof ontstaat, en dan verbaast hij zich wanneer hij over die zelfgefabriceerde kloof geen brug kan vinden. Hij had evengoed zijn metafysische rossinante kunnen bestijgen en Kants ‘ding op zichzelf’ kunnen najagen: want dat is het en anders niet wat er tenslotte achter die onvindbare brug steekt.

Maar hoe staat het met de mechanische warmtetheorie en de gebonden of latente warmte die voor deze theorie ‘een steen des aanstoots gebleven is’?

Wanneer men een pond ijs van vriespunttemperatuur en onder normale luchtdruk door warmte in een pond water van dezelfde temperatuur verandert, dan verdwijnt een hoeveelheid warmte die toereikend zou zijn om hetzelfde pond water van 0 tot 79,4 graad van de honderddelige thermometer of om 79,4 pond water één graad te verwarmen. Wanneer men dit pond water tot op het kookpunt, tot 100 graden dus, verwarmt, en nu in stoom van 100 graden omzet, dan verdwijnt, tot het water geheel in stoom omgezet is, een bijna zeven maal zo grote hoeveelheid warmte, voldoende om de temperatuur van 537,2 pond water  één graad te verhogen. Deze verdwenen warmte noemt men gebonden. Wordt door afkoeling de stoom weer in water en het water weer in ijs omgezet, dan wordt dezelfde hoeveelheid warmte die tevoren gebonden werd, weer vrij, d.w.z. als warmte voelbaar en meetbaar. Dit vrij worden van warmte bij het verdichten van stoom en het bevriezen van water is de oorzaak dat waterdamp die tot 100 graden is afgekoeld, zich eerst geleidelijk in water, en dat een hoeveelheid water van vriespunttemperatuur zich slechts zeer langzaam in ijs verandert. Dat zijn de feiten. De vraag is nu: wat gebeurt er met de warmte terwijl zij gebonden is?

De mechanische warmtetheorie — volgens welke de warmte uit een, naar temperatuur en aggregatietoestand grotere of kleinere trilling van de kleinste natuurkundig werkzame deeltjes (moleculen) van de lichamen bestaat, een trilling die onder bepaalde omstandigheden in elke andere vorm van de beweging kan omslaan — verklaart dit verschijnsel daarmede dat de verdwenen warmte arbeid heeft verricht, in arbeid omgezet is. Bij het smelten van ijs is de innige vaste verbinding van de afzonderlijke moleculen met elkaar opgeheven en in een toestand van los verband veranderd. Bij het verdampen van water op het kookpunt is een toestand ingetreden waarin de afzonderlijke moleculen in het geheel geen merkbare invloed op elkaar uitoefenen en onder de inwerking van de warmte zelfs in alle richtingen uit elkaar vliegen. Zo is het dan duidelijk dat de afzonderlijke moleculen van een lichaam in gasvormige toestand een veel grotere energie bezitten dan in vloeibare toestand, en in vloeibare weer meer dan in vaste toestand. De gebonden warmte is dus niet verdwenen, zij is alleen maar omgezet en heeft de vorm van moleculaire spankracht aangenomen. Zodra de voorwaarde ophoudt waaronder de afzonderlijke moleculen deze volstrekte of betrekkelijke vrijheid ten opzichte van elkaar kunnen handhaven, zodra namelijk de temperatuur onder het minimum van 100 graden, resp. 0 graden daalt, wordt deze spankracht opgeheven, de moleculen dringen weer met dezelfde kracht aaneen, waarmee zij tevoren uiteengescheurd waren. En deze kracht verdwijnt, maar slechts om als warmte opnieuw te verschijnen, en wel als precies dezelfde hoeveelheid warmte die vroeger gebonden was. Deze verklaring is natuurlijk een hypothese, zoals de hele mechanische warmtetheorie, daar niemand tot op heden ooit een molecule, laat staan in trillende toestand heeft gezien. Daarom juist is die verklaring zeker vol gebreken evenals de gehele, nog zeer jonge theorie, maar zij kan althans het verloop verklaren zonder ook maar enigszins met de omstandigheid dat de beweging niet vernietigd en niet geschapen kan worden, in strijd te komen en zij is zelfs in staat er nauwkeurig rekenschap van af te leggen waar de warmte tijdens haar omzetting bleef. De latente of gebonden warmte is dus geenszins een steen des aanstoots voor de mechanische warmtetheorie. Integendeel, deze theorie brengt voor het eerst een rationele verklaring van het proces tot stand en aanstoot kan hoogstens daaruit ontstaan dat de natuurkundigen er mee voortgaan de in een andere vorm van moleculaire energie omgezette warmte met de verouderde en niet meer toepasselijke uitdrukking ‘gebonden’ aan te duiden.

Derhalve vertegenwoordigen de aan zichzelf gelijke toestanden en de zich in rust bevindende verhoudingen van de vaste, vloeibare en gasvormige aggregatietoestand ongetwijfeld mechanische arbeid, in zoverre de mechanische arbeid de maat van de warmte is. Zowel de vaste aardkorst als het water van de oceaan vertegenwoordigen in hun huidige aggregatietoestand een nauwkeurig bepaalde hoeveelheid vrijgekomen warmte die vanzelfsprekend met een even nauwkeurig bepaalde hoeveelheid mechanische kracht overeenkomt. Bij de overgang van de gasmassa, waaruit de aarde ontstaan is, in de vloeibare en later in de grotendeels vaste aggregatietoestand, is een bepaalde hoeveelheid moleculaire energie als warmte in het heelal uitgestraald. De moeilijkheid waarover de heer Dühring op geheimzinnige wijze mompelt bestaat dus niet. Zelfs bij de kosmische toepassingen kunnen wij weliswaar op gebreken en leemten stoten — die aan onze onvolkomen kenmiddelen te wijten zijn — maar nergens op theoretisch onoverkomelijke hindernissen. De brug van het statische naar het dynamische is ook hier de stoot van buiten — afkoeling of verwarming, door andere lichamen teweeggebracht, die op het zich in evenwicht bevindend voorwerp inwerken. Hoe verder wij in deze natuurfilosofie van Dühring doordringen, des te onmogelijker blijken alle pogingen om de beweging uit de bewegingloosheid te verklaren of de brug te vinden waarover het zuiver statische, zich in rust bevindende uit zichzelf tot het dynamische, tot de beweging kan komen.

Hiermee zouden wij dan gelukkig voor enige tijd van de aan zichzelf gelijke oertoestand af zijn. De heer Dühring gaat tot de scheikunde over en onthult ons bij deze gelegenheid drie tot op heden door de werkelijkheidsfilosofie ontdekte bestendigheidswetten der natuur, en wel:

1. de totaalhoeveelheid van de materie in het algemeen; 2. die van de enkelvoudige (scheikundige) elementen; en 3. die van de mechanische kracht zijn onveranderlijk.

Derhalve: de onmogelijkheid om de stof, zowel als haar enkelvoudige bestanddelen zover zij die heeft, en de beweging te scheppen of te vernietigen — deze oude, alom bekende feiten, hoogst onvoldoende uitgedrukt — dat is het enig werkelijk positieve wat de heer Dühring ons als uitkomst van zijn natuurfilosofie der anorganische wereld bieden kan. Allemaal dingen die wij al lang wisten. Maar wat wij niet wisten is dat het ‘bestendigheidswetten’ en als zodanig ‘schematische eigenschappen van het systeem der dingen’ zijn. Het gaat ons weer zoals zo-even bij Kant: de heer Dühring neemt de een of andere overbekende gemeenplaats, plakt er een Dühring-etiket op en noemt dat:

‘Fundamenteel bijzondere resultaten en opvattingen... systeem-scheppende gedachten... wortelvaste wetenschap’.

Maar wij behoeven daarom nog lang niet te wanhopen. Welke gebreken de meest wortelvaste wetenschap en de beste maatschappij-inrichting ook mogen aankleven, één ding kan de heer Dühring met beslistheid volhouden:

‘Het in het heelal voorhanden goud moet steeds uit dezelfde hoeveelheid bestaan hebben en kan zich evenmin als de algemene materie vermeerderd of verminderd hebben’.

Wat wij echter voor dat ‘voorhanden goud’ kunnen kopen, zegt de heer Dühring er jammer genoeg, niet bij.

 

 

 

 

VII. Natuurfilosofie. De organische wereld

 

‘Van de mechanica van druk en stoot tot aan de verbinding van gevoelens en gedachten voert één enkele homogene reeks van schakels.’

Met deze verzekering spaart de heer Dühring zich de moeite over het ontstaan van het leven iets nader te zeggen, hoewel men van een denker die de ontwikkeling van de wereld tot op de aan zichzelf gelijke toestand gevolgd heeft en die op andere hemellichamen zo thuis is, wel verwachten mag dat hij ook hiervan precies op de hoogte zou zijn. Overigens is die verzekering maar half juist zolang zij niet door de reeds genoemde knopenlijn der maatverhoudingen van Hegel aangevuld wordt. Bij alle geleidelijkheid blijft de overgang van de ene bewegingsvorm naar de andere steeds een sprong, een duidelijk keerpunt. Aldus de overgang van de mechanica van de hemellichamen naar die van de kleinere massa’s op een afzonderlijk hemellichaam; evenzo de overgang van de mechanica van de massa’s naar die van de moleculen — welke die bewegingen omvat die wij in de eigenlijke zogenaamde natuurkunde behandelen: warmte, licht, elektriciteit, magnetisme; evenzo voltrekt zich de overgang van de natuurkunde der moleculen naar die van de atomen — naar de scheikunde — wederom door een besliste sprong, en dit is nog sterker het geval bij de overgang van de gewone scheikundige reacties naar het chemisme van het eiwit, dat wij leven noemen.  Binnen de sfeer van het leven worden de sprongen dan steeds zeldzamer en onopvallender. Het is dus weer Hegel, die de heer Dühring verbeteren moet.

Voor de logische overgang naar de organische wereld bedient de heer Dühring zich van het begrip ‘doelmatigheid’. Dit is wederom aan Hegel ontleend, die in de Logica — de leer van het begrip — door middel van de teleologie of de leer van de doelmatigheid, van chemisme tot leven overgaat. Waar wij ook heen zien stoten wij bij de heer Dühring op een hegeliaanse ‘grofheid’ die hij heel ongegeneerd voor eigen wortelvaste wetenschap uitgeeft. Het zou te ver voeren hier te onderzoeken, in hoever de toepassing van de begrippen doel en middel op de organische wereld gerechtvaardigd en op haar plaats is. In elk geval leidt ook de toepassing van Hegels ‘innerlijk doel’, — d.w.z. van een doel dat niet door een opzettelijk handelende derde (zoiets als de Wijsheid der Voorzienigheid), in de natuur is binnengebracht, maar dat in de noodzakelijkheid van de zaak zelf ligt — bij filosofisch onvolledig geschoolde mensen telkens tot het gedachteloos binnensmokkelen van bewust een opzettelijke handelingen. Dezelfde heer Dühring, die bij de minste ‘spiritistische’ pretenties van andere mensen in mateloze verontwaardiging geraakt, verzekert ‘met beslistheid, dat de instinctieve gevoelens... hoofdzakelijk geschapen zijn terwille van de met hun werking verbonden bevrediging’.

Hij vertelt ons dat die arme natuur ‘altijd weer opnieuw de stoffelijke wereld in orde moet houden’ en daarnaast nog het een en ander te doen heeft, ‘wat van de natuur meer subtiliteit verlangt dan men gewoonlijk toegeeft’. Maar de natuur weet niet alleen waarom zij dit of dat doet, zij heeft niet alleen de plichten van dienstmeisje te vervullen, zij bezit niet alleen subtiliteit, wat toch werkelijk al een fraaie volkomenheid in het subjectief bewuste denken is, zij heeft ook een wil. Want wat de instincten terloops als toegift verrichten, — namelijk de natuurlijke functies van voeding, voortplanting enz. ‘mogen wij niet als direct, maar slechts als indirect gewild beschouwen’.

Hiermee zijn wij bij een bewust denkende en handelende natuur aangekomen, staan dus reeds op de ‘brug’, weliswaar niet van het statische naar het dynamische, maar dan toch van het pantheïsme naar het deïsme. Of wenst de heer Dühring ook eens een beetje ‘natuurfilosofische rijmelarij’ ten beste te geven?

Onmogelijk. Alles wat onze werkelijkheidsfilosoof over de organische natuur weet te zeggen, beperkt zich tot de strijd tegen deze natuurfilosofische rijmelarij, tegen ‘de kwakzalverij met haar lichtvaardige oppervlakkigheden en zogezegd wetenschappelijke mystificaties’, tegen de ‘dichterlijke trekken’ van het darwinisme.

Vóór alles wordt Darwin verweten dat hij de bevolkingstheorie van Malthus van de economie naar de natuurwetenschap overbrengt, dat hij in de gedachtensfeer van een veefokker gevangen zou zijn, dat hij in zijn theorie van de strijd om het bestaan aan onwetenschappelijke rijmelarij zou doen en dat het hele darwinisme na aftrek van wat aan Lamarck ontleend is, een stuk tegen de beschaving gerichte bruutheid zou zijn.

Darwin had van zijn wetenschappelijke reizen de opvatting mee naar huis gebracht, dat de planten- en dierensoorten niet bestendig zijn, maar veranderen. Om deze gedachte thuis uit te werken stond hem geen beter arbeidsveld ter beschikking dan dat van dieren- en plantenteelt. Juist daarvoor is Engeland het klassieke land; wat andere landen, Duitsland bv., op dat gebied geleverd hebben, haalt in de verste verte niet bij wat Engeland in dit opzicht tot stand heeft gebracht. Daarbij stammen de meeste successen uit de laatste honderd jaren, zodat de vaststelling der feiten weinig moeilijkheden oplevert. Darwin vond nu dat deze teelt, op dieren en planten van dezelfde soort toegepast, kunstmatig verschillen te voorschijn gebracht had die groter waren dan die welke voorkomen bij algemeen als verschillend aangenomen soorten. Enerzijds was dus de veranderlijkheid der soorten tot op zekere hoogte aangetoond, anderzijds ook de mogelijkheid van een gemeenschappelijk voorgeslacht voor organismen die verschillende soortkenmerken bezaten. Darwin onderzocht nu of er niet in de natuur oorzaken te vinden waren die — zonder het bewuste opzet van de teler — toch op den duur bij de levende organismen dergelijke veranderingen teweeg moesten brengen, als dat bij de kunstmatige teling het geval was. Deze oorzaken vond hij in de wanverhouding tussen het enorme aantal door de natuur voortgebrachte kiemen en het geringe aantal van werkelijk tot rijpheid komende organismen.

Daar nu echter iedere kiem naar ontwikkeling streeft ontstaat er noodzakelijk een strijd om het bestaan, die zich niet slechts uit als directe lichamelijke bestrijding of elkaar verslinden, maar ook als strijd om ruimte en licht zelfs nog bij planten. En het is duidelijk dat in deze strijd die individuen de meeste kans hebben tot rijpheid te komen en zich voort te planten die een of andere, zij het nog zo onbeduidende, maar in de strijd om het bestaan hun tot eigen voordeel strekkende individuele bijzonderheid bezitten. Deze individuele bijzonderheden hebben dus de neiging tot overerving en wanneer zij bij talrijker individuen van dezelfde soort voorkomen, bestaat bij herhaling der overerving in de eenmaal genomen richting ook de neiging die bijzonderheden te versterken; terwijl de individuen die deze bijzonderheid niet bezitten, in de strijd om het bestaan gemakkelijker bezwijken en geleidelijk verdwijnen. Op deze wijze kan door natuurlijke teeltkeus een soort zich veranderen, en wel door het overleven van de meest geschikte.

Tegen deze theorie van Darwin voert de heer Dühring nu aan dat de oorsprong der voorstelling van de strijd om het bestaan, zoals Darwin zelf heeft toegegeven, in een veralgemening van de opvattingen van de econoom en bevolkingstheoreticus Malthus te zoeken zou zijn en daarom dan ook belast was met alle euvelen die aan de priesterlijk malthusiaanse beschouwingen over de bevolkingsaanwas eigen zijn. Nu komt het in het geheel bij Darwin niet op te zeggen, dat de oorsprong van de voorstelling van de strijd om het bestaan bij Malthus zou zijn te zoeken. Hij zegt slechts dat zijn theorie van de strijd om het bestaan de theorie van Malthus is, toegepast op de hele dieren- en plantenwereld. Hoe groot de bok ook zijn mag die Darwin geschoten heeft, doordat hij in zijn naïveteit de leer van Malthus zo voetstoots aanvaardde, toch ziet ieder op het eerste gezicht dat men geen Malthus-bril nodig heeft om de strijd om het bestaan in de natuur waar te nemen — de tegenstrijdigheid tussen het ontelbaar aantal kiemen die de natuur kwistig voortbrengt en het geringe aantal dat tenslotte tot rijpheid kan komen; een tegenstrijdigheid die inderdaad grotendeels in een — hier en daar uiterst wrede — strijd om het bestaan wordt opgelost. En zoals de wet van het arbeidsloon haar waarde behouden heeft, ook nadat de malthusiaanse argumenten, waarop Ricardo haar grondvestte, reeds lang hadden afgedaan — zo kan de strijd om het bestaan in de natuur eveneens plaatsvinden zonder enige malthusiaanse uitlegging. Overigens hebben de organismen in de natuur eveneens hun bevolkingswetten, die zogoed als helemaal niet onderzocht zijn. Het vaststellen daarvan zal echter voor de theorie van de ontwikkeling der soorten van beslissend belang zijn. En wie heeft ook in deze richting de beslissende stoot gegeven? Niemand anders dan Darwin.

De heer Dühring wacht er zich wel voor op deze positieve zijde van de kwestie in te gaan. In plaats daarvan moet de strijd om het bestaan het steeds weer verantwoorden. Van een strijd om het bestaan onder bewustzijnloze planten en goedaardige planteneters kan volgens hem in het geheel geen sprake zijn:

‘nauwkeurig en strikt genomen komt de strijd om het bestaan onder de roofdieren slechts in zoverre voor als de voeding door middel van roof en verslinden plaatsvindt’.

En nadat hij het begrip — strijd om het bestaan — tot deze enge grenzen teruggebracht heeft, kan hij op de dierlijke roofzuchtigheid van dit door hem zelf tot roofzucht beperkte begrip zijn volle verontwaardiging loslaten. Met deze zedelijke verontwaardiging treft de heer Dühring echter alleen zichzelf, omdat juist hij de strijd om het bestaan in die bekrompen vorm uitgevonden heeft en er dus ook alleen verantwoordelijk voor is. Het is dus niet Darwin die ‘op het gebied van de roofdieren de wetten en de kennis van alle werkzaamheid der natuur zoekt’, — Darwin immers heeft juist de gehele organische natuur in die strijd betrokken —, maar dit is een door de heer Dühring zelf in elkaar geknutseld fantasieproduct. De uitdrukking: strijd om het bestaan, kan trouwens gerust aan de hoog morele verontwaardiging des heren Dühring worden prijsgegeven. Dat de zaak ook onder planten bestaat, kan hem iedere weide, ieder korenveld, elk bos bewijzen en het gaat ook niet om de uitdrukking of men het ‘strijd om het bestaan’ moet noemen of ‘gebrek aan bestaansvoorwaarden en mechanische werkingen’, maar hoe dit feit op het behoud of de verandering van de soorten inwerkt. Daarover volhardt de heer Dühring in een hardnekkig aan zichzelf gelijk stilzwijgen. Het zal dus voorlopig wel bij de natuurlijke teeltkeus blijven.

Maar het darwinisme ‘brengt zijn veranderingen en verschillen uit niets voort’.

Ongetwijfeld ziet Darwin, waar hij het over de natuurlijke teeltkeus heeft, van de oorzaken af die de veranderingen bij de afzonderlijke individuen hebben doen ontstaan, en behandelt hij in de eerste plaats de wijze waarop zulke individuele afwijkingen allengs tot kenmerken van een ras, een variëteit of een soort worden. Darwin is het er vooreerst minder om te doen deze oorzaken te vinden — die tot nu toe deels geheel onbekend, deels slechts zeer in het algemeen aan te geven zijn — maar veeleer om een rationele vorm, waarin hun verschillende werkingen vastgelegd worden en blijvende betekenis krijgen. Dat Darwin daarbij aan zijn ontdekking een bovenmatig grote werkingssfeer toeschreef, haar tot de enig mogelijke hefboom van de soortverandering maakte en de oorzaken van de voortgezette individuele veranderingen verwaarloosde terwille van de vorm waarin ze algemene betekenis krijgen — dat alles is een fout die hij met de meeste mensen gemeen heeft die een werkelijke stap voorwaarts doen. Bovendien, wanneer Darwin zijn individuele veranderingen uit niets voortbrengt en daartoe uitsluitend de ‘wijsheid van de teler’ gebruikt, dan moet dientengevolge die teler de niet slechts wenselijke maar ook werkelijke veranderingen van dieren en plantenvormen uit niets voortbrengen. Wie echter de stoot gegeven heeft om te onderzoeken waaruit dan eigenlijk die veranderingen en verschillen ontstaan, is wederom niemand anders dan Darwin.

Onlangs werd, en wel door Haeckel, de voorstelling van de natuurlijke teeltkeus verder ontwikkeld en de soortverandering opgevat als product van de wisselwerking van aanpassing en overerving, waarbij dan de aanpassing als de verandering teweegbrengende, de overerving als de bestendigende factor in het proces beschouwd wordt. Ook dit is de heer Dühring weer niet naar de zin.

‘Werkelijke aanpassing aan levensvoorwaarden, zoals de natuur die geeft of onthoudt, veronderstelt door voorstellingen bepaalde drijfveren en vormen van activiteit. Anders is de aanpassing slechts schijn en de dan in werking tredende oorzakelijkheid komt niet uit boven de onderste trappen van het fysische, chemische en plantenfysiologische.’

Hier is weer de naam een doorn in het oog van de heer Dühring. Hoe hij echter het proces ook mag aanduiden, de vraag waar het hier om gaat is of door zulke processen veranderingen in de soorten der organismen veroorzaakt worden of niet? En weer geeft de heer Dühring geen antwoord.

‘Wanneer een plant in haar groei de weg neemt waarop zij het meeste licht krijgt, dan is de uitwerking van deze prikkel niets anders dan een samenstel van natuurkundige krachten en scheikundige werkingen en wanneer men hier, niet in beeldspraak maar werkelijk, van aanpassing spreken wil, dan moet dit de begrippen tot een spiritistische warwinkel maken.’

Zo streng tegenover anderen is dezelfde man die zo precies weet ter wille waarvan de natuur dit of dat doet, die van de subtiliteit van de natuur spreekt, ja zelfs van haar wil! Een spiritistische warwinkel inderdaad — maar bij wie, bij Haeckel of bij de heer Dühring?

En niet alleen een spiritistische, maar ook een logische warwinkel. Wij zagen, dat de heer Dühring er met alle geweld op staat het doelbegrip in de natuur te laten gelden:

‘De verhouding van middel en doel veronderstelt geenszins een bewust oogmerk.’

Maar wat is dan de aanpassing zonder bewust oogmerk, zonder tussenkomst van voorstellingen, waartegen hij zo tekeer gaat anders dan zulk een onbewuste doelmatige activiteit?

Wanneer dus boomkikkers en bladetende insecten een groene, woestijndieren een zandgele, pooldieren hoofdzakelijk een sneeuwwitte kleur hebben, dan hebben zij zich die stellig niet opzettelijk of op grond van een of andere voorstelling aangeschaft. Integendeel, die kleuren zijn slechts uit natuurkundige krachten en scheikundige werkingen te verklaren. En toch is het niet te loochenen dat deze dieren door die kleuren aan de omgeving waarin zij leven, doelmatig aangepast zijn en wel zo dat zij daardoor voor hun vijanden veel minder zichtbaar zijn geworden. Zo zijn ook de organen waarmee bepaalde planten de daarop neerstrijkende insecten vangen en verteren, aan deze werkzaamheid aangepast, ja zelfs doelmatig aangepast. Wanneer nu de heer Dühring volhoudt dat de aanpassing door voorstellingen moet zijn teweeg gebracht, dan zegt hij alleen met andere woorden dat de doelmatige activiteit eveneens door middel van voorstellingen teweeggebracht, bewust, opzettelijk moet zijn. Waarmee wij weer zoals gewoonlijk in de werkelijkheidsfilosofie, bij de doelverwezenlijkende schepper, bij god terecht gekomen zijn.

‘Vroeger placht men zulk een oplossing deïsme te noemen en hechtte er niet veel waarde aan,’ (zegt de heer Dühring) ‘nu echter schijnt men zich ook in dit opzicht achterwaarts ontwikkeld te hebben’.

Van de aanpassing komen wij op de erfelijkheid. Ook hier is het darwinisme, volgens de heer Dühring, volkomen op een dwaalspoor. Heel de organische wereld, zou Darwin beweren, moet van één oerwezen afstammen, zou om zo te zeggen het kroost van één enkel wezen zijn. Het zelfstandig naast elkaar voorkomen van gelijksoortige voortbrengselen der natuur, zonder stamverwantschap, zou voor Darwin in het geheel niet bestaan en daarom zou hij met zijn achterwaarts gerichte voorstellingen terstond daar moeten ophouden waar de draad van de bevruchting of andere wijze van voortplanting afbreekt.

De bewering dat Darwin alle bestaande organismen van één oerwezen zou afleiden is, om het beleefd uit te drukken, een ‘eigen, vrije schepping en verbeelding’ van de heer Dühring. Darwin zegt uitdrukkelijk op de voorlaatste bladzijde van zijn ‘Origin of Species’ (Het ontstaan der soorten), 6de druk, dat hij

‘alle wezens niet als bijzondere scheppingen, maar als nakomelingen in rechte lijn van een gering aantal wezens’  beschouwt.

En Haeckel gaat nog aanzienlijk verder en neemt

‘een volkomen zelfstandige stamboom aan voor het plantenrijk en een andere voor het dierenrijk’ en tussen deze beiden ‘een zeker aantal onafhankelijke stammen van protisten, van welke ieder afzonderlijk zich ontwikkeld heeft uit een eigen archigone  monerenvorm’ (‘Scheppingsgeschiedenis’, blz. 397) .

Dit oerwezen is slechts uitgevonden door de heer Dühring, om het in analogie met de oerjood Adam zoveel mogelijk in discrediet te brengen; hierbij overkomt hem — de heer Dühring wel te verstaan — het ongeluk, dat hem onbekend is gebleven, hoe door [George] Smith’s Assyrische ontdekkingen deze oerjood zich als oersemiet ontpopt heeft en hoe de gehele bijbelse geschiedenis van de schepping en de zondvloed deel blijkt uit te maken van de oudheidense godsdienstige sagencyclus die de Joden met Babyloniërs, Chaldeeërs en Assyriërs gemeen hadden.

Het is stellig een hard, maar niet te weerleggen verwijt aan Darwins adres, dat hij terstond daar ophoudt waar bij hem de draad van de afstamming afbreekt. Jammer genoeg treft dit verwijt onze gehele natuurwetenschap. Waar bij haar de draad van de afstamming afbreekt, daar ‘houdt zij op’. Zij heeft het tot dusver nog niet klaargespeeld organische wezens zonder afstamming voort te brengen; nog niet eens het samenstellen van gewoon protoplasma of andere eiwitlichamen uit chemische elementen is haar gelukt. Zij kan dus over de oorsprong van het leven tot dusver met beslistheid slechts zoveel zeggen dat die oorsprong op scheikundige wijze moet hebben plaatsgehad. Misschien echter is de ‘werkelijkheidsfilosofie’ in staat hier te hulp te komen, aangezien zij toch over zelfstandig naast elkaar voorkomende scheppingen van de natuur beschikt, die niet verbonden zijn door gezamenlijke afstamming. Hoe kunnen die zijn ontstaan? Door generatio spontanea?  Maar tot op heden hebben zelfs de vermetelste voorstanders van dit denkbeeld er slechts aanspraak op gemaakt bacteriën, schimmels of andere zeer primitieve organismen langs deze weg te doen ontstaan maar geen insecten, vissen, vogels of zoogdieren. Wanneer nu deze gelijksoortige voortbrengselen van de natuur — organische wel te verstaan, waarvan hier alleen sprake is — niet door afstamming met elkaar in verband staan, dan moeten zij of moet elk van hun voorvaderen daar, ‘waar de draad van de afstamming afbreekt’, door een afzonderlijke scheppingsdaad ter wereld zijn gebracht. Zo komen wij dan opnieuw bij de schepper terecht en bij dat, wat men deïsme noemt.

Verder noemt de heer Dühring het een grote oppervlakkigheid van Darwin, dat hij ‘alleen de daad van het langs geslachtelijke weg samenvoegen van eigenschappen tot grondbeginsel van het ontstaan van die eigenschappen maakt’.

Dit is wederom een vrije schepping en verbeelding van onze wortelvaste filosoof. Integendeel verklaart Darwin nadrukkelijk: de uitdrukking natuurlijke teeltkeus geldt slechts voor deinstandhouding van veranderingen, maar niet voor hun verwekking (blz. 63). Dit opnieuw aan Darwin toedichten van dingen die hij nooit gezegd heeft, moet echter dienen om ons de volgende Dühring-diepzinnigheid bij te brengen:

‘Had men binnen de grenzen van het telingsschematisme het een of andere beginsel van onafhankelijke verandering opgespoord, dan zou die gedachte zeer rationeel geweest zijn. Want het is een natuurlijke gedachte om het beginsel der algemene wording met dat van de geslachtelijke voortbrenging tot één te verbinden en de zogenaamde generatio spontanea van een hoger gezichtspunt, niet als absolute tegenstelling van de reproductie. Maar juist als een productie te beschouwen’.

En de man die zulke wartaal produceren kon, schaamt zich niet Hegel verwijten over zijn ‘jargon’ te maken!

Maar genoeg over de naargeestige haarkloverij en de vitterij tot tegenstrijdigheden, waarmee de heer Dühring zijn ergernis lucht geeft over de ontzaglijke vlucht die de natuurwetenschap dankzij de impuls van Darwins theorie genomen heeft. Noch Darwin, noch zijn aanhangers onder de natuuronderzoekers denken er aan van de grote verdiensten van Lamarck ook maar iets af te doen. Juist zij zijn het geweest die hem het eerst weer op een voetstuk geplaatst hebben. Maar wij mogen niet voorbijzien dat de wetenschap in Lamarcks tijd nog lang niet over voldoende materiaal beschikte om de vraag naar de oorsprong der soorten anders dan vooruitlopend, om zo te zeggen profetisch te kunnen beantwoorden. Behalve het enorme materiaal op het gebied zowel van de verzamelende als van de ontledende plant- en dierkunde, dat zich sindsdien heeft opgehoopt, zijn echter sedert Lamarck twee geheel nieuwe wetenschappen ontstaan die hier van doorslaggevende betekenis zijn: het onderzoek van de ontwikkeling der plantaardige en dierlijke kiemen (embryologie) en van de, in verschillende lagen van de aardkorst bewaard gebleven, organische overblijfselen (paleontologie). Er bestaat namelijk een eigenaardige overeenkomst tussen de trapsgewijze ontwikkeling van de organische kiemen tot rijpe organismen en de volgorde van de na elkaar in de geschiedenis der aarde optredende planten en dieren. En het is juist deze overeenkomst die aan de ontwikkelingstheorie de zekerste grondslag heeft gegeven. De ontwikkelingstheorie zelf is echter nog zeer jong en het is daarom niet te betwijfelen dat het verdere onderzoek de thans geldende, ook de streng darwinistische voorstellingen over de loop van de ontwikkeling van de soorten in zeer belangrijke mate wijzigen zal.

Wat voor positiefs heeft de ‘werkelijkheidsfilosofie’ ons nu wel over de ontwikkeling van het organische leven te zeggen?

‘De... veranderlijkheid der soorten is een aannemelijke veronderstelling’. Daarnaast geldt echter ook ‘het zelfstandig naast elkaar voorkomen van gelijksoortige voortbrengselen in de natuur, zonder stamverwantschap.’

Op grond hiervan zou men menen dat de ongelijksoortige voortbrengselen in de natuur, d.w.z. de zich veranderende soorten van elkaar afstamden, de gelijksoortige echter niet. Dit gaat echter ook niet helemaal op, want bij zich veranderende soorten zou ‘de verwantschap door middel van afstamming integendeel slechts een geheel ondergeschikte daad der natuur zijn’.

Dus toch afstamming, maar van de ‘tweede rang’. — Laat ons blij zijn dat de afstamming, nadat de heer Dühring haar zoveel slechts en duisters toegeschreven heeft, toch eindelijk door de achterdeur weer binnengelaten wordt. Evenzo gaat het met de natuurlijke teeltkeus, want na al de zedelijke verontwaardiging over de strijd om het bestaan, door middel waarvan de natuurlijke teeltkeus zich immers voltrekt, wordt plotseling gezegd:

‘De diepere grondslag van de geaardheid der organische wezens is dus in de levensvoorwaarden en kosmische verhoudingen te zoeken, terwijl de door Darwin gepropageerde natuurlijke teeltkeus pas in de tweede plaats in aanmerking kan komen.’

Dus toch natuurlijke teeltkeus, al is ze tweederangs; dus met de natuurlijke teeltkeus ook strijd om het bestaan en daarmee ook het priesterlijk malthusiaanse bevolkingsgedrang! Dat is alles, voor de rest verwijst de heer Dühring ons naar Lamarck.

Tenslotte waarschuwt hij ons voor misbruik van de woorden metamorfose (gedaanteverwisseling) en ontwikkeling. Metamorfose zou een onklaar begrip en het begrip ontwikkeling slechts in zover toelaatbaar zijn als er werkelijk ontwikkelingswetten aangetoond kunnen worden. In plaats van die beide moeten wij spreken van ‘compositie’, en dan is alles in orde. Het is weer de oude geschiedenis: de zaak blijft zoals zij was, en de heer Dühring is volkomen tevreden zodra wij maar de naam veranderen. Wanneer wij van de ontwikkeling van het kuiken in het ei spreken, dan stichten wij verwarring omdat wij de ontwikkelingswetten slechts gebrekkig kunnen aantonen. Spreken wij echter van zijn compositie, dan wordt alles duidelijk. Wij zullen dus voortaan niet meer zeggen: dat kind ontwikkelt zich prachtig, maar: het componeert zichzelf uitstekend, en wij mogen er de heer Dühring mee gelukwensen dat hij niet alleen wat zijn edel gevoel van eigenwaarde betreft waardig aansluit bij de schepper van de ‘Nibelungenring’, maar ook in zijn eigenschap als componist van de toekomst. 

 

 

 

 

VIII. Natuurfilosofie. De organische wereld (slot)

 

‘Men bedenke... welke positieve kennis er toe behoort, ons natuurfilosofisch gedeelte van de nodige wetenschappelijke uitgangspunten te voorzien. Er liggen vooreerst alle wezenlijke verworvenheden van de wiskunde aan ten grondslag en voorts de voornaamste resultaten van het exacte weten in de mechanica, natuurkunde, scheikunde, benevens in het algemeen de natuurwetenschappelijke resultaten van de fysiologie, van de dierkunde en van dergelijke gebieden van onderzoek.’

Zo beslist en vol vertrouwen spreekt de heer Dühring over de wiskundige en natuurwetenschappelijke geleerdheid van de heer Dühring. Het magere hoofdstuk zelf, en nog minder de nog armzaliger resultaten zouden doen vermoeden welk een wortelvastheid van positieve kennis daarachter zit. In ieder geval behoeft men, om Dührings orakel over natuur- en scheikunde tot stand te brengen, van de natuurkunde niets anders te weten dan de vergelijking die het mechanische equivalent van de warmte uitdrukt en van de scheikunde slechts dit, dat alle lichamen verdeeld kunnen worden in elementen en verbindingen van elementen. Wie bovendien, zoals de heer Dühring op bladzijde 131, van ‘graviterende atomen’ spreken kan, die bewijst daarmee alleen dat hij over het verschil tussen atoom en molecuul volslagen ‘in het duister’ verkeert. Zoals bekend bestaan de atomen niet voor de gravitatie of voor andere mechanische of natuurkundige bewegingsvormen, maar uitsluitend voor de scheikundige werking. En wanneer men dan nog het hoofdstuk over de organische natuur leest, dan kan men bij het holle, zich tegensprekende, op het beslissende punt orakelachtig zinloos heen en weer gepraat en bij de absolute nietswaardigheid van de eindresultaten al bij voorbaat niet aan de mening ontkomen, dat meneer Dühring hier over dingen spreekt waarvan hij merkwaardig weinig afweet. Die mening wordt tot zekerheid, wanneer men aan zijn voorstel toekomt om in de leer van de organische wezens (biologie) voortaan over compositie te spreken in plaats van over ontwikkeling. Wie zo iets kan voorstellen bewijst dat hij van de vorming van organische lichamen geen flauw idee heeft.

Alle organische lichamen, uitgezonderd het allerlaagste, bestaan uit cellen, uit kleine alleen door sterke vergroting zichtbare eiwitklompjes met binnenin een celkern. Gewoonlijk ontwikkelt de cel ook een buitenwand en de inhoud is dan min of meer vloeibaar. De laagste cellichamen bestaan uit één cel, de overgrote meerderheid der organische wezens is meercellig, een bijeenbehorend samenstel van vele cellen die bij lagere organismen nog gelijksoortige, bij de hogere meer en meer verschillende vormen, groeperingen en werkzaamheden krijgen. In het menselijke lichaam bv. zijn beenderen, spieren, zenuwen, pezen, gewrichtsbanden, kraakbeen, huid, kortom alle weefsels hetzij uit cellen opgebouwd of daaruit ontstaan. Maar bij alle uit cellen opgebouwde organismen, vanaf de amoebe die een eenvoudig eiwitklompje, meestal zonder omhulsel, met binnenin een celkern is, tot aan de mens en van de kleinste eencellige kiezelwieren tot aan de hoogontwikkelde plant, heeft de vermeerdering der cellen op dezelfde wijze plaats, en wel door deling. De celkern snoert zich eerst in het midden in, de insnoering die de beide kolfvormige delen van de kern afscheidt wordt steeds sterker, tenslotte scheiden zij zich en vormen zij twee celkernen. Hetzelfde gebeurt met de cel zelf, elk der beide kernen wordt het middelpunt voor een opeenhoping van celstof die met de andere door een steeds dunner wordende insnoering samenhangt, tot eindelijk beide uiteengaan en als zelfstandige cellen voortleven. Door zulk een herhaalde celdeling komt uit het kiemblaasje van het dierlijke ei na bevruchting geleidelijk het hele volledige dier tot ontwikkeling, zoals bij het volwassen dier de vervanging van de verbruikte weefsels plaatsvindt. Een dergelijk proces een compositie, en de aanduiding daarvan als ontwikkeling ‘pure verbeelding’ te noemen, daar is toch waarlijk iemand voor nodig die — hoe moeilijk dat in de tegenwoordige tijd ook aan te nemen is — van dit proces helemaal niets afweet; hier toch vindt slechts, en zelfs in de meest letterlijke zin, ontwikkeling plaats, maar gecomponeerd wordt hier in de verste verte niet.

Over datgene wat de heer Dühring in het algemeen onder leven verstaat, zullen wij later nog het een en ander te zeggen hebben. In engere zin stelt hij zich onder leven het volgende voor:

‘Ook de niet-organische wereld is een systeem van zichzelf voltrekkende impulsen; maar pas daar de eigenlijke geleding en de kringloop der stoffen door middel van bijzondere kanalen vanuit een inwendig punt en naar een aan een kleiner geheel overbrengbaar kiemschema begint, mag in de engere en striktere zin van eigenlijk leven gesproken worden.’

Deze zin is in de engere en striktere zin een systeem van zichzelf voltrekkende impulsen (wat dit ter wereld ook voor dingen mogen zijn) van onzin, zelfs nog afgezien van de hulpeloos verwarde zinsbouw. Wanneer het leven pas aanvangt waar de eigenlijke geleding begint, dan moeten wij Haeckels hele rijk der protisten en misschien veel meer nog voor dood verklaren, al naarmate het begrip geleding wordt opgevat. Wanneer het leven eerst daar begint waar deze geleding door een kleiner kiemschema overgebracht wordt dan zijn minstens alle organismen tot aan de eencellige toe, en die nog inbegrepen, niet levend. Is de kringloop der stoffen door middel van bijzondere kanalen het kenteken van het leven, dan moeten wij behalve de bovengenoemde nog de hele hoofdafdeling van coelenteraten, hoogstens met uitzondering van de medusen, dus alle poliepen en andere plantdieren  uit de rijen der levende wezens schrappen. Geldt echter zelfs de kringloop van de stoffen door bijzondere kanalen van een inwendig punt uit voor het werkelijke kenteken van het leven, dan moeten wij al de dieren voor dood verklaren die geen hart of wel die meer dan een hart hebben. Daartoe behoren behalve de vroeger genoemde nog alle wormen, zeesterren en raderdieren (annuloida en annulosa, volgens de indeling van Huxley) , een deel der schaaldieren (kreeften) en eindelijk zelfs een werveldier, het lancetvisje (amphioxus). Bovendien alle planten.

Waar de heer Dühring dus onderneemt het eigenlijke leven in de engere en striktere zin te definiëren, geeft hij vier elkaar totaal tegensprekende kenmerken van het leven aan, waarvan het ene niet alleen het hele plantenrijk maar ook ongeveer het halve dierenrijk ten eeuwigen dode doemt. Voorwaar, niemand kan zeggen dat hij ons beetgenomen heeft, toen hij ons

‘fundamenteel bijzondere resultaten en opvattingen’ beloofde!

Op een andere plaats luidt het:

‘Ook in de natuur ligt aan alle, van de laagste tot de hoogste organisaties een eenvoudig type ten grondslag’ en dit type is ‘reeds in de meest ondergeschikte impuls van de meest onvolkomen plant in zijn algemene wezen geheel en volledig aan te treffen.’

Deze bewering is weer ‘geheel en volledig’ onzin. Het allereenvoudigste type dat men in de gehele organische natuur aantreft, is de cel. En zij is het die inderdaad aan de hoogste organisaties ten grondslag ligt. Daarentegen komen er onder de laagste organismen een aantal voor die nog diep beneden de cel staan — de protamoebe, een eenvoudig eiwitklompje zonder iets van differentiatie, een hele reeks andere moneren en alle draadalgen (siphoneeën). Die allen zijn met de hogere organismen slechts daardoor verbonden dat zij in hoofdzaak uit eiwit bestaan en dat zij daarom eiwitfuncties verrichten, d.w.z. leven en sterven.

Verder vertelt de heer Dühring ons:

‘fysiologisch gesproken is de gewaarwording afhankelijk van het bestaan van een of ander, zij het nog zo eenvoudig, zenuwstelsel. Daarom is het kenmerkende van al wat dierlijk is, dat het in staat is tot gewaarwording, d.w.z. tot een subjectief bewust begrip van zijn toestanden. De scherpe grens tussen plant en dier ligt daar waar de sprong naar de gewaarwording gemaakt wordt. Deze grens laat zich zo weinig door de bekende overgangsgestalten uitwissen dat zij veeleer juist door deze uiterlijk onbepaalde en onbepaalbare gedaanten werkelijk tot een logische behoefte wordt.’

En verder:

‘Daarentegen zijn de planten geheel en voorgoed zonder het geringste spoor van gewaarwording en ook zonder enige aanleg daartoe.’

Ten eerste zegt Hegel (Natuurfilosofie, paragraaf 351, Aanvulling) dat

‘de gewaarwording de differentia specifica,  het absoluut kenmerkende van het dier is’.

Dus weer een Hegelse ‘grofheid’ die door de heer Dührings annexatie eenvoudigweg in de adelstand van de ‘definitieve waarheden in laatste instantie’ wordt verheven.

Ten tweede horen wij hier voor het eerst van overgangsvormen, uiterlijk onbepaalde of onbepaalbare gestalten (een fraai koeterwaals) tussen plant en dier. Dat deze tussenvormen bestaan, dat er organismen bestaan waarvan wij eenvoudig niet kunnen zeggen of ze planten of dieren zijn; dat wij dus de grens tussen plant en dier in het algemeen niet scherp kunnen vaststellen — dat maakt het voor de heer Dühring nu juist tot logische behoefte om een onderscheidend kenmerk vast te stellen, waarvan hij in een adem toegeeft dat het geen steek houdt! Maar wij hoeven in het geheel niet tot het twijfelachtige gebied tussen planten en dieren terug te gaan. Zijn de sensitieve planten die bij de geringste aanraking hun bladeren toevouwen of hun bloemen sluiten, zijn de insectenetende planten zonder het minste spoor van gewaarwording en ook zonder enige aanleg daartoe? Dat kan zelfs mijnheer Dühring niet zonder ‘onwetenschappelijke rijmelarij’ beweren.

Ten derde is het weer een vrije schepping en verbeelding van de heer Dühring, wanneer hij beweert dat de gewaarwording, fysiologisch gesproken, van het bestaan van een of ander, zij het nog zo eenvoudig, zenuwstelsel afhankelijk is. Niet slechts alle oerdieren, maar ook de plantdieren, althans in hun grote meerderheid, tonen geen spoor van een zenuwstelsel. Pas te beginnen met de wormen treffen we regelmatig iets van dien aard aan en de heer Dühring is de eerste die de bewering opwerpt dat bovengenoemde dieren geen gewaarwording zouden hebben, omdat zij geen zenuwen hebben. De gewaarwording is niet noodzakelijkerwijs aan zenuwen gebonden, wel echter aan zekere tot dusver nog niet nader vastgestelde eiwitlichamen.

Overigens wordt de biologische kennis des heren Dühring voldoende getypeerd door de vraag die hij zich niet geneert tegen Darwin op te werpen:

‘Zou het dier zich dan uit de plant hebben ontwikkeld?’

Dat is een vraag die alleen gesteld kan worden door iemand die van dieren noch planten ook maar het geringste afweet.

Van het leven in het algemeen weet de heer Dühring ons slechts te zeggen:

‘De stofwisseling die zich door middel van een plastisch vormende schematisering’ (wat ter wereld is dat voor een ding?) ‘voltrekt, blijft steeds een in het oog vallend kenmerk van het eigenlijke levensproces.’

Dat is alles wat wij over het leven te horen krijgen, waarmee wij ter gelegenheid van ‘de plastisch vormende schematisering’ nog tot over de knieën in het zinloze koeterwaals van je reinste Dühring-jargon blijven steken. Wanneer wij dus willen weten wat leven is, dan zal het wel nodig zijn dat wij daar zelf dieper op ingaan.

Dat de organische stofwisseling het meest algemene en kenmerkende verschijnsel van het leven is, is sinds dertig jaren door fysiologische scheikundigen en door scheikundige fysiologen ontelbare malen gezegd en wordt hier door de heer Dühring eenvoudig in de hem eigene sierlijke en duidelijke bewoordingen vertaald. Maar het leven als organische stofwisseling definiëren, betekent het leven definiëren als — leven; want organische stofwisseling of stofwisseling met ‘plastisch vormende schematisering’ is nu juist een uitdrukking die zelf door het leven verklaard moet worden, en wel verklaard door het verschil tussen organisch en anorganisch, d.w.z. tussen levend en niet-levend. Met deze verklaring komen wij dus geen stap verder.

Stofwisseling als zodanig heeft ook plaats zonder leven. Er bestaat in de scheikunde een hele reeks processen die bij voldoende toevoer van grondstoffen steeds weer hun eigen voorwaarden voortbrengen, en wel zo dat daarbij een bepaald lichaam de drager van het proces is. Bv. bij het vervaardigen van zwavelzuur door verbranding van zwavel. Daarbij ontstaat zwaveldioxide, SO2, en bij toevoer van waterdamp en salpeterzuur neemt het zwaveldioxide waterstof en zuurstof op en verandert in zwavelzuur, H2SO4. Het salpeterzuur geeft daarbij zuurstof af en wordt tot stikstofoxide gereduceerd. Dit stikstofoxide neemt terstond uit de lucht weer nieuwe zuurstof op en verandert in hogere oxiden van stikstof, maar slechts om deze zuurstof terstond weer aan het zwaveldioxide af te geven en opnieuw hetzelfde proces te doorlopen, zodat theoretisch een oneindig kleine hoeveelheid salpeterzuur voldoende zou moeten zijn om een onbeperkte hoeveelheid zwaveldioxide, zuurstof en water in zwavelzuur te veranderen. — Stofwisseling heeft verder plaats waar vloeistoffen door dode organische en zelfs anorganische membranen gaan, evenals bij de kunstmatige cellen van Traube.  Hier blijkt opnieuw dat de stofwisseling ons geen stap verder brengt, want die bijzondere stofwisseling waaruit het leven verklaard moet worden, dient zelf weer verklaard te worden door het leven. Wij moeten het dus op een andere wijze proberen.

Leven is de bestaanswijze van de eiwitlichamen, en deze bestaanswijze bestaat in wezen in de bestendige zelfvernieuwing van de scheikundige bestanddelen van deze lichamen.

Eiwitlichaam is hier te verstaan in de zin van de moderne scheikunde die onder deze naam alle op dezelfde wijze als het gewone eiwit samengestelde lichamen, ook wel proteïnesubstanties genoemd, samen vat. De naam is minder juist, omdat van alle hieronder samengevatte stoffen het gewone eiwit de meest levenloze, passieve rol speelt, daar het naast de eierdooier alleen als voedsel voor de zich ontwikkelende kiem dient. Zolang intussen over de scheikundige samenstelling van de eiwitlichamen nog zo weinig bekend is, is deze naam altijd nog beter, omdat hij algemener is dan alle andere.

Overal waar wij leven aantreffen, vinden wij het aan een eiwitlichaam gebonden en overal waar wij een niet in ontbinding verkerend eiwitlichaam aantreffen, daar vinden wij zonder uitzondering ook levensverschijnselen. Zonder twijfel is de aanwezigheid ook van andere scheikundige verbindingen in een levend lichaam nodig om bijzondere differentiaties van deze levensverschijnselen teweeg te brengen. Voor het naakte leven zijn zij niet noodzakelijk, behalve dan voor zover zij als voedsel opgenomen en in eiwit omgezet worden. De laagste levende wezens die wij kennen, zijn niets dan eenvoudige eiwitklompjes en zij vertonen reeds alle wezenlijke levensverschijnselen.

Maar waarin bestaan deze overal, bij alle levende wezens steeds aanwezige levensverschijnselen? Vóór alles daarin dat het eiwitlichaam uit zijn omgeving andere daartoe geschikte stollen in zich opneemt, deze assimileert, terwijl andere oudere delen van het lichaam afgebroken en afgescheiden worden. Andere niet levende lichamen veranderen, ontleden of verbinden zich eveneens in de natuurlijke loop der dingen; maar daarbij houden zij op datgene te zijn wat zij eens waren. De rots die verweert, is geen rots meer. Het metaal dat oxideert gaat in roest over. Maar wat bij dode lichamen oorzaak van ondergang is, dat is bij eiwit hoofdvoorwaarde voor het bestaan. Van het ogenblik af dat deze ononderbroken omzetting van de bestanddelen in het eiwitlichaam, deze voortdurende wisseling van voeding en afscheiding ophoudt, van dat ogenblik af houdt het eiwitlichaam zelf op te bestaan, ontbindt zich, d.w.z. sterft. Het leven, de bestaanswijze van het eiwitlichaam, bestaat dus vooral daarin dat het ieder ogenblik zichzelf en tegelijk een ander is. En dat niet als gevolg van een proces waaraan het van buiten af onderworpen is, zoals dat ook bij dode lichamen het geval kan zijn. Integendeel, het leven, de door voedselopname en afscheiding plaatsgrijpende stofwisseling is een zichzelf voltrekkend proces, dat zijn drager het eiwit, inherent, aangeboren is, waarzonder het niet bestaan kan. En daaruit volgt, dat wanneer het de scheikunde ooit gelukken zou op kunstmatige wijze eiwit te bereiden, dit eiwit levensverschijnselen, hoe zwak dan ook, zou moeten vertonen. Het mag intussen betwijfeld worden of de scheikunde tegelijk ook het juiste voedsel voor dit eiwit zou ontdekken.

Uit de door middel van voedselopname en afscheiding plaatsvindende stofwisseling als wezenlijke functie van het eiwit en uit de hem eigen plasticiteit zijn dan alle overige eenvoudigste levensfactoren af te leiden: het reageren op prikkels — wat reeds in de wisselwerking tussen het eiwit en zijn voedsel opgesloten ligt; het vermogen tot samentrekking — dat zich reeds op zeer lage trap bij de voedselopname vertoont; groeimogelijkheid — waarin op de laagste trap de voortplanting door deling begrepen is; inwendige beweging, zonder welke het niet mogelijk is het voedsel op te nemen of te verteren.

Onze definitie van het leven is natuurlijk zeer ontoereikend, in zoverre zij lang niet alle levensverschijnselen omvat en zich veeleer tot de algemeenste en eenvoudigste moet beperken. Alle definities zijn, wetenschappelijk gesproken, weinig waard. Om werkelijk volledig te weten wat het leven is zouden wij al zijn verschijningsvormen moeten nagaan, van de laagste tot de hoogste. Voor het dagelijkse gebruik echter zijn zulke definities zeer gemakkelijk en hier en daar vrijwel onontbeerlijk; ook kunnen zij niet schaden zolang men slechts hun onvermijdelijke gebreken niet vergeet.

Maar keren we terug naar de heer Dühring. Wanneer het hem op het gebied van de aardse kennis van het leven niet al te goed gaat, dan weet hij zich te troosten en vlucht hij naar zijn sterrenhemel.

‘Het is niet pas de bijzondere bouw van een gewaarwordingsorgaan, maar het is reeds de hele objectieve wereld, die op het voortbrengen van lust en smart gericht is. Op grond hiervan nemen wij aan dat de tegenstelling lust en smart en wel precies zo als de ons bekende wijze, een universele is en in de verschillende werelden van het heelal door in wezen gelijksoortige gevoelens vertegenwoordigd moet zijn... Deze overeenstemming is echter van niet geringe betekenis; want zij is de sleutel tot het heelal der gevoelens... Bijgevolg is ons de subjectieve wereld van het heelal niet veel vreemder dan de objectieve. De constitutie van beide rijken moet gedacht worden volgens een overeenkomstig type, en hiermee hebben wij de uitgangspunten voor een bewustzijnsleer die een grotere dan slechts een aardse draagwijdte heeft.’

Wat beduidt een beetje bokkenschieten in de aardse natuurwetenschap voor de man die met de sleutel van het heelal der gevoelens in zijn zak rondloopt? Allons donc!

 

 

 

 

IX. Moraal en recht. Eeuwige waarheden

 

Wij zullen ons ervan onthouden staaltjes te geven van het mengelmoes van platheden en orakelspreuken, kortom van de onnozele onzin die de heer Dühring zijn lezers volle vijftig bladzijden te genieten geeft als wortelvaste wetenschap van de elementen van het bewustzijn. Wij halen alleen dit aan:

‘Wie slechts aan de hand van de taal tot denken in staat is, heeft nog nooit ervaren wat afgezonderd en eigenlijk denken te betekenen heeft.’

Volgens deze bewering zijn de dieren de meest afgezonderde en eigenlijke denkers, omdat hun denken nooit door de opdringerige bemoeiing van de taal vertroebeld wordt. In ieder geval ziet men aan Dührings gedachten en aan de taal waarin hij ze uitdrukt, hoe weinig deze gedachten voor welke taal dan ook gemaakt zijn en hoe weinig de Duitse taal voor deze gedachten geschikt is.

Tenslotte brengt het vierde hoofdstuk ons opluchting: behalve bovengenoemde waterige woordenbrij biedt het ons althans hier en daar iets tastbaars over moraal en recht. Direct bij het begin worden wij ditmaal voor een rondreis op de andere hemellichamen uitgenodigd:

de elementen van de moraal moeten ‘bij alle buitenmenselijke wezens, in welke een werkzaam verstand zich met de bewuste ordening van instinctieve levensuitingen bezighoudt, op overeenkomstige wijze... terug te vinden zijn... Evenwel zal onze belangstelling voor zulke gevolgtrekkingen gering blijven... Bovendien echter blijft het voor onze gezichtskring steeds eenweldadig aandoende verruimende gedachte, wanneer wij ons voorstellen dat op andere hemellichamen het leven van de enkeling en dat van de gemeenschap van een schema moet uitgaan dat... niet in staat is de algemene grondgesteldheid van een met verstand handelend wezen op te heffen of te omzeilen.’

Wanneer hier bij uitzondering de geldigheid van Dührings waarheden ook voor alle andere mogelijke werelden vooraan, in plaats van aan het einde van het betreffende hoofdstuk geplaatst wordt, dan bestaat daarvoor een afdoende reden. Heeft men eerst de geldigheid van Dührings moraal- en gerechtigheidsvoorstellingen voor alle werelden vastgesteld, dan zal men hun geldigheid des te gemakkelijker tot alle tijden weldadig kunnen uitbreiden. Het gaat hier echter weer om niets minder dan om definitieve waarheid in laatste instantie.

De morele wereld heeft ‘zogoed als die van het algemene weten... haar blijvende beginselen en eenvoudige elementen’, de morele beginselen staan ‘boven de geschiedenis en ook boven de huidige verschillen in de gesteldheid der volkeren... De bijzondere waarheden waaruit zich in de loop van de ontwikkeling het volledige morele bewustzijn en om zo te zeggen het geweten vormt, kunnen, in zoverre zij tot in hun diepste grond bekend geworden zijn, op een soortgelijke geldigheid en draagwijdte aansprak maken als de begrippen en de toepassingen van de wiskunde. Echte waarheden zijn in het algemeen niet veranderlijk... zodat het dwaasheid is het voor te stellen als zou de juistheid der kennis door de tijd en door reële veranderingen aangetast kunnen worden’. Daarom veroorlooft de zekerheid van het strikte weten en de toereikendheid van de alledaagse kennis ons niet om in bezonnen toestand aan de absolute geldigheid van de beginselen van het weten te wanhopen. ‘Blijvende twijfel toch is zelf reeds een ziekelijke zwakheidtoestand en niet anders dan de uitdrukking van een hopeloze verwarring die soms in het permanente besef van haar nietigheid zich de schijn van een zekere houding tracht te geven. Waar het om dingen van zedelijke aard gaat klampt de ontkenning van algemene beginselen zich vast aan de aardrijkskundige en geschiedkundige verscheidenheid van de zeden en zedelijke grondstellingen. En geeft men toe dat het zedelijk slechte en kwade onvermijdelijk noodzakelijk is, dan gelooft zij eerst recht dat zij boven de erkenning van de waarachtige geldigheid en van de feitelijke werkzaamheid van overeenstemmende zedelijke drijfveren verheven is. Deze ondermijnende twijfelzucht die zich niet tegen enigerlei afzonderlijke verkeerde leerstellingen keert, maar tegen het menselijke vermogen tot zedelijk bewustzijn zelf, loopt tenslotte uit op een werkelijk niets, ja eigenlijk op iets dat erger is dan enkel nihilisme... In haar chaotische verwarring van over boord geworpen zedelijke voorstellingen, vleit zij zich ongemoeid te kunnen heersen en alle principeloze grillen te kunnen botvieren. Zij vergist zich echter ontzettend, want alleen al de verwijzing naar het onvermijdelijke lot van het verstand ten opzichte van dwaling en waarheid is voldoende om alleen reeds door deze enkele analogie te doen begrijpen, hoe de in de natuur wortelende feilbaarheid de vervulling van hetgeen juist is niet behoeft uit te sluiten.’

Wij hebben tot dusver al deze hoogdravende uitlatingen van de heer Dühring over definitieve waarheden in laatste instantie, over oppergezag van het denken, absolute zekerheid der kennis enz. rustig geslikt omdat de zaak zelf toch eerst op het punt te berde gebracht kon worden waar we nu zijn aangeland. Tot nu toe was het voldoende te onderzoeken in hoeverre de afzonderlijke beweringen van de ‘werkelijkheidsfilosofie’ ‘oppermachtige geldigheid’ en ‘onvoorwaardelijke aanspraak op waarheid’ hadden. Hier komen wij voor de vraag te staan óf en welke voortbrengselen van het menselijke kennen in het algemeen oppermachtige geldigheid hebben en onvoorwaardelijk aanspraak op waarheid kunnen maken. Wanneer ik zeg: van het menselijke kennen, dan is dat zeer zeker niet als belediging bedoeld tegenover de bewoners van andere hemellichamen, die ik niet de eer heb te kennen, maar slechts omdat ook de dieren kennis bezitten, hoewel geenszins oppermachtige. De hond erkent in zijn baas zijn god, waarbij die baas de grootste ploert kan zijn.

Is het menselijk denken oppermachtig? Voordat wij ja of neen antwoorden moeten wij eerst onderzoeken wat het menselijk denken is. Is het het denken van een enkele mens? Neen. Maar het bestaat slechts als het individuele denken van vele miljarden mensen in het verleden, het heden en de toekomst. Wanneer ik nu zeg dat dit in mijn voorstelling samengevatte denken van al die mensen, de toekomstige inbegrepen, oppermachtig in staat is de bestaande wereld te kennen, in zoverre de mensheid maar lang genoeg bestaat en in zoverre door de organen en de onderwerpen van de kennis aan dit kennen geen perken gesteld zijn, — dan zeg ik iets tamelijk banaal en bovendien tamelijk onvruchtbaar. Want het waardevolste resultaat daarvan zou zijn ons tegenover onze huidige kennis uiterst wantrouwig te maken, daar wij immers hoogstwaarschijnlijk zo ongeveer aan het begin van de geschiedenis der mensheid staan en de generaties die onsverbeteren zullen wel veel talrijker zullen zijn dan die wier kennis wij — vaak genoeg met niet weinig geringschatting — verbeteren kunnen.

De heer Dühring zelf verklaart het voor een noodzakelijkheid dat het bewustzijn, dus ook het denken en kennen, slechts in een reeks van individuen te voorschijn kan komen. Aan het denken van elk der enkelingen kunnen wij slechts in zoverre soevereiniteit toekennen als ons geen macht bekend is die aan iemand in gezonde en wakende toestand enige gedachte met geweld zou kunnen opdringen. Maar wat de oppermachtige geldigheid der kennis van ieder afzonderlijk individu betreft, weten wij allen dat daarvan in het geheel geen sprake kan zijn en dat op grond van alle tot dusver opgedane ervaring, die kennis zonder uitzondering steeds veel meer inhoudt wat wèl dan wat niet voor verbetering vatbaar en juist is.

Met andere woorden: de oppermacht van het denken verwerkelijkt zich in een reeks hoogst onsoeverein denkende mensen. De kennis die onvoorwaardelijk aanspraak op waarheid heeft — in een reeks betrekkelijke dwalingen; de een noch het ander kan volkomen verwerkelijkt worden, anders dan door een oneindige levensduur van de mensheid.

Hier hebben wij weer dezelfde tegenstrijdigheid als hierboven, tussen de noodzakelijk als absoluut voorgestelde aard van het menselijk denken en de werkelijkheid daarvan in louter beperkt denkende individuen, een tegenstrijdigheid die slechts in de oneindige voortgang, in de voor ons althans praktisch eindeloze opeenvolging van de mensengeslachten op te lossen is. In deze zin is het menselijk denken evenzeer oppermachtig als niet-oppermachtig en zijn bekwaamheid tot kennis evenzeer onbeperkt als beperkt. Oppermachtig en onbeperkt wat betreft aanleg, roeping, mogelijkheid en historisch einddoel; niet oppermachtig en beperkt, wat betreft afzonderlijke totstandkoming en verwerkelijking op ieder bepaald tijdstip.

Evenzo staat het met de eeuwige waarheden. Zou de mensheid ooit zover komen dat zij nog slechts werkte met eeuwige waarheden, met resultaten van het denken, die absolute geldigheid en onvoorwaardelijke aanspraak op waarheid hebben, dan zou zij op het punt aangekomen zijn waar de oneindigheid van de wereld des verstand, zowel in werkelijkheid als naar mogelijkheid zou zijn uitgeput, waarmee dan tevens het alom beroemde wonder van het afgetelde oneindige aantal verwerkelijkt zou zijn.

Niettemin zijn er toch waarheden die zo vaststaan dat iedere twijfel daaraan voor ons met waanzin schijnt gelijk te staan! Dat twee maal twee vier is, dat de drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechte hoeken, dat Parijs in Frankrijk ligt, dat een mens zonder voedsel van honger sterft enz. Zijn er dus toch eeuwige waarheden, definitieve waarheden in laatste instantie?

Zonder twijfel. Wij kunnen het hele gebied van het kennen op vanouds bekende wijze in drie grote sferen verdelen. De eerste omvat alle wetenschappen die zich met de levenloze natuur bezighouden en min of meer voor een wiskundige behandeling toegankelijk zijn: wiskunde, sterrenkunde, mechanica, natuurkunde, scheikunde. Wanneer iemand er plezier in heeft geweldige woorden voor zeer eenvoudige dingen te gebruiken, dan kan men zeggen dat bepaalde resultaten van deze wetenschappen eeuwige waarheden, definitieve waarheden in laatste instantie zijn. Daarom heeft men deze wetenschappen dan ook de exacte genoemd. Maar nog lang niet alle resultaten. Met de invoering van de veranderlijke grootheden en de uitbreiding van hun veranderlijkheid tot in het oneindig kleine en het oneindige grote heeft de wiskunde, anders zo streng van zeden, de zondeval begaan. Zij heeft de appel der kennis gegeten die haar de loopbaan van reusachtige successen opende, maar ook die van de dwalingen. De maagdelijke staat van de absolute geldigheid, van het onomstotelijk bewezene van al het wiskundige, ging voor eeuwig teloor. Het rijk van de twistvragen brak aan en wij zijn zover gekomen dat de meeste mensen differentiëren en integreren, niet omdat zij begrijpen wat ze doen, maar uit zuiver geloof, omdat het tot nu toe steeds goed uitgekomen is. Met de sterrenkunde en mechanica ziet het er nog erger uit en in de natuurkunde en scheikunde bevindt men zich midden in de hypothesen als midden in een bijenzwerm. En dit is ook helemaal niet anders mogelijk. In de natuurkunde hebben wij met de beweging van moleculen, in de scheikunde met de vorming van moleculen uit atomen te doen, en wanneer de interferentie van lichtgolven geen fabel is, dan hebben wij in het geheel geen vooruitzicht die interessante dingen ooit met onze ogen te zien. De definitieve waarheden in laatste instantie worden zo allengs merkwaardig zeldzaam.

Nog slechter zijn wij er aan toe in de geologie die zich naar haar aard voornamelijk bezighoudt met gebeurtenissen waarbij niet alleen wij, maar in het algemeen geen mens ooit tegenwoordig is geweest. De oogst aan definitieve waarheden in laatste instantie is dan ook hier met zeer veel moeilijkheden verbonden en uiterst mager bovendien.

De tweede groep van wetenschappen is die welke het onderzoek van de levende organismen omvat. Op dit gebied ontwikkelt zich zulk een veelheid van wisselwerkingen en causale verbanden, dat niet alleen ieder opgelost vraagstuk een ontelbaar aantal nieuwe vraagstukken opwerpt, maar dat ook ieder afzonderlijk vraagstuk meestal slechts opgelost kan worden in gedeelten, en wel door een reeks van onderzoekingen, waarmee vaak eeuwen gemoeid zijn; waarbij dan de behoefte naar een systematische samenvatting van het verband der dingen er telkens opnieuw toe dwingt, de definitieve waarheden in laatste instantie met een haag van alles overwoekerende hypothesen te omgeven. Welk een lange reeks van tussenschakels van Galenus tot Malpighi is er niet nodig geweest om iets zo eenvoudigs als de bloedsomloop bij zoogdieren nauwkeurig vast te stellen, hoe weinig weten wij van het ontstaan van de bloedlichaampjes en hoeveel tussenschakels ontbreken ons ook heden nog om bijvoorbeeld de verschijnselen van een ziekte met haar oorzaken in rationeel verband te brengen! Daarbij treden vaak genoeg ontdekkingen op zoals die van de cellen, die ons dwingen alle tot dusver vastgestelde definitieve waarheden in laatste instantie op het gebied van de biologie aan een algehele herziening te onderwerpen en een hele menigte daarvan eens en voor altijd uit de weg te ruimen. Wie hier dus werkelijk echte onveranderlijke waarheden wil opstellen zal zich met alledaagsheden tevreden moeten stellen. Zoals: alle mensen moeten sterven, alle vrouwelijke zoogdieren hebben melkklieren enz. Hij zal niet eens kunnen zeggen dat de hogere dieren met maag en darmkanaal hun voedsel verteren en niet met de kop, want voor de spijsvertering is de in de kop gecentraliseerde zenuwwerkzaamheid onmisbaar.

Maar nog erger ziet het er met de eeuwige waarheden uit in de derde groep van wetenschappen, de geschiedkundige die de levensvoorwaarden der mensen, de maatschappelijke verhoudingen, de rechts- en staatsvormen met hun ideologische bovenbouw van wijsbegeerte, godsdienst, kunst enz. in hun historische opeenvolging en in hun huidige gesteldheid onderzoekt. In de organische natuur hebben wij tenminste nog met een reeks gebeurtenissen te doen die zich, zover het onze onmiddellijke waarneming betreft, binnen zeer ruime grenzen tamelijk regelmatig herhalen. De soorten van organismen zijn sinds Aristoteles over het geheel genomen dezelfde gebleven. In de geschiedenis van de samenleving daarentegen is de herhaling van toestanden uitzondering, geen regel. Zodra wij verder gaan dan de oertoestand van de mensen, het zogenaamde stenen tijdperk, en waar zulke herhalingen voorkomen, daar treden zij nooit precies onder gelijke omstandigheden op. Zo bijvoorbeeld het optreden van het oorspronkelijke gemeenschapsbezit aan grond bij alle cultuurvolken en de vorm waarin het wordt opgeheven. Wij zijn daardoor op het gebied van de geschiedenis van de mens met onze wetenschap nog veel meer ten achter dan op dat van de biologie. Meer dan dat: wanneer bij uitzondering eens inzicht verkregen wordt in het innerlijke verband van maatschappelijke en politieke bestaansvormen van een tijdperk, dan geschiedt dat regelmatig op een tijd waarin die vormen zichzelf reeds half overleefd hebben en hun verval tegemoet gaan. De kennis is hier dus in wezen relatief waar zij zich moet bepalen tot het inzicht in het verband en tot de gevolgen van bepaalde, slechts voor een gegeven tijd en gegeven volken bestaande en naar hun aard vergankelijke maatschappij- en staatsvormen. Wie hier dus op definitieve waarheden in laatste instantie jacht maakt, op echte, niet aan verandering onderhevige waarheden, die zal niet veel naar huis brengen, — of het moesten dan alledaagsheden en gemeenplaatsen van de ergste soort zijn. Zoals: dat de mensen in het algemeen zonder arbeid niet kunnen leven, dat zij tot dusver meestal ingedeeld waren in heersenden en overheersten, dat Napoleon op 5 mei 1821 gestorven is, enz.

Nu is het echter merkwaardig dat wij juist op dat gebied de zogenaamde eeuwige waarheden, de definitieve waarheden in laatste instantie enz. het vaakst aantreffen. Dat tweemaal twee vier is, dat vogels snavels hebben en wat dies meer zij, zal slechts hij tot eeuwige waarheden verklaren die met het plan rondloopt om uit het feit van het bestaan van eeuwige waarheden de conclusie te trekken dat er ook op het gebied van de geschiedenis der mensen eeuwige waarheden bestaan, een eeuwige moraal, een eeuwige gerechtigheid enz., die aanspraak maken op een soortgelijke geldigheid en draagwijdte als de inzichten en toepassingen van de wiskunde. En dan kunnen wij er stellig op rekenen, dat diezelfde mensenvriend ons bij de eerste de beste gelegenheid zal verklaren, dat alle vroegere fabrikanten van eeuwige waarheden min of meer ezels en bedriegers geweest zijn, dat zij allen op dwaalwegen geraakt zijn en gefaald hebben. Het bestaan van hun dwaling en hun feilbaarheid echter zou op natuurwetten berusten en daarmee zou juist bewezen zijn, dat bij hem het bestaan van het ware en het juiste te vinden is, en dat hij, de nu opgestane profeet, de definitieve waarheid in laatste instantie, de eeuwige moraal, de eeuwige gerechtigheid kant-en-klaar in zijn zak heeft. Dat alles is reeds zo honderd en duizend maal vertoond dat men er zich slechts over verbazen kan dat er nog mensen bestaan die lichtgelovig genoeg zijn om dit niet van anderen, neen, van zichzelf te geloven. Niettemin beleven wij hier toch nogmaals zo een profeet die dan ook geheel en al op de gebruikelijke wijze in hoogzedelijke verontwaardiging geraakt wanneer andere mensen ontkennen, dat een enkeling, wie dan ook, in staat zou zijn de definitieve waarheid in laatste instantie te leveren. Zulk een ontkennen, ja zelfs de twijfel alléén, is een toestand van zwakte, hopeloze verwardheid, nietigheid, ondermijnende twijfelzucht, erger dan naakt nihilisme, chaotische verwarring en meer van dergelijke minzaamheden. Zoals bij alle profeten wordt niet kritisch-wetenschappelijk onderzocht en beoordeeld, maar zonder omwegen moreel verpletterd.

Wij hadden hierboven nog die wetenschappen kunnen noemen die de wetten van het menselijk denken onderzoeken, dus logica en dialectiek. Maar hier ziet het er met de eeuwige waarheden niet beter uit. De eigenlijke dialectiek verklaart de heer Dühring voor klinkklare onzin, en de vele boeken die over logica geschreven zijn en nog geschreven worden, bewijzen voldoende dat ook daar de definitieve waarheden in laatste instantie veel dunner gezaaid zijn dan menigeen gelooft.

Overigens hoeven wij er volstrekt niet van te schrikken, dat de trap der kennis waarop wij vandaag staan, evenmin een eindpunt is als alle vroegere. Zij omvat reeds een ontzaglijk kennismateriaal en verlangt van ieder die in een of ander vak thuis wil geraken een zeer grote specialisering in de onderwerpen van zijn studie. Wie echter de kennis meet met de maatstaf van echte, onveranderlijke, definitieve waarheid in laatste instantie; kennis die uiteraard, ofwel voor lange reeksen van geslachten betrekkelijk moet blijven en stuk voor stuk aangevuld moet worden, of zelfs kennis die zoals in de kosmogonie, geologie, geschiedenis der mensheid, reeds wegens de gebrekkigheid van het geschiedkundige materiaal vol leemten en onvolledigheden zal blijven — die bewijst daarmee slechts zijn eigen onwetendheid en verkeerd inzicht zelfs dan wanneer niet — zoals hier het geval is — aanspraak op persoonlijke onfeilbaarheid de eigenlijke achtergrond vormt. Waarheid en dwaling, zoals alle in polaire tegenstellingen zich bewegende denkvormen, gelden in absolute zin alleen maar voor een zeer beperkt gebied — zoals wij dit zo-even gezien hebben en zoals ook de heer Dühring zou weten indien hij enigszins bekend was met het ABC der dialectiek, dat juist de ontoereikendheid van alle polaire tegenstellingen behandelt. Zodra wij de tegenstelling van waarheid en dwaling buiten dit hierboven aangeduide, begrensde gebied toe passen, wordt zij betrekkelijk en daarmee voor een nauwkeurige wetenschappelijke wijze van uitdrukken onbruikbaar. Pogen wij echter haar buiten dat gebied als absoluut geldend toe te passen, dan lopen wij eerst recht vast. De beide polen van de tegenstelling slaan in hun tegendeel om, waarheid wordt dwaling, dwaling waarheid. Nemen wij als voorbeeld de bekende wet van Boyle, volgens welke bij gelijkblijvende temperatuur het volume der gassen omgekeerd evenredig is aan de druk waaraan zij blootgesteld zijn. Regnault vond dat die wet in bepaalde gevallen niet opging. Indien hij een ‘werkelijkheidsfilosoof’ was geweest had hij moeten zeggen: de wet van Boyle is veranderlijk, dus geen echte waarheid, dus helemaal geen waarheid, dus dwaling. Daarmee zou hij echter een veel grotere dwaling begaan hebben dan die welke de wet van Boyle bevat. In een zandhoop van dwalingen zou zijn korreltje waarheid teloor gegaan zijn. Hij zou van zijn oorspronkelijk juist resultaat een dwaling gemaakt hebben ten opzichte waarvan de wet van Boyle, samen met het beetje dwaling dat haar aankleefde, als waarheid zou verschijnen. Regnault gaf zich echter als wetenschappelijk man met dergelijke kinderachtigheden niet af, maar onderzocht verder en vond dat de wet van Boyle in het algemeen slechts bij benadering juist is en in het bijzonder zijn geldigheid verliest bij gassen die door druk druppelvormig-vloeibaar gemaakt kunnen worden en wel zodra de druk het punt nadert waar de druppelvorming begint. De wet van Boyle bleek dus slechts binnen bepaalde grenzen juist te zijn. Is zij echter absoluut, volstrekt waar binnen deze grenzen? Geen natuurkundige die dat beweren zal. Hij zal zeggen dat zij geldig is binnen bepaalde druk- en temperatuurgrenzen en voor bepaalde gassen. Ook zal hij binnen deze nog nauwer getrokken grenzen de mogelijkheid van een nog nauwere begrenzing of van een gewijzigde formulering door toekomstige onderzoekingen niet uitsluiten. 

Zo staat het dus met de definitieve waarheden in laatste instantie, bv. in de natuurkunde. Echt wetenschappelijke werken vermijden derhalve stelselmatig zulke dogmatisch-moraliserende uitdrukkingen als dwaling en waarheid, terwijl wij die om de haverklap aantreffen in geschriften als de ‘werkelijkheidsfilosofie’, waar het hol heen- en- weergepraat zich als het soevereine resultaat van het soevereine denken aan ons wil opdringen.

Maar, kan een naïeve lezer vragen, waar heeft de heer Dühring dan uitdrukkelijk gezegd dat de inhoud van zijn ‘werkelijkheidsfilosofie’ definitieve waarheid en nog wel in laatste instantie is? Waar? Nu, bv. in de lofzang op zijn systeem (blz. 13), waarvan wij in het IIe hoofdstuk een gedeelte in uittreksel gaven. Of wanneer hij in de boven aangehaalde zin zegt: ‘De morele waarheden kunnen, in zoverre zij tot in hun diepste grond bekend geworden zijn, op een soortgelijke geldigheid aanspraak maken als de begrippen in de wiskunde.’ En beweert meneer Dühring niet, van zijn werkelijk kritisch standpunt uit en door middel van zijn tot aan de wortels rakend onderzoek tot deze diepste gronden, tot de grondschemata te zijn doorgedrongen en dus aan zijn morele waarheden definitieve geldigheid in laatste instantie te hebben verleend? Of wel, wanneer de heer Dühring daarop noch voor zichzelf, noch voor zijn tijd aanspraak maakt — indien hij alleen maar wil zeggen dat te eniger tijd in een nevelachtige toekomst definitieve waarheden in laatste instantie kunnen worden vastgesteld, wanneer hij dus zo ongeveer, slechts wat verwarder hetzelfde wil zeggen als de ‘ondermijnende twijfelzucht’ en de ‘hopeloze verwarring’, ja, waartoe dan al dit lawaai en wat wil deze heer? 

Kwamen wij met waarheid en dwaling al niet veel verder, met goed en kwaad schieten wij nog veel minder op. Deze tegenstelling ligt uitsluitend op het gebied van de moraal, op een gebied dus dat tot de geschiedenis der mensen behoort, en hier zijn de definitieve waarheden in laatste instantie juist het dunst gezaaid. Van volk tot volk, van tijdperk tot tijdperk, zijn de voorstellingen van goed en kwaad zo verschillend geweest dat zij vaak direct met elkaar in tegenspraak waren. Maar, kan iemand aanvoeren, — goed is toch niet kwaad en kwaad niet goed. Werpt men goed en kwaad door elkaar, dan is het uit met alle moraal, dan kan ieder doen en laten wat hij wil. — Dit is ook, ontdaan van alle orakeltaal, de mening van de heer Dühring. Maar zo eenvoudig laat de zaak zich toch niet afdoen. Indien dat zo eenvoudig ging zou er immers over goed en kwaad in het geheel geen strijd zijn en zou ieder weten wat goed en wat kwaad is. Hoe staat het daarmee vandaag echter? Welke moraal wordt ons tegenwoordig gepredikt? Daar hebben we ten eerste de christelijk-feodale, uit vroegere gelovige tijden overgeleverde moraal die zich feitelijk weer in een katholieke en een protestantse splitst, waarbij dan weer onderafdelingen van de jezuïetisch-katholieke en orthodox-protestantse tot en met de slap verlichte moraal niet ontbreken. Daarnaast figureert de modern-burgerlijke en daarnaast weer de proletarische toekomstmoraal, zodat verleden, heden en toekomst alleen reeds in de meest ontwikkelde landen van Europa drie grote groepen tegelijk en naast elkaar geldende moraaltheorieën opleveren. Welke is nu de ware? Geen enkele in de zin van definitieve geldigheid. Maar zeker houdt die moraal de grootste belofte van duurzame elementen in zich, die in het heden de toekomst vertegenwoordigt — dus de proletarische.

Zien wij nu echter, dat de drie klassen van de moderne maatschappij, de feodale aristocratie, de bourgeoisie en het proletariaat elk hun speciale moraal hebben, dan kunnen wij daaruit slechts de gevolgtrekking maken dat de mensen, bewust of onbewust, hun morele opvattingen in laatste instantie uit de praktische omstandigheden putten waarin hun klassenpositie wortelt — uit de economische verhoudingen waarin zij produceren en ruilen.

Niettemin is er in bovengenoemde drie moraaltheorieën veel dat alle drie gemeen hebben — zou dat dan tenminste niet een stuk van de eens voor al vaststaande moraal zijn? — Die moraaltheorieën vertegenwoordigen drie verschillende trappen van dezelfde historische ontwikkeling, hebben dus een gemeenschappelijke historische achtergrond en moeten reeds daarom veel gemeen hebben. Meer dan dat. Op gelijke of ongelijke economische trappen van ontwikkeling moeten de moraaltheorieën noodzakelijkerwijs min of meer overeenstemmen. Van het ogenblik af waarop de particuliere eigendom van roerende goederen zich ontwikkeld had, moest voor alle samenlevingen waarin die eigendom erkend werd, hetzelfde moraalgebod gelden: Gij zult niet stelen. Wordt dit gebod daardoor tot een eeuwig gebod van de moraal? Volstrekt niet. In een maatschappij waar de beweegredenen tot stelen opgeheven zijn, waar op den duur dus hoogstens nog door krankzinnigen gestolen kan worden, — wat zou daar de moraalprediker uitgelachen worden die plechtig de eeuwige waarheid zou willen uitroepen: Gij zult niet stelen!

Wij wijzen derhalve iedere aanspraak van de hand om ons welke moraalleer dan ook als eeuwige, definitieve, verder onveranderlijke zedenwet op te dringen onder het voorwendsel dat ook de morele wereld haar blijvende beginselen boven geschiedenis en volksverschillen uit zou hebben. Wij houden daarentegen vol dat iedere tot dusver bestaande moraaltheorie in laatste instantie het product is van de desbetreffende economische maatschappelijke toestanden. En zoals de maatschappij zich tot nog toe in klassentegenstellingen bewogen heeft, zo was ook de moraal steeds een klassenmoraal; òf zij rechtvaardigde de heerschappij en de belangen van de heersende klasse, òf zij vertegenwoordigde, zodra de onderdrukte klasse machtig genoeg werd, het verzet tegen die heerschappij en de toekomstbelangen van de onderdrukten. Dat daarmee over het geheel genomen zowel voor de moraal als voor alle andere takken van menselijke kennis een zekere vooruitgang tot stand is gekomen, daaraan bestaat geen twijfel. Maar boven de klassenmoraal zijn wij nog niet uit. Een boven de klassentegenstellingen en boven de herinnering daaraan staande, waarlijk menselijke moraal wordt eerst mogelijk op een ontwikkelingstrap der maatschappij, waarop men de klassentegenstelling niet slechts overwonnen, maar ook in de praktijk van het leven vergeten heeft. Daaraan meten men nu de zelfoverschatting van de heer Dühring die zich aanmatigt midden in de oude klassenmaatschappij, aan de vooravond van een sociale revolutie, aan de toekomstige klassenloze maatschappij een eeuwige, van de tijd en van de feitelijke veranderingen onafhankelijke moraal op te dringen! Aangenomen zelfs — wat ons tot nu toe nog niet bekend is — dat hij de bouw van deze toekomstige maatschappij, althans in haar grondtrekken, begrijpt.

Tenslotte nog een ‘fundamenteel bijzondere’, maar daarom niet minder ‘tot aan de wortels reikende’ onthulling: Met betrekking tot de oorsprong van het kwaad

‘staat voor ons het feit, dat het type van de kat met de daarbij behorende valsheid in een diersoort aanwezig is, op gelijke trap met de omstandigheid, dat een soortgelijke karaktergesteldheid ook bij de mens voorkomt... Het kwade is dus niets geheimzinnigs, tenzij men er lust in zou hebben ook in het bestaan van de kat of in het algemeen van het roofdier iets geheimzinnigs te bespeuren’.

Het kwaad is — de kat. De duivel heeft dus geen horens en bokkenpoten, maar klauwen en groene ogen. En Goethe begaat een onvergeeflijke fout wanneer hij Mefistofeles als zwarte hond in plaats van als dito kater laat optreden. Het kwaad is de kat! Dat is moraal, niet enkel voor alle werelden, maar ook — voor de poes!

 

 

 

 

X. Moraal en recht. Gelijkheid

 

Wij hebben reeds meermalen met de methode van de heer Dühring kennis gemaakt. Zij bestaat hierin iedere groep onderwerpen van het onderzoek in haar zogenaamde eenvoudigste elementen te ontleden, op die elementen even eenvoudige zogenaamde vanzelfsprekende axioma’s toe te passen en met de aldus verkregen resultaten verder te opereren. Ook over een vraagstuk op het gebied van het maatschappelijke leven

‘moet men aan de hand van enkele eenvoudige grondvormen axiomatisch beslissen, alsof het een eenvoudige... grondvorm van de wiskunde betrof.’

En zo moet de toepassing van de wiskundige methode op geschiedenis, moraal en recht ons ook hier wiskundige zekerheid verschaffen omtrent de waarheid van de verkregen resultaten en deze kenmerken als echte, onveranderlijke waarheden.

Dit is intussen slechts een andere draai van de oude geliefde ideologische, ook wel a-prioristisch genoemde methode om de eigenschappen van een voorwerp niet uit het voorwerp zelf te leren kennen, maar ze uit het begrip van het voorwerp door bewijzen af te leiden. Eerst vormt men zich uit het voorwerp het begrip daarvan, dan draait men de spits om en meet het voorwerp aan zijn afbeelding, aan het begrip ervan. Niet het begrip moet zich nu naar het voorwerp, het voorwerp moet zich naar het begrip richten. Bij de heer Dühring doen de eenvoudigste elementen, de laatste abstracties waartoe hij geraken kan, dienst als het begrip. Waardoor aan de zaak niets wordt veranderd. Deze eenvoudigste elementen zijn op zijn best van zuiver begripsmatige aard. De ‘werkelijkheidsfilosofie’ doet zich dus ook hier als pure ideologie kennen, als afleiding van de werkelijkheid niet uit zichzelf, maar uit de voorstelling.

Wanneer nu zulk een ideoloog de moraal en het recht in plaats vanuit de werkelijke maatschappelijke verhoudingen van de mensen rondom hem, uit het begrip of uit de zogenaamde eenvoudigste elementen ‘der samenleving’ gaat opbouwen, welk materiaal staat dan voor dat bouwwerk ter beschikking? Klaarblijkelijk tweeërlei: ten eerste de armzalige rest van de werkelijke inhoud die misschien nog in die als grondslag gebruikte abstracties aanwezig is, en ten tweede de inhoud die onze ideoloog uit zijn eigen bewustzijn er weer inlegt. En wat vindt hij daar in zijn bewustzijn? Voornamelijk opvattingen over moraal en recht, die een min of meer adequate uitdrukking zijn — positief of negatief, bevestigend of bestrijdend — van de maatschappelijke en politieke verhoudingen, waaronder hij leeft. Verder misschien voorstellingen die aan de literatuur op dit gebied ontleend zijn, en eindelijk misschien nog een paar persoonlijke grillen. Onze ideoloog mag zich draaien en keren zoals hij wil, de historische werkelijkheid die hij de deur uitgeworpen heeft komt door het venster weer binnen, en terwijl hij meent een zede- en rechtsleer voor alle werelden en tijden te ontwerpen vervaardigt hij in werkelijkheid een verwrongen, immers van zijn reële bodem losgerukt, als in een gebogen spiegel onderste boven gesteld konterfeitsel van de conservatieve of revolutionaire stromingen van zijn tijd.

De heer Dühring ontleedt dus de samenleving in haar eenvoudigste elementen en vindt dan dat de eenvoudigste maatschappij uit tenminste twee mensen bestaat. Met die twee mensen wordt dan door middel van axioma’s geopereerd. En dan presenteert zich ongedwongen dit grondaxioma van de moraal:

‘Bij twee menselijke wezens is de wil van het ene aan die van het andere als zodanig volkomen gelijk en in eerste instantie kan de ene van de andere in het geheel niets positiefs eisen’. Hiermee is ‘de grondvorm van de morele gerechtigheid gekenschetst. En eveneens die van het juridische, want ‘voor het ontwikkelen van de principiële rechtsbegrippen hebben wij slechts de volkomen eenvoudige en elementaire verhouding tussen twee mensen nodig’.

Dat twee mensen of tweeërlei menselijke wil als zodanig volkomen aan elkaar gelijk zijn, is niet alleen geen axioma, maar zelfs een sterke overdrijving. Twee mensen kunnen in de eerste plaats, zelfs als zodanig, naar geslacht ongelijk zijn en dit eenvoudige feit leidt ons terstond daarheen, dat de eenvoudigste elementen van de samenleving — wanneer wij een ogenblik op die kinderpraat ingaan — niet twee mannen zijn, maar een mannetje en een vrouwtje die een gezin stichten, de eenvoudigste en eerste vorm van een maatschappelijke band ten dienste van de voortbrenging. Maar zoiets schikt de heer Dühring in het geheel niet. Want enerzijds moeten die twee gemeenschapsstichters zoveel mogelijk gelijk gemaakt worden en ten tweede zou zelfs de heer Dühring het niet klaarspelen om uit het oergezin de morele en wettige gelijkstelling van man en vrouw te construeren. één van beide dus. Of de maatschappelijke molecuul van de heer Dühring, waaruit door vermenigvuldiging de hele maatschappij moet worden opgebouwd, is bij voorbaat tot ondergang gedoemd, daar de twee mannen het samen nooit klaarspelen een kind voort te brengen, of wij moeten ze ons als twee gezinshoofden voorstellen. én in dat geval is heel het eenvoudige grondschema in zijn tegendeel verkeerd. In plaats van de gelijkheid der mensen bewijst het hoogstens de gelijkheid der gezinshoofden en aangezien de vrouwen niet gevraagd worden, bovendien nog de ondergeschiktheid der vrouwen.

Wij moeten hier de lezer de onaangename mededeling doen, dat hij thans gedurende lange tijd die beide fameuze mannen niet meer kwijt zal raken. Zij spelen op het gebied van de maatschappelijke verhoudingen een ongeveer gelijke rol als tot dusver de bewoners van andere hemellichamen, met wie wij nu hopelijk hebben afgedaan. Valt er een vraagstuk over economie, politiek enz. op te lossen dan komen fluks de beide mannen aanzetten en doen het geval in een wip ‘axiomatisch’ af. Uitnemende, scheppende, systeembarende ontdekking van onze ‘werkelijkheidsfilosoof’! Maar helaas, wanneer wij de waarheid de haar toekomende eer willen geven, dan heeft hij die beide mannen niet ontdekt. Zij zijn gemeengoed van de hele 18e eeuw. Zij komen reeds voor in Rousseau’s ‘Verhandeling over de ongelijkheid’, 1754  waar zij tussen haakjes het tegenovergestelde van Dührings beweringen axiomatisch bewijzen. Zij spelen een hoofdrol bij de politieke economen van Adam Smith tot Ricardo. Maar daar zijn zij tenminste in zoverre ongelijk dat zij elk een verschillend bedrijf uitoefenen — meestal de jager en de visser — en hun producten onder elkaar ruilen. Ook dienen zij heel de 18e eeuw hoofdzakelijk slechts als verklarend voorbeeld, en de oorspronkelijkheid van de heer Dühring bestaat slechts daarin dat hij deze methode van voorbeelden tot grondmethode van alle maatschappijwetenschap en tot maatstaf van alle historische formaties verheft. Gemakkelijker kan men het zich met de ‘strengwetenschappelijke opvatting van dingen en mensen’ zeker niet maken.

Voor het opstellen van het grondaxioma, dat twee mensen en hun beider wil volkomen aan elkaar gelijk zijn en de een de ander niets te bevelen heeft, kan men nog lang geen willekeurig paar mannen gebruiken. Het moeten twee mensen zijn die zozeer los staan van alle werkelijkheid, van alle op aarde voorkomende nationale, economische, politieke, religieuze verhoudingen, van alle geslachtelijke en persoonlijke eigenaardigheden, dat zowel van de een als van de ander niets anders overblijft dan het enkele begrip: mens. En ja, dan zijn zij inderdaad ‘volkomen gelijk’. Het zijn dus twee volslagen spookgestalten, opgeroepen door dezelfde heer Dühring die overal ‘spiritistische’ roerselen bespeurt en aan de kaak stelt. Deze beide spookgestalten moeten natuurlijk alles doen wat hun bezweerder van hen verlangt en juist daarom zijn al hun kunsttoeren hoogst oninteressant voor de rest van de wereld.

Maar volgen wij de heer Dühring iets verder in zijn axiomatiek. Die twee mensen kunnen elkaar in het geheel geen positieve eisen stellen. Doet de een dit toch en zet hij zijn eis met geweld door, dan ontstaat een onrechtvaardige toestand en uit dit grondschema verklaart de heer Dühring het onrecht, de overweldiging, de knechtschap, kortom heel de tot dusver bestaande verwerpelijke geschiedenis. Nu heeft Rousseau reeds in bovengenoemd geschrift, juist aan de hand van de beide mannen, het tegendeel evenzo axiomatisch aangetoond, nl. dat van die twee A niet in staat is B door geweld te knechten, maar slechts daardoor dat hij B in een toestand brengt waarin hij het zonder A niet stellen kan. Wat voor de heer Dühring trouwens al een veel te materialistische opvatting is. Laten wij dus dezelfde zaak eens iets anders aanpakken. Twee schipbreukelingen zijn alleen op een eiland en vormen daar een samenleving. De wil van de een is formeel volkomen gelijk aan die van de ander en dit wordt door beiden erkend. Maar materieel bestaat er een grote ongelijkheid. A is vastberaden en energiek, B besluiteloos, traag en slap. A is schrander, B is dom. Hoe lang zal het duren eer A zijn wil aan B, eerst door overreding, later uit gewoonte, maar altijd in de vorm van vrijwilligheid, regelmatig zal opleggen? Of de vorm van vrijwilligheid in acht genomen of met voeten getreden wordt, dienstbaarheid blijft dienstbaarheid. Vrijwillige toetreding tot de dienstbaarheid loopt door heel de Middeleeuwen, in Duitsland tot na de dertigjarige oorlog . Toen in Pruisen na de nederlagen van 1806 en 1807 de horigheid afgeschaft werd en daarmee de verplichting voor de genadige heren om voor hun onderdanen in nood, ziekte en ouderdom te zorgen, zonden de boeren smeekschriften aan de koning, opdat men hen toch in de dienstbaarheid zou laten — want wie moest anders in de nood voor hen zorgen? Dus is het schema van de twee mannen precies zo op ongelijkheid en dienstbaarheid ‘ingesteld’ als op gelijkheid en wederzijdse bijstand. En daar wij hen op straffe van uitsterven als gezinshoofden moeten opvatten, is ook reeds de erfelijke dienstbaarheid daarin opgesloten.

Laten wij dat alles voor het ogenblik intussen voor wat het is. Nemen wij aan, dat de axiomatiek van de heer Dühring ons overtuigd heeft en dat wij dwepen met de volledige rechtsgelijkheid van de wil der beide mensen en met de ‘algemeen menselijke soevereiniteit’, met de ‘soevereiniteit van het individu’ — ware prachtstukken van woorden, waartegenover Stirners ‘De enige en zijn eigendom’  een stumper blijft, hoewel ook hij op zijn bescheiden aandeel daarin aanspraak zou kunnen maken. Wij zijn dus nu allen volkomen gelijk en onafhankelijk. Allen? Neen, toch niet allen.

Er zijn ook ‘toelaatbare afhankelijkheden’ en deze zijn te verklaren ‘uit oorzaken die niet te zoeken zijn in de werkzaamheid van de wil der beide mensen als zodanig, maar op een derde gebied, zoals bv. tegenover kinderen, in het ontoereikende van hun zelfbepaling’.

Inderdaad! De oorzaken der afhankelijkheid zijn niet in de werkzaamheid van de wil der beide mensen als zodanig te zoeken! Natuurlijk niet, want de werkzaamheid van de ene wil wordt immers juist verhinderd! Maar op een derde gebied! én wat is dit derde gebied? De concrete bepaaldheid van de ene onderdrukte wil als ontoereikend! Zo ver is onze ‘werkelijkheidsfilosoof van de werkelijkheid afgeraakt dat voor hem, tegenover het abstracte en inhoudsloze gezegde — ‘wil’ — de werkelijke inhoud, de karakteristieke bepaaldheid van die wil reeds als ‘een derde gebied’ geldt. Maar hoe dat ook zij, wij moeten constateren dat de rechtsgelijkheid niet zonder uitzondering is. Zij geldt niet voor een wil die aan ontoereikende zelfbepaling lijdt. Terugtocht nr. 1.

Verder.

‘Waar zich in één persoon het beestachtige en het menselijke verenigen, daar kan men uit naam van een tweede, volledig menselijke persoon de vraag stellen, of hij op gelijke wijze zou mogen handelen als in het geval wanneer, om het zo te zeggen, slechts menselijke personen tegenover elkaar staan... daarom is onze vooronderstelling van twee moreel ongelijke personen, van wie de een in zekere mate deel heeft aan de specifieke aard van het beest, de typische grondvorm voor alle betrekkingen die op grond van dit verschil in en tussen groepen van mensen... kunnen voorkomen.’

En nu moge de lezer zelf de aan deze verlegenheids uitvluchten aansluitende jammertirade van de heer Dühring naslaan, die zich kronkelt en draait als een jezuïetenpater, om casuïstisch vast te stellen in hoeverre de menselijke mens tegen de beest-mens mag ingrijpen, in hoeverre hij wantrouwen, krijgslist, scherpe, ja zelfs terroristische alsook bedrogmiddelen op hem zou mogen toepassen, zonder zelf aan de onveranderlijke moraal iets te kort te doen.

Dus ook wanneer twee personen ‘moreel ongelijk’ zijn houdt de gelijkheid op. Maar dan was het helemaal niet de moeite waard die beide volkomen aan elkaar gelijke mannen te voorschijn te roepen, want twee personen, die moreel volkomen gelijk zijn bestaan in het geheel niet — de ongelijkheid zou echter daarin bestaan dat de één een menselijke persoon is en de ander een stuk beest in zich heeft. De afstamming van de mens uit het dierenrijk houdt nu echter reeds in dat de mens nooit volkomen van het beest vrij komt, zodat er dus altijd slechts van een meer of minder, van een gradueel verschil in beestachtigheid resp. menselijkheid sprake kan zijn. Een indeling van de mensen in twee scherp gescheiden groepen, in menselijke en beestachtige mensen, in goeden en bozen, schapen en bokken kent, behalve de ‘werkelijkheidsfilosofie’ alleen nog het christendom, dat volkomen consequent dan ook zijn wereldrechter heeft die de scheiding voltrekt. Maar wie zou in de ‘werkelijkheidsfilosofie’ de wereldrechter moeten zijn? Het zal wel net zo moeten toegaan als in de christelijke praktijk, waar de vrome schaapjes zelf en met het bekende succes, het ambt van wereldrechter over hun wereldse bokkige medemensen op zich nemen. De sekte der werkelijkheidsfilosofen, wanneer die ooit tot stand komt, zal in dit opzicht voor de stillen-in-den-lande stellig niet onderdoen. Ons kan dit intussen onverschillig zijn. Wat ons interesseert is de bekentenis dat, dankzij de morele ongelijkheid tussen de mensen, van de gelijkheid weer eens niemendal terecht komt. Dat is: Terugtocht nr. 2.

Weer verder:

‘Handelt de een naar waarheid en wetenschap, maar de ander naar een of ander bijgeloof of vooroordeel, dan... moeten in de regel wederzijds storingen optreden... Bij een bepaalde graad van onbekwaamheid, ruwheid of boosaardige karakterneiging zal in ieder geval een botsing moeten ontstaan... Het zijn niet alleen kinderen en krankzinnigen tegenover wie het geweld het laatste middel is. De geaardheid van hele natuurgroepen en cultuurklassen van mensen kan het tot een onvermijdelijke noodzakelijkheid maken, dat hun door verkeerdheid vijandige wilonderworpen wordt, in dien zin, dat hun wil tot de gemeenschapsbanden met de samenleving teruggeleid wordt. Ook hier wordt aan de vreemde wil nog gelijk recht toegekend. Maar door de verkeerdheid van zijn kwetsende en vijandige werking heeft hij tot een vereffening uitgedaagd en geschiedt hem geweld, dan oogst hij slechts de terugwerking van zijn eigen ongerechtigheid.’

Dus niet alleen morele, ook geestelijke ongelijkheid is genoeg om de ‘volledige gelijkheid’ van beiderlei wil te niet te doen en een moraal tot stand te brengen, waarmee alle schanddaden van geciviliseerde roofstaten tegenover achterlijke volken tot en met de gruwelen van de Russen in Toerkestan,  te rechtvaardigen zouden zijn. Toen generaal Kaufmann in de zomer van 1873 de Tatarenstam der Jomoeden liet overrompelen, hun tenten in brand liet steken, hun vrouwen en kinderen, zoals het bevel luidde, ‘op echt Kaukasische wijze’ liet neersabelen, beweerde hij ook dat de onderwerping van de door zijn verkeerdheid vijandige wil van de Jomoeden, in de zin van terugleiding van deze wil tot de gemeenschapsbanden der samenleving, tot onvermijdelijke noodzakelijkheid was geworden en dat de door hem toegepaste middelen de meest doeltreffende waren. Wie echter het doel wil, moet ook de middelen willen. Alleen was hij niet zo wreed om de Jomoeden bovendien nog te honen en te zeggen, dat hij door hen ter vereffening uit te moorden, juist het gelijke recht van hun wil erkende. En in dit conflict zijn het wederom de uitverkorenen, de zogenaamd naar waarheid en wetenschap handelende, in laatste instantie dus de ‘werkelijkheidsfilosofen’, die te beslissen hebben wat bijgeloof, vooroordeel, ruwheid, boosaardige karakterneiging is en wanneer geweld en onderwerping ter vereffening nodig zijn. De gelijkheid is dus nu: de vereffening door het geweld, en de tweede wil wordt door de eerste als rechtsgelijke erkend door onderwerping. Terugtocht nr. 3, die hier reeds in een smadelijke vlucht ontaard is.

Terloops bemerkt, is de frase dat de vreemde wil juist bij de vereffening door geweld als rechtsgelijk erkend wordt, slechts een verdraaiing van de theorie van Hegel, volgens welke de straf het recht van de misdadiger is;

‘dat de straf als zijn eigen recht bevattend wordt beschouwd, daarin wordt de misdadiger als redelijk persoon geëerd’. (Rechtsfilosofie, § 100. Opmerking).

Hierbij kunnen wij het laten. Het zal overbodig zijn de heer Dühring bij de systematische vernietiging van zijn zo axiomatisch opgestelde gelijkheid, van de algemeen menselijke soevereiniteit enz. nog verder te volgen. Overbodig waar te nemen hoe hij wel de samenleving met twee mannen tot stand brengt, maar voor de staat nog een derde nodig heeft, omdat — om kort te gaan — zonder die derde geen meerderheidsbesluiten te nemen zijn, en zonder deze, dus ook zonder heerschappij van de meerderheid over de minderheid, geen staat bestaan kan. En hoe hij dan geleidelijk in het kalmere vaarwater van het samenstellen van zijn socialitaire toekomststaat verzeilt, waar wij de eer zullen hebben hem op een mooie dag een bezoek te brengen. Wij hebben voldoende gezien dat de volledige gelijkheid van beiderlei wil slechts zo lang bestaat als die beide niets willen. Dat zodra de wil ophoudt menselijke wil als zodanig te zijn en in een werkelijke individuele wil, in de wil van twee werkelijke mensen verandert, de gelijkheid ophoudt. Dat kinderleeftijd, waanzin, zogenaamde beestachtigheid, vermeend bijgeloof, beweerd vooroordeel, vermoede ongeschiktheid enerzijds en ingebeelde menselijkheid, inzicht in de waarheid en de wetenschap anderzijds, dat dus ieder verschil in kwaliteit van beiderlei wil en in de daarmee gepaard gaande intelligentie een ongelijkheid rechtvaardigt, die tot onderwerping kan uitgroeien. Wat willen wij nog meer, nadat de heer Dühring zijn eigen gelijkheidsgebouw zo wortelvast tot in zijn grondvesten verwoest heeft?

Al zijn wij echter met de oppervlakkige en stumperachtige behandeling van de gelijkheidsvoorstelling door de heer Dühring klaar, dan zijn wij het daarom nog niet met die voorstelling zelf, zoals zij vooral door Rousseau een theoretische, tijdens en sedert de grote revolutie  een praktisch-politieke en ook heden nog in de socialistische beweging van bijna alle landen een belangrijke agitatorische rol speelt. Het bepalen van haar wetenschappelijke inhoud zal ook aangeven welke waarde de gelijkheidsvoorstelling voor de proletarische agitatie heeft.

De voorstelling dat alle mensen als mensen iets gemeenschappelijk hebben en dat zij binnen de grenzen van dit gemeenschappelijke ook gelijk zijn, is natuurlijk oeroud. Maar geheel verschillend hiervan is de moderne gelijkheidseis. Deze bestaat veeleer daarin, uit die gemeenschappelijke eigenschap van het mens-zijn, uit de gelijkheid der mensen als mensen de aanspraak af te leiden op gelijke politieke resp. sociale rechten voor alle mensen, of althans voor alle burgers van een staat of alle leden van een maatschappij. Voordat uit die oorspronkelijke voorstelling van betrekkelijke gelijkheid de conclusie getrokken kon worden, dat de mensen in staat en maatschappij gelijke rechten bezaten, voordat deze conclusie zelfs als iets natuurlijk en vanzelfsprekend beschouwd kon worden, moesten duizenden jaren voorbijgaan en zijn dan ook duizenden jaren voorbijgegaan. In de oudste, in natuurstaat verkerende gemeenschappen kon van rechtsgelijkheid hoogstens onder de leden van de gemeenschap sprake zijn: vrouwen, slaven, vreemdelingen waren vanzelf buitengesloten. Bij de Grieken en Romeinen waren de ongelijkheden tussen de mensen van veel grotere betekenis dan enige vorm van gelijkheid. Dat Grieken en barbaren, vrijen en slaven, staatsburgers en zij die slechts de bescherming van de staat genoten, Romeinse burgers en Romeinse onderdanen (om een samenvattende uitdrukking te gebruiken) aanspraak zouden kunnen maken op gelijke politieke rechten, zou de tijdgenoten stellig waanzinnig geleken hebben. Onder het Romeinse keizerrijk verdwenen al deze onderscheiden geleidelijk, die van vrijen en slaven uitgezonderd: daarmee ontstond, althans voor de vrijen, die gelijkheid als privaatpersonen, op grond waarvan zich het Romeinse recht ontwikkelde, de meest volkomen vorm van het op particuliere eigendom berustende recht die wij kennen. Maar zolang de tegenstelling tussen vrijen en slaven bestond, kon er van rechtsconclusies uit de algemeen menselijke gelijkheid geen sprake zijn. Dat hebben wij nog onlangs in de slavenstaten van de Noordamerikaanse Unie gezien.

Het christendom kende slechts één gelijkheid van alle mensen — nl. die van het belast zijn met dezelfde erfzonde —, geheel in overeenstemming met zijn aard als godsdienst van slaven en onderdrukten. Daarnaast kende het hoogstens de gelijkheid der uitverkorenen, waarop echter alleen heel in het begin de nadruk werd gelegd. De sporen van goederengemeenschap, die zich eveneens in de eerste tijd van de nieuwe religie vertonen, zijn veeleer te verklaren uit de aaneensluiting van vervolgden, dan uit werkelijke gelijkheidsvoorstellingen. De consolidatie van de tegenstelling tussen priesters en leken maakte zeer spoedig ook aan deze aanvankelijke neiging tot christelijke gelijkheid een eind. — De overstroming van West-Europa door de Germanen deed alle gelijkheidsvoorstellingen gedurende eeuwen te niet door het geleidelijk opbouwen van een sociale en politieke rangorde, zo ingewikkeld als er tevoren nog geen bestaan had. Maar tegelijkertijd betrok zij West- en Midden-Europa in de historische beweging, schiep ten eersten male een aaneengesloten cultuurgebied en op dit gebied voor het eerst een stelsel van overwegend nationale staten die elkaar beïnvloedden en in de klem hielden. Daardoor bereidde die Germanenvloed de bodem voor waarop uitsluitend — in latere tijd — van menselijke gelijkstelling, van mensenrechten sprake kon zijn.

In de schoot van het feodale middeleeuwse tijdperk ontwikkelde zich bovendien de klasse die geroepen was om in haar verdere ontplooiing de draagster te worden van de moderne gelijkheidseis: de burgerij. Aanvankelijk zelf een feodale stand, had de burgerij de overwegend op handwerk berustende industrie en het warenruilstelsel binnen de feodale maatschappij tot een betrekkelijk hoog peil ontwikkeld, toen tegen het einde van de 15e eeuw de grote ontdekkingen haar een nieuwe, meer omvattende, loopbaan openden. De buiten-Europese handel, tot dusver nog slechts tussen Italië en de Levant bedreven, werd nu tot Amerika en India uitgebreid en overvleugelde in betekenis weldra zowel het onderlinge ruilverkeer van de Europese landen als het binnenlandse verkeer van ieder afzonderlijk land. Het Amerikaanse goud en zilver overstroomde Europa en drong als een ontbindend element in alle kloven, spleten en poriën van de feodale maatschappij binnen. Het handwerkersbedrijf kon niet meer voldoen aan de groeiende behoefte; in de leidinggevende industrieën van de meest ontwikkelde landen werd het vervangen door de manufactuur.

Op deze geweldige ommezwaai in de economische levensverhoudingen der maatschappij volgde intussen volstrekt niet terstond een daaraan beantwoordende verandering van haar politieke structuur. De staatsorde bleef feodaal, terwijl de maatschappij steeds burgerlijker werd. De handel op grote schaal, met name dus de internationale — en meer nog de wereldhandel, eist vrije, in hun bewegingen ongehinderde warenbezitters die als zodanig rechtsgelijk zijn, die althans plaatselijk in staat zijn hun handel te drijven op de grondslag van een recht dat voor allen gelijk is. De overgang van handwerk tot manufactuur had het bestaan tot voorwaarde van een aantal vrije arbeiders — vrij enerzijds van de gildenbanden en anderzijds van de middelen om hun arbeidskracht zelf productief te maken — die voor hun arbeidskracht een huurcontract met de fabrikanten konden afsluiten en dus als contracterende partij met gelijke rechten tegenover hen staan. En eindelijk kwamen de gelijkheid en de gelijke geldigheid van alle soorten menselijke arbeid, zolang en in zoverre zij menselijke arbeid als zodanig zijn, onbewust maar het krachtigst tot uiting in de waardewet van de moderne burgerlijke economie, volgens welke de waarde van een waar afgemeten wordt naar de daarin vervatte maatschappelijk noodzakelijke arbeid. — Terwijl echter de economische verhoudingen vrijheid en rechtsgelijkheid eisten, stond de politieke orde hen met gildenbanden en bijzondere privileges bij iedere stap in de weg. Plaatselijke voorrechten, speciale in- en uitvoerrechten, uitzonderingswetten van allerlei soort troffen in het handelsverkeer niet alleen de vreemdelingen of de bewoners der koloniën, maar vaak genoeg ook hele groepen der eigen onderdanen. Gildenprivileges dwarsboomden overal en steeds weer opnieuw de ontwikkeling van de manufactuur. Nergens was de baan vrij en evenmin waren de kansen voor de burgerlijke concurrenten gelijk — en toch was dit de eerste en steeds dringender eis.

De eis tot bevrijding van feodale banden en tot het instellen van rechtsgelijkheid door opheffing van de feodale ongelijkheden moest, zodra hij door de economische vooruitgang van de maatschappij aan de orde van de dag gesteld werd, steeds luider klinken. Stelde men die eis in het belang van de industrie en de handel, dan moest men dezelfde rechtsgelijkheid verlangen voor de grote massa der boeren die in alle soorten dienstbaarheid tot volledige lijfeigenschap toe, het grootste deel van hun arbeidstijd zonder betaling aan de genadige feodalen moesten offeren en bovendien nog tal van belastingen aan hen en aan de staat af te dragen hadden. Aan de andere kant was het niet te vermijden, dat eveneens de eis gesteld werd tot afschaffing van de feodale bevoorrechting, de belastingvrijheid van de adel en de politieke voorrechten van de afzonderlijke standen. En daar men niet meer in een wereldrijk leefde, zoals eenmaal het Romeinse geweest was, maar in een stelsel van onafhankelijke, met elkaar op gelijke voet verkerende staten op ongeveer gelijke hoogte van burgerlijke ontwikkeling, sprak het vanzelf dat die eis een algemeen, boven en buiten de enkele staat uitgaand karakter aannam, dat vrijheid en gelijkheid als mensenrechten geproclameerd werden. Hierbij is het kenmerkend voor het specifiek burgerlijk karakter van deze mensenrechten dat de Amerikaanse constitutie, die als eerste de mensenrechten erkende, in één adem de in Amerika bestaande slavernij van de kleurlingen bekrachtigt. De klassenvoorrechten worden in de ban gedaan, de rassenvoorrechten geheiligd.

Zoals bekend wordt de bourgeoisie evenwel van het ogenblik af waarop zij zich uit de feodale burgerij ontpopt, en waarop de middeleeuwse stand in een moderne klasse overgaat, steeds en onvermijdelijk vergezeld van haar schaduw, het proletariaat. En evenzo gaan de burgerlijke eisen tot gelijkheid van die van het proletariaat vergezeld. Van het ogenblik af, waarop de burgerlijke eis tot afschaffing van de klassenvoorrechten gesteld wordt, treedt daarnaast de proletarische eis op tot afschaffing van de klassen zelf — eerst in religieuze vorm, steunzoekend bij het oorspronkelijke christendom, later steunend op de burgerlijke gelijkheidstheorieën zelf. De proletariërs houden de bourgeoisie aan haar woord: de gelijkheid moet niet slechts in schijn, niet enkel op het gebied van de staat, zij moet ook werkelijk, ook op maatschappelijk, economisch gebied verwezenlijkt worden. En vooral sinds de Franse bourgeoisie vanaf de grote revolutie de burgerlijke gelijkheid op de voorgrond bracht, heeft het Franse proletariaat haar direct met de eis tot sociale, economische gelijkheid geantwoord en is de gelijkheid speciaal de strijdkreet van het Franse proletariaat geworden.

De gelijkheidseis heeft derhalve in de mond van het proletariaat een dubbele betekenis. Of hij is — zoals dat vooral heel in het begin, bv. in de Boerenoorlog, het geval was — de elementaire reactie tegen de ten hemel schreiende sociale ongelijkheden, tegen het contrast tussen rijken en armen, heren en knechten, zwelgers en hongerlijders. Als zodanig is hij eenvoudig de uiting van het revolutionaire instinct, en heeft daarin en ook alleen daarin haar rechtvaardiging. Ofwel is hij ontstaan als reactie op de burgerlijke gelijkheidseis en leidt daarvan meer of minder juiste, verdergaande eisen af. Dient als agitatiemiddel om de arbeiders met de eigen beweringen van de kapitalisten tegen de kapitalisten in beweging te brengen, en in dat geval staat en valt hij met de burgerlijke gelijkheid zelf. In beide gevallen is de werkelijke inhoud van de proletarische eis tot gelijkheid, de eis tot afschaffing der klassen. Iedere gelijkheidseis die daarboven uitgaat, verloopt noodzakelijkerwijs in het absurde. Daarvan hebben wij voorbeelden gegeven en zullen er nog genoeg vinden, wanneer wij tot de toekomstfantasieën van de heer Dühring komen.

Bijgevolg is de voorstelling van de gelijkheid, zowel in haar burgerlijke als in haar proletarische vorm zelf een historisch product; om die voorstelling te doen ontstaan waren bepaalde historische verhoudingen nodig, die zelf weer een lange voorgeschiedenis vooronderstellen. Zij is dus alles wat je wilt, alleen geen eeuwige waarheid. En wanneer zij vandaag voor het grote publiek — in de ene of andere zin — vanzelf spreekt, wanneer zij zoals Marx zegt ‘reeds de vastheid van een volksvooroordeel bezit’,  dan is dat niet de uitwerking van haar axiomatische waarheid, maar de uitwerking van de algemene verspreiding en het nog steeds met de tijdgeest overeenstemmen van de ideeën van de 18e eeuw. Wanneer de heer Dühring dus zijn beroemde twee mannen zo zonder meer op de grondslag van gelijkheid kan laten huishouden, dan komt dat omdat dit aan het volksvooroordeel als iets heel natuurlijk voorkomt. En inderdaad, de heer Dühring noemt zijn filosofie de natuurlijke, omdat zij louter en alleen van dingen uitgaat die hem heel natuurlijk voorkomen. Waarom zij hem echter natuurlijk voorkomen, — daar vraagt hij niet naar.

 

 

 

 

XI. Moraal en recht. Vrijheid en noodzakelijkheid

 

‘Voor het politieke en juridische gebied liggen aan de in deze cursus uitgesproken grondstellingen de diepgaandste vakstudies ten grondslag. Men zal daarom... er van uit moeten gaan, dat men hier... met de consequente uiteenzetting van resultaten op juridisch en staatswetenschappelijk gebied te doen heeft. Mijn oorspronkelijk studievak was juist de rechtsgeleerdheid, waaraan ik niet alleen de gebruikelijke drie jaren theoretische universitaire voorbereiding besteed heb, maar waaraan ik ook in nogmaals drie jaren rechtspraktijk een voortgezette, in het bijzonder op de verdieping van haar wetenschappelijk gehalte gerichte studie gewijd heb... Ook zou stellig de kritiek der verhoudingen van het privaatrecht en de overeenkomstige juridische ontoereikendheden niet met een zodanig zelfvertrouwen hebben kunnen optreden, wanneer zij er zich niet van bewust was overal de zwakheden van het vak evengoed te kennen als zijn sterke zijden.’

Een man die het recht heeft zo van zichzelf te spreken moet bij voorbaat vertrouwen inboezemen, vooral tegenover

‘de voormalige, naar eigen zeggen verwaarloosde rechtenstudie van de heer Marx’.

Wij moeten er ons dus over verbazen dat de met zoveel zelfvertrouwen optredende kritiek van de privaatrechtelijke verhoudingen zich ertoe beperkt dat wij te horen krijgen:

‘de wetenschappelijkheid van de jurisprudentie... heeft niet veel om het lijf’. Verder, dat het positieve burgerlijk recht het onrecht is, daar het door geweld verkregen eigendom sanctioneert en dat de ‘natuurgrond’ van het strafrecht de wraak is —

een bewering waaraan hoogstens slechts de mystieke verkleding in de ‘natuurgrond’ nieuw is. De staatswetenschappelijke resultaten beperken zich tot de verhandelingen over de bewuste drie mannen, van wie de een tot dusver de anderen overweldigt en waarbij de heer Dühring in volle ernst onderzoekt of het de tweede of derde is die het eerst het geweld en de dienstbaarheid heeft ingevoerd.

Gaan wij intussen de diepgaandste vakstudie en de door driejarige rechtspraktijk verdiepte wetenschappelijkheid van onze zelfgenoegzame jurist wat verder na.

Van Lassalle vertelt de heer Dühring ons, dat hij ‘wegens het aansporen tot het doen van een poging tot diefstal van een geldkistje’ in staat van beschuldiging gesteld zou zijn ‘zonder dat echter een gerechtelijke veroordeling uitgevaardigd kon worden, daar het destijds nog mogelijk, zogenaamd ontslag van rechtsvervolging plaatsvond... deze halve vrijspraak.’

Het proces van Lassalle, waarvan hier sprake is, werd in de zomer van 1848 voor het assisengerecht te Keulen behandeld,  waar zoals bijna in de hele Rijnprovincie, het Franse strafrecht van kracht was. Slechts voor politieke overtredingen en misdaden was het Pruisische Landrecht bij uitzondering ingevoerd, maar reeds in april 1848 werd deze uitzonderingsbepaling door Camphausen weer afgeschaft. Het Franse recht kent het slecht omschreven begrip in het Pruisische Landrecht van ‘het aansporen tot het plegen’ van een misdaad in het geheel niet, om van het aansporen tot het doen van een poging tot een misdaad maar te zwijgen. Het kent slechts het ophitsen tot het plegen van een misdaad en om strafbaar te zijn moet dit geschieden ‘door geschenken, beloften, bedreigingen, misbruik van waardigheid of macht, sluwe ophitsing of strafbare kunstgrepen’ (Code pénal, art. 60) . Het in het Pruisische Landrecht verdiepte Openbaar Ministerie zag, precies als de heer Dühring, het essentiële onderscheid tussen het scherp bepaalde Franse voorschrift en de vage onbepaaldheid van het Landrecht over het hoofd, deed Lassalle een tendentieus proces aan en leed met vlag en wimpel schipbreuk. Want aan de bewering dat het Franse strafproces het ontslag van rechtsvervolging van het Pruisische Landrecht — deze halve vrijspraak — zou kennen, kan zich slechts iemand wagen, die op het gebied van het Franse moderne recht volslagen onwetend is. Dit recht kent in strafprocessen slechts veroordeling of vrijspraak, geen tussending.

Bijgevolg staat het nu zo dat wij moeten zeggen dat de heer Dühring zeker niet met even groot zelfvertrouwen deze ‘geschiedschrijving in grote stijl’ aan Lassalle had kunnen bedrijven, wanneer hij ooit de Code Napoleon  in de hand had gehad. Wij moeten dus constateren dat aan de heer Dühring het enige modern-burgerlijke op de maatschappelijke veroveringen van de grote Franse Revolutie berustende en deze in het juridische vertalende wetboek, het moderne Franse recht, totaal onbekend is.

Op een andere plaats, bij de kritiek op de naar Frans model op het hele vasteland ingevoerde, met meerderheid van stemmen beslissende jury’s wordt ons volgende wijsheid bijgebracht:

‘Ja, men zal zich zelfs met de gedachte die overigens in de geschiedenis niet zonder voorbeeld is, vertrouwd kunnen maken, dat een veroordeling zonder eenstemmigheid in een volmaakte samenleving tot de onmogelijke instellingen zou moeten behoren . Niettemin moet deze ernstige en van diepe geest getuigende opvatting, zoals boven reeds aangetoond, dáárom voor de traditionele verhoudingen niet geschikt schijnen omdat zij daarvoor te goed is.’

Wederom is het de heer Dühring onbekend dat de eenstemmigheid van de juryleden niet slechts bij strafrechtelijke veroordelingen, maar ook bij vonnissen in civiele processen voorgeschreven is volgens het Engelse ‘gemene recht’, d.w.z. het ongeschreven gewoonterecht dat sinds onheuglijke tijd van kracht is, dus minstens sedert de 14e eeuw. De ernstige en van diepe geest getuigende opvatting, die volgens de heer Dühring voor de hedendaagse wereld te goed is, heeft dus reeds in de duisterste Middeleeuwen in Engeland wettelijk gegolden en is van Engeland naar Ierland, naar de Verenigde Staten van Amerika en naar alle Engelse koloniën overgebracht, zonder dat de meest diepgaande vakstudie van de heer Dühring daarvan ook maar een syllabe heeft verraden! Het gebied van de eenstemmige jury is dus niet alleen oneindig groot vergeleken bij het zeer kleine gebied waarop het Pruisische Landrecht geldt, het is ook uitgestrekter dan alle gebieden samen waarop de jurymeerderheid beslist. Niet alleen dat aan de heer Dühring het enige moderne, d.i. het Franse recht totaal onbekend is, hij is even onwetend ten opzichte van het enige Germaanse recht dat zich onafhankelijk van het Romeinse gezag tot op de tegenwoordige tijd verder ontwikkeld en over alle werelddelen verbreid heeft — het Engelse recht. En waarom ook niet? Want de Engelse opvatting van de juridische denkwijze ‘zou toch niet stand houden tegenover de op Duitse bodem ontwikkelde geschooldheid in de zuivere begrippen der klassieke Romeinse juristen’, zegt de heer Dühring en verder zegt hij:

‘Wat is de Engels sprekende wereld met haar kinderachtig taalmengelmoes tegenover onze oorspronkelijke taalvorming?’

Waarop we slechts met Spinoza kunnen antwoorden: Ignorantia non est argumentum: onwetendheid is geen argument. 

Wij kunnen hierna tot geen andere slotsom komen dan dat de diepgaandste vakstudies van de heer Dühring daarin bestonden, dat hij zich drie jaren theoretisch in het Corpus Juris  en nogmaals drie jaar praktisch in het edele Pruisische Landrecht verdiept heeft. Dat is ontegenzeggelijk ook al heel verdienstelijk en toereikend voor een recht achtenswaardige Oud-Pruisische kantonrechter of advocaat. Wanneer men het echter onderneemt een rechtsfilosofie voor alle werelden en tijden op te stellen, dan moet men toch ook enigermate op de hoogte zijn van de rechtsverhoudingen van naties als de Franse, Engelse en Amerikaanse, — naties die in de geschiedenis een heel wat andere rol gespeeld hebben dan de uithoek van Duitsland, waar het Pruisische Landrecht bloeit. Maar laat ons verder zien.

‘De bonte mengeling van plaatselijk, provinciaal- en landrecht, die elkaar op zeer willekeurige wijze nu eens als gewoonterecht, dan weer als geschreven wet (waarbij vaak de belangrijkste aangelegenheden enkel in statutaire vormen ingekleed worden), in alle richtingen doorkruisen — deze staalkaart van wanorde en tegenstrijdigheid, waarop het enkele het algemene, of zoals het uitkomt, de algemeenheden het bijzondere weer te niet doen, leent er zich werkelijk niet toe bij iemand een klaar rechtsbewustzijn... mogelijk te maken’.

Maar waar heerst die verwarde toestand? Wederom daar, waar het Pruisische Landrecht van kracht is, waar naast, boven of onder dit Landrecht, provinciale rechten, plaatselijke statuten, hier en daar ook het gemene recht en andere poespas de meest verschillende, relatieve trappen en graden van geldigheid hebben en alle praktische juristen de noodkreet doen slaken die de heer Dühring hier met zoveel sympathie herhaalt. Hij hoeft in het geheel niet zijn geliefd Pruisen te verlaten, het is voldoende dat hij naar de Rijn komt om er zich van te overtuigen dat daar van dit alles sinds zeventig jaar geen sprake meer is — om maar te zwijgen van andere geciviliseerde landen waar dergelijke verouderde toestanden reeds lang zijn opgeruimd.

Verder:

‘Op minder schrille wijze blijkt de bemanteling van de natuurlijke, individuele verantwoordelijkheid door de geheime en daardoor anonieme collectieve vonnissen en collectieve daden van colleges of andere ambtelijke instellingen, die het persoonlijke aandeel van elk der daartoe behorende leden maskeren.’

En op een andere plaats:

‘In onze tegenwoordige toestand zal het als een verrassende en uiterst strenge eis gelden, wanneer men van de bemanteling en de dekking der individuele verantwoordelijkheid door colleges niets wil weten.’

Misschien zal het voor mijnheer Dühring een verrassende mededeling zijn, wanneer wij hem zeggen dat op het gebied van het Engelse recht ieder lid van het college van rechters zijn oordeel in openbare zitting afzonderlijk moet uitspreken en staven, dat bestuurscolleges, die niet gekozen zijn en niet openlijk beraadslagen en stemmen, een bij uitstek Pruisische instelling en in de meeste andere landen onbekend zijn, en dat daarom zijn eis dan ook alleen in — Pruisen, als verrassend en uiterst streng, gelden kan.

Evenzo passen zijn klachten over verplichte toepassing van godsdienstige praktijken bij geboorte, huwelijk, dood en begrafenis onder alle grotere geciviliseerde landen slechts voor Pruisen, en ook dat niet meer sedert de invoering van de burgerlijke stand . Wat de heer Dühring slechts door middel van een ‘socialitaire’ toekomst-toestand klaarspeelt, heeft zelfs Bismarck intussen door een gewone wet in orde gebracht. — Op gelijke wijze wordt in de ‘klacht over de ontoereikende voorbereiding van de juristen voor hun beroep’, een klacht die ook tot de ‘administratieve beambten’ uit te breiden is, een specifiek Pruisische jeremiade aangeheven. En zelfs de tot in het belachelijke overdreven jodenhaat die de heer Dühring bij iedere gelegenheid ten toon spreidt, is een zo al niet specifiek Pruisische, dan toch specifiek Oost-Elbische eigenschap. Deze ‘werkelijkheidsfilosoof’, die zo soeverein op alle vooroordelen en bijgeloof neerkijkt, zit zelf zo diep in het moeras van persoonlijke waandenkbeelden, dat hij het uit middeleeuwse geloofshaat voortgekomen volksvooroordeel tegen de joden een op ‘natuurgronden’ berustend ‘natuuroordeel’ noemt en zich aan de piramidale bewering waagt:

‘het socialisme is de enige macht die bevolkingstoestanden met sterkere joodse vermenging’ (toestanden met joodse vermenging: welk een natuurduits!) ‘het hoofd kan bieden.’

Genoeg. Het gepraal met juridische ‘geleerdheid’ heeft — in het gunstigste geval — de allergoedkoopste vakkennis van een heel gewone Oud-Pruisische jurist tot achtergrond. Het rechts- en staatswetenschappelijk gebied, waarvan de heer Dühring ons consequent de resultaten beschrijft, ‘dekt zich’ met het gezagsgebied van het Pruisische Landrecht. Behalve tot het aan iedere jurist, nu zelfs in Engeland tamelijk bekend geworden Romeinse recht, bepaalt zich zijn juridische kennis enkel en alleen tot het Pruisische Landrecht, tot dit wetboek van het verlichte aartsvaderlijke despotisme, dat in zo een Duits is geschreven dat het is alsof de heer Dühring daar in de leer is geweest en dat met zijn moraliserende toelichtingen, met zijn gebrek aan juridische bepaaldheid en houvast, met zijn stokslagen als martel- en strafmiddelen nog geheel en al tot de voorrevolutionaire tijd behoort. Wat daar bovenuit gaat, is voor de heer Dühring uit den boze — zowel het modern-burgerlijke Franse recht als het Engelse recht met zijn zo eigenaardige ontwikkeling en zijn op het hele vasteland onbekende waarborgen voor de persoonlijke vrijheid. De filosofie die ‘geen slechts schijnbare horizon laat gelden, doch in haar machtige, omwentelende beweging alle aarden en hemelen van de uiterlijke en innerlijke natuur ontrolt’ — zij heeft alswerkelijke horizon ... de grenzen van de zes Oud-Pruisische oostelijke provincies en hoogstens die paar andere lapjes grondgebied waar het edele Landrecht van kracht is. En aan gene zijde van die horizon ontrolt zij aardrijken noch hemelen, uiterlijke noch innerlijke natuur, maar enkel en alleen het beeld van de botste onwetendheid van wat er in de overige wereld gebeurt.

Men kan niet goed over moraal en recht spreken zonder het vraagstuk van de zogenaamde vrije wil, van de toerekenbaarheid van de mens en de verhouding tussen noodzakelijkheid en vrijheid aan te roeren. Ook de ‘werkelijkheidsfilosofie’ heeft niet slechts één, maar zelfs twee oplossingen voor dit vraagstuk.

‘Alle verkeerde vrijheidstheorieën moet men vervangen door de volgens onze ervaring gegeven verhoudingen, waarin enerzijds rationeel inzicht en anderzijds instinctmatige beslissingenals het ware tot een tussenkracht verenigd worden. De grondfeiten van dit soort dynamiek moeten aan de waarneming ontleend worden en voor nog niet gebeurde feiten moet de bepaling-vooraf, ook voor zover dat mogelijk is, in het algemeen, naar aard en omvang geschat worden. Hierdoor worden de onnozele waanvoorstellingen over de innerlijke vrijheid, waaraan men duizenden jaren geknaagd en gekloven heeft, niet alleen grondig opgeruimd, maar er komt ook iets positiefs voor in de plaats, iets dat voor de praktische inrichting van het leven bruikbaar is.’

Volgens deze zienswijze bestaat de vrijheid daarin, dat het rationele inzicht de mens naar rechts, de irrationele driften hem naar links trekken en dat bij dit parallellogram van krachten de werkelijke beweging in diagonale richting plaatsvindt. De vrijheid zou dus het gemiddelde tussen inzicht en drift, verstand en onverstand zijn, en haar graad zou bij ieder afzonderlijk op grond van ervaring zijn vast te stellen door een ‘persoonlijke vergelijking’, om een uitdrukking uit de sterrenkunde te gebruiken.  Maar enkele bladzijden verder wordt gezegd:

‘Wij grondvesten de morele verantwoordelijkheid op de vrijheid die voor ons echter niets anders betekent dan de ontvankelijkheid voor bewuste beweegredenen naar de maatstaf van het natuurlijke en het verworven verstand. Al zulke beweegredenen werken, ondanks het waarnemen van mogelijke tegenstellingen in de daden, met de onvermijdelijkheid van een natuurwet. Maar juist op deze onontwijkbare noodzakelijkheid houden wij het oog gericht, wanneer wij de morele hefboom aanzetten.’

Deze tweede bepaling van de vrijheid, die de eerste heel ongegeneerd een slag in het gezicht geeft, is weer niets anders dan de uiterste vervlakking van Hegels opvatting. Hegel was de eerste die de verhouding tussen vrijheid en noodzakelijkheid juist aangaf. Voor hem is de vrijheid het inzicht in de noodzakelijkheid. ‘Blind is de noodzakelijkheid slechts in zoverre zij niet begrepen wordt’.  Niet in de gedroomde onafhankelijkheid van de natuurwetten ligt de vrijheid, maar in de kennis van deze wetten en in de daarmee gegeven mogelijkheid hun werkzaamheid stelselmatig voor bepaalde doeleinden te benutten. Dit geldt met betrekking zowel tot de wetten der uitwendige natuur, als tot die welke het lichamelijk en geestelijk bestaan van de mens zelf regelen — twee klassen van wetten, die wij hoogstens in de voorstelling, maar niet in de werkelijkheid van elkaar kunnen scheiden. Vrijheid van de wil betekent derhalve niets anders dan het vermogen om met kennis van zaken te kunnen beslissen. Hoe vrijer dus het oordeel van een mens met betrekking tot een bepaald vraagstuk is, met des te groter noodzakelijkheid zal de inhoud van dit oordeel bepaald zijn. Terwijl de op onkunde berustende onzekerheid die tussen vele verschillende en tegenstrijdige beslissingsmogelijkheden schijnbaar willekeurig kiest, juist daardoor bewijst dat zij niet vrij is, dat zij beheerst wordt door de zaak die zij juist moest beheersen. Vrijheid bestaat dus in de op kennis van de noodzakelijkheden der natuur berustende heerschappij over onszelf en over de uitwendige natuur. Zij is daardoor noodzakelijkerwijs een product van de historische ontwikkeling. De mensen die zich voor het eerst van het dierenrijk afzonderden, waren in alle zaken van belang even onvrij als de dieren zelf. Maar iedere stap voorwaarts in de cultuur was een stap naar de vrijheid. Op de drempel van de geschiedenis der mensheid staat de ontdekking van de verandering van mechanische beweging in warmte: de voortbrenging van vuur door wrijving. Aan het einde van de tot nu toe verlopen ontwikkelingsperiode staat de ontdekking van de verandering van warmte in mechanische beweging: de stoommachine. — En ondanks de reusachtige bevrijdende omwenteling die de stoommachine in de maatschappelijke wereld teweegbrengt — zij is nog niet half voltooid — is het toch niet te betwijfelen dat het vuur door wrijving haar, wat wereldbevrijdende uitwerking aangaat, nog overtreft. Want het vuur door wrijving gaf de mens voor het eerst de heerschappij over een natuurkracht en scheidde hem daarmee voor goed van het dierenrijk. De stoommachine zal nooit een zo geweldige sprong in de ontwikkeling der mensheid tot stand brengen, hoezeer zij voor ons ook geldt als de vertegenwoordigster van al die op haar steunende geweldige productiekrachten, met behulp waarvan alléén een maatschappelijke toestand mogelijk gemaakt wordt, waarin geen klassenverschillen, geen zorgen over individuele bestaansmiddelen meer zullen zijn en waarin van werkelijke menselijke vrijheid, van een bestaan in harmonie met de begrepen natuurwetten voor het eerst sprake zal kunnen zijn. Maar hoe jong de hele geschiedenis van de mensheid nog is en hoe belachelijk het zou zijn aan onze huidige opvattingen een of andere absolute geldigheid te willen toeschrijven, blijkt uit het eenvoudige feit dat de gehele geschiedenis tot op heden kan worden aangeduid als de geschiedenis van het tijdperk der praktische ontdekking van de verandering van mechanische beweging in warmte tot die van de verandering van warmte in mechanische beweging.

Bij de heer Dühring wordt de geschiedenis weliswaar anders behandeld. In het algemeen is zij als geschiedenis van dwalingen, van onwetendheid en ruwheid, van overweldiging en knechting, een voor de ‘werkelijkheidsfilosofie’ weerzinwekkend onderwerp. In het bijzonder echter valt zij in twee grote afdelingen uiteen, en wel: 1. van de aan zichzelf gelijke toestand van de materie tot aan de Franse Revolutie, en 2. van de Franse Revolutie tot aan de heer Dühring. En daarbij blijft de 19e eeuw

‘in haar wezen nog reactionair, ja deze is het (!) in geestelijk opzicht nog meer dan de 18e’, waarbij zij echter het socialisme in haar schoot draagt en daarmee ‘de kiem van een nog geweldiger herschepping dan de voorlopers en de helden van de Franse Revolutie hadden uitgedacht (!)’.

De ‘werkelijkheidsfilosofische’ verachting voor de geschiedenis tot op heden wordt op de volgende wijze gerechtvaardigd:

‘De enkele duizenden jaren waarover een historische terugblik door middel van oorspronkelijke optekeningen mogelijk is, hebben met hun tot dusver plaatsgevonden ontwikkeling der mensheid niet veel te betekenen, wanneer men aan de reeks van de toekomstige duizenden jaren denkt... Het mensengeslacht is als geheel genomen nog zeer jong en wanneer eenmaal de wetenschappelijke terugblik met tienduizenden in plaats van met duizenden jaren zal hebben te rekenen, dan zal de geestelijk onrijpe kinderlijkheid van onze instellingen als iets vanzelfsprekend opgevat worden in onze dan als oeroudheid beschouwde tijd.’

Zonder ons bij de inderdaad ‘oorspronkelijke taalvorming’ van de laatste zin langer op te houden, merken wij slechts tweeërlei zaken op: Ten eerste dat deze ‘oeroudheid’ onder alle omstandigheden een voor alle toekomstige generaties uiterst belangwekkende historische periode zal blijven, omdat deze de grondslag voor alle latere hogere ontwikkeling vormt, en omdat zij het ontstaan van de mens uit het dierenrijk als uitgangspunt en de overwinning van zodanige moeilijkheden tot inhoud heeft die de toekomstige in associatie levende mensen nooit meer te overwinnen zullen hebben. En ten tweede, dat de tijd van afsluiting van deze ‘oeroudheid’ in vergelijking waarmede de toekomstige historische perioden, die niet meer door dergelijke moeilijkheden en hindernissen belemmerd zullen worden, de belofte van nog geheel andere wetenschappelijke, technische en sociale resultaten in zich bergen, in elk geval een hoogst zonderling gekozen moment is om aan deze komende duizendtallen van jaren voorschriften te geven door definitieve waarheden in laatste instantie, onveranderlijke waarheden en wortelvaste concepties, ontdekt op de grondslag van de geestelijk onrijpe kinderlijkheid van onze zozeer ‘achterlijke’ en ‘teruglopende’ eeuw. Men moet wel de filosofische Richard Wagner zijn — maar zonder Wagners talent — om over het hoofd te zien, dat alle vernederingen die men over de voorafgaande ontwikkeling der geschiedenis uitstort, eveneens aan haar vermeend laatste resultaat blijven kleven — aan de zogenaamde werkelijkheidsfilosofie.

Een van de meest kenmerkende onderdelen van de nieuwe wortelvaste wetenschap is het hoofdstuk over individualisering en waardeverhoging des levens. Hier borrelen en bruisen met ontembare stuwkracht de orakelachtige gemeenplaatsen door drie hele hoofdstukken. Wij moeten ons helaas tot enige korte staaltjes beperken.

‘Het diepere wezen van alle gewaarwordingen en bijgevolg van alle subjectieve levensvormen berust op het verschil van toestanden... Voor het volle (!) leven is echter ook zonder meer (!) aan te tonen, dat het niet de bestendige toestand, maar de overgang van de ene levenstoestand in de andere is, waardoor het levensgevoel verhoogd en de beslissende prikkels ontwikkeld worden... De bij benadering aan zichzelf gelijke, om zo te zeggen inerte toestand die als het ware in hetzelfde evenwicht, van welke aard dan ook blijft, is voor de op de proefstelling van het bestaan niet van grote betekenis... De gewoonte en om zo te zeggen het inleven, maakt die toestand geheel en al tot iets indifferent en verschillend, wat niet bijzonder veel van dood-zijn verschilt. hoogstens komt er nog als een soort negatieve levensuiting de pijn der verveling bij... In een tot stilstand komend leven dooft voor het individu zowel als voor volkeren alle hartstocht en alle belangstelling voor het bestaan. Onze wet van het verschil echter is het waaruit al deze verschijnselen verklaarbaar worden.’

De snelheid waarmee de heer Dühring zijn in de diepste grond uitzonderlijke resultaten tot stand brengt gaat ieder begrip te boven. Nauwelijks is de gemeenplaats in het ‘werkelijkheidsfilosofisch’ vertaald, dat voortdurende prikkeling van dezelfde zenuw of de voortzetting van één en dezelfde prikkeling iedere zenuw en ieder zenuwstelsel afmat, dat dus in normale toestand in de zenuwprikkeling tussenpozen en afwisseling moeten plaatshebben (wat sinds jaren in ieder handboek der fysiologie te lezen is en wat iedere filister uit eigen ervaring weet), nauwelijks is die oeroude afgezaagdheid in de mysterieuze vorm vertaald dat het diepere wezen van alle gewaarwording op het verschil van toestanden berust, of daar verandert zij ook reeds in ‘onze wet van het verschil’. En deze wet van het verschil maakt een hele reeks van verschijnselen ‘volkomen verklaarbaar’, die wederom niets anders zijn dan illustraties en voorbeelden van de aangenaamheid der afwisseling, die zelfs voor het allergewoonste burgermansverstand in het geheel geen verklaring behoeven en die er door de verwijzing naar deze zogenaamde wet van het verschil ook geen haar duidelijker worden.

Maar daarmee is de wortelvastheid van ‘onze wet van het verschil’ nog lang niet uitgeput.

‘De opeenvolging van de levensperioden en het optreden van de daarmee verbonden veranderingen van de levensverhoudingen geven een zeer voor de hand liggend voorbeeld ter verduidelijking van ons verschilbeginsel... Kind, knaap, jongeling en man ondervinden de kracht van de telkens zich aan hen voordoende levensgevoelens minder door de reeds gefixeerde toestanden waarin zij leven, dan door de perioden van overgang van de ene in de andere.’

Dat is nog niet alles:

Onze wet van het verschil kan een nog verder liggende toepassing verkrijgen, wanneer men het feit in aanmerking neemt, dat de herhaling van wat wij reeds beproefd of verricht hebben geen bekoring meer voor ons heeft.’

En nu kan de lezer er zich zelf de orakelachtige kletspraat bij denken waartoe zinnen van de diepte en de wortelvastheid, als de aangehaalde, een aanknopingspunt bieden. Ook mag de heer Dühring aan het slot van zijn boek triomferend uitroepen:

‘Voor de waardering en de verhoging van de waarde des levens werd de wet van het verschil zowel theoretisch als praktisch toonaangevend!’

Voor de waardering van het geestelijke peil van zijn publiek door de heer Dühring eveneens. Hij moet wel geloven dat het enkel uit ezels of filisters bestaat.

Verder krijgen wij de volgende, uiterst praktische levensregelen:

‘De middelen om de totale belangstelling voor het leven levendig te houden’ (fraaie taak voor filisters en voor hen die het willen worden!) ‘bestaan daarin, de afzonderlijke om zo te zeggenelementaire belangen, waaruit het geheel is samengesteld, zich in een natuurlijk tempo te doen ontwikkelen of elkaar af te wisselen. Ook zal tegelijkertijd voor dezelfde toestand het trapsgewijs vervangen van de lagere en gemakkelijker te bevredigen prikkels door de hogere en in hun uitwerking duurzamere aandoeningen er voor te gebruiken zijn om het bestaan van leemten, die van alle belangstelling gespeend zijn, te vermijden. Overigens zal het echter daarop aankomen te vermijden, dat de van nature of door de normale loop van het gemeenschapsleven ontstaande spanningen op willekeurige wijze opeengehoopt, geforceerd of, wat de tegenovergestelde verkeerdheid is, reeds bij de minste uiting bevredigt worden en zo de ontwikkeling van bevredigbare behoeften die genot kunnen geven verhinderen. Hier, evenals in ieder ander geval, is de handhaving van het natuurlijk ritme de voorwaarde voor elke gelijkmatige en bekorende beweging. Ook mag men zich niet de onmogelijke taak stellen de prikkels van een of andere toestand van langer duur te willen laten zijn dan de natuur of de verhoudingen daaraan hebben toegemeten’, enz.

De burgerman die deze plechtige orakeltaal en schoolmeesterachtig uitpluizerij van de meest zouteloze alledaagsheden als regel voor de ‘toetssteen van het leven’ aanvaardt, zal stellig niet over ‘van belangstelling geheel gespeende leemten’ te klagen hebben. Hij zal al zijn tijd nodig hebben voor de directe voorbereiding en regeling van zijn genietingen, zodat hem voor het genot zelf geen vrij ogenblik overblijft.

Proeven moeten wij het leven, het volle leven. Slechts tweeërlei zaken verbiedt ons de heer Dühring:

ten eerste ‘de onzindelijkheid zich met tabak af te geven’ en ten tweede dranken en eetwaren die ‘weerzinwekkend prikkelende of voor het fijner gevoel in het algemeen verwerpelijke eigenschappen hebben’.

Aangezien echter de heer Dühring in zijn ‘Cursus der economie’ de jeneverstokerij zo dichterlijk verheerlijkt, kan hij tot die drank onmogelijk de brandewijn rekenen. Zo zijn wij dan tot de slotsom gedwongen dat zijn verbod zich slechts tot wijn en bier uitstrekt. Laat hij nu ook nog het vlees verbieden en dan heeft hij de ‘werkelijkheidsfilosofie’ tot die hoogte verheven waarop wijlen Gustav Struve zich met zoveel succes bewoog — nl. op het niveau van pure kinderachtigheid.

Overigens kon de heer Dühring toch ten opzichte van de geestrijke drank wat liberaler zijn. Een man die, zoals hij zelf toegeeft, de brug van het statische naar het dynamische nog altijd niet vinden kan, heeft toch zeker reden genoeg mild in zijn oordeel te zijn wanneer de een of andere arme duivel eens te diep in het glas kijkt en als gevolg daarvan de brug van het dynamische naar het statische eveneens vergeefs zoekt.

 

 

 

XII. Dialectiek. Kwantiteit en kwaliteit

 

‘De eerste en belangrijkste stelling over de logische grondeigenschappen van het Zijn heeft betrekking op de uitsluiting van de tegenstrijdigheid. Het tegenstrijdige is een categorie die slechts tot de gedachtencombinatie, echter niet tot enigerlei werkelijkheid behoren kan. In de dingen zijn geen tegenstrijdigheden of, met andere woorden, de als reëel gestelde tegenstrijdigheid is zelf het toppunt van ongerijmdheid... De tegengestelde werking van krachten die zich in tegenovergestelde richting met elkaar meten, is zelfs de grondvorm van alle activiteit in het bestaan van de wereld en van haar wezens... Deze onderlinge strijd der krachtrichtingen van elementen en individuen valt echter in de verste verte niet samen met de gedachte van tegenstrijdigheids ongerijmdheden... Hier kunnen wij er mee tevreden zijn de nevelen die uit vermeende mysteriën van de logica plegen op te stijgen, door een klaar beeld van de werkelijke ongerijmdheid van de reële tegenstrijdigheid te hebben verdreven en de nutteloosheid aangetoond te hebben van de wierook die men hier en daar verkwist heeft aan de al te grof gesneden houten pop der tegenstrijdigheidsdialectiek, dat onderschuifsel voor de antagonistische wereldschematiek.’

Dat is zo ongeveer alles wat in de ‘Cursus van de filosofie’ over dialectiek gezegd wordt. In de ‘Kritische geschiedenis’ daarentegen wordt de tegenstrijdigheidsdialectiek, en bovendien vooral ook die van Hegel, nog heel anders mishandeld.

‘Het tegenstrijdige is namelijk volgens de logica, of liever de logosleer van Hegel, niet in het van nature niet anders dan subjectief en bewust voorstelbare denken, maar in de dingen en gebeurtenissen zelf objectief aanwezig en om zo te zeggen bij levenden lijve te vinden, zodat de onzinnigheid niet een onmogelijke macht wordt. De werkelijkheid van het ongerijmde is het eerste artikel des geloofs van de hegeliaanse eenheid van logica en onlogica... Hoe meer tegenstrijdig, des te meer waar, of met andere woorden, hoe ongerijmder, des te geloofwaardiger, deze niet eens nieuw uitgevonden maar aan de openbaringstheologie en de mystiek ontleende grondspreuk is de onverhulde uitdrukking van het zogenaamde dialectische beginsel.’

De gedachteninhoud van de beide aangehaalde passages is samen te vatten in de stelling, dat tegenstrijdigheid gelijk is aan ongerijmdheid en bijgevolg in de werkelijke wereld niet voor kan komen. Deze stelling kan voor mensen met overigens tamelijk gezond mensenverstand dezelfde vanzelfsprekende geldigheid hebben als die, dat recht niet krom en krom niet recht kan zijn. Maar de differentiaalrekening stelt, ondanks alle protesten van het gezonde mensenverstand, recht en krom onder bepaalde omstandigheid toch aan elkaar gelijk en bereikt daarmee resultaten die het gezonde mensenverstand, dat stokstijf volhoudt dat de gelijkstelling van recht en krom onzin is, nooit tot stand brengt. En na de belangrijke rol, die de zogenaamde tegenstrijdigheidsdialectiek in de filosofie van de oudste Grieken af tot op heden gespeeld heeft, zou zelfs een sterkere tegenstander dan de heer Dühring verplicht zijn geweest met andere argumenten zich daartegen te verzetten dan met één bewering en veel scheldwoorden.

Zolang wij de dingen als rustend en levenloos, elk afzonderlijk, naast en na elkaar beschouwen, stoten wij zeer zeker niet op tegenstrijdigheden bij hen. Wij vinden dan bepaalde eigenschappen die gedeeltelijk gemeenschappelijk, gedeeltelijk verschillend, ja onderling tegenstrijdig, maar in dat geval over verschillende dingen verdeeld zijn en dus geen tegenstrijdigheid in zichzelf bevatten. Voor zover dit gebied der beschouwing toereikend is, hebben wij ook aan de gewone, metafysische denkwijze genoeg. Maar heel anders ziet het er uit, zodra wij de dingen in hun beweging, hun verandering, hun leven, in hun wederkerige inwerking op elkaar gaan beschouwen. Daar verzeilen wij terstond in tegenstrijdigheden. De beweging zelf is een tegenstrijdigheid, zelfs reeds de eenvoudige mechanische verandering van plaats kan zich slechts daardoor voltrekken, dat een lichaam op een en hetzelfde tijdstip op een plaats en tegelijk op een andere plaats is, op een en dezelfde plaats en toch niet daar is.

En het voortdurend ontstaan en gelijktijdig oplossen van die tegenstrijdigheid is juist de beweging.

Hier hebben wij dus een tegenstrijdigheid die ‘in de dingen en de gebeurtenissen zelf objectief aanwezig en om zo te zeggen bij levenden lijve te vinden is’. En wat zegt de heer Dühring daarover? Hij beweert dat er tot dusver in het geheel

‘geen brug tussen het strikt statische en het dynamische in de rationele mechanica’ bestaat.

De lezer merkt nu eindelijk wat er achter die lievelingsfrase van de heer Dühring schuilt. Niets anders dan dit: het metafysisch denkend verstand kan van de gedachte van de rust absoluut niet tot die van de beweging komen, omdat bovenstaande tegenstrijdigheid hem de weg verspert. Voor hem is de beweging, omdat zij een tegenstrijdigheid is, volkomen onbegrijpelijk. En doordat hij de onbegrijpelijkheid van de beweging betoogt, geeft hij zelf ongewild het bestaan van die tegenstrijdigheid toe, geeft dus toe dat er een in de dingen en gebeurtenissen zelf objectief aanwezige tegenstrijdigheid bestaat, die bovendien een feitelijke macht is.

Wanneer reeds de eenvoudige mechanische verandering van plaats een tegenstrijdigheid in zich zelf bevat, des te meer de hogere bewegingsvormen van de materie en vooral het organische leven en zijn ontwikkeling. Wij zagen hierboven, dat het leven juist daarin bestaat, dat een wezen ieder ogenblik hetzelfde en toch een ander is. Het leven is dus eveneens een in de dingen en gebeurtenissen zelf aanwezige, steeds zichzelf stellende en oplossende tegenstrijdigheid. En zodra de tegenstrijdigheid ophoudt, houdt ook het leven op, treedt de dood in. Evenzo zagen wij hoe wij ook op het gebied van het denken niet aan de tegenstrijdigheden kunnen ontkomen en hoe bv. de tegenstrijdigheid tussen het innerlijk onbegrensde kenvermogen van de mens en het werkelijke aanwezig zijn daarvan in louter uiterlijk beperkte en beperkt denkende mensen haar oplossing vindt in de voor ons althans praktisch eindeloze opeenvolging van menselijke geslachten, in de oneindige voortgang.

Wij merkten reeds op, dat de hogere wiskunde de tegenstrijdigheid, dat recht en krom onder omstandigheden hetzelfde kunnen zijn, tot een van haar voornaamste grondslagen heeft. Zij deinst ook niet terug voor die andere tegenstrijdigheid, dat lijnen die elkaar voor onze ogen snijden toch reeds vijf of zes centimeter van hun snijpunt als parallel moeten gelden, als lijnen dus die elkaar ook in het oneindige verlengd, nooit kunnen snijden. En toch brengt zij met deze en met nog veel krassere tegenstrijdigheden niet alleen juiste, maar ook voor de lagere wiskunde volslagen onbereikbare resultaten tot stand.

Maar ook in de lagere wiskunde wemelt het al van tegenstrijdigheden. Zo is het bv. een tegenstrijdigheid, dat een wortel van A een macht van A moet zijn en toch is A½ = √A. Het is een tegenstrijdigheid dat een negatieve grootheid het kwadraat van iets zou zijn, want iedere negatieve grootheid, met zichzelf vermenigvuldigd, geeft een positief kwadraat. De vierkantswortel uit minus 1 is bijgevolg niet slechts een tegenstrijdigheid, maar zelfs een absurde tegenstrijdigheid, een werkelijke ongerijmdheid. En toch is √-1 een in vele gevallen noodzakelijk resultaat van juiste wiskundige bewerkingen. Ja, meer dan dat, hoe zou het met de wiskunde staan, met de lagere zowel als de hogere, wanneer het haar werd verboden met √-1 te opereren?

De wiskunde zelf betreedt met de behandeling van de veranderlijke grootheden het dialectische gebied en het is kenmerkend, dat het een dialectische filosoof is, Descartes, die deze vooruitgang in de wiskunde heeft ingevoerd. Zoals de wiskunde van de veranderlijke grootheden zich tot die van de onveranderlijke grootheden verhoudt, zo verhoudt zich in het algemeen ook het dialectisch denken tot het metafysische. Wat volstrekt niet belet dat de grote massa der wiskundigen de dialectiek alleen op mathematisch gebied erkent en dat er onder hen genoeg zijn die met de langs dialectische weg verkregen methoden geheel op de oude beperkte metafysische wijze verder opereren.

Op het antagonisme van krachten van de heer Dühring en zijn antagonistische wereldschematiek nader in te gaan, zou slechts dan mogelijk zijn wanneer hij ons iets meer over dat onderwerp gegeven had dan — de naakte frase. Nadat hij dat heeft klaargespeeld, wordt ons dit antagonisme noch in de wereldschematiek, noch in de natuurfilosofie ook maar één enkele maal als werkzaam getoond — de beste bekentenis dat de heer Dühring met deze ‘grondvorm van alle handelingen in het bestaan van de wereld en van haar wezen’ absoluut niets positiefs weet te beginnen. Wanneer men inderdaad Hegels ‘Leer van het wezen’ tot de platheid van zich in tegengestelde richting, maar niet in tegenstrijdigheden bewegende krachten neergehaald heeft, dan doet men inderdaad ook het verstandigst iedere toepassing van deze gemeenplaats uit de weg te gaan.

Een ander aanknopingspunt om zijn anti-dialectische toorn te luchten, vindt de heer Dühring in Marx’ Kapitaal.

‘Gebrek aan natuurlijke en begrijpelijke logica, waardoor de dialectisch verdraaide kronkelgangen en voorstellingstierelantijntjes uitmunten... al dadelijk moet men op het reeds aanwezige deel het beginsel toepassen, dat in zeker opzicht en ook in het algemeen (!) volgens een bekend filosofisch vooroordeel alles in elk en elk in alles te vinden is, en dat volgens deze meng- en wanvoorstelling tenslotte alles één is.’

Dit inzicht van hem in het bekende filosofische vooroordeel stelt de heer Dühring dan ook in staat met zekerheid te voorspellen wat het ‘einde’ van Marx’ economisch gefilosofeer, dus wat de inhoud van de volgende delen van Het Kapitaal zal zijn, precies zeven regels nadat hij verklaard heeft, dat het

‘werkelijk niet te voorzien is wat er, als mens en Duitser gesproken, eigenlijk in de twee (laatste) delen nog zou moeten volgen’.

Het is intussen niet voor het eerst dat de geschriften van de heer Dühring tot die ‘dingen’ blijken te behoren, waarin ‘het tegenstrijdige objectief aanwezig en om zo te zeggen in levenden lijve’ te vinden is. Wat hem volstrekt niet belet zegevierend verder te gaan:

‘Maar het is te verwachten, dat de gezonde logica over haar karikatuur zal triomferen... Het belangrijk doen en de dialectische geheimzinnigdoenerij, zullen niemand die nog over enig gezond oordeel beschikt, er toe brengen zich met die wanstaltigheden van gedachten en stijl... in te laten. Met het afsterven van de laatste resten der dialectische dwaasheden zal dit middel tot bedrog... zijn misleidende invloed verliezen en niemand zal meer menen zich te moeten afsloven om daar achter een diepe wijsheid te komen, waar de gezuiverde kern van de verdraaide dingen in het gunstigste geval de trekken van gewone theorieën, zo niet zelfs van gemeenplaatsen vertoont... Er bestaat in het geheel geen mogelijkheid de kronkelgangen’ (van Marx) ‘naar de maatstaf van de logosleer weer te geven, zonder de gezonde logica te prostitueren.’ Marx’ methode zou daarin bestaan ‘dialectische wonderen voor zijn gelovigen te fabriceren’, enzovoort.

Wij hebben hier nog helemaal niet met de juistheid of onjuistheid van de economische resultaten van Marx’ onderzoek te doen, maar slechts met de door Marx toegepaste dialectische methode. Zoveel echter is zeker: de meeste lezers van Het Kapitaal zullen eerst nu van de heer Dühring hebben gehoord wat zij eigenlijk gelezen hebben. En onder hen ook de heer Dühring zelf, die in het jaar 1867 (Ergänzungsblätter, III, Heft 3) nog in staat was een voor een denker van zijn kaliber betrekkelijk verstandige inhoudsopgave van het boek te maken,  zonder zich daarbij gedwongen te zien de uiteenzettingen van Marx eerst, zoals nu voor onvermijdelijk verklaard wordt, in het Dührings te vertalen. Hoewel hij reeds destijds de flater beging de dialectiek van Marx met die van Hegel te vereenzelvigen, had hij nog niet geheel en al de bekwaamheid verloren onderscheid te maken tussen de methode en de daardoor verkregen resultaten, en te begrijpen dat men deze laatste niet in het bijzonder weerlegt, wanner men de eerste in algemeen neerhaalt.

De meest verrassende mededeling van de heer Dühring is in ieder geval die, dat vanuit het standpunt van Marx ‘tenslotte alles een en hetzelfde is’, dat voor Marx dus ook bijvoorbeeld kapitalisten en loonarbeiders, feodale, kapitalistische en socialistische productiewijze ‘alles hetzelfde’, ja tenslotte zelfs ook Marx en de heer Dühring ‘alles hetzelfde is’. Om de mogelijkheid van zulke onnozele zotternij te verklaren kan men slechts aannemen dat het enkele woord dialectiek de heer Dühring in een toestand van ontoerekenbaarheid brengt, waarin hem tengevolge van een zekere meng- en wanvoorstelling tenslotte ‘alles een en hetzelfde’ is wat hij zegt en doet.

Wij hebben hier een proeve van wat de heer Dühring

mijn geschiedschrijving in grote stijl’ noemt, of ook ‘de summiere methode die afrekent met geslacht en type en er zich geenszins toe vernedert aan datgene wat een Hume het geleerden-plebs noemde, de eer aan te doen het in micrologische bijzonderheden aan de kaak te stellen. Alleen deze methode in hogere en edelere stijl is verenigbaar met de belangen der volledige waarheid en met de plichten tegenover het onbevangen publiek.’

De geschiedschrijving in grote stijl en het summiere afrekenen met geslacht en type is voor de heer Dühring inderdaad zeer gemakkelijk, daar hij alle concrete feiten als micrologische feiten verwaarlozen en gelijk nul stellen kan, en in plaats van te bewijzen slechts algemene frases, beweringen en dooddoeners ten beste heeft te geven. Daarbij heeft die geschiedschrijving nog het voordeel dat zij de tegenstander geen feitelijk houvast biedt, zodat deze bijna geen andere mogelijkheid tot antwoorden overblijft dan er eveneens in grote stijl en summier op los te beweren, zich aan algemene frases te buiten te gaan en de heer Dühring ten slotte ook weer met dooddoeners af te maken, om kort te gaan, wat men noemt leer-om-leer te spelen, wat niet iedereen naar de smaak is. Wij moeten daarom de heer Dühring onze dank betuigen dat hij van de hogere en edelere stijl bij uitzondering afstapt om ons althans twee voorbeelden van de verwerpelijke logosleer van Marx te geven.

‘Hoe lachwekkend doet bijvoorbeeld niet het beroep op de verwarde, nevelachtige voorstelling van Hegel aan, dat de kwantiteit in de kwaliteit omslaat, en dat daardoor een voorschot, wanneer het een bepaalde grens bereikt, alleen door de kwantitatieve vermeerdering tot kapitaal wordt.’

Dit ziet er stellig in deze door de heer Dühring ‘gezuiverde’ omschrijving zonderling genoeg uit. Gaan wij dus na hoe het er in het origineel bij Marx uitziet. Op blz. 313 (2de druk van Het Kapitaal) trekt Marx uit het daaraan voorafgaande onderzoek over constant en variabel kapitaal en meerwaarde de gevolgtrekking dat ‘niet iedere willekeurige geld- of waardesom in kapitaal te veranderen is, dat voor deze verandering veeleer een bepaald minimum aan geld of ruilwaarde in handen van de afzonderlijke geld- of warenbezitter voorondersteld is’ 

Hij neemt dan als voorbeeld, dat in de een of andere tak van arbeid de arbeider dagelijks 8 uur voor zichzelf, d.w.z. voor het voortbrengen van de waarde van zijn arbeidsloon, en de volgende 4 uur voor de kapitalist, voor het voortbrengen van de vooreerst in diens zak vloeiende meerwaarde, werkt. Dan moet iemand reeds over een waardesom beschikken, die hem veroorlooft twee arbeiders van grondstoffen, arbeidsmiddelen en arbeidsloon te voorzien om aan meerwaarde dagelijks zoveel op te strijken dat hij daarvan even goed leven kan als een van zijn arbeiders. En daar de kapitalistische productie niet enkel het levensonderhoud, maar de vermeerdering van de rijkdom ten doel heeft, zou onze man met zijn twee arbeiders nog altijd geen kapitalist zijn. Om nu tweemaal zo goed te leven als een gewone arbeider en de helft van de voortgebrachte meerwaarde in kapitaal om te zetten, zou hij acht arbeiders aan het werk moeten kunnen zetten. Hij zou dus al viermaal de zo-even aangenomen waardesom moeten bezitten. En eerst daarna, naast verdere uiteenzettingen om het feit toe te lichten en te bewijzen dat niet iedere willekeurige, kleine waardesom voldoende is om tot kapitaal te worden gemaakt, maar dat iedere ontwikkelingsperiode en iedere industrietak hiervoor hun bepaalde minimumgrenzen hebben, merkt Marx op:

‘Hier, evenals in de natuurwetenschap, wordt proefondervindelijk de juistheid van de door Hegel in zijn Logica ontdekte wet bewaarheid, dat louter kwantitatieve veranderingen op een bepaald punt in kwalitatieve verschillen omslaan.’ 

En nu bewondere men de hogere en edelere stijl, met behulp waarvan de heer Dühring Marx het tegenovergestelde van wat hij in werkelijkheid gezegd heeft, in de schoenen schuift. Marx zegt: het feit, dat een waardesom eerst dan tot kapitaal worden kan, zodra zij een, naar omstandigheden telkens verschillend, in ieder afzonderlijk geval echter bepaald, minimum bereikt heeft — dat feit is een bewijs voor de juistheid van de wet van Hegel. De heer Dühring laat hem zeggen: Omdat volgens de wet van Hegel kwantiteit in kwaliteit omslaat, ‘daarom’ wordt ‘een voorschot, wanneer het een bepaalde grens bereikt... tot kapitaal’. Dus precies het tegenovergestelde.

De gewoonte om in ‘het belang van de volle waarheid’ en de ‘plichten tegenover het onbevangen publiek’ verkeerd te citeren hebben wij reeds in de uiteenzetting van de heer Dühring over Darwin leren kennen. Het blijkt meer en meer dat dit een innerlijke noodzakelijkheid van de ‘werkelijkheidsfilosofie’ is, en het is ongetwijfeld een zeer ‘summiere methode’. Om er nog maar van te zwijgen dat de heer Dühring verder Marx in de schoenen schuift, dat hij van ieder willekeurig ‘voorschot’ spreekt terwijl hier slechts sprake is van dat bepaalde voorschot, dat uit grondstoffen, arbeidsmiddelen en arbeidsloon beslaat. En dat de heer Dühring het klaarspeelt Marx zuivere onzin te laten zeggen. En dan heeft hij nog de onbeschaamdheid de door hemzelf gefabriceerde onzin lachwekkend te vinden. Zoals hij een fantasie-Darwin fabriceerde om daarop zijn krachten te beproeven fabriceert hij hier een fantasie-Marx. ‘Geschiedschrijving in grote stijl’, inderdaad!

Hierboven, bij de wereldschematiek hebben wij reeds gezien dat de heer Dühring met deze hegeliaanse knopenlijn van maatverhoudingen, waarop op bepaalde punten van kwantitatieve verandering plotseling een kwalitatieve ommekeer optreedt, het ongelukje overkomen was die in een zwak ogenblik zelf te hebben erkend en toegepast. Wij gaven daar een van de bekendste voorbeelden, nl. dat van de verandering van de aggregatietoestanden van water, dat onder normale luchtdruk bij 0° C uit de vloeibare in de vaste en bij 100° C uit de vloeibare in de dampvormige toestand overgaat, waar dus op deze beide keerpunten de enkele kwantitatieve verandering van de temperatuur een kwalitatief veranderde toestand van het water teweegbrengt.

Wij zouden uit de natuur zowel als uit de mensenmaatschappij nog honderden van zulke feiten als bewijs voor deze wet kunnen aanvoeren. Zo behandelt bv. de gehele vierde afdeling van Marx’ Het Kapitaal. ‘Voortbrenging van de relatieve meerwaarde’, talloze gevallen op het gebied van coöperatie, arbeidsverdeling en manufactuur, machinerie en grote industrie, waarin kwantitatieve verandering de kwaliteit en eveneens kwalitatieve verandering de kwantiteit van de betreffende dingen verandert en waar dus, om die door de heer Dühring zozeer gehate uitdrukking te gebruiken, kwantiteit in kwaliteit omslaat, en omgekeerd. Zo bv. het feit dat de coöperatie van velen, het samensmelten van vele krachten tot een gezamenlijke kracht, een, om met Marx te spreken, ‘nieuwe krachtspotentie’ schept, die wezenlijk verschilt van de som van haar afzonderlijke krachten. 

Ten overvloede had Marx nog bij de passage, die de heer Dühring in het belang van de volle waarheid in haar tegendeel heeft veranderd, de opmerking gemaakt: ‘De in de moderne scheikunde toegepaste, door Laurent en Gerhardt het eerst wetenschappelijk uitgewerkte molecuultheorie berust op geen andere wet.’ Maar wat ging dat de heer Dühring aan? Hij wist immers:

‘De eminent moderne ontwikkelingselementen van de natuurwetenschappelijke denkwijze ontbreken juist daar, waar zoals bij de heer Marx en zijn concurrent Lassalle, de half-wetenschappen en een beetje quasi-gefilosofeer de schamele plunje voor een geleerde vertoning vormen’

- terwijl bij de heer Dühring ‘de grondstellingen van het exacte weten in mechanica, natuur- en scheikunde’ enz. de grondslag vormen — hoe, dat hebben wij reeds gezien. Opdat echter ook derden in staat gesteld worden te beslissen, willen wij het voorbeeld dat in de noot van Marx genoemd wordt nog wat nader beschouwen.

Het gaat hier namelijk om de homologe reeksen van koolstofverbindingen, waarvan men er reeds zeer vele kent en waarvan de samenstelling voor elke verbinding door haar eigen algebraïsche formule wordt weergegeven. Wanneer wij bv. zoals dat in de scheikunde gebruikelijk is, een atoom koolstof door C, een atoom waterstof door H, een atoom zuurstof door 0, het aantal van de in iedere verbinding aanwezige koolstofatomen, door n uitdrukken, dan kunnen wij de molecuulformules voor enige van deze reeksen aldus aangeven:

CnH2n+2 = reeks der normale paraffinen

CnH2n+20 = reeks der primaire alcoholen

CnH2n02 = reeks der éénbasische vetzuren.

Nemen wij als voorbeeld de laatste van die reeksen en stellen wij achtereenvolgens n=1, n=2, n=3 enz., dan verkrijgen wij de volgende resultaten (met weglating van de isomeren) :

 



kookpunt smeltpunt
CH202 mierenzuur 100°
C2H402 azijnzuur 118° 17°
C3H602 propionzuur 140°
C4H802 boterzuur 162°
C5H1002 valeriaanzuur 175°




 

en zo voort, tot C30H6002 melissinezuur, dat eerst bij 80° smelt en helemaal geen kookpunt heeft, omdat het absoluut niet zonder ontleding verdampt.

Hier zien wij dus een hele reeks van kwalitatief verschillende lichamen door eenvoudige kwantitatieve toevoeging van elementen gevormd en wel steeds in dezelfde verhouding. Het zuiverst treedt dit daar op waar alle elementen van de verbinding in gelijke verhouding hun kwantiteit veranderen, bv. bij de normale paraffinen CnH2n+2: het laagste is het methaan, CH4, een gas. Het hoogst bekende, het hexadekaan C16H34, een vast, kleurloze kristallen vormend lichaam, dat bij 21° smelt, en pas bij 278° kookt. In beide reeksen komt ieder nieuw lid door toevoeging van CH2, d.w.z. van een atoom koolstof en twee atomen waterstof, aan de molecuulformule van het vorige lid tot stand, en deze kwantitatieve verandering van de molecuulformule brengt telkens een kwalitatief verschillend lichaam tot stand.

Deze reeksen zijn echter slechts een bijzonder voor de hand liggend voorbeeld. Bijna overal in de scheikunde, reeds bij de verschillende oxiden van stikstof, in de verschillende zuren van fosfor of zwavel kan men zien hoe ‘kwantiteit in kwaliteit omslaat’, en hoe deze zogenaamde verwarde nevelachtige voorstelling van Hegel in de dingen en gebeurtenissen om zo te zeggen in levenden lijve te vinden is, waarbij intussen behalve de heer Dühring niemand verward en beneveld blijft. En wanneer Marx de eerste is die hierop de aandacht vestigde, en de heer Dühring de verwijzing daarnaar leest zonder die ook maar te begrijpen (want anders zou hij deze ongehoorde euveldaad stellig niet zo laten passeren), dan is dat genoeg om ook zonder acht te slaan op de roemrijke natuurfilosofie van Dühring, duidelijk te maken bij wie ‘de eminent-moderne ontwikkelingselementen van de natuurwetenschappelijke denkwijze’ ontbreken, bij Marx of bij de heer Dühring, en wie de bekendheid met de ‘grondstellingen ... van de scheikunde’ mist.

Tot slot willen wij nog een getuige voor het omslaan van kwantiteit in kwaliteit oproepen, namelijk Napoleon. Deze beschrijft het gevecht van de slechtrijdende, maar gedisciplineerde Franse cavalerie met de Mamelukken, die voor het gevecht van man tegen man ontegenzeggelijk de beste, hoewel ongedisciplineerde ruiterij van hun tijd waren, als volgt:

‘Twee Mamelukken waren stellig drie Fransen de baas; 100 Mamelukken stonden met 100 Fransen gelijk; 300 Fransen waren 300 Mamelukken meestal de baas, 1000 Fransen versloegen geregeld 1500 Mamelukken.’ 

Precies zoals bij Marx een bepaalde, zij het ook veranderlijke minimale grootte van de ruilwaardesom nodig was om haar overgang tot kapitaal mogelijk te maken, is bij Napoleon een bepaalde minimale grootte van de ruiterafdeling nodig om het aan de kracht van de discipline, die in een gesloten formatie en het vermogen om planmatige aanwijzingen te volgen ligt, mogelijk te maken aan de dag te treden en zodanig toe te nemen tot zij zelfs over grotere massa’s beter bereden, behendiger rijdende en vechtende en minstens even dappere ongeregelde cavalerie de overhand krijgt. Maar wat bewijst dat tegen de heer Dühring? Heeft Napoleon het in de strijd met Europa niet jammerlijk afgelegd? Heeft hij niet nederlaag op nederlaag geleden? En waarom? Alleen omdat hij de verwarde nevelvoorstelling van Hegel in de tactiek der cavalerie heeft ingevoerd!

 

 

 

 

XIII. Dialectiek. Negatie van de negatie

 

‘Deze historische schets (de genesis van de zogenaamde oorspronkelijke kapitaalaccumulatie in Engeland) is naar verhouding nog het beste in het boek van Marx en zou nog beter zijn wanneer zij zich niet, behalve op geleerdheidskrukken, ook nog op dialectische krukken voortbewogen had. De van Hegel afkomstige ontkenning van de ontkenning moet hier namelijk hij gebrek aan betere en duidelijkere middelen als vroedvrouw optreden, waardoor de toekomst uit de schoot van het verleden verlost wordt. De opheffing van de individuele eigendom, die zich op de aangegeven wijze sinds de 16e eeuw heeft voltrokken, is de eerste ontkenning. Daarop zal een tweede volgen, die zich als ontkenning van de ontkenning en dus als herstel van de ‘individuele eigendom’, maar in een hogere, op gemeenschappelijk bezit van grond en arbeidsmiddelen berustende vorm kenmerkt. Wanneer deze nieuwe ‘individuele eigendom’ bij de heer Marx tegelijk ook ‘maatschappelijke eigendom’ is genoemd dan blijkt daaruit immers de hegeliaanse hogere eenheid waarin de tegenstrijdigheid opgeheven, nl. volgens het woordenspel zowel overwonnen als bewaard gebleven zou zijn... De onteigening van de onteigenaars is bijgevolg het om zo te zeggen automatische resultaat van de historische werkelijkheid in haar materieel uiterlijke verhoudingen... Op grond van Hegels holle frasen, zoals de negatie van de negatie er een is, zou een bezonnen man zich wel nauwelijks van de noodzakelijkheid van het gemeenschapsbezit van grond en kapitaal laten overtuigen... De nevelachtige tweeslachtigheid van Marx’ voorstellingen zal overigens niemand verbazen, die weet wat met de dialectiek van Hegel als wetenschappelijke grondslag gerijmd kan worden of wat die veeleer aan ongerijmdheden voort moet brengen. Voor de niet-kenner van deze kunsten moet er uitdrukkelijk op gewezen worden dat de eerste negatie bij Hegel het catechismusbegrip van de zondeval en de tweede een naar verlossing voerende hogere eenheid is. Op deze kluchtige analogie die aan het gebied van de religie ontleend is zal de logica van de feiten toch zeker niet te funderen zijn... De heer Marx blijft tevreden in de nevelwereld van zijn tegelijk individuele en maatschappelijke eigendom en laat het aan zijn aanhangers over, zelf het diepzinnige dialectische raadsel op te lossen.’

Tot zover de heer Dühring.

Marx kan dus de noodzakelijkheid van de sociale revolutie, van de invoering van gemeenschappelijke eigendom van de grond en van de door de arbeid voortgebrachte productiemiddelen, niet anders bewijzen dan door zich op Hegels negatie van de negatie te beroepen. En terwijl hij zijn socialistische theorie op die aan de religie ontleende kluchtige analogie grondvest komt hij tot het resultaat dat in de toekomstige maatschappij een tegelijk individueel en gemeenschappelijk eigendom als hegeliaanse hogere eenheid van de opgeheven tegenstrijdigheid heersen zal.

Laten wij voorlopig de negatie van de negatie voor wat zij is, en bezien wij de ‘tegelijk individuele en maatschappelijke eigendom’. Dit wordt door de heer Dühring ‘een nevelwereld’ genoemd en merkwaardig genoeg, heeft hij daarin werkelijk gelijk. Helaas is het echter niet Marx die zich in deze nevelwereld bevindt, maar weer is het de heer Dühring zelf. Zoals hij nl. reeds tevoren, dank zij zijn behendigheid in ‘t toepassen van Hegels methode van het ‘delireren’ zonder moeite kon vaststellen, wat de nog onvoltooide delen van Het Kapitaal moesten inhouden, zo kan hij ook hier zonder grote moeite Marx naar Hegel verbeteren, door hem een hogere eenheid van de eigendom toe te dichten waarover Marx geen woord gezegd heeft.

Marx heeft gezegd: ‘Het is negatie van de negatie. Deze herstelt de individuele eigendom, maar op de grondslag van het bereikte in de kapitalistische periode, van de samenwerking van vrije arbeiders en van hun gemeenschappelijke eigendom van de grond en van de door de arbeid zelf voortgebrachte productiemiddelen. De verandering van de op eigen arbeid berustende, versnipperde particuliere eigendom van de individuen in kapitalistische eigendom is natuurlijk een proces, onvergelijkelijk langduriger, harder en moeilijker dan de verandering van de feitelijk reeds op maatschappelijk productiebedrijf berustende kapitalistische particuliere eigendom in maatschappelijke eigendom’.  Dat is alles. De door de onteigening van de onteigenaars geschapen toestand wordt dus aan geduid als het herstel van de individuele eigendom, maar op grondslag van de maatschappelijke eigendom van de grond en de door de arbeid zelf voortgebrachte productiemiddelen. Voor ieder die Duits verstaat betekent dit, dat de maatschappelijke eigendom zich uitstrekt over de grond en de andere productiemiddelen en de individuele eigendom over de producten, dus de verbruiksvoorwerpen. En opdat de zaak ook voor kinderen van 6 jaar begrijpelijk worde, neemt Marx op blz. 56 aan: een ‘vereniging van vrije mensen die met gemeenschappelijke productiemiddelen werken en hun velen individuele arbeidskrach ten zelfbewust als een maatschappelijke arbeidskracht aanwenden’, dus een socialistisch georganiseerde vereniging, en zegt: ‘Het totale product van de vereniging is een maatschappelijk product. Een deel van dit product dient weer als productiemiddel. Het blijft maatschappelijk.Maar een ander deel wordt als levensmiddelen door de leden van de vereniging verbruikt. Het moet daarom onder hen worden verdeeld’.  En dat is toch wel duidelijk genoeg, zelfs voor het verhegeld verstand van de heer Dühring.

De tegelijk individuele en maatschappelijke eigendom, die verwarde tweeslachtigheid, die noodzakelijkerwijs uit de dialectiek van Hegel voortkomende ongerijmdheid, die nevelwereld, dit diepzinnige dialectische raadsel, dat Marx aan zijn aanhangers ter oplossing overlaat — het is wederom een vrije schepping en verbeelding van de heer Dühring. Marx zou als vermeende hegeliaan verplicht zijn, als resultaat van de negatie van de negatie, een echte hogere eenheid te leveren en daar hij dit niet naar de smaak van de heer Dühring doet moet deze weer in de hogere en edelere stijl vervallen en Marx in het belang van de volle waarheid dingen toedichten die het hoogst eigen fabrikaat van de heer Dühring zijn. Een man die zo helemaal niet in staat is ook maar bij wijze van uitzondering juist te citeren, mag wel in zedelijke verontwaardiging geraken ten opzichte van de ‘Chinezengeleerdheid’ van anderen die zonder uitzondering juist citeren, maar juist daardoor ‘hun gebrek aan inzicht in het totaal der ideeën van de telkens aangehaalde schrijvers slecht verbergen.’ De heer Dühring heeft gelijk. Leve de geschiedschrijving in grote stijl!

Tot dusver zijn wij van de veronderstelling uitgegaan, dat het hardnekkig verkeerd citeren door de heer Dühring tenminste te goeder trouw gebeurde en óf op een hem eigen volmaakt onvermogen tot begrijpen berust, óf op een voor de geschiedschrijving in grote stijl karakteristieke, anders ook wel met slordig aangeduide gewoonte uit het geheugen te citeren. Het schijnt echter dat wij hier op het punt zijn aangekomen waar ook bij de heer Dühring de kwantiteit in de kwaliteit omslaat. Want wanneer wij overwegen dat ten eerste de passage bij Marx op zichzelf volkomen duidelijk is en bovendien nog door een andere passage in hetzelfde boek, die ten enenmale geen misverstand toelaat, aangevuld wordt; dat ten tweede noch in de bovengenoemde kritiek op Het Kapitaal in de Ergänzungsblätter, noch ook in die van de eerste druk van de Kritische geschiedenis, de heer Dühring dat monster van ‘tegelijk individuele en maatschappelijke eigendom’ ontdekt had, maar pas in de tweede druk, dus de derde lezing; dat de heer Dühring het nodig had om Marx, in deze socialistisch omgewerkte tweede druk, over de toekomstige organisatie van de maatschappij de grootst mogelijke onzin te laten zeggen, om daartegenover zoals hij dan ook doet — ‘de bedrijfscommune die ik in mijn “Cursus” economisch en juridisch geschetst heb’ des te zegevierender te kunnen demonstreren — wanneer wij dat alles overwegen, dan worden wij gedwongen te concluderen, dat de heer Dühring ons bijna dwingt aan te nemen dat hij de gedachte van Marx hier met voorbedachten rade ‘weldadig uitgebreid’ heeft — weldadig voor de heer Dühring.

Welke rol speelt nu bij Marx de negatie van de negatie? Op blz. 791 e.v. vat hij het eindresultaat samen van het in de voorafgaande vijftig bladzijden verrichte economische en historische onderzoek naar de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal.  Vóór de kapitalistische periode bestond, althans in Engeland, kleinbedrijf op de grondslag van privaatbezit van de productiemiddelen door de arbeider. De zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal bestond hier in de onteigening van deze onmiddellijke producenten, d.w.z. in de opheffing van de op eigen arbeid berustende particuliere eigendom. Dit werd mogelijk omdat bedoeld kleinbedrijf slechts met een enge, natuurlijke begrensdheid van de productie en van de maatschappij verenigbaar is en der halve bij een zekere graad van ontwikkeling de materiële middelen tot zijn eigen vernietiging ter wereld brengt. Deze vernietiging, de verandering van de individuele en versnipperde productiemiddelen in maatschappelijk geconcentreerde, vormt de voorgeschiedenis van het kapitaal. Zodra de arbeiders in proletariërs, hun arbeidsmiddelen in kapitaal veranderd zijn, zodra de kapitalistische productiewijze op eigen benen staat, krijgt de verdere vermaatschappelijking van de arbeid en de verdere verandering van de grond en van de andere productiemiddelen, dus de verdere onteigening van de privaatbezitters, een nieuwe vorm. ‘Wat nu te onteigenen valt, is niet meer de een eigen bedrijf uitoefenende arbeider, maar de vele arbeiders uitbuitende kapitalist. Deze onteigening voltrekt zich door het spel van de wetten die in de kapitalistische productiewijze zelf besloten liggen, door de concentratie van de kapitalen. Een enkele kapitalist slaat er vele dood. Hand aan hand met deze concentratie of met de onteigening van vele kapitalisten door weinige, ontwikkelt zich de coöperatieve vorm van het arbeidsproces op steeds grotere schaal, de bewuste technologische toepassing van de wetenschap, de planmatig-gemeenschappelijke exploitatie van de grond, de verandering van de arbeidsmiddelen in uitsluitend gemeenschappelijk toepasbare arbeidsmiddelen en het zo voordelig mogelijke gebruik van alle productiemiddelen door ze toe te passen als gemeenschappelijke productiemiddelen bij gecombineerde, maatschappelijke arbeid. Met het gestadig afnemen van het aantal kapitaalmagnaten die alle voordelen van dit omwentelingsproces usurperen en monopoliseren, neemt de massa van de ellende, de verdrukking, de knechting, ontaarding en uitbuiting toe, maar groeit ook de opstandigheid van de steeds aanzwellende en door het mechanisme van het kapitalistische productieproces zelf geschoolde, verenigde en georganiseerde arbeidersklasse. Het kapitaal wordt tot kluister van de productiewijze die met en onder het kapitaal is opgebloeid. De concentratie van de productiemiddelen en de vermaatschappelijking van de arbeid bereiken een punt, waar ze onverenigbaar worden met hun kapitalistisch omhulsel. Dit wordt verbroken. Het laatste uur van de kapitalistische particuliere eigendom slaat. De onteigenaars worden onteigend.’ 

En nu vraag ik de lezer: waar zijn de dialectisch verdraaide kronkelgangen en voorstellingstierelantijntjes, waar de meng- en wanvoorstelling ten gevolge waarvan alles per slot van rekening een en hetzelfde zou zijn. Waar zijn de dialectische wonderen voor de gelovigen, waar de dialectische geheimzinnigdoenerij en de kronkelgangen naar de maatstaf van Hegels logosleer, zonder welke Marx, volgens de heer Dühring, zijn uiteenzetting niet tot stand kan brengen? Marx toont eenvoudig historisch aan en vat hier kort samen, dat zoals eenmaal het kleinbedrijf door zijn eigen ontwikkeling de voorwaarden tot zijn vernietiging, d.w.z. tot de onteigening van de kleine bezitters, noodzakelijkerwijze schiep, de kapitalistische productiewijze nu eveneens de materiële voorwaarden zelf geschapen heeft waaraan zij te gronde moet gaan. Het is een historisch proces, en wanneer het tegelijk een dialectisch proces is, dan is dat niet de schuld van Marx, hoe fataal dit voor de heer Dühring ook mag zijn.

Pas nadat Marx met zijn historisch-economisch bewijs klaar is, gaat hij voort: ‘De kapitalistische productie- en toeëigeningswijze, en daarmede de kapitalistische particuliere eigendom, is de eerste negatie van de individuele op eigen arbeid berustende particuliere eigendom. De negatie van de kapitalistische productie wordt door haar zelf met de noodzakelijkheid van een natuurproces voortgebracht. Het is negatie van de negatie’, enz. (zoals hierboven aangehaald). 

Waar Marx dus het gebeuren als negatie van de negatie aanduidt, denkt hij er niet aan het daardoor te willen bewijzen als een historisch noodzakelijk gebeuren. Integendeel: nadat hij geschiedkundig bewezen heeft dat het gebeuren inderdaad deels plaatsgevonden heeft, anderdeels nog moet plaatsvinden, duidt hij het bovendien als een gebeuren aan dat volgens een bepaalde dialectische wet plaatsvindt. Dat is alles. Het is dus weer louter een toedichting van de heer Dühring wanneer hij beweert dat de negatie van de negatie hier verloskundige diensten verrichten moet, waardoor de toekomst uit de schoot van het verleden verlost wordt, of dat Marx eist dat men zich in goed geloof aan de negatie van de negatie laat overtuigen van de noodzakelijkheid van gemeenschappelijk bezit van grond en kapitaal (wat op zich zelf een verwerkelijkte tegenstrijdigheid à la Dühring is).

Het is reeds een totaal gebrek aan inzicht in de aard van de dialectiek, wanneer de heer Dühring haar voor een eenvoudig bewijsinstrument houdt, ongeveer als men op bekrompen wijze de formele logica of de elementaire wiskunde opvatten kan. Zelfs de formele logica is voor alles een methode voor het opsporen van nieuwe resultaten, voor het voortgaan van het bekende naar het onbekende, en datzelfde, maar in een veel hogere zin, is de dialectiek die bovendien, omdat zij de enge horizon van de formele logica doorbreekt, de kiem in zich draagt van een meer omvattende wereldbeschouwing. In de wiskunde bestaat dezelfde verhouding. De elementaire wiskunde, de wiskunde van de constante grootheden, beweegt zich binnen de grenzen van de formele logica, althans in het algemeen. De wiskunde van de veranderlijke grootheden, waarvan het belangrijkste gedeelte de differentiaal- en integraalrekening is, is in wezen niets anders dan de toepassing van de dialectiek op wiskundige verhoudingen. Het alleen maar bewijzen treedt hier stellig op de achtergrond tegenover de veelvoudige toepassing van deze methode op nieuwe gebieden van onderzoek. Maar bijna alle bewijzen van de hogere wiskunde, te beginnen met de eersten van de differentiaalrekening, zijn van het standpunt van de elementaire wiskunde strikt genomen foutief. Dit kan niet anders wanneer men, zoals hier gebeurt, de op dialectisch gebied verkregen resultaten door middel van de formele logica wil bewijzen. Om aan een zo krasse metafysicus als de heer Dühring door middel van de dialectiek iets te willen bewijzen, zou dezelfde verloren moeite zijn als Leibniz en zijn leerlingen hebben gehad, om aan de toenmalige wiskundigen de stellingen van de differentiaal- en integraalrekening te bewijzen. De differentiaal veroorzaakte bij hen dezelfde krampen als bij de heer Dühring de negatie van de negatie, waarin zij overigens, zoals wij zullen zien, ook een rol speelt. De heren gaven tenslotte, voor zover zij intussen niet stierven, brommend toe. Niet omdat zij overtuigd waren, maar omdat het altijd goed uitkwam. De heer Dühring is zoals hijzelf zegt pas in de veertig en wanneer hij het tot de hoge leeftijd brengt, die wij hem toewensen, zal hij hetzelfde ook nog kunnen beleven.

Maar wat is dan die verschrikkelijke negatie van de negatie, die de heer Dühring het leven zo zuur maakt die bij hem dezelfde rol van de onvergeeflijke misdaad speelt als in het christendom de zonde tegen de heilige geest? Een zeer eenvoudig, overal en dagelijks zich voltrekkend proces, dat ieder kind begrijpen kan zodra men de geheimzinnigdoenerij aan de kant zet, waaronder de oude idealistische filosofie haar verstopte, en waaronder haar ook verder te verstoppen in het belang is van hulpeloze metafysici van het slag van de heer Dühring. Nemen wij een gerstekorrel. Miljoenen van zulke gerstekorrels worden vermalen, gekookt, verstookt en dan verbruikt. Maar komt zulk een gerstekorrel in voor haar normale omstandigheden, valt hij op een geschikte bodem, dan vindt er onder de invloed van warmte en vochtigheid een eigenaardige verandering in plaats, hij ontkiemt. De korrel als zodanig vergaat, ondergaat negatie, in plaats daarvan treedt de daaruit ontstane plant, de negatie van de korrel. Maar wat is de normale levensloop van die plant? Zij groeit, bloeit, wordt bevrucht en brengt tenslotte weer gerstekorrels voort en zodra die gerijpt zijn sterft de halm af, ondergaat op zijn beurt negatie. Als resultaat van deze negatie van de negatie hebben wij weer de aanvankelijke gerstekorrel, maar niet enkelvoudig, doch tien-, twintig-, dertigvoudig. Graansoorten veranderen uiterst langzaam en zo is de gerst van heden vrijwel gelijk aan die van honderd jaar geleden. Nemen wij echter een voor verandering vatbare sierplant, bv. een dahlia of orchidee; behandelen wij het zaad en de daaruit ontstaande planten volgens de kunst van de kweker dan krijgen wij als uitkomst van deze negatie van de negatie niet slechts méér zaad, maar ook kwalitatief verbeterd zaad, dat mooiere bloemen voortbrengt en iedere herhaling van dit proces, iedere nieuwe negatie van de negatie verhoogt deze veredeling. — Op soortgelijke wijze als bij de gerstekorrel voltrekt zich dit proces bij de meeste insecten, bv. de vlinders. Zij ontstaan uit het ei door de negatie van het ei, maken tot aan de geslachtsrijpheid hun gedaanteverwisselingen door. Paren en ondergaan weer een negatie doordat zij sterven, zodra het paringsproces voltooid is en het wijfje haar talrijke eieren heeft gelegd. Dat dit bij andere planten en dieren niet op zo eenvoudige wijze toegaat. Dat zij niet eenmaal, maar meermalen zaden, eieren of jongen voortbrengen eer zij sterven, gaat ons hier nog niets aan. Wij hebben hier slechts aan te tonen dat de negatie van de negatie in de beide rijken van de organische wereld werkelijk voorkomt. Verder is de hele geologie een reeks van negaties, die op hun beurt negatie ondergaan, een reeks van elkaar opvolgende vernietigingen van oude, en afzettingen van nieuwe steenvormingen. Eerst werd de oorspronkelijke, uit de afkoeling van de vloeibare massa ontstane aardkorst door inwerking der oceanen en van weersgesteldheid en door inwerkingen van atmosferisch-chemische aard vergruisd en deze vergruizelde massa op de zeebodem in lagen afgezet. Plaatselijke verheffingen van de zeebodem boven de zeespiegel stellen delen van die eerste laag opnieuw bloot aan de inwerking van de regen, van de wisselende temperatuur van de jaargetijden, van de zuurstof en het koolzuur van de dampkring. Aan dezelfde inwerkingen staan de gesmolten en later afgekoelde steenmassa’s bloot, die uit het binnenste der aarde naar buiten komen en zich door de lagen heen een weg banen. In de loop van miljoenen eeuwen worden aldus steeds nieuwe lagen gevormd, steeds weer grotendeels vernietigd en steeds weer als bouwstof voor nieuwe lagen gebruikt. Maar het resultaat is zeer positief: de totstandkoming van een uit de meest uiteenlopende chemische elementen bestaande bodem in een toestand van mechanische vergruizeling, die de meest massale en meest veelsoortige plantengroei mogelijk maakt.

Evenzo in de wiskunde. Nemen wij een willekeurige algebraïsche grootheid, bv. a. Negeren wij haar, dan hebben wij -a (min a). Negeren wij deze negatie, doordat wij -a met -avermenigvuldigen, dan hebben wij +a2, d.w.z. de oorspronkelijke positieve grootheid, maar op een hogere trap, nl. tot de tweede macht. Ook hier doet het niets terzake dat wij dezelfdea2daardoor kunnen verkrijgen, dat wij de positieve a met zichzelf vermenigvuldigen en daardoor a2 verkrijgen. Want de genegeerde negatie zit zo stevig in de a2, dat het onder alle omstandigheden twee vierkantswortels heeft, namelijk a en -a. En deze onmogelijkheid om de genegeerde negatie, de in het kwadraat aanwezige negatieve wortel weg te werken, krijgt een zeer tastbare betekenis, reeds bij de vierkantsvergelijkingen. — Nog treffender treedt de negatie van de negatie op bij de hogere analyse, bij die ‘optellingen van oneindig kleine grootheden’, die de heer Dühring zelf voor de hoogste bewerkingen in de wiskunde verklaart en die men in de gewone taal aanduidt met differentiaal- en integraalrekening. Hoe gaat het bij deze rekenwijze in z’n werk? Ik heb bv. in een bepaalde opgave twee veranderlijke grootheden x en y, waarvan de een niet kan veranderen, zonder dat de andere in een door de omstandigheden bepaalde verhouding mee verandert. Ik differentieer x en y, d.w.z. ik neem x en y zo oneindig klein aan dat zij tegenover iedere nog zo kleine werkelijke grootheid verdwijnen, dat van x en y niets overblijft dan hun wederkerige verhouding, maar om zo te zeggen zonder een spoor van materiële grondslag, een kwantitatieve verhouding zonder enige kwantiteit.

Dus is dy/dx de verhouding van de beide differentialen van x en y gelijk 0/0 maar 0/0 gesteld als uitdrukking van y/x .

Dat deze verhouding tussen twee verdwenen grootheden, het vastgelegde ogenblik van hun verdwijning, een tegenstrijdigheid is merk ik maar terloops op. Dit kan ons echter evenmin storen als het de wiskunde zelf bijna tweehonderd jaar lang gestoord heeft. Wat heb ik dus anders gedaan dan dat ik x en y genegeerd heb, maar niet zo genegeerd dat ik mij niet meer om hen bekommer, zoals de metafysica negeert, maar op de wijze die met de stand van zaken in overeenstemming is? In plaats van x en y heb ik dus hun negatie dx en dy in de voor mij liggende formules of vergelijkingen. Ik reken nu met deze formules verder, behandel dx en dy als werkelijke, zij het dan ook aan zekere uitzonderingswetten onderworpen grootheden, en op een bepaald punt negeer ik de negatie, d.w.z. ik integreer de differentiaalformule, ik krijg in plaats van dx en dy weer de werkelijke grootheden x en y en ben dan geenszins weer zo ver als bij het begin, maar ik heb daarmee het vraagstuk opgelost, waarop de gewone meetkunde en algebra zich wellicht vergeefs de tanden hadden stukgebeten.

Niet anders is het in de geschiedenis. Alle cultuurvolkeren beginnen met de gemeenschappelijke eigendom van de bodem. Bij alle volkeren, die boven een zekere oorspronkelijke trap van ontwikkeling uitkomen, wordt deze gemeenschappelijke eigendom, in de loop van de ontwikkeling van de landbouw, een rem voor de productie. Hij wordt afgeschaft, ondergaat negatie en wordt na korter of langer durende tussenstadia in particuliere eigendom veranderd. Maar op een hogere, door de particuliere eigendom van de bodem zelf veroorzaakte ontwikkelingstrap van de landbouw wordt omgekeerd de particuliere eigendom een rem voor de productie — zoals dat vandaag het geval is, zowel met het klein als met het grootgrondbezit. De eis, het eveneens negatie te doen ondergaan, het weer in gemeenschappelijke eigendom te veranderen, komt met noodzakelijkheid naar voren. Maar deze eis betekent niet het herstel van de oude oorspronkelijke gemeenschapseigendom, maar het tot stand brengen van een veel hogere, een meer ontwikkelde vorm van gemeenschapsbezit, die verre van voor de productie een hindernis te worden, deze veeleer eerst van haar boeien zal bevrijden en haar in staat zal stellen volledig van de moderne scheikundige ontdekkingen en mechanische uitvindingen gebruik te maken.

Of wel: de antieke wijsbegeerte was oorspronkelijk, elementair materialisme. Als zodanig was zij niet bij machte de verhouding tussen het denken en de materie tot klaarheid te brengen. De noodzakelijkheid echter om hierover klaarheid te verkrijgen, voerde tot de leer van een van het lichaam scheidbare ziel, daarop tot de stelling van de onsterfelijkheid van die ziel en eindelijk tot het monotheïsme. Het oude materialisme werd zodoende aan negatie onderworpen van de zijde van het idealisme. Maar in de verdere ontwikkeling van de filosofie werd ook het idealisme onhoudbaar en werd het door het moderne materialisme aan negatie onderworpen. Dit, de negatie van de negatie, is niet enkel het herstellen van het oude, maar voegt aan de blijvende grondslagen daarvan nog de gehele denkinhoud van een tweeduizendjarige ontwikkeling van de filosofie en de natuurwetenschap, benevens van deze tweeduizendjarige geschiedenis zelf toe. Het is in het geheel geen filosofie meer, maar een eenvoudige wereldbeschouwing die niet tot taak heeft een aparte wetenschap van de wetenschap te zijn, maar in de werkelijke wetenschappen zijn deugdelijkheid en praktische bruikbaarheid waar te maken. De filosofie is hier dus ‘opgeheven’, d.w.z. ‘zowel overwonnen als bewaard’; overwonnen wat haar vorm betreft, bewaard wat betreft haar werkelijke inhoud. Waar de heer Dühring slechts een ‘spel met woorden’ ziet, is bij nauwkeuriger toezien dus een werkelijke inhoud te vinden.

En tenslotte: zelfs de gelijkheidsleer van Rousseau, waarvan die van Dühring slechts een slap vervalst aftreksel is, komt niet tot stand zonder dat Hegels negatie van de negatie — en dat nog wel bijna twintig jaar voor de geboorte van Hegel  — verloskundige diensten verrichten moet. En verre van zich daarover te schamen, spreidt die leer in haar eerste uiteenzetting de stempel van haar dialectische herkomst bijna pronkend ten toon. Als natuurschepselen en wilden waren de mensen gelijk. En aangezien Rousseau reeds de taal als een vervalsing van de natuurtoestand beschouwt, heeft hij volkomen gelijk wanneer hij de gelijkheid van dieren van één soort, zover die reikt, ook diermensen die Haeckel, onlangs hypothetisch geclassificeerd als Alali — wezens die niet kunnen spreken . Maar deze gelijke diermensen hadden op de overige dieren een eigenschap voor: de vervolmaakbaarheid, het vermogen om zich verder te ontwikkelen. En dit werd de oorzaak van de ongelijkheid. Rousseau beschouwt dus het ontstaan van de ongelijkheid als een stap voorwaarts. Maar deze stap voorwaarts droeg een tegenstrijdigheid in zich, zij was tegelijk een stap achterwaarts.

‘Elke verdere vooruitgang (boven de oertoestand uit) betekende schijnbaar evenzovele stappen naar de vervolmaking van de afzonderlijke mens, in werkelijkheid echter naar het verval van de soort... De bewerking van metaal en de landbouw waren de twee kundigheden, waarvan de uitvinding deze grote revolutie teweeggebracht heeft’ (de omzetting van oerwoud in bouwland, maar ook de invoering van de ellende en de knechting door middel van de eigendom). ‘Voor de dichter hebben goud en zilver, voor de filosoof hebben ijzer en graan de mensengeciviliseerd en het menselijk geslacht geruïneerd’. 

Iedere nieuwe vooruitgang van de beschaving is tegelijkertijd een opnieuw voortschrijden van de ongelijkheid. Alle instellingen in het leven geroepen door de samenleving die met de beschaving ontstaan is, slaan in het tegendeel van hun oorspronkelijk doel om.

‘Het is onbetwistbaar een grondwet van het hele staatsrecht dat de volkeren zich van vorsten voorzien hebben om hun vrijheid te beschermen, maar niet om die te vernietigen.’

En toch worden die vorsten noodzakelijkerwijze de onderdrukkers van de volkeren en voeren die onderdrukking tot het punt waar de ongelijkheid, op de uiterste spits gedreven, weer in haar tegendeel omslaat, — oorzaak van de gelijkheid wordt: tegenover de despoot zijn allen gelijk, nl. gelijk nul.

‘Hier is de uiterste graad van de ongelijkheid, het eindpunt dat de kring afsluit en het punt raakt vanwaar wij zijn uitgegaan.  Hier worden alle particuliere personen gelijk, juist omdat zij niets zijn en de onderdanen geen andere wet meer hebben dan de wil van hun heer.’ Maar de despoot is slechts heer zolang hij over geweld beschikt en daarom kan hij, zodra men hem ‘verdrijft zich niet over het geweld beklagen... het geweld hield hem staande, het geweld werpt hem omver, alles gaat zijn juiste, natuurlijke gang’.

En zo slaat de ongelijkheid weer in gelijkheid om, maar niet in de oude uit de natuur geboren gelijkheid van de oermensen die niet spreken konden, maar in de hogere van het maatschappelijke verdrag. De onderdrukkers worden onderdrukt. Het is de negatie van de negatie.

Wij hebben hier dus reeds bij Rousseau niet slechts een gedachtegang die op een haar gelijkt op die welke Marx in Het Kapitaal volgt, maar ook in bijzonderheden een hele reeks van dezelfde soort dialectische wendingen waarvan Marx zich bedient: processen die naar hun aard innerlijk tegenstrijdig zijn, een tegenstrijdigheid in zichzelf bevatten, het omslaan van een uiterste in zijn tegendeel, en eindelijk als kern van het geheel de negatie van de negatie. Wanneer Rousseau dus in 1754 nog geen Hegelbargoens kon spreken, dan is hij toch 16 jaren voor Hegels geboorte hevig door de Hegelpest, tegenstrijdigheidsdialectiek, logosleer, theologisterij enz. aangetast. En wanneer de heer Dühring in zijn vulgarisering van Rousseau’s gelijkheidstheorie met zijn fameuze twee mannen opereert, dan is hij ook reeds op het hellend vlak, waarlangs hij reddeloos in de armen der negatie van de negatie afglijdt. De toestand waarin de gelijkheid van de twee mannen bloeit, en die ook wel als een ideaaltoestand geschilderd wordt, is op blz. 271 van de ‘Filosofie’ als ‘oertoestand’ aangeduid. Deze oertoestand wordt echter volgens blz. 279 noodzakelijkerwijze door het ‘roofsysteem’ opgeheven — eerste negatie. Maar wij zijn thans, dank zij de ‘werkelijkheidsfilosofie’ zover gekomen, dat wij het roofsysteem afschaffen en in plaats daarvan de door de heer Dühring uitgevonden, op gelijkheid berustende bedrijfscommune invoeren — negatie van de negatie, gelijkheid op hogere trap. Een vermakelijk, de gezichtskring weldadig verruimend schouwspel is het te zien hoe de heer Dühring de halsmisdaad der negatie van de negatie in hoogst eigen persoon zelf begaat!

Wat is dus de negatie van de negatie? Een uiterst algemene en juist daarom uiterst vérstrekkende, belangrijke ontwikkelingswet van de natuur, van de geschiedenis en van het denken. Een wet die zich zoals wij gezien hebben, in de dieren- en plantenwereld, in de geologie, in de wiskunde, in de geschiedenis, in de filosofie doet gelden en welke zelfs de heer Dühring, zonder zich dit bewust te zijn en ondanks al zijn tegenspartelen, op zijn wijze moet volgen. Het spreekt vanzelf dat ik over het speciale ontwikkelingsproces, dat de gerstekorrel bv. van het ontkiemen tot het afsterven van de vruchtdragende plant doormaakt, in het geheel niets zeg, wanneer ik zeg dat het negatie van de negatie is. Want aangezien de integraalrekening ook negatie van de negatie is, zou ik met de tegenovergestelde bewering slechts de onzin beweren dat het levensproces van de gerstehalm integraalrekening of voor mijn part zelfs socialisme zou zijn. Dit is echter wat de metafysici de dialectiek voortdurend in de schoenen schuiven. Wanneer ik van al deze processen zeg dat zij negatie van de negatie zijn, dan vat ik ze alle onder deze ene bewegingswet samen en laat daarom juist de bijzonderheden van elk afzonderlijk speciaal proces buiten beschouwing. De dialectiek echter is niets anders van de wetenschap van de algemene bewegings- en ontwikkelingswetten van de natuur, van de menselijke samenleving en van het denken.

Nu kan men echter tegenwerpen: de hier voltrokken negatie is in het geheel geen echte negatie. Ik onderwerp een gerstekorrel ook aan negatie, wanneer ik die vermaal, een insect wanneer ik het vertrap, de positieve grootheid a, wanneer ik haar doorschrap enz. Of ik ontken de stelling: de roos is een roos. Wanneer ik zeg: de roos is geen roos. En wat levert het op wanneer ik deze negatie weer ontken en zeg: maar de roos is toch een roos? — Deze tegenwerpingen zijn inderdaad de hoofdargumenten van de metafysici tegen de dialectiek en de geborneerdheid van hun denken volkomen waardig. Ontkennen in de dialectiek betekent niet eenvoudig neen-zeggen, of een ding voor niet-bestaand verklaren, of het op willekeurige wijze vernietigen. Reeds Spinoza zegt: omnis determinatio est negatio, iedere begrenzing of bepaling is tegelijk een negatie . En verder is de aard van de negatie hier bepaald, ten eerste door de algemene en ten tweede door de bijzondere aard van het proces. Ik moet niet slechts aan negatie onderwerpen, maar ook de negatie weer opheffen. Ik moet dus de eerste negatie zo inrichten dat de tweede mogelijk blijft of wordt. Hoe? Al naar de bijzondere aard van ieder afzonderlijk geval. Vermaal ik een gerstekorrel, vertrap ik een insect, dan heb ik wel de eerste daad volvoerd, maar de tweede onmogelijk gemaakt. Ieder soort dingen heeft dus zijn eigen wijze van negatie te ondergaan, zó dat dit een ontwikkeling oplevert en zo ook ieder soort voorstellingen en begrippen. In infinitesimaalrekening wordt anders genegeerd dan bij het verkrijgen van positieve machten uit negatieve wortels. Zoals alles moet men ook dit leren. Wanneer ik alleen weet dat gerstehalm en differentiaalrekening onder de negatie van de negatie vallen, kan ik noch met succes gerst verbouwen, noch differentiëren en integreren, evenmin als ik, enkel gewapend met de wetten van de bepaling der toonhoogte door de afmetingen van de snaren zonder meer viool kan spelen. — Het is echter duidelijk, dat een negatie van de negatie, die uit de kinderachtige bezigheid bestaat van om de beurt een a te zetten en weer uit te schrappen, of beurtelings van een roos te beweren, het is een roos en het is er geen, niets anders oplevert dan een getuigschrift van de onnozelheid van ieder die zich met zulke vervelende beuzelarijen bezighoudt. En toch zouden de metafysici ons willen wijsmaken dat wanneer wij eenmaal de negatie van de negatie zouden willen toepassen, dit dan de juiste manier zou zijn.

Het is dus wederom niemand anders dan de heer Dühring die ons beetneemt wanneer hij beweert, dat de negatie van de negatie een bedenksel zou zijn van Hegel, door hem ontleend aan het gebied van de religie en berustend op een kluchtige overeenstemming met de geschiedenis van de zondeval en de verlossing. De mensen hebben dialectisch gedacht, lang voor zij wisten wat dialectiek was, precies zoals zij reeds proza spraken lang voordat de uitdrukking proza bestond. De wet der negatie van de negatie die in de natuur en de geschiedenis onbewust verwezenlijkt wordt en totdat zij eenmaal begrepen is, ook in onze hoofden zich onbewust voltrekt, werd door Hegel alleen maar voor het eerst scherp geformuleerd. En wanneer de heer Dühring er zelf in alle stilte gebruik van wil maken en alleen de naam niet kan uitstaan, laat hij er dan een betere naam voor bedenken. Wil hij echter de zaak zelf uit het denken verdrijven, laat hij dan zo goed zijn om haar eerst uit de natuur en de geschiedenis te verdrijven en een wiskunde uit te vinden waarin –a x –a niet +a2 is en waarin het differentiëren en integreren op straffe verboden is.

 

 

 

 

XIV. Slot

 

Wij zijn nu klaar met de filosofie. Wat er verder nog aan toekomstfantasieën in de ‘Cursus’ voorhanden is, zal ons bezighouden bij de omwenteling in het socialisme door de heer Dühring. Wat heeft de heer Dühring ons beloofd? Alles. En wat heeft hij vervuld? Helemaal niets. ‘De elementen van een werkelijke en dienovereenkomstig op de werkelijkheid van de natuur en van het leven gerichte filosofie’, de ‘streng wetenschappelijke wereldbeschouwing’, de ‘systeembarende gedachten’ en al die andere in hoogdravende uitdrukkingen door de heer Dühring uitgebazuinde prestaties van de heer Dühring bleken, waar wij ze ook aanpakten, puur bedrog te zijn. De wereldschematiek die ‘zonder aan diepte van denken ook maar iets te verliezen de grondvormen van het Zijn met zekerheid vastgesteld heeft’, bleek een oneindig slap aftreksel van Hegels logica te zijn en heeft daarmee het bijgeloof gemeen dat deze ‘grondvormen’ of logische categorieën ergens een geheimzinnig bestaan leiden voor en buiten de wereld waarop zij ‘toegepast’ moeten worden. De natuurfilosofie bood ons een kosmogonie waarvan het uitgangspunt een ‘aan zichzelf gelijke toestand van de materie’ is, een toestand die men zich slechts door de meest reddeloze verwarring over het verband van materie en beweging kan voorstellen en bovendien slechts door het bestaan van een buitenwereldse, persoonlijke god aan te nemen, die alleen in deze toestand beweging kan brengen. Bij de behandeling van de organische natuur moest de ‘werkelijkheidsfilosofie’, nadat zij Darwins strijd om het bestaan en natuurlijke teeltkeus als ‘een stuk tegen de menselijkheid gerichte bruutheid’ verworpen had, beide door de achterdeur weer binnenlaten als in de natuur werkzame factoren, zij het ook van de tweede rang. Zij vond bovendien gelegenheid op het gebied van de biologie een onwetendheid ten toon te spreiden, zoals men ze, sedert men de populair-wetenschappelijke lezingen niet meer kan ontlopen, zelfs bij meisjes uit de beschaafde stand met een lantarentje zou moeten zoeken. Op het gebied van de moraal en het recht was de ‘werkelijkheidsfilosofie’ met het vervlakken van Rousseau niet gelukkiger dan tevoren met het verwateren van Hegel en vertoonde ook ten opzichte van de rechtswetenschap, ondanks alle verzekering van het tegendeel een gebrek aan kennis, als vermoedelijk zelfs bij de allergewoonste Oud-Pruisische juristen maar zelden voorkomt. De filosofie ‘die geen horizon die alleen maar schijn is, laat gelden’, stelt zich juridisch tevreden met een werkelijke horizon die overeenkomt met het gebied waar het Pruisische Landrecht van kracht is. Op de ‘aarden en hemelen van de uiterlijke en innerlijke natuur’, die deze filosofie in haar machtige omwentelingsbeweging voor ons beloofde te ontrollen, wachten wij niet minder dan op de ‘definitieve waarheden in laatste instantie’ en op het ‘absoluut fundamentele’ nog altijd. De filosoof wiens denkwijze iedere neiging tot een ‘subjectivistisch beperkte wereldvoorstelling uitsluit’, doet zich niet alleen kennen als subjectivistisch beperkt door zijn, zoals we hebben aangetoond, uiterst gebrekkige kennis, door zijn bekrompen metafysische denkwijze en zijn potsierlijke zelfoverschatting, maar zelfs door kinderachtige, persoonlijke grillen. Hij komt met de ‘werkelijkheidsfilosofie’ niet klaar zonder zijn weerzin tegen tabak, katten en Joden als algemeen geldige wet aan heel de overige mensheid, de joden inbegrepen, op te dringen. Zijn ‘werkelijk kritisch standpunt’ tegenover andere mensen bestaat daarin hun hardnekkig dingen toe te dichten, die ze nooit gezegd hebben en die de heer Dühring in eigen persoon gefabriceerd heeft. Zijn eindeloos voortborduren op kleinburgerlijke thema’s als de waarde van het leven en de beste soort van levensgenot is van een filisterachtige mufheid, die zijn toorn tegen Goethe’s Faust verklaarbaar maakt. Inderdaad is het onvergeeflijk dat Goethe de immorele Faust tot held maakt en niet de ernstige ‘werkelijkheidsfilosoof’ Wagner. — Kortom, de ‘werkelijkheidsfilosofie’ doet zich, alles bij elkaar genomen kennen, om met Hegel te spreken, als ‘het slapste aftreksel van de Duitse Verlichterij’, een aftreksel waarvan de dunheid en de doorzichtige afgezaagdheid slechts door brokstukken orakeltaal wat dikker en troebeler wordt. En wanneer wij ons door het boek heen gewerkt hebben, zijn we precies zo wijs als tevoren en gedwongen te bekennen dat de ‘nieuwe denkwijze’, de ‘fundamenteel bijzondere resultaten en opvattingen’ en de ‘systeembarende gedachten’ ons wel allerlei nieuwe onzin gebracht hebben, maar ook niet één regel waaruit wij iets konden leren. En deze man die zijn kunsten en zijn waren met trompet en Turkse trom aanprijst gelijk de ordinairste marktschreeuwer en achter wiens grote woorden niets, maar dan ook helemaal niets steekt, die man vermeet zich mannen als Fichte, Schelling en Hegel, van wie de kleinste bij hem vergeleken nog een reus is, kwakzalvers te noemen. Kwakzalver inderdaad — maar wie?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweede deel — Politieke economie

 

I. Onderwerp en methode

 

De politieke economie in de ruimste zin, is de wetenschap van de wetten die de productie en de ruil van de materiële bestaansmiddelen in de menselijke maatschappij beheersen. Productie en ruil zijn twee verschillende functies. Productie kan plaats vinden zonder ruil, ruil — juist omdat het van huis uit slechts ruil van producten is — niet zonder productie. Elk van deze beide maatschappelijke functies staat onder de invloed van grotendeels bijzondere uiterlijke invloeden en heeft daarom ook voor een groot deel haar eigen bijzondere wetten. Maar anderzijds zijn zij ieder ogenblik van elkaar afhankelijk en werken zozeer op elkaar in dat men ze de abscis en de ordinaat van de economische curve zou kunnen noemen.

De voorwaarden waaronder de mensen produceren en ruilen, wisselen van land tot land, en ieder land weer van geslacht op geslacht. De politieke economie kan dus niet voor alle landen of voor alle historische tijdperken dezelfde zijn. Van de pijl en boog, van het stenen mes en van het slechts bij uitzondering voorkomende ruilverkeer bij de wilde, tot de stoommachine van duizend paardenkracht, tot de mechanische weefstoel, de spoorwegen en de Bank van Engeland, is het een ontzaglijke afstand. De Vuurlanders brengen het niet tot massaproductie en wereldhandel, evenmin tot wisselruiterij of beurskrach. Wie de politieke economie van Vuurland met die van het hedendaagse Engeland onder dezelfde wetten zou willen samenvatten zou daarbij klaarblijkelijk niets anders op tafel brengen dan de meest banale gemeenplaats. De politieke economie is bijgevolg naar haar wezen een historische wetenschap. Zij behandelt een geschiedkundige, d.w.z. een steeds wisselende stof. Zij onderzoekt eerst de bijzondere wetten van iedere afzonderlijke ontwikkelingstrap van de productie en van de ruil, en zal eerst aan het einde van dit onderzoek de weinige, voor productie en ruil over de gehele lijn geldende, alleszins algemene wetten kunnen opstellen. Waarbij het echter vanzelf spreekt, dat de voor bepaalde productiewijzen en ruilvormen geldende wetten ook voor alle historische tijdperken gelden, die deze productiewijzen en ruilvormen gemeen hebben. Zo treedt bv. met de invoering van metaalgeld een reeks van wetten in werking die van kracht blijven voor alle landen en historische tijdperken waarin metaalgeld de ruil tot stand brengt.

Met de wijze van productie en ruil van een bepaalde historische maatschappij en met de historische voorwaarden van deze maatschappij, is tegelijk ook de wijze van de verdeling der producten gegeven. In de stam- of dorpsgemeenschap met gemeenschappelijke grondeigendom, waarmee (of met de duidelijk waarneembare overblijfselen waarvan) alle cultuurvolken de geschiedenis binnentreden, spreekt een tamelijk gelijkmatige verdeling van de producten geheel vanzelf. Waar grotere ongelijkheid in de verdeling onder de leden optreedt, daar is dat ook reeds een teken van het begin van het uiteenvallen van de gemeenschap. — Zowel de grote als de kleine akkerbouw laten, naargelang van de historische voorwaarden waaruit zij zich ontwikkeld hebben, zeer verschillende vormen van verdeling toe. Maar het ligt voor de hand dat de grote steeds een heel andere verdeling met zich brengt dan de kleine. Dat de grote een klassentegenstelling — slavenhouders en slaven, landheren en horige boeren, kapitalisten en loonarbeiders — vooronderstelt of schept, terwijl bij de kleine akkerbouw een klassenverschil van de bij de akkerbouwproductie werkzame individuen geenszins een voorwaarde vormt, integendeel door zijn bestaan alleen reeds het beginnend verval van het kleinbedrijf aankondigt. — De invoering en het in omloop brengen van metaalgeld in een land, waar tot dusver uitsluitend of hoofdzakelijk ruil in natura bestond, is steeds met een langzame of snelle omwenteling in de tot dien gebruikelijke verdeling verbonden en wel zo, dat de ongelijke verdeling onder de individuen, de tegenstelling dus van rijk en arm, meer en meer toeneemt. — Het plaatselijke in gilden georganiseerde handwerksbedrijf van de Middeleeuwen maakte grote kapitalisten en levenslange loonarbeiders even onmogelijk als de moderne grote industrie, het hedendaagse kredietwezen en de aan de ontwikkeling van die beide beantwoordende ruilvorm, de vrije concurrentie, hen noodzakelijkerwijze voortbrengen.

Met de verschillen in de verdeling treden echter de klassenverschillen op. De maatschappij splitst zich in bevoorrechte en benadeelde, uitbuitende en uitgebuite, heersende en onderdrukte klassen, en de staat — waartoe zich de natuurlijke groepen van stamverwante gemeenten aanvankelijk slechts ten behoeve van het behartigen van gemeenschappelijke belangen (bv. bevloeiing in het Oosten) en voor de bescherming tegen machten van buiten, ontwikkeld hadden — die staat krijgt van nu af evenzeer de bestemming om de levens- en machtsvoorwaarden van de heersende klasse met geweld te handhaven tegen de beheerste.

De verdeling echter is niet slechts een passief voortbrengsel van de productie en de ruil. Zij oefent evenzeer op beide haar terugwerkende invloed uit. Iedere nieuwe productiewijze of ruilvorm wordt in het begin belemmerd, niet slechts door de oude vormen en de daarmee overeenkomstige politieke instellingen, maar ook door de oude wijze van verdeling. De nieuwe productiewijze moet de bij haar passende verdeling eerst in een lange strijd verwerven. Maar hoe beweeglijker een bepaalde productie- en ruilwijze is, hoe beter zij tot vervolmaking en ontwikkeling in staat is, des te sneller bereikt ook de verdeling het punt waar zij haar moeder boven het hoofd groeit en waarop zij in botsing komt met de tot dusver bestaande vorm van de productie en de ruil. De oude oorspronkelijke gemeenschappen, waarvan wij reeds spraken, kunnen duizenden jaren bestaan, zoals bij Indiërs en Slaven nog heden ten dage, voordat het verkeer met de buitenwereld in hun eigen boezem vermogensverschillen teweegbrengt, waardoor zij beginnen uiteen te vallen. De moderne kapitalistische productie daarentegen, die nauwelijks drie honderd jaar oud is en eerst sedert de invoering van de grootindustrie, dus sedert honderd jaar overheersend is geworden, heeft in deze korte tijd tegenstellingen in de verdeling teweeggebracht — concentratie van kapitalen in weinige handen enerzijds, concentratie van bezitloze massa’s in de grote steden anderzijds — waaraan zij noodzakelijkerwijze te gronde gaat.

Het verband tussen de verdeling en de materiële bestaansvoorwaarden van een bepaalde maatschappij ligt zozeer in de aard van de zaak, dat het zich voortdurend in het volksinstinct weerspiegelt. Zolang een productiewijze zich in de opgaande lijn van haar ontwikkeling bevindt wordt zij zelfs door degenen toegejuicht die bij de aan haar beantwoordende verdelingswijze aan het kortste eind trekken. Dit was het geval met de Engelse arbeiders bij de opkomst van de grote industrie. Zelfs zolang deze productiewijze de maatschappelijk normale blijft, is men over het algemeen met de verdeling tevreden en gaan daartegen stemmen op, dan komen zij uit de schoot van de heersende klasse zelf (Saint-Simon, Fourier, Owen) en vinden zij juist geen weerklank bij de uitgebuite massa’s. Pas wanneer bedoelde productiewijze een eindweegs in dalende lijn is gegaan, wanneer zij zichzelf half overleefd heeft, wanneer de voorwaarden voor haar bestaan goeddeels verdwenen zijn en haar opvolger reeds aan de deur klopt — eerst dan wordt de steeds ongelijker wordende verdeling als onrechtvaardig ervaren, eerst dan wordt tegen de feiten, die zich overleefd hebben, een beroep op de z.g. eeuwige gerechtigheid gedaan. Dit beroep op moraal en recht brengt ons, wetenschappelijk gesproken, geen duimbreed verder. De economische wetenschap kan in zedelijke verontwaardiging, ook al moge zij nog zo gerechtvaardigd zijn, geen argument zien maar slechts een symptoom. Haar taak is veeleer de nieuw optredende maatschappelijke misstanden als noodzakelijke gevolgen van de bestaande productiewijze, maar ook tegelijkertijd als voorteken van haar in aantocht zijnde ontbinding te doen zien en binnen de uiteenvallende economische bewegingsvorm de elementen bloot te leggen van de toekomstige nieuwe organisatievorm van productie en ruil, die deze misstanden zal opruimen. De toorn die de dichter doet geboren worden is bij de schildering van deze misstanden volkomen op zijn plaats, is eveneens gerechtvaardigd bij de aanval tegen de harmoniepredikers in dienst van de heersende klasse die deze misstanden loochenen of vergoelijken. Hoe weinig die toorn echter voor elk bijzonder geval bewijst, blijkt reeds daaruit dat men in ieder tijdperk van de gehele geschiedenis tot op heden daarvoor stof genoeg vindt.

De politieke economie als de wetenschap van de voorwaarden en vormen waaronder de verschillende menselijke samenlevingen geproduceerd en geruild, en waaronder zij in overeenstemming daarmee telkens de producten verdeeld hebben — de politieke economie in deze ruime betekenis moet eerst nog geschapen worden. Wat wij tot nu toe aan economische wetenschap bezitten is bijna uitsluitend tot het ontstaan en de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze beperkt. Het begint met de kritiek op de overblijfselen der feodale productie- en ruilvormen, toont de noodzakelijkheid van haar vervanging door kapitalistische vormen aan, ontwikkelt dan de wetten van de kapitalistische productiewijze en de daaraan beantwoordende ruilvormen naar hun positieve zijde, d.w.z. naar de zijde die bevorderlijk is voor de algemene maatschappelijke doeleinden, en vindt zijn afsluiting in de socialistische kritiek op de kapitalistische productiewijze, d.w.z. in het uiteenzetten van haar wetten naar hun negatieve zijde, door aan te tonen dat deze productiewijze door haar eigen ontwikkeling naar het punt gedreven wordt waar zij zichzelf onmogelijk maakt. Deze kritiek toont aan dat de kapitalistische productie- en ruilvormen meer en meer tot een ondraaglijke rem voor de productie zelf worden, dat de door die vormen zelf noodzakelijkerwijze bepaalde verdelingswijze een klassentoestand in het leven geroepen heeft die met de dag ondraaglijker wordt, nl. de zich dagelijks verscherpende tegenstelling van steeds minder, maar steeds rijkere kapitalisten en van steeds talrijkere en over het algemeen in een steeds slechtere toestand verkerende bezitloze loonarbeiders; en eindelijk, dat de in de schoot van de kapitalistische productiewijze ontstane massale productieve krachten die zij niet meer in toom kan houden, nog slechts wachten op het ogenblik dat een op de grondslag van planmatige samenwerking georganiseerde maatschappij zich van hen meester maakt, om aan alle leden van die maatschappij de middelen voor hun bestaan en voor de vrije ontwikkeling van hun bekwaamheden te waarborgen en wel in steeds toenemende mate.

Om deze kritiek op de burgerlijke economie volkomen door te voeren, was het niet voldoende met de kapitalistische vorm van productie, ruil en verdeling bekend te zijn. De daaraan voorafgegane of nog daarnaast in minder ontwikkelde landen bestaande vormen moesten eveneens, althans in hoofdtrekken onderzocht en voor een vergelijking benut worden. Een dergelijke onderzoeking en vergelijking is tot dusver over het geheel genomen slechts door Marx verricht en hetgeen aangaande de vóórburgerlijke theoretische economie tot op heden vastgesteld is danken wij aan zijn onderzoekingen.

Hoewel tegen het einde van de 17e eeuw in geniale koppen ontstaan, is de economische wetenschap in engere zin, in haar positieve formulering door de fysiocraten en Adam Smith, toch eigenlijk een kind van de 18e eeuw en sluit zij aan bij wat gelijktijdig de grote Franse Verlichters bereikt hebben, met alle goede hoedanigheden en gebreken van die tijd. Wat wij van de Verlichters gezegd hebben, geldt ook voor de toenmalige economen. De nieuwe wetenschap was voor hen niet de uitdrukking van de verhoudingen en behoeften van hun tijdperk, maar de uitdrukking van de eeuwige rede. De door hen ontdekte wetten van de productie en de ruil waren geen wetten van een historisch bepaalde vorm van die processen, maar eeuwige natuurwetten. Men leidde ze uit de natuur van de mens af. Maar nader bezien was deze mens de toenmalige tot bourgeois zich ontwikkelende kleinburger, wiens natuur er in bestond onder de toenmalige historisch bepaalde verhoudingen te fabriceren en handel te drijven.

Nadat wij onze ‘kritische grondlegger’, de heer Dühring, en zijn methode uit de filosofie voldoende hebben leren kennen, zullen wij ook zonder moeilijkheden kunnen voorspellen hoe hij de politieke economie zal opvatten. In de filosofie was, waar hij niet eenvoudigweg leuterde (zoals in de natuurfilosofie), zijn wijze van beschouwing een karikatuur van die van de 18e eeuw. Het ging daarbij niet om historische ontwikkelingswetten, maar om natuurwetten, eeuwige waarheden. Maatschappelijke verhoudingen, zoals moraal en recht, werden niet volgens de telkenmale historisch voorhanden voorwaarden beslist, maar met behulp van de beroemde twee mannen van wie de een de ander ofwel onderdrukt, of ook wel niet onderdrukt, welk laatste geval zich tot dusver helaas nooit voordeed. Wij zullen er dus wel niet heel ver naast zijn wanneer wij tot de slotsom komen dat de heer Dühring de economie eveneens tot definitieve waarheden in laatste instantie, eeuwige natuurwetten, tautologische axioma’s van de dorste inhoudsloosheid zal herleiden, daarnaast echter de gehele positieve inhoud van de economie, zover hem die bekend is, door een achterdeurtje weer binnen zal smokkelen. En dat hij de verdeling als een maatschappelijke gebeurtenis niet uit productie en ruil zal ontwikkelen, maar aan zijn roemrijke beide mannen ter volledige afdoening zal overdragen. En daar dit alles voor ons vanouds bekende kunstgrepen zijn, kunnen wij hier kort zijn.

Inderdaad verklaart de heer Dühring ons reeds op blz. 2 , dat

zijn economie aanknoopt bij het in zijn filosofie ‘vastgestelde’ en zich ‘in enige wezenlijke punten op waarheden van hogere orde, die in een hoger onderzoekingsgebied reeds uitgemaaktzijn, steunt’.

Overal diezelfde opdringerige aanprijzing van zichzelf. Overal de triomf van de heer Dühring over het door de heer Dühring vastgestelde en uitgemaakte. Uitgemaakt, inderdaad, dat hebben wij ruimschoots gezien, — maar zoals men een walmend licht uitmaakt.

Direct daarop volgen:

‘de meest algemene natuurwetten van iedere economie’

— wij hadden dus goed geraden.

Maar die natuurwetten laten slechts dan een juist begrip van de afgelopen geschiedenis toe, wanneer men ze ‘in die nadere bepaling onderzoekt, die haar resultaten gekregen heeft dankzij de politieke onderwerping- en groeperingsvormen. Instellingen als slavernij en loonhorigheid, waarbij zich als tweelingbroeder het geweldseigendom aansluit, zijn als sociaal-economische instellingen van zuiver politieke aard op te vatten en vormen in de tot dusver bestaande wereld het kader waarbinnen zich de werkingen van de economische natuurwetten alleen konden tonen’.

Deze zin is de fanfare die ons als een Wagneriaans Leitmotiv het aanrukken van de beide fameuze mannen aankondigt. Maar meer dan dat, hij is het grondthema van het gehele boek van Dühring. Bij het recht wist de heer Dühring ons niet anders aan te bieden dan een slechte vertaling van Rousseau’s gelijkheidstheorie in het socialistische, zoals men die in ieder Parijs’ arbeiderscafé sinds jaren veel beter horen kan. Hier levert hij een niet betere socialistische vertaling van de klachten der economen over de vervalsing van de economische, eeuwige natuurwetten en hun werkingen door de inmenging van de staat, van het geweld. En daarin staat hij, zoals hij het verdient, onder de socialisten helemaal alleen. Iedere socialistische arbeider, om het even van welke nationaliteit, weet heel goed dat het geweld de uitbuiting slechts beschermt maar niet veroorzaakt. Dat de verhouding van kapitaal en loonarbeid de grond voor zijn uitbuiting is en dat deze enkel langs economische weg en niet langs gewelddadige weg is ontstaan.

Verder krijgen wij dan te horen, dat men

bij alle economische vragen ‘tweeërlei processen, dat van de productie en dat van de verdeling, zal kunnen onderscheiden’. Bovendien zou de bekende oppervlakkige J. B. Say nog een derde proces, dat van het verbruik, de consumptie, daaraan hebben toegevoegd, maar er niets verstandig over hebben weten te zeggen, evenmin als zijn navolgers. De ruil of de circulatie zou echter slechts een onderafdeling van de productie zijn, waartoe alles zou behoren wat gebeuren moet om het geproduceerde bij de laatste en eigenlijke consument te doen komen.

Wanneer de heer Dühring de beide in wezen verschillende, zij het elkaar tot voorwaarde hebbende processen van productie en circulatie door elkaar haalt en heel ongegeneerd beweert dat uit het vermijden van deze verwarring slechts ‘verwarring ontstaan’ kan, dan bewijst hij daarmee alleen, dat hij de ontzaglijke ontwikkeling die juist de circulatie in de laatste vijftig jaar heeft doorgemaakt, niet kent of niet begrijpt. Zoals zijn boek dat dan ook verder bevestigt. Dit is nog niet alles. Nadat hij zo productie en ruil als productie-zonder-meer tot één geheel samengevat heeft, stelt hij de verdeling naast de productie als een tweede, geheel uiterlijk proces voor, dat met het eerste in het geheel niets te maken heeft. Nu hebben wij gezien, dat de verdeling in haar beslissende trekken telkens het noodzakelijke resultaat van de productie- en ruilverhoudingen in een bepaalde maatschappij, benevens van de historische voorwaarden van die maatschappij is, en wel zo dat wanneer wij die kennen wij met zekerheid de in die maatschappij heersende verdelingswijze kunnen vaststellen. Wij zien echter eveneens dat de heer Dühring, wanneer hij de in zijn moraal-, rechts- en geschiedenisopvatting ‘vastgestelde’ grondstellingen niet ontrouw wil worden, dit elementaire economische feit moet loochenen en dat hij dit in het bijzonder moet doen wanneer het er om gaat zijn beide onontbeerlijke mannen in de economie binnen te smokkelen. En nadat de verdeling met succes van ieder verband met de productie en de ruil ontdaan is kan die grote gebeurtenis plaatsvinden.

Herinneren wij ons intussen eerst hoe de zaak zich bij moraal en recht toedroeg. Oorspronkelijk begon de heer Dühring hier met slechts één man; hij zei:

‘één mens, inzover hij als enig of, wat hetzelfde betekent, als buiten ieder verband met anderen gedacht wordt, kan geen plichten hebben. Voor hem bestaat geen moeten, maar slechts willen.’

Maar wat is deze plichtenloze als enkeling gedachte mens anders dan de fatale ‘oerjood Adam’, in het paradijs, waar hij zonder zonde is omdat hij er nu eenmaal geen begaan kan? — Maar ook deze werkelijkheidsfilosofische Adam staat een zondeval te wachten. Naast deze Adam treedt plotseling — weliswaar geen Eva met golvende lokken, maar toch een tweede Adam op. En terstond krijgt Adam plichten en — overtreedt ze. In plaats van zijn broeder als gelijkgerechtigde aan zijn boezem te drukken, onderwerpt hij hem aan zijn heerschappij, knecht hij hem — en onder de gevolgen van deze eerste zonde, de erfzonde van beknechting, lijdt de hele wereldgeschiedenis tot op de huidige dag, en daarom is zij dan ook volgens de heer Dühring geen cent waard.

Wanneer dus de heer Dühring, terloops opgemerkt, meende dat hij de ‘negatie van de negatie’ voldoende aan de verachting kon prijsgeven door haar een vage afdruk van de oude geschiedenis van zondeval en verlossing te noemen, wat moeten wij dan zeggen van zijn nieuwste uitgave van dezelfde geschiedenis? (want ook de verlossing zullen wij mettertijd, om een reptielenuitdrukking  te gebruiken, ‘naderbij komen’). In ieder geval toch wel, dat wij aan de oude Semiotische stamsage de voorkeur geven, waarbij het voor het mannetje en het vrouwtje tenminste de moeite waard was om uit de staat van onschuld te treden, en dat de heer Dühring de onbetwiste roem te beurt valt dat zijn zondeval met twee mannen in elkaar heeft gezet.

Luisteren wij dus nu naar de vertaling van de zondeval in het economische:

‘Voor het begrip van de productie kan eventueel het beeld van een Robinson die met zijn krachten geïsoleerd tegenover de natuur staat en met niemand iets te verdelen heeft een passend denkschema leveren ... Van een gelijke doelmatigheid is voor het aanschouwelijk maken van het belangrijkste in het verdelingsbegrip, het denkschema van twee personen wier economische krachten gecombineerd worden en die klaarblijkelijk ten opzichte van hun wederzijds aandeel in de een of andere vorm met elkaar tot overeenstemming moeten komen. Meer dan dit eenvoudig dualisme is inderdaad niet nodig om in alle gestrengheid enige van de belangrijkste verdelingsrelaties bloot te leggen en de wetten hiervan embryonaal in hun logische noodzakelijkheid te bestuderen... De samenwerking op gelijke voet is hier evengoed denkbaar als de samenvoeging van de krachten door volledige onderdrukking van het ene deel, dat dan als slaaf of louter als werktuig tot de economische dienst gedwongen en dan ook slechts als werktuig onderhouden wordt... Tussen de toestand van gelijkheid en de toestand van nietswaardigheid enerzijds, en almacht en uitsluitend actieve deelneming anderzijds, ligt een reeks van treden voor welker bezetting de verschillende fasen der wereldgeschiedenis in bonte verscheidenheid hebben gezorgd. Een universele blik op de verschillende rechts- en onrechtsinstellingen van de geschiedenis is hier de belangrijkste voorwaarde...’

en tot slot verandert de hele verdeling in een

‘economisch verdelingsrecht’.

Eindelijk heeft nu de heer Dühring weer vaste grond onder zijn voeten. Arm in arm met zijn beide mannen kan hij zijn tijd uitdagen. Maar achter dat driegesternte staat nog een ongenoemde.

‘Het kapitaal heeft de meerarbeid niet uitgevonden. Overal waar een deel van de maatschappij het monopolie van de productiemiddelen bezit, moet de arbeider, vrij of onvrij, aan de voor zijn onderhoud noodzakelijke arbeidstijd een overschot aan arbeidstijd toevoegen om de levensbenodigdheden voor de eigenaar van de productiemiddelen te produceren, om het even of deze eigenaar een Atheense kalos kagathos , Etruskische theocraat, civis romanus’ (Romeins burger), ‘Noormanse baron, Amerikaanse slavenhouder, Walachijse bojaar, moderne landlord of kapitalist is.’ (Marx, Das Kapital, Band I, S. 227.) 

Nadat de heer Dühring er op deze wijze kennis van gekregen had wat de voor alle productievormen tot op heden — voor zover deze zich in klassentegenstellingen bewegen — gemeenschappelijke grondvorm van de uitbuiting is, ging het er nog slechts om zijn beide mannen daarvoor pasklaar te maken en klaar was de wortelvaste grondslag van de werkelijkheidseconomie. Hij draalde geen ogenblik met de verwerkelijking van deze ‘systeemscheppende gedachte’. Arbeid zonder tegenprestatie boven de voor het zelfonderhoud van de arbeider noodzakelijke arbeidstijd uit, dat is het punt. De Adam die hier Robinson heet, laat dus zijn tweede Adam, Vrijdag, er op los zwoegen. Maar waarom zwoegt Vrijdag meer dan hij voor zijn levensonderhoud nodig heeft? Ook deze vraag vindt bij Marx ten dele haar beantwoording. Dat is echter voor de beide mannen veel te omslachtig. Met de zaak wordt kort en krachtig afgedaan. Robinson ‘onderdrukt’ Vrijdag, dwingt hem ‘als slaaf of werktuig tot economische dienst’ en onderhoudt hem ‘ook slechts als werktuig’. Met deze nieuwste ‘scheppende wending’ slaat de heer Dühring twee vliegen in één klap. Ten eerste spaart hij zich de moeite de verschillende vroegere verdelingsvormen, hun onderscheid en hun oorzaken te verklaren. Zij deugen gewoonweg alle met elkaar niet, zij berusten op onderdrukking, op geweld. Daarover zullen wij het straks nog moeten hebben. En ten tweede verplaatst hij daarmee de hele theorie van de verdeling uit het economische gebied naar dat van de moraal en het recht, d.w.z. uit het gebied van vaststaande materiële feiten naar dat van min of meer wankele meningen en gevoelens. Hij behoeft dus niet meer te onderzoeken of te bewijzen, maar alleen nog maar er vlot op los te declameren, en hij kan de eis stellen dat de verdeling van de producten van de arbeid zich niet richten moet naar haar werkelijke oorzaken, maar naar dat wat hem, de heer Dühring, zedelijk en rechtvaardig voorkomt. Wat echter de heer Dühring rechtvaardig voorkomt is geenszins onveranderlijk en er dus ver van af om een echte waarheid te zijn. Want die zijn toch, volgens de heer Dühring zelf, ‘in het geheel niet veranderlijk’. In het jaar 1868 beweerde de heer Dühring (De lotgevallen van mijn sociale memorandum enz.),

dat het ‘in de strekking van alle hogere beschaving ligt om de eigendom steeds scherper te laten uitkomen en dat hierin, en niet in de verwarring van de rechten en heerschappijsferen, het wezen en de toekomst van de moderne ontwikkeling ligt’.

En verder kon hij ten enenmale niet inzien

hoe een verandering van de loonarbeid in een andere vorm van verdienste met de wetten van de menselijke natuur en de natuurnoodzakelijke geleding van het maatschappelijk organisme ooit in overeenstemming zou zijn te brengen.’ 

In 1868 dus: particuliere eigendom en loonarbeid natuur-noodzakelijk en daarom rechtvaardig. In 1876 : beide uitvloeisel van het geweld en de ‘roof’, dus onrechtvaardig. En wij kunnen onmogelijk weten wat een zo geweldig voortstormend genie over enige jaren misschien zedelijk en gerechtvaardigd zal voorkomen, en wij doen daarom in elk geval beter ons bij onze beschouwing van de verdeling der rijkdommen aan de werkelijke, objectieve economische wetten te houden en niet aan de veranderlijke subjectieve momentele voorstellingen van de heer Dühring over recht en onrecht.

Wanneer wij voor de snel naderende omwenteling in de hedendaagse verdelingswijze der arbeidsproducten en in de met deze gepaard gaande schreeuwende tegenstellingen van ellende en weelde, hongersnood en overdaad, geen betere waarborg hadden dan het bewustzijn dat deze verdelingswijze onrechtvaardig is en dat het recht eenmaal toch moet zegevieren, dan zou het er kwaad voor ons uitzien en zouden wij lang kunnen wachten. De middeleeuwse mystici, die van het naderende duizendjarige rijk droomden, hadden reeds het besef van het onrecht der klassentegenstellingen. Op de drempel van de nieuwste geschiedenis, driehonderdvijftig jaar geleden, roept Thomas Münzer het luid de wereld toe. In de Engelse, in de Franse burgerlijke revolutie weerklinkt dezelfde roep en — sterft weg. En wanneer nu dezelfde roep om afschaffing van de klassentegenstellingen en klassenverschillen, die tot 1830 de arbeidende en lijdende klassen koud liet, wanneer die roep nu een miljoenenvoudige echo vindt, wanneer het éne land na het andere er door wordt aangegrepen en wel in dezelfde volgorde en met dezelfde intensiteit waarmee zich in elk land afzonderlijk de grote industrie ontwikkelt; wanneer die roep in één mensenleven een macht veroverd heeft die alle daartegen verenigde machten trotseert en van de overwinning in een nabije toekomst zeker kan zijn — waardoor komt dat dan? Daardoor, dat de moderne grote industrie enerzijds een proletariaat, een klasse in het leven heeft geroepen, die voor het eerst in de geschiedenis de eis kan stellen van de afschaffing, niet van deze of gene bijzondere klassenorganisatie of van het een of ander bijzonder klassenvoorrecht, maar van de klassen als zodanig; en die in de toestand gebracht is, dat zij die eis moet doorzetten op straffe van tot het peil van Chinese koelies af te zakken. En dat anderzijds diezelfde grote industrie in de bourgeoisie een klasse in het leven heeft geroepen die het monopolie van alle productiewerktuigen en levensbenodigdheden bezit, maar in iedere periode van speculatie en iedere daaropvolgende kracht bewijst dat zij niet meer in staat is de aan haar macht ontgroeide productiekrachten nog verder te beheersen. Een klasse onder wier leiding de maatschappij de ondergang tegemoet snelt als de locomotief waarvan de machinist te zwak is om de uitlaatklep die klem is komen te zitten te openen. Met andere woorden: het komt doordat zowel de door de moderne kapitalistische productiewijze verwerkte productiekrachten, alsook het door haar in het leven geroepen systeem van de verdeling der goederen in een brandende tegenstrijdigheid zijn geraakt met die productiewijze zelf en wel dermate, dat er een omwenteling in de productie en in de verdelingswijze moet plaatsvinden die alle klassenverschillen te niet doet, wil de hele moderne maatschappij niet ten onder gaan. Op dit tastbare, materiële feit dat zich aan het denken van de uitgebuite proletariërs, met onweerstaanbare noodzakelijkheid in meer of minder duidelijke gedaante opdringt — daarop, maar niet op de voorstellingen van deze of gene kamergeleerde over recht en onrecht, is de zekerheid van de overwinning van het moderne socialisme gegrondvest.


 

 

 

 

II. De theorie van het geweld

 

‘De verhouding van de algemene politiek tot de vormen van het economische recht is in mijn systeem zo definitief en tegelijk zo origineel bepaald, dat een bijzondere verwijzing daarnaar ter vergemakkelijking van de studie niet overbodig mag heten. De vorming van de politieke betrekkingen is het historisch-fundamentele, en de economische afhankelijkheden zijn slechts een werking of een specifiek geval en derhalve steeds feiten van de tweede orde. Enige van de nieuwere socialistische systemen maken de in het oog springende schijn van een geheel omgekeerde verhouding tot het leidende beginsel, doordat zij uit de economische toestanden. de politieke ondergeschiktheden als het ware laten groeien. Nu zijn deze werkingen van de tweede orde als zodanig weliswaar aanwezig en in het heden het meest voelbaar; maar het oorspronkelijke moet in het onmiddellijke politieke geweld en niet eerst in een indirecte economische macht worden gezocht.’

Evenzo in een andere passage, waar de heer Dühring

‘van de stelling uitgaat dat de politieke toestanden de beslissende oorzaken van de economische toestand zijn en dat de omgekeerde verhouding slechts een terugwerking van de tweede orde betekent... Zolang men de politieke groepering niet terwille van haarzelf tot uitgangspunt maakt, maar haar uitsluitend behandelt als middel voor voedingsdoeleinden, zal men, hoe radicaal socialistisch en revolutionair men ook mag lijken, toch een verborgen stuk reactie in zich bergen’.

Dat is de theorie van de heer Dühring. Zij wordt hier en op vele andere plaatsen eenvoudig opgesteld, om zo te zeggen gedecreteerd. Van ook maar de geringste poging tot een bewijs of tot weerlegging van de tegenovergestelde opvatting is nergens in de drie dikke boeken sprake. En al waren de argumenten ook zo goedkoop als bramen,  de heer Dühring zou ons geen argumenten geven. Die zaak is immers reeds bewezen door de beroemde zondeval toen Robinson Vrijdag geknecht heeft. Dat was een gewelddaad, dus een politieke daad. En aangezien deze knechting het uitgangspunt en het voornaamste feit vormt van heel de geschiedenis en haar met de erfzonde der onrechtvaardigheid heeft ingeënt, en wel zo dat zij in de latere tijdperken alleen maar verzacht en ‘in de meer indirecte economische afhankelijkheidsvormen veranderd’ is; aangezien de hele tot dusver van kracht gebleven ‘geweldseigendom’ eveneens op deze oerknechting berust is het duidelijk dat alle economische verschijnselen uit politieke oorzaken te verklaren zijn, nl. uit het geweld. En degene voor wie dat niet genoeg is, is een verkapte reactionair.

Ten eerste willen wij opmerken dat men niet minder op zichzelf verliefd moet zijn dan de heer Dühring, om deze opvatting voor zo ‘origineel’ te houden als zij volstrekt niet is. De voorstelling alsof de grote gebeurtenissen van de politiek het beslissende moment in de geschiedenis uitmaken, is zo oud als de geschiedschrijving zelf en is de hoofdoorzaak waardoor ons zo weinig bewaard is gebleven over de op de achtergrond van deze geruchtmakende gebeurtenissen in stilte zich voltrekkende en in werkelijkheid voorwaartsstuwende ontwikkeling der volkeren. Deze voorstelling heeft de gehele geschiedbeschouwing tot nu toe beheerst en heeft pas een schok gekregen door de Franse burgerlijke geschiedschrijvers van de tijd der Restauratie,  ‘origineel’ is daarbij slechts dat de heer Dühring van dat alles wederom niets afweet.

Verder: nemen wij voor een ogenblik aan dat de heer Dühring het bij het rechte eind heeft en dat de gehele geschiedenis tot op heden tot de onderdrukking van de mens door de mens is te herleiden, dan zijn wij daarmee nog lang niet tot de bodem van de zaak doorgedrongen. Immers de vraag rijst allereerst: hoe kwam Robinson er toe Vrijdag te knechten? Puur voor het plezier? Stellig niet. Wij zien integendeel dat Vrijdag ‘als slaaf of louter als werktuig tot de economische dienst gedwongen en dan ook slechts als werktuig onderhouden wordt’. Robinson heeft Vrijdag slechts geknecht, opdat Vrijdag tot voordeel van Robinson zou werken. En hoe kan Robinson uit het werk van Vrijdag voordeel voor zichzelf trekken? Slechts daardoor, dat Vrijdag meer levensmiddelen door zijn arbeid voortbrengt dan Robinson hem moet geven opdat hij tot arbeiden in staat blijft. Robinson heeft dus, tegen het uitdrukkelijke voorschrift van de heer Dühring, de door de knechting van Vrijdag geschapen ‘politieke groepering niet terwille van haarzelf tot uitgangspunt gemaakt, maar haar uitsluitend behandeld als middel tot voederingsdoeleinden’ en moet nu zelf maar zien hoe hij het met zijn heer en meester Dühring klaarspeelt.

Het kinderlijke voorbeeld dus, dat de heer Dühring speciaal uitgevonden heeft om het geweld als het ‘historisch fundamentele’ aan te tonen, bewijst dat het geweld slechts het middel, het economische voordeel daarentegen het doel is. Zo veel ‘fundamenteler’ het doel is dan het terwille daarvan gebruikte middel, evenveel fundamenteler is in de geschiedenis de economische zijde van de verhouding tegenover de politieke. Het voorbeeld bewijst dus precies het tegendeel van wat het moest bewijzen. En zoals bij Robinson en Vrijdag, is het ook in alle tot nu toe bekende gevallen van heerschappij en knechtschap. De onderdrukking was steeds, om de elegante spreektrant van de heer Dühring te gebruiken, ‘middel tot voederingsdoeleinden’ (dit in de ruimste zin genomen), nooit en nergens echter een ‘terwille van haarzelf’ ingevoerde politieke groepering. Men moet de heer Dühring zijn om zich te kunnen inbeelden dat de belastingen in de staat slechts ‘werkingen van de tweede orde’ zouden zijn, of dat de huidige politieke groepering van heersende bourgeoisie en beheerst proletariaat ‘terwille van haarzelf’ zou bestaan en niet terwille van ‘de voederingsdoeleinden’ van de heersende bourgeois, nl. van winstmakerij en kapitaalophoping.

Keren wij intussen weer tot onze twee mannen terug. Robinson maakt Vrijdag ‘met de degen in de hand’ tot zijn slaaf. Maar om dat klaar te spelen heeft Robinson nog wat anders nodig dan een degen. Niet iedereen kan een slaaf gebruiken. Om hem te kunnen gebruiken moet men over tweeërlei beschikken: ten eerste over de werktuigen en materialen voor de arbeid van de slaaf en ten tweede over de middelen voor zijn schamel onderhoud. Voordat dus slavernij mogelijk wordt moet reeds een bepaalde trap in de productie bereikt en een zekere graad van ongelijkheid in de verdeling ingetreden zijn. En om de slavenarbeid tot de heersende productiewijze van een hele maatschappij te doen worden, moet een nog veel grotere toeneming van de productie, de handel en de ophoping van rijkdommen plaatsvinden. In de oude oorspronkelijke gemeenschappen met gemeenschappelijk bezit van de grond komt slavernij of in het geheel niet voor òf speelt slechts een zeer ondergeschikte rol. Evenzo in de oorspronkelijke boerenstad Rome. Toen echter Rome ‘wereldstad’ werd en het Italische grondbezit meer en meer in de handen van een weinig talrijke klasse van ontzaglijk rijke eigenaars kwam, toen werd de boerenbevolking verdrongen door een bevolking van slaven. Wanneer in de tijd van de Perzische oorlogen het aantal slaven in Korinthe tot 460.000, in Egina tot 470.000 steeg en op ieder hoofd van de vrije bevolking tien slaven kwamen , dan behoorde daartoe nog iets meer dan ‘geweld’, nl. hoogontwikkelde kunst- en handwerksindustrie en een uitgebreide handel. De slavernij in de Amerikaanse Verenigde Staten berustte veel minder op het geweld dan op de Engelse katoenindustrie; in de streken waar geen katoen groeide of die zich niet, zoals de grensstaten, met de slavenfokkerij voor de katoenstaten bezighielden, stierf zij vanzelf uit, zonder toepassing van geweld, eenvoudig omdat zij niet lonend was.

Wanneer dus de heer Dühring de huidige eigendom een geweldseigendom noemt en die aanduidt als

‘die heerschappijvorm die niet slechts het uitsluiten van de medemens van het gebruik van de natuurlijke bestaansmiddelen, maar ook, wat nog veel meer te betekenen heeft, de onderwerping van de mens tot knechtsdienst tot grondslag heeft’ —

dan zet hij de gehele verhouding op zijn kop. De onderwerping van de mens tot knechtsdienst in al zijn vormen veronderstelt bij de onderdrukker de beschikking over de arbeidsmiddelen, zonder welke hij de geknechte niet kan benutten, en bij de slavernij bovendien nog de beschikking over de voor het in leven houden van de slaven onontbeerlijke levensmiddelen. In ieder geval dus reeds een zeker, boven het gemiddelde uitgaand bezit aan vermogen. Hoe is dat ontstaan? In ieder geval is het duidelijk dat het wel geroofd zijn en dus op geweld berusten kan, maar dat dit volstrekt niet noodzakelijk is. Het kan verworven zijn door arbeid, diefstal, handel, bedrog. Het moet zelfs door arbeid tot stand gebracht zijn voordat het ooit geroofd kon worden.

De particuliere eigendom treedt in het algemeen in de geschiedenis geenszins op als het resultaat van roof en geweld. Integendeel. Hij bestaat reeds, zij het ook tot bepaalde voorwerpen beperkt, in de oeroude natuurlijke gemeenschap van alle cultuurvolkeren. Hij ontwikkelt zich reeds binnen deze gemeenschap, eerst in ruil met vreemdelingen, tot warenvorm. Hoe meer de voortbrengselen van de gemeenschap de warenvorm aannemen, d.w.z. hoe minder zij voor eigen gebruik van de producent en hoe meer zij voor de ruil geproduceerd worden, hoe meer de ruil ook in de boezem der gemeenschap de oorspronkelijke, natuurlijke arbeidsverdeling verdringt, des te ongelijker wordt de stand van het vermogen van de afzonderlijke leden der gemeenschap, des te dieper wordt het oude gemeenschappelijke bezit van de grond ondermijnd, des te sneller gaat de erfgemeenschap zijn ontbinding tot een dorp van boeren met klein grondbezit tegemoet. Het Oosterse despotisme en de wisselende heerschappij van veroverende nomadenvolkeren konden deze oude gemeenschappen duizenden jaren lang niet aantasten. De geleidelijke vernietiging van hun oorspronkelijke huisindustrie door de concurrentie van de producten der grootindustrie doet hen meer en meer uiteenvallen. Van geweld is daarbij evenmin sprake als bij de nog thans plaatsvindende verdeling van het gemeenschappelijke akkerbezit van de ‘Gehöferschaften’ aan de Moezel en in het Hochwald. De boeren vinden het eenvoudig in hun belang dat het privaatbezit aan de akker de plaats van het gemeenschappelijk bezit inneemt . Zelfs de vorming van een oorspronkelijke aristocratie, zoals bij de Kelten, de Germanen en in het Indische Vijfstromenland op de grondslag van ‘de gemeenschappelijke grondeigendom plaatsvindt, berust vooreerst volstrekt niet op geweld maar op vrijwilligheid en gewoonte. Overal waar de particuliere eigendom zich ontwikkelt, geschiedt dit als gevolg van veranderde productie- en ruilverhoudingen in het belang van de verhoging van de productie en de bevordering van het verkeer — dus door economische oorzaken. Het geweld speelt daarbij in het geheel geen rol. Het is toch duidelijk, dat de instelling van de particuliere eigendom reeds bestaan moet, vóór de rover zich andermans goed kan toe-eigenen. Dat dus het geweld wel de bezitsverhoudingen kan veranderen, maar niet de particuliere eigendom als zodanig kon doen ontstaan.

Maar ook om de ‘onderwerping van de mens voor knechtsdienst’ in haar modernste vorm, de loonarbeid, te verklaren kunnen wij noch het geweld noch de geweldseigendom gebruiken. Wij merkten reeds op welke rol bij het uiteenvallen van de oude gemeenschappen, dus bij het directe of indirecte algemeen worden van de particuliere eigendom de verandering van de arbeidsproducten in waren, het voortbrengen daarvan niet voor eigen gebruik maar voor ruil, speelt. Nu heeft Marx echter in Het Kapitaal zonneklaar aangetoond — en de heer Dühring wacht er zich wel voor daarop ook maar met één woord in te gaan — dat op een bepaalde ontwikkelingstrap de warenproductie zich in kapitalistische productie verandert, en dat op deze trap ‘de op warenproductie en warenomloop berustende wet van de toe-eigening ofwel de wet van de particuliere eigendom, juist door zijn eigen innerlijke onvermijdelijke dialectiek in zijn tegendeel omslaat: de ruil van equivalenten, die als de oorspronkelijke handeling optrad, heeft zich zo gewijzigd dat slechts in schijn geruild wordt, doordat ten eerste het tegen arbeidskracht geruilde deel van het kapitaal zelf alleen maar een deel van het zonder equivalent toegeëigende vreemde arbeidsproduct is, en ten tweede door zijn producent, de arbeider, niet slechts vervangen, maar met een nieuw surplus’ (overschot) ‘vervangen moet worden ... Oorspronkelijk vertoonde zich ons de eigendom als op eigen arbeid berustend...

Eigendom vertoont zich nu (aan het einde van de uiteenzetting van Marx) ‘aan de kant van de kapitalist, als het recht om zich andermans onbetaalde arbeid, aan de kant van de arbeider, als de onmogelijkheid om zich zijn eigen product toe te eigenen. De scheiding tussen eigendom en arbeid wordt het noodzakelijke gevolg van een wet die schijnbaar van hun identiteit uitging’. Met andere woorden: zelfs wanneer wij de mogelijkheid van elke roof, elke gewelddaad en elk bedrog uitsluiten, wanneer wij aannemen dat alle particuliere eigendom oorspronkelijk op de eigen arbeid van de bezitter berust en dat in het gehele verdere verloop slechts gelijke waarden tegen gelijke waarden worden geruild, dan komen wij toch bij de verdere ontwikkeling van de productie en de ruil noodzakelijkerwijze tot de hedendaagse kapitalistische productiewijze, tot de monopolisering van de productie- en bestaansmiddelen in handen van de een weinig talrijke klasse, tot het omlaag drukken van de andere, de ontzaglijke meerderheid vormende klasse tot bezitloze proletariërs, tot de periodieke wisseling van koortsachtige speculatieve productie en handelscrises en tot de ganse tegenwoordige anarchie in de productie. Het hele proces is uit zuiver economische oorzaken verklaard, zonder dat ook slechts één enkele maal de roof, het geweld, de staat of enigerlei politieke inmenging er bij gehaald behoeven te worden. De ‘geweldseigendom’ doet zich ook hier enkel kennen als een hoogdravende frase die het gebrek aan begrip voor het werkelijke verloop der dingen moet bemantelen.

Dit verloop, historisch uitgedrukt, is de ontwikkelingsgeschiedenis van de bourgeoisie. Wanneer de ‘politieke omstandigheden de beslissende oorzaak van de economische toestand zijn’, dan moet de moderne bourgeoisie zich niet in de strijd met het feodalisme ontwikkeld hebben, maar daarvan het vrijwillig in het leven geroepen troetelkind zijn. Iedereen weet dat het tegenovergestelde heeft plaatsgevonden. Oorspronkelijk een aan de heersende feodale adel schatplichtige, uit alle mogelijke soorten horigen en lijfeigenen zich rekruterende onderdrukte stand, heeft de burgerij in voortdurende strijd met de adel de ene machtspositie na de andere veroverd en tenslotte in de meest ontwikkelde landen in zijn plaats de macht in handen genomen. In Frankrijk doordat zij de adel direct ten val bracht, in Engeland doordat zij de adel meer en meer verburgerlijkte en hem als haar eigen topversiersel inlijfde. En hoe bracht ze dat tot stand? Enkel en alleen door de verandering van de ‘economische toestand’, waarop een verandering van de politieke omstandigheden vroeger of later, vrijwillig of door strijd veroverd, volgde. De strijd van de bourgeoisie tegen de feodale adel is de strijd van de stad tegen het land, van de industrie tegen het grondbezit, van de geldhuishouding tegen de productenhuishouding, en de beslissende wapens van de burgers in deze strijd waren hun, door de ontwikkeling van de eerst als handwerk bedreven, later tot manufactuur voortschrijdende industrie en de door de uitbreiding van de handel, voortdurend sterker wordende economische machtsmiddelen. Gedurende deze hele strijd was de politieke macht aan de zijde van de adel, met uitzondering van een periode waarin de koninklijke macht de burgerij tegen de adel gebruikte om met de ene stand de andere voortdurend schaak te zetten; maar van het ogenblik af waarop de, politiek nog steeds machteloze burgerij, door de kracht van haar toenemende economische macht gevaarlijk begon te worden, verbond het koningschap zich weer met de adel en riep daardoor eerst in Engeland, daarna in Frankrijk de revolutie van de burgerij in het leven. De ‘politieke omstandigheden’ in Frankrijk waren onveranderd gebleven, terwijl de ‘economische toestand’ daaraan ontgroeid was. Als politieke stand was de adel alles, de burger niets. Maar naar de sociale positie was de burger nu de belangrijkste klasse in de staat, terwijl de adel al zijn sociale functies kwijtgeraakt was en hij nog slechts in de vorm van revenu’s de betaling voor die verdwenen functies opstreek. En dat was nog niet alles: de burgerij was bij haar gehele productie beklemd gebleven in de feodale politieke vormen van de Middeleeuwen, waaraan die productie — niet slechts de manufactuur maar zelfs het handwerk — reeds lang ontgroeid was: in al de tot louter chicanes en belemmeringen van de productie uitgegroeide duizendvoudige gildenvoorrechten en plaatselijke en provinciale tolgrenzen. Daaraan maakte de revolutie van de burgerij een einde. Maar niet doordat zij, volgens de grondstelling van de heer Dühring, de economische toestand bij de politieke omstandigheden aanpaste — dat hadden immers juist adel en koningschap jarenlang vergeefs gepoogd — maar doordat zij omgekeerd de oude, vermolmde politieke rommel wegwierp en politieke toestanden schiep waarin de nieuwe ‘economische toestand’ bestaan en zich ontwikkelen kon. En zij heeft zich in deze haar passende politieke en juridische atmosfeer schitterend ontwikkeld, zo schitterend dat de bourgeoisie al niet meer ver af is van de positie die de adel in 1789 innam. Zij wordt meer en meer, niet slechts sociaal overbodig, maar een sociaal struikelblok. Zij trekt zich meer en meer uit de productieve werkzaamheid terug en wordt meer en meer, zoals indertijd de adel, een klasse die enkel revenu opstrijkt. En zij heeft deze omwenteling in haar eigen positie en de verwekking van een nieuwe klasse, het proletariaat, tot stand gebracht zonder enige gewelds-hokus-pokus, langs zuiver economische weg. Nog meer. Zij heeft dit resultaat van haar eigen doen en drijven geenszins gewild — integendeel, het heeft zich met onweerstaanbare macht tegen haar wil en tegen haar bedoeling doorgezet. Haar eigen productiekrachten zijn aan haar leiding ontgroeid en drijven met de onafwendbaarheid van natuurkrachten, de gehele burgerlijke maatschappij naar de ondergang of de omwenteling. En wanneer nu de bourgeois een beroep op het geweld doen om de ineenstortende ‘economische toestand’ voor de ineenstorting te behoeden, dan bewijzen zij daarmee slechts dat zij zich net als de heer Dühring in de dwaling verstrikt hebben, als zouden ‘de politieke omstandigheden de beslissende oorzaak van de economische toestand’ zijn. Dat zij zich net als de heer Dühring inbeelden, dat zij met het ‘oorspronkelijke’, met ‘het onmiddellijk politieke geweld’, die ‘feiten van de tweede orde’, de economische toestand en zijn onafwendbare ontwikkeling zouden kunnen herscheppen en zo de economische uitwerkingen van de stoommachine en de door deze gedreven moderne machinerie, van de wereldhandel en de huidige bank- en kredietontwikkeling, met Kruppkanonnen en Mausergeweren weer uit de wereld zouden kunnen schieten.

 

 

 

III. De theorie van het geweld (vervolg)

 

Beschouwen wij intussen dit almachtige ‘geweld’ van de heer Dühring wat nader. Robinson knecht Vrijdag ‘met de degen in de hand’. Waar heeft hij die degen vandaan? Ook op de fantasie-eilanden der Robinsoniaden groeien tot op heden de degens niet aan de bomen, en de heer Dühring blijft ieder antwoord op deze vraag schuldig. Evengoed als Robinson zich van een degen kon voorzien, mogen wij aannemen dat Vrijdag op een goede dag met een geladen revolver in de hand verschijnt en dan wordt de hele ‘machts’verhouding omgekeerd: Vrijdag commandeert en Robinson moet zwoegen. Wij bieden de lezers onze verontschuldiging aan dat wij zo consequent op de eigenlijk in de kinderkamer en niet in de wetenschap thuishorende geschiedenis van Robinson en Vrijdag terugkomen, maar wat kunnen wij daaraan doen? Wij zijn gedwongen de axiomatische methode van de heer Dühring nauwgezet toe te passen en het is niet onze schuld, wanneer wij ons daarbij steeds op het gebied der zuivere kinderachtigheid bewegen. De revolver zegeviert dus over de degen en daarmee zal het dan toch ook voor de kinderachtigste axiomaticus wel begrijpelijk zijn dat het geweld niet louter een wilshandeling is, maar dat er zeer reële voorwaarden nodig zijn om het ten uitvoer te brengen, nl. werktuigen van welke het meer volkomene het van het minder volkomene wint. Dat verder deze werktuigen moeten worden geproduceerd, waarmee tegelijk gezegd is dat de producent van meer volkomen geweldswerktuigen, in de wandeling wapens genoemd, het van de producent van de minder volkomene wint, en dat met één woord de overwinning van het geweld op de productie van wapens berust en die weer op de productie in het algemeen, dus — op de ‘economische macht’, op de ‘economische toestand’, op de aan het geweld ter beschikking staande materiële middelen.

Het geweld, dat is vandaag het leger en de oorlogsvloot, en beide kosten, zoals wij allen tot ons nadeel weten, ‘heidens veel geld’. Het geweld echter kan geen geld maken, maar hoogstens reeds gemaakt geld wegnemen, wat ook niet veel baat, zoals wij eveneens tot ons nadeel met de Franse miljarden  ervaren hebben. Het geld moet dus tenslotte toch door de economische productie geleverd worden. Het geweld wordt dus weer door de economische toestand bepaald die het de middelen voor de uitrusting en instandhouding van zijn werktuigen verschaft. Maar dat is nog niet alles. Niets is zo afhankelijk van economische voorwaarden als juist leger en vloot. Bewapening, samenstelling, organisatie, tactiek en strategie hangen vóór alles af van het bestaande productiepeil en van de verkeersmiddelen. Niet de ‘vrije scheppingen van het verstand’ van geniale veldheren hebben hier revolutionerend gewerkt, maar de uitvinding van betere wapens en de veranderingen in het soldatenmateriaal. De invloed van geniale veldheren beperkt zich in het beste geval tot het aanpassen van de strijdwijze aan de nieuwe wapens en strijders. 

In het begin van de 14e eeuw kwam het buskruit van de Arabieren naar de West-Europeanen en bracht, zoals ieder schoolkind weet, een omwenteling in de gehele oorlogvoering teweeg. De invoering van het buskruit en van de vuurwapens was echter volstrekt geen gewelddaad, maar een industriële, dus een economische stap voorwaarts. Industrie blijft industrie, om het even of zij zich de vervaardiging of de vernietiging van voorwerpen ten doel stelt. En de invoering van de vuurwapens had niet alleen een omwentelende uitwerking op de oorlogvoering zelf, maar ook op de politieke verhoudingen van heerschappij en knechtschap. Om aan buskruit en vuurwapens te komen, waren industrie en geld nodig, en beide waren in het bezit van de stadsburgers. De vuurwapens waren daarom van de aanvang af wapens van de steden en van de op de steden steunende, opkomende monarchie tegen de feodale adel. De tot dusver ongenaakbare stenen muren van de burchten van de adel legden het af tegen de kanonnen van de burgers, de kogels uit de handroeren van de burgers doorboorden de pantsers der ridders. Met de geharnaste cavalerie van de adel stortte ook de heerschappij van de adel ineen. Met de ontwikkeling van de burgerij werden infanterie en artillerie meer en meer de beslissende wapens. Door de artillerie gedwongen, moest het oorlogshandwerk zich met een nieuwe, geheel industriële onderafdeling uitbreiden, de genie.

De ontwikkeling van de vuurwapens vorderde zeer langzaam. Het geschut bleef plomp, het geweer, ondanks vele afzonderlijke uitvindingen, onhandig. Het duurde meer dan driehonderd jaren eer een geweer ontwikkeld werd dat geschikt was voor bewapening van de gehele infanterie. Pas in het begin van de 18e eeuw verdrong het vuursteengeweer met bajonet voorgoed de piek uit de bewapening van het voetvolk. Het toenmalige voetvolk bestond uit stram exercerende, maar geheel onbetrouwbare, slechts met de stok bijeengehouden en uit de meest verlopen elementen van de maatschappij, vaak uit gepreste vijandige krijgsgevangenen, samengeraapte huursoldaten van de vorsten, en de enige gevechtsvorm waarin deze soldaten van het nieuwe geweer gebruik konden maken was de linietactiek, die onder Frederik II haar hoogste volmaking bereikte. Het gehele voetvolk van een leger werd in drie gelederen in de vorm van een zeer lange holle rechthoek opgesteld en bewoog zich in slagorde slechts als een geheel. Hoogstens werd het aan een van de beide vleugels toegestaan iets naar voren op te schuiven of iets achter te blijven. In slagorde kon deze plompe massa zich slechts op volkomen vlak terrein bewegen en ook daar slechts in langzaam tempo (vijfenzeventig passen per minuut). Een wijziging in de slagorde gedurende het gevecht was onmogelijk en over nederlaag of overwinning werd, zodra de infanterie eenmaal in het vuur was, in korte tijd met een slag beslist.

Tegen deze onbeholpen linies rukten in de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog rebellenmenigten op, die wel niet exerceren, maar des te beter met hun buksen schieten konden, die voor hun bloedeigen belang vochten en dus niet deserteerden zoals de huurtroepen en die de Engelsen niet het genoegen deden eveneens in slagorde en op open terrein tegen hen op te trekken, maar opereerden in verspreide zeer beweeglijke zwermen van schutters en in de dekking biedende bossen. De gevechtslinie was hier machteloos en legde het tegen de onzichtbare en onbereikbare tegenstanders af. Het tirailleren was weer ontdekt — een nieuwe strijdwijze als gevolg van een veranderd soldatenmateriaal.

Wat de Amerikaanse revolutie begonnen was, dat voltooide de Franse, ook op militair gebied. Tegenover de geoefende huurlegers van de coalitie kon zij eveneens uitsluitend slecht geoefende, maar talrijke massa’s stellen — het gehele onder de wapens geroepen volk. Het ging er echter om met deze massa’s Parijs te beschermen, dus een bepaald gebied te dekken en dat kon niet zonder een overwinning in een massale veldslag geschieden. Het tirailleursgevecht alléén was niet voldoende, er moest een vorm gevonden worden om ook van de massa gebruik te maken, en die werd gevonden in de colonne. De colonneformatie maakte het mogelijk, dat ook minder geoefende troepen zich in tamelijke orde bewogen en dit zelfs met een grotere marssnelheid (honderd passen en meer per minuut). Zij maakte het mogelijk de strakke vormen van de oude linieformatie te breken en op ieder terrein, ook op het voor de linie meest ongunstige, te vechten. De troepen tot elke gewenste formatie te groeperen en, verbonden met verstrooid vechtende schutters, de vijandelijke linies op te houden, geen adempauze te geven, af te matten, totdat het ogenblik aanbrak waarop men de linie op het beslissende punt van de stelling met de in reserve gehouden massa’s kon breken. Deze nieuwe strijdwijze die op de verbinding van tirailleurs en colonnes en op de indeling van het leger in zelfstandige, uit alle wapens samengestelde divisies of legerkorpsen berustte en door Napoleon zowel naar haar tactische als naar haar strategische zijde ten volle ontwikkeld is, was dus hoofdzakelijk nodig geworden in verband met het veranderde soldatenmateriaal van de Franse revolutie. Zij had echter ook nog twee zeer belangrijke technische voorwaarden: ten eerste de door Gribeauval geconstrueerde lichtere affuiten voor het veldgeschut, die alleen de thans van dit geschut verlangde snellere beweging mogelijk maakten; en ten tweede de, naar het voorbeeld van het jachtgeweer, gebogen geweerkolf die tot dan toe geheel in het verlengde van de geweerloop lag. Deze gebogen kolf werd in 1777 in Frankrijk ingevoerd en maakte het mogelijk op een bepaalde man te mikken en niet als regel mis te schieten. Zonder deze vooruitgang nu, zou men met het oude geweer niet hebben kunnen tirailleren.

Het revolutionaire systeem van de algemene volksbewapening werd weldra beperkt tot een gedwongen rekrutering (met remplaçanten voor de meer gegoeden) en in deze vorm door de meeste grote staten van het vasteland aangenomen. Slechts Pruisen trachtte in zijn landweersysteem  in grotere mate van de weerkracht van het volk gebruik te maken. Pruisen was bovendien de eerste staat die zijn gehele voetvolk — nadat de tussen 1830 en 1860 ontwikkelde, gevechtswaardige, van getrokken lopen voorziene voorladers korte tijd een rol gespeeld hadden — met het nieuwste wapen uitrustte, met de van getrokken loop voorziene achterlader. Aan die beide feiten dankte het zijn succes van 1866. 

In de Frans-Duitse oorlog traden voor de eerste maal twee legers die beide van getrokken lopen voorziene achterladers hadden, tegen elkaar op en wel beide met in wezen dezelfde tactische formaties, als ten tijde van de oude snaphanen met gladde loop. Het verschil bestond slechts daarin dat de Pruisen met de invoering van de compagniecolonne een poging gedaan hadden om voor de nieuwe bewapening een daarbij beter passende gevechtsformatie te vinden. Maar toen op 18 augustus bij St. Privat  de Pruisische garde met de compagniecolonne ernst poogde te maken, verloren de vijf regimenten die daarbij het meest betrokken waren, in hoogstens twee uur meer dan een derde van hun sterkte (176 officieren en 5114 man) en van toen af was ook de compagniecolonne als gevechtsformatie veroordeeld, niet minder dan de bataljonscolonne en de linie. Iedere poging om verder op enige wijze gesloten troepen aan het vijandelijke geweervuur bloot te stellen, werd opgegeven en van Duitse zijde werd de strijd nog slechts gevoerd met die dichte zwermen van schutters, waarin de colonne zich onder de inslaande hagel van kogels tot nu toe reeds vanzelf opgelost had, maar die men van hogerhand als in strijd met de orde bestreden had. En eveneens werd nu binnen het bereik van het vijandelijke geweervuur de looppas de enige vorm van beweging. De soldaat was weer eens verstandiger geweest dan de officier. De enige gevechtsformatie die tot nu toe in het vuur van de achterlaadgeweren de proef doorstaan heeft, had hij instinctmatig gevonden en hij wist ze ook ondanks het verzet van zijn superieuren met succes te handhaven.

De Frans-Duitse oorlog heeft een keerpunt gebracht van heel andere betekenis dan alle vorige. Ten eerste zijn de wapens zo volmaakt geworden dat een nieuwe vooruitgang van enigerlei omwentelende betekenis niet meer mogelijk is. Wanneer men kanonnen heeft, waarmee men een bataljon kan treffen zover als dit met het oog te onderscheiden is, en geweren die hetzelfde bereiken bij het mikken op een afzonderlijke man en waarbij men voor het laden minder tijd nodig heeft dan voor het richten, dan is iedere verdere vooruitgang voor de oorlog te velde meer of minder onverschillig. Het tijdperk der ontwikkeling is in die richting dus in wezen afgesloten. Ten tweede echter heeft deze oorlog alle grote staten van het vasteland gedwongen het verscherpte Pruisische landweersysteem bij zich in te voeren en daarmee een militaire last op zich te nemen waaraan zij in weinige jaren te gronde moeten gaan. Het leger is hoofddoel van de staat, is doel op zichzelf geworden. De volkeren dienen er nog slechts toe om soldaten te leveren en te onderhouden. Het militarisme beheerst en verslindt Europa. Maar dit militarisme draagt ook de kiem van zijn eigen ondergang in zich. De concurrentie van de afzonderlijke staten onderling dwingt deze enerzijds, ieder jaar meer geld voor leger, vloot, geschut, enz. te besteden, de financiële ineenstorting dus meer en meer te verhaasten. Anderzijds, met de algemene dienstplicht steeds meer ernst te maken en zo tenslotte het gehele volk met het gebruik van wapens vertrouwd te maken. Het dus in staat te stellen op een gegeven ogenblik zijn wil tegenover de bevelvoerende militaire autoriteit door te zetten. En dit ogenblik breekt aan zodra de massa van het volk — de arbeiders van stad en land en de boeren — een wil heeft. Op dat tijdstip slaat het vorstenleger in een volksleger om. De machine weigert dienst, het militarisme gaat aan de dialectiek van zijn eigen ontwikkeling te gronde. Wat de burgerlijke democratie van 1848 niet kon klaarspelen, juist omdat zij burgerlijk en niet proletarisch was, nl. aan de arbeidende massa een wil te geven, waarvan de inhoud aan hun klassenpositie beantwoordt — dat zal het socialisme zonder mankeren bewerkstelligen. En dat betekent de verbrijzeling van het militarisme en daarmee van alle staande legers van binnen uit.

Dat is de ene moraal van onze geschiedenis der moderne infanterie. De tweede moraal die ons weer bij de heer Dühring terugbrengt, is dat de hele organisatie en de strijdwijze van de legers, en daarmee overwinning en nederlaag, van materiële, d.w.z. van economische voorwaarden afhankelijk blijken te zijn. Van mensen- en van wapenmateriaal, dus van de kwaliteit en de kwantiteit van de bevolking en van de techniek. Slechts een jagersvolk als de Amerikanen kon het tirailleren weer uitvinden — en zij waren jagers uit zuiver economische oorzaken, precies zoals nu, eveneens uit zuiver economische oorzaken diezelfde Yankees van de oude Staten zich in boeren, industriëlen, zeevaarders en kooplieden veranderd hebben, die niet meer in het oerwoud, maar in plaats daarvan des te beter op het terrein van de speculatie tirailleren, waar zij het ook ver gebracht hebben in het gebruiken van de massa. — Slechts een revolutie als de Franse, die de burger en vooral de boer economisch emancipeerde, kon de massalegers en tegelijk de vrije bewegingsvormen vinden waarop de oude strakke linies — de militaire uitdrukking van het absolutisme waarvoor zij vochten — te pletter sloegen. En hoe de vorderingen van de techniek, zodra deze op militair gebied toe te passen waren en ook toegepast werden, terstond veranderingen, ja zelfs omwentelingen in de strijdwijze bijna met geweld afdwongen, bovendien vaak nog tegen de wil van de legerleiding, dat hebben wij van geval tot geval gezien. Hoezeer bovendien het oorlogvoeren van de productiekrachten en de verkeersmiddelen van het eigen achterland zowel als van het krijgstoneel afhangt, daarover kan heden ten dage reeds een ijverige onderofficier de heer Dühring opheldering geven. Kortom, overal en altijd zijn het economische voorwaarden en machtsmiddelen die het ‘geweld’ de overwinning bezorgen, zonder welke het geweld ophoudt geweld te zijn, en wie het krijgswezen volgens de leerstellingen van de heer Dühring van het tegenovergestelde standpunt uit zou willen hervormen, zou daarbij niets anders dan klappen kunnen oplopen. 

Gaan wij nu van het land op het water, dan krijgen wij alleen al sedert de laatste twintig jaren een nog veel ingrijpender omwenteling te zien. Het slagschip uit de Krimoorlog  was de houten dubbel- en driedekker met 60 tot 100 kanonnen, die zich bij voorkeur nog met zeilen voortbewoog en alleen als aanvulling een zwakke stoommachine had. Het voerde voornamelijk 32-ponders van ongeveer 50 centenaar loopgewicht, daarnaast slechts een paar 68-ponders van 95 centenaar. Tegen het einde van de oorlog traden met ijzer gepantserde drijvende batterijen op. Logge, haast onbeweeglijke, maar door het toenmalige geschut niet te beschadigen gevaarten. Weldra werd de metaalpantsering ook op de slagschepen toegepast. Aanvankelijk nog dun, vier duim metaaldikte gold reeds als een uiterst zwaar pantser. Maar de vooruitgang van de artillerie haalde weldra de bepantsering in. Voor iedere pantserdikte die achtereenvolgens toegepast werd, werd er een nieuw, zwaarder geschut gevonden, dat deze gemakkelijk doorboorde. Zo zijn wij nu al enerzijds tot pantserdikten van tien, twaalf, veertien, vierentwintig duim (Italië wil een schip met een pantser van drie voet dikte laten bouwen) gekomen. Anderzijds tot van getrokken lopen voorzien geschut van 25, 35, 80, ja zelfs van 100 ton (à 20 centenaar) loopgewicht, dat projectielen van 300, 500, 1700 tot 2000 pond over tot dusver ongekende afstanden slingert. Het hedendaagse slagschip is een reusachtige gepantserde schroefstoomboot van 8000 tot 9000 ton en 6000 tot 8000 paardenkracht, met draaibare pantsertorens en vier, hoogstens zes stukken zwaar geschut en met een boeg die onder de waterlijn in een ram voor het in de grond boren van vijandelijke schepen uitloopt. Het is één kolossale machine, waarbij de stoom niet alleen de snellere voortbeweging bewerkstelligt, maar ook het sturen, het ankerwinden, het draaien van de torens, het richten en laden van het geschut, het uitpompen van het water, het ophalen en neerlaten van de boten — die gedeeltelijk zelf weer met stoomkracht toegerust zijn — enz. En zo ver zijn wij nog van het einde van de wedstrijd tussen de bepantsering en de uitwerking van het geschut, dat een schip tegenwoordig bijna regelmatig al niet meer aan de eisen voldoet en reeds verouderd is, nog voordat het van stapel is gelopen. Het moderne slagschip is niet slechts een product, maar tegelijk een proefstuk van de moderne grote industrie, een drijvende fabriek — in hoofdzaak weliswaar een fabriek voor geldverkwisting. Het land, waar de grote industrie het meest ontwikkeld is, heeft bijna het monopolie van dit soort scheepsbouw. Alle Turkse, bijna alle Russische en de meeste Duitse pantserschepen zijn in Engeland gebouwd. Pantserplaten die enigermate bruikbaar zijn, worden bijna alleen in Sheffield gemaakt. Van de drie staalfabrieken in Europa, die alleen in staat zijn het zwaarste geschut te leveren, zijn er twee (Woolwich en Elswick) in Engeland, de derde (Krupp) in Duitsland. Hiermee is op de meest tastbare wijze bewezen dat het ‘onmiddellijke politieke geweld’, wat volgens de heer Dühring ‘de beslissende oorzaak van de economische toestand’ zou zijn, integendeel volslagen aan de economische toestand onderworpen is. Zoals niet slechts de bouw, maar ook het omgaan met het geweldswerktuig ter zee, het slagschip, tot een tak van de moderne grote industrie geworden is. En dat het daartoe gekomen is, wekt nergens meer tegenzin dan juist bij het ‘geweld’, bij de staat die nu voor één schip net zoveel besteden moet als vroeger voor een hele kleine vloot. Die het moet aanzien hoe deze dure schepen nog voordat zij te water gelaten worden reeds verouderd, dus in waarde verminderd, zijn. En het ergert de staat zeker evenzeer als de heer Dühring dat de man van de ‘economische toestand’, de ingenieur, nu aan boord veel belangrijker is dan de man van het ‘onmiddellijk geweld’, de kapitein. Wij daarentegen hebben volstrekt geen reden ons erover te ergeren, wanneer wij zien hoe in deze wedstrijd tussen pantser en geschut het slagschip tot zo een toppunt van volmaaktheid ontwikkeld wordt dat het even onbetaalbaar als voor de oorlog onbruikbaar wordt  en hoe deze strijd daarmee ook op het gebied van de oorlog ter zee die innerlijke dialectische bewegingswetten openbaart, volgens welke het militarisme evenals ieder ander historisch verschijnsel, aan de gevolgen van zijn eigen ontwikkeling te gronde gaat.

Ook hier zien wij dus zonneklaar, dat geenszins ‘het oorspronkelijke in het onmiddellijke politieke geweld en niet eerst in een indirecte economische macht gezocht worden’ moet. Integendeel. Wat blijkt juist ‘het oorspronkelijke’ van het geweld zelf te zijn? De economische macht, de beschikking over de machtsmiddelen van de grote industrie. Het politieke geweld ter zee, dat op de moderne slagschepen berust, blijkt volstrekt niet ‘onmiddellijk’ te zijn, maar tot stand gebracht, juist door middel van de economische macht, de hoge ontwikkeling van de metaalindustrie, de beschikking over bekwame technici en rijke kolenmijnen.

Intussen, waartoe dit alles? Laat men in de eerstvolgende zeeoorlog de heer Dühring het opperbevel geven en hij zal al die door de economische toestand geknechte pantservloten, zonder torpedo’s of andere kunstmiddelen, eenvoudig door middel van zijn ‘onmiddellijk geweld’ vernietigen.

 

 

 

 

IV. De theorie van het geweld (slot)

 

‘Een zeer belangrijke omstandigheid ligt daarin, dat feitelijk de beheersing van de natuur eigenlijk (!) pas heeft plaatsgevonden’ (een beheersing hoeft plaats gevonden!) ‘door de beheersing van de mens’. ‘De bedrijfsvoering op grondeigendom van grotere uitgestrektheid is nooit en nergens doorgevoerd zonder voorafgaande knechting van de mens tot oen of andere soort van slaven- of herendienst. De vestiging van een economische heerschappij over de dingen, heeft de politieke, sociale en economische heerschappij van de mens over de mens tot voorwaarde gehad. ‘Hoe zou men zich oen grote landheer ook maar hebben kunnen denken, zonder tegelijkertijd daarbij te denken aan zijn heerschappij over slaven, horigen of indirect onvrijen? Wat zou de kracht van een enkeling die hoogstens met de krachten van gezinshulp toegerust was, voor een omvangrijke akkerbouw betekend hebben en betekenen? De exploitatie van het land of de economische uitbreiding van de heerschappij daarover in een omvang die boven de natuurlijke krachten van de enkeling uitgaat, is in de geschiedenis tot dusver slechts daardoor mogelijk geworden, dat voor of tegelijk met de vestiging van de heerschappij over de bodem ook de bijbehorende knechting van de mens tot stand gebracht werd. In latere perioden van de ontwikkeling is deze knechting verzacht... haar tegenwoordige gedaante is in de hoger beschaafde staten een min of meer door politiegezag geleide loonarbeid. Op deze laatste berust dus de praktische mogelijkheid van dat soort van tegenwoordige rijkdom, dat in de meer omvangrijke heerschappij over de grond en (!) in het grotere grondbezit bestaat. Natuurlijk zijn alle andere soorten van de verdelingsrijkdom historisch op soortgelijke wijze te verklaren, en de indirecte afhankelijkheid van de ene mens van de andere, die tegenwoordig de grondtrek van de economisch het verst ontwikkelde toestanden uitmaakt, kan niet uit zichzelf, maar slechts als een enigszins gewijzigde nalatenschap van een vroegere directe onderwerping en onteigening begrepen en verklaard worden.’

Aldus de heer Dühring.

Stelling: De beheersing van de natuur (door de mens) vooronderstelt de beheersing van de mens (door de mens).

Bewijs: — De bedrijfsvoering op grondeigendom van grotere uitgestrektheid is nooit en nergens anders dan door knechten geschied.

Bewijs van het bewijs: — Hoe kunnen er grootgrondbezitters bestaan zonder knechten? De grootgrondbezitter zou immers met zijn gezin zonder knechten toch slechts een klein deel van zijn bezit kunnen bebouwen.

Dus: — Om te bewijzen, dat de mens om de natuur aan zich te onderwerpen, tevoren de mens moet knechten, verandert de heer Dühring ‘de natuur’ zonder omslag in ‘grondeigendom van grotere uitgestrektheid’ en deze grondeigendom — het is niet aangegeven aan wie deze behoort — verandert terstond weer in de eigendom van een grootgrondbezitter die natuurlijk zonder knechten zijn land niet bebouwen kan.

In de eerste plaats zijn ‘beheersing van de natuur’ en ‘bedrijfsvoering op grondeigendom’ lang niet hetzelfde. De beheersing van de natuur heeft in de industrie op heel wat grootsere schaal plaats dan in de akkerbouw die zich tot op heden door het weer moet laten beheersen, in plaats van het weer te beheersen.

Ten tweede, wanneer wij ons tot de bedrijfsvoering op grondeigendom van grotere uitgestrektheid beperken, dan komt het er op aan wie deze grondeigendom toebehoort. En dan vinden wij aan het begin van de geschiedenis van alle cultuurvolkeren niet de ‘grote landheer’ die de heer Dühring hier met zijn gebruikelijke goochelkunst, welke hij ‘natuurlijke dialectiek’  noemt, binnensmokkelt, maar stam- en dorpsgemeenschappen met gemeenschappelijk grondbezit. Van India tot Ierland heeft de bedrijfsvoering op grondeigendom van grotere uitgestrektheid oorspronkelijk door zulke stam- en dorpsgemeenschappen plaatsgehad, en wel nu eens door gemeenschappelijke bebouwing van het akkerland voor rekening van de gemeenschap dan weer op afzonderlijke, door de gemeenschap aan de gezinnen tijdelijk toegewezen stukken akkerland, onder voortbestaan van het gemeenschappelijk gebruik van bos- en weiland. Het is wederom kenmerkend voor de ‘zeer diepgaande vakstudie’ van de heer Dühring ‘op het gebied van politiek en recht’, dat hij van al deze dingen niets weet. Dat zijn gezamenlijke werken blijk geven van een totale onbekendheid met de baanbrekende geschriften van Maurer over de oorspronkelijke Duitse markgemeenschap, de grondslag van het gehele Duitse recht, en met de hoofdzakelijk door Maurer in het leven geroepen nog steeds groeiende literatuur die zich ermee bezighoudt het bewijs te leveren voor de oorspronkelijke gemeenschappelijkheid van het grondbezit bij alle Europese en Aziatische cultuurvolkeren en de verschillende vormen van haar bestaan en verval te schilderen. Zoals de heer Dühring op het gebied van het Franse en Engelse recht zich ‘zijn hele onwetendheid zelf verworven’ had , — en deze onwetendheid is niet gering — evenzo ‘verwierf hij zichzelf’ zijn nog veel grotere onwetendheid op het gebied van het Duitse recht. Deze man, die zich zo geweldig boos maakt over de beperkte gezichtskring van de universiteitsprofessoren, staat op het gebied van het Duitse recht nog heden ten dage hoogstens daar, waar die professoren twintig jaar geleden stonden.

Het is zuiver een ‘vrije schepping en fantasie’ van de heer Dühring, wanneer hij beweert dat voor de bedrijfsvoering op grondeigendom van grotere uitgestrektheid landheren en knechten vereist zouden zijn geweest. In het hele Oosten, waar de gemeente of de staat grondeigenaar is, ontbreekt zelfs het woord landheer in de taal. De heer Dühring kan zich daarover door de Engelse juristen advies laten geven, die zich in India even vergeefs afmartelden met de vraag: wie is grondeigenaar? — als wijlen vorst Hendrik LXXII van Reuss-Greiz-Schleiz-Lobenstein-Eberswalde met de vraag: wie is nachtwachter? In het Oosten hebben pas de Turken in de door hen veroverde landen een soort landherenfeodalisme ingevoerd. Griekenland gaat reeds in het Heldentijdperk de geschiedenis in met een standengeleding die klaarblijkelijk zelf weer het product is van een lange, onbekende voorgeschiedenis; maar ook daar wordt de grond in hoofdzaak door zelfstandige boeren bebouwd. De grotere landgoederen van de edelen en stamvorsten vormen de uitzondering en verdwijnen bovendien spoedig daarna. Italië is voornamelijk door boeren ontgonnen. Toen in de laatste tijden van de Romeinse Republiek de grote landgoederencomplexen, latifundiën, de kleine boeren verdrongen en door slaven vervingen, vervingen zij tegelijk de akkerbouw door veeteelt en zij richtten, zoals reeds Plinius wist, Italië te gronde (latifundia Italiam perdidere) . In de Middeleeuwen overheerst in heel Europa (vooral bij de ontginning van woeste gronden) de bewerking door boeren, waarbij het voor de vraag die ons bezighoudt onverschillig is of, en zo ja, tot welke afdrachten deze boeren aan een of andere feodale heer verplicht werden. De Friese, Nedersaksische, Vlaamse en Beneden-Rijnse kolonisten die het aan de Slaven ontrukte land ten Oosten van de Elbe in bewerking namen, deden dit als vrije boeren onder zeer gunstige cijnsvoorwaarden, geenszins echter in de ‘een of andere herendienst’. — In Noord-Amerika is verreweg het grootste deel van het land door de arbeid van vrije boeren in cultuur gebracht, terwijl de grote landheren van het Zuiden met hun slaven en hun roofbouw de bodem uitputten tot er nog slechts sparren op groeiden, zodat de katoenbouw zich steeds verder naar het Westen moest verplaatsen. In Australië en Nieuw-Zeeland zijn alle pogingen van de Engelse regering om op kunstmatige wijze een grondaristocratie in het leven te roepen mislukt. Kortom, wanneer wij de tropische en subtropische koloniën buiten beschouwing laten, waar het klimaat de Europeaan het landbouwwerk onmogelijk maakt, blijkt de grote landheer die met behulp van zijn slaven of horigen de natuur aan zijn heerschappij onderwerpt en de bodem ontgint, een zuiver fantasieproduct. Integendeel. Waar hij in de Oudheid optreedt, zoals in Italië, ontgint hij geen woeste gronden, maar verandert hij het door de boeren ontgonnen akkerland in weideland en ontvolkt en ruïneert hele landen. Eerst in later tijd, eerst sedert de dichtere bevolking de waarde van de grond heeft verhoogd en vooral sedert de ontwikkeling van de landbouwwetenschap ook slechtere gronden bruikbaarder heeft gemaakt — eerst sindsdien is het grootgrondbezit begonnen aan de ontginning van woeste en weidegronden op grote schaal deel te nemen en wel voornamelijk door diefstal van de meentgronden van de boeren, zowel in Engeland als in Duitsland. En ook dat heeft nog zijn tegenhanger. Voor iedere akker meentgrond die de grootgrondbezitters in Engeland ontgonnen hebben, hebben zij in Schotland minstens drie akkers ontgonnen grond in schapenweide en ten laatste zelfs in niets dan jachtterrein voor edel wild veranderd.

Wij hebben hier alleen met de bewering van de heer Dühring te maken, als zou de ontginning van grotere landstreken dus toch wel zo ongeveer van het hele cultuurgebied ‘nooit en nergens’ anders geschied zijn dan door grote landheren en knechten — een bewering die wij hebben leren kennen als een die een werkelijk ongehoord gebrek aan kennis van de geschiedenis ‘tot voorwaarde heeft’. Het is dus voor ons hier niet van belang in hoeverre er in verschillende tijden reeds geheel of grotendeels ontgonnen landstreken door slaven (zoals in de bloeitijd van Griekenland) of horigen (zoals de vroonhoeven sedert de Middeleeuwen) bebouwd zijn, evenmin welke de maatschappelijke functie van de grote grondbezitters in verschillende perioden is geweest.

En nadat de heer Dühring ons dit meesterlijke fantasietafereel heeft voorgehouden, — waarvan men niet weet wat men meer moet bewonderen, de goochelkunst van de deductie of de geschiedvervalsing — roept hij zegevierend uit:

‘Natuurlijk zijn alle andere soorten van de verdelingsrijkdom historisch op soortgelijke wijze te verklaren!’

Waarmee hij zich natuurlijk de moeite bespaart, aan het ontstaan bv. van het kapitaal verder ook maar een enkel woord vuil te maken.

Wanneer de heer Dühring met zijn beheersing van de mens door de mens als voorwaarde tot de beheersing van de natuur door de mens, slechts in het algemeen wil zeggen dat onze gehele tegenwoordige economische toestand, dat de thans bereikte ontwikkelingstrap van landbouw en industrie, het resultaat is van een geschiedenis der maatschappij die zich in klassentegenstellingen, in verhoudingen van heerschappij en knechtschap ontwikkelt, dan zegt hij iets dat sedert het ‘Communistisch Manifest’ reeds lang een gemeenplaats geworden is. Het komt er juist op aan het ontstaan van de klassen en de machtsverhoudingen te verklaren, en wanneer de heer Dühring daarvoor altijd slechts het ene woord ‘geweld’ heeft, dan zijn wij daarmee precies zo ver als bij het begin. Het eenvoudige feit, dat de beheersten en uitgebuiten in alle tijden veel talrijker zijn dan de heersers en uitbuiters, dat dus de werkelijke macht in handen van de eersten ligt, is alleen reeds voldoende om de dwaasheid van de hele geweldstheorie in het licht te stellen. Het gaat dus nog altijd om de verklaring van de verhoudingen van heerschappij en knechtschap.

Zij zijn langs tweeërlei weg ontstaan.

Zoals de mensen oorspronkelijk uit het dierenrijk — in de engere zin — voortkomen, zo doen zij in de geschiedenis hun intrede: nog half dieren, wild, nog machteloos tegenover de krachten van de natuur en nog niet bekend met hun eigen krachten. Daarom even arm als de dieren en ternauwernood productiever dan deze. Er heerst een zekere gelijkheid van levenstoestand en voor de hoofden der families ook een soort gelijkheid van maatschappelijke positie — althans een afwezigheid van maatschappelijke klassen, die nog voortduurt in de oorspronkelijke landbouwende gemeenschappen van de latere cultuurvolkeren. In al dergelijke gemeenschappen bestaan van het begin af zekere gemeenschappelijke belangen, waarvan de behartiging aan afzonderlijke personen, zij het ook onder toezicht van het geheel, moet worden opgedragen: beslissing over geschillen, beteugeling van inbreuken door enkelen op het recht van anderen, toezicht op de watervoorziening, vooral in warme landen, en eindelijk bij de primitiviteit van de toestanden, religieuze functies. Dergelijke aanstellingen vindt men in de oorspronkelijke gemeenschappen van elke tijd, bv. in de oudste Duitse markgemeenschappen en heden ten dage nog in India. Zij zijn natuurlijk met een zekere machtsbevoegdheid uitgerust en vormen als zodanig het begin van de staatsmacht. Geleidelijk nemen de productiekrachten toe. Het dichter worden van de bevolking leidt hier tot gemeenschappelijke, ginds tot tegenstrijdige belangen der verschillende gemeenschappen, en hun groepering tot grotere eenheden wekt wederom een nieuwe arbeidsverdeling en roept de instelling van organen in het leven die de gemeenschappelijke belangen moeten behartigen en afweer moeten bieden in geval van tegenstrijdige belangen. Deze organen die reeds als vertegenwoordigers van de gemeenschappelijke belangen van de gehele groep tegenover iedere afzonderlijke gemeenschap een bijzondere, onder bepaalde omstandigheden zelfs antagonistische plaats innemen, maken zich weldra nog meer zelfstandig, ten dele door het erfelijk worden van de ambtelijke functies (wat in een wereld, waar alles door de natuur beheerst wordt, bijna vanzelfsprekend gebeurt), ten dele door de toenemende onontbeerlijkheid dezer organen wegens het veelvuldiger worden van conflicten met andere groepen. Hoe dit zelfstandig worden van de maatschappelijke functies tegenover de maatschappij zich mettertijd tot heerschappij over de maatschappij kon ontwikkelen; hoe de oorspronkelijke dienaar zich, wanneer de gelegenheid gunstig was, geleidelijk in heer veranderde; hoe, al naar de omstandigheden, deze heer als Oosterse despoot of satraap, als Griekse stamvorst, als Keltisch clanhoofd, enz. optrad; in hoeverre hij bij de gedaanteverwisseling tenslotte ook van geweld gebruik maakte; hoe eindelijk de afzonderlijke heersende personen zich tot een heersende klasse aaneensloten — daarop behoeven wij hier niet in te gaan. Hier komt het er slechts op aan vast te stellen dat aan de politieke macht overal een maatschappelijke, ambtelijke functie ten grondslag lag. En de politieke macht bleef ook slechts dan op den duur bestaan, wanneer zij deze maatschappelijke ambtelijke functie uitoefende. Hoeveel despotieën er ook over Perzië en India opgekomen en te gronde gegaan zijn, elk ervan wist zeer goed dat zij vóór alles de opperste leiding had van de bevloeiing der rivierdalen, zonder welke er daar geen akkerbouw mogelijk is. Eerst voor de verlichte Engelsen was het weggelegd, dit in India over het hoofd te zien. Zij lieten de bevloeiingskanalen en sluizen vervallen en ontdekken nu eindelijk door de regelmatig terugkerende hongersnoden dat zij de enige taak verwaarloosd hebben die hun heerschappij in India althans even rechtmatig kon doen zijn, als die van hun voorgangers.

Hiernaast vormden de klassen zich echter nog op een andere wijze. De natuurlijke arbeidsverdeling in het akkerbouwende gezin liet op een bepaalde trap van welvaart toe, dat er een of meer vreemde arbeidskrachten in werden opgenomen. Dit was in het bijzonder het geval in landen, waar het vroegere gemeenschappelijke bezit aan bodem reeds in verval geraakt was of althans de oude gezamenlijke bebouwing was vervangen door de bewerking van bodemaandelen door afzonderlijke gezinnen. De productie was zover ontwikkeld dat de menselijke arbeidskracht nu meer kon voortbrengen dan enkel voor haar instandhouding nodig was; de middelen om meer arbeidskrachten te onderhouden waren aanwezig en ook de middelen om ze te werk te stellen; de arbeidskracht kreeg waarde. Maar de eigen gemeenschap en het verbond van gemeenschappen, waartoe zij behoorde, leverden geen beschikbare overtollige arbeidskrachten. Daarentegen leverde de oorlog ze, en de oorlog was even oud als het gelijktijdig naast elkaar bestaan van verschillende gemeenschapsgroepen. Tot dusver had men niet geweten wat men met de krijgsgevangenen moest beginnen, men had ze dus eenvoudig gedood, nog vroeger had men ze opgegeten. Maar op de nu bereikte trap van de ‘economische toestand’ kregen zij waarde. Men liet hen dus in leven en maakte zich hun arbeid ten nutte. Zo werd het geweld, in plaats van de economische toestand te beheersen, integendeel gedwongen de economische toestand te dienen. Deslavernij was uitgevonden. Zij werd weldra tot de heersende productievorm bij alle volkeren die zich boven het oude gemeenschapswezen uit hadden ontwikkeld, maar tenslotte ook tot een van de hoofdoorzaken van hun verval. Pas de slavernij maakt de verdeling van de arbeid tussen akkerbouw en industrie op grotere schaal mogelijk, en daarmee de hoogste bloei van de oude wereld, van de Griekse cultuur. Zonder slavernij geen Griekse staat, geen Griekse kunst en wetenschap. Zonder slavernij geen Romeins Rijk. Zonder de grondslag van het oude Griekenland en van het Romeinse Rijk echter ook geen modern Europa. Wij moeten nooit vergeten dat onze gehele economische, politieke en intellectuele ontwikkeling een voorafgaande toestand tot voorwaarde heeft, waarin de slavernij even noodzakelijk als algemeen erkend was. In die zin hebben wij het recht te zeggen: zonder antieke slavernij geen modern socialisme.

Het is bijzonder goedkoop om tegen slavernij en dergelijke met algemene frases van leer te trekken en hooggestemde zedelijke toorn over een dergelijke schande uit te bazuinen. Helaas zegt men daarmee niets anders dan wat iedereen weet, namelijk dat deze antieke instellingen niet meer aan onze huidige toestanden en aan onze door deze toestanden bepaalde gevoelens beantwoorden. Hiermee weten we echter nog niets over het ontstaan van deze instellingen, over de reden van hun bestaan en over de rol die zij in de geschiedenis gespeeld hebben. En wanneer wij hierop ingaan, moeten wij zeggen — hoe tegenstrijdig en ketters dit ook mag klinken — dat de invoering van de slavernij onder de toenmalige omstandigheden een grote vooruitgang was. Het is nu eenmaal een feit dat de mensheid bij het dier is begonnen en daarom barbaarse, bijna dierlijke middelen nodig heeft gehad om zich aan de barbaarsheid te ontworstelen. De oude gemeenschappen vormen, waar zij bleven voortbestaan, sinds duizenden jaren de grondslag van de ruwste staatsvorm, het Oosterse despotisme, van India tot Rusland. Slechts daar waar zij tot ontbinding kwamen zijn de volkeren uit zichzelf verder voorwaarts gegaan en hun eerstvolgende economische vooruitgang bestond in de verhoging en de verdere ontwikkeling van de productie door middel van de slavenarbeid. Het is duidelijk: zolang de menselijke arbeid nog zo weinig productief was, dat zij slechts een gering overschot boven de noodzakelijke levensmiddelen opleverde, waren groei van de productiekrachten, uitbreiding van het verkeer, ontwikkeling van staat en recht, grondvesting van kunst en wetenschap slechts mogelijk door middel van een toenemende arbeidsverdeling, welke de grote arbeidsverdeling tussen de massa die zich met eenvoudige handarbeid bezighielden en de weinige bevoorrechten die de leiding van de arbeid, de handel, de staatsaangelegenheden en later de zorg voor kunst en wetenschap op zich namen, tot grondslag moest hebben. De eenvoudigste oorspronkelijkste vorm van deze arbeidsverdeling was nu eenmaal de slavernij. Onder de historische voorwaarden van de oude, in het bijzonder van de Griekse wereld kon de vooruitgang naar een op klassentegenstellingen berustende maatschappij zich alleen in de vorm van de slavernij voltrekken. Zelfs voor de slaven was dit een vooruitgang. De krijgsgevangenen, waaruit de massa der slaven gerekruteerd werd, kwamen er thans tenminste met het leven af, in plaats van als vroeger vermoord of nog vroeger zelfs gebraden te worden.

Voegen wij er bij deze gelegenheid aan toe, dat tot dusver alle historische tegenstellingen van uitbuitende en uitgebuite, heersende en onderdrukte klassen in dezelfde, relatief onontwikkelde productiviteit van de menselijke arbeid hun verklaring vinden. Zolang de werkelijk arbeidende bevolking zozeer door haar noodzakelijke arbeid in beslag genomen wordt, dat haar geen tijd overblijft om voor de gemeenschappelijke zaken van de maatschappij — leiding van de arbeid, staats- en rechtsaangelegenheden, kunst, wetenschap, enz. — zorg te dragen, zolang moest er steeds een bijzondere klasse bestaan die van de werkelijke arbeid bevrijd was en daarvoor zorgde; waarbij zij dan nooit verzuimde, tot eigen voordeel, een steeds grotere arbeidslast aan de werkende massa op te leggen. Eerst de door de grote industrie bereikte ontzaglijke verhoging van de productiekrachten veroorlooft het, om de arbeid over alle leden van de maatschappij zonder uitzondering te verdelen en daardoor de arbeidstijd van een ieder zo te beperken, dat voor iedereen genoeg vrije tijd overblijft om zich met de algemene aangelegenheden van de maatschappij — theoretische zowel als praktische — bezig te houden. Pas dan is dus iedere heersende en uitbuitende klasse overbodig, ja een hinderpaal voor de maatschappelijke ontwikkeling geworden en ook pas dan zal zij onverbiddelijk opgeheven worden, moge zij dan ook nog zozeer in het bezit van het ‘onmiddellijke geweld’ zijn.

Wanneer dus de heer Dühring voor de Griekse wereld zijn neus ophaalt, omdat die op slavernij berustte, dan kan hij de Grieken met hetzelfde recht verwijten dat zij geen stoommachines en elektrische telegrafie hadden. En wanneer hij beweert dat onze moderne loonknechtschap slechts als een enigszins gewijzigde en verzachte erfenis van de slavernij en niet uit zichzelf (d.w.z. uit de economische wetten van de moderne maatschappij) te verklaren is, dan betekent dit slechts dat ofwel loonarbeid en slavernij vormen van knechtschap en klassenheerschappij zijn, wat ieder kind weet, — ofwel het is onwaar. Want met hetzelfde recht zouden wij kunnen zeggen dat de loonarbeid alleen te verklaren is als een verzachte vorm van het menseneten, de thans overal geconstateerde oorspronkelijke vorm van het gebruiken van overwonnen vijanden.

Uit dit alles is duidelijk, welke rol het geweld ten opzichte van de economische ontwikkeling in de geschiedenis speelt. Ten eerste berust alle politieke machtsuitoefening oorspronkelijk op een economische, maatschappelijke functie en versterkt zich naarmate de ontbinding van de oorspronkelijke gemeenschappen de leden van de maatschappij in particuliere producenten verandert en hen dus van de beheerders der algemene, maatschappelijke functies nog meer vervreemdt. Ten tweede kan de politieke macht, nadat zij zich ten opzichte van de maatschappij zelfstandig gemaakt heeft en van dienaar tot meester geworden is, in tweeërlei richting werken. Ofwel zij werkt in de zin en de richting van de wetmatige economische ontwikkeling en in dat geval bestaat er geen strijd tussen beiden, de economische ontwikkeling wordt bespoedigd. Ofwel zij gaat daartegen in en dan legt zij het, met weinige uitzonderingen, regelmatig tegen de economische ontwikkeling af. Deze weinige uitzonderingen zijn enkele gevallen van verovering, waar de onbeschaafde veroveraars de bevolking van een land uitroeiden of verdreven en de productiekrachten, waarmee zij niets wisten te beginnen verwoestten of te gronde lieten gaan. Dat deden de christenen in het Moorse Spanje met het grootste deel van de bevloeiingswerken waarop de hoog ontwikkelde akker- en tuinbouw van de Moren berust had. Iedere verovering door een minder beschaafd volk stoort natuurlijk de economische ontwikkeling en vernietigt tal van productiekrachten. Maar in verreweg de meeste gevallen van duurzame verovering moet de minder beschaafde veroveraar zich aan de hogere ‘economische toestand’, zoals die na de verovering is, aanpassen. Hij wordt door de veroverden geassimileerd en moet meestal zelfs hun taal overnemen. Waar echter — afgezien van gevallen van verovering — de interne staatsmacht van een land in tegenstelling komt te staan tot zijn economische ontwikkeling, welke toestand zich op een bepaald punt bijna voor elke politieke macht heeft voorgedaan, daar is de strijd telkenmale met de ineenstorting van de politieke macht geëindigd. Zonder uitzondering en onverbiddelijk heeft de economische ontwikkeling zich baan gebroken — het laatste en treffendste voorbeeld daarvan hebben wij reeds genoemd: de grote Franse Revolutie. Indien, in overeenstemming met de leer van de heer Dühring, de economische toestand en daarmee het economische stelsel van een bepaald land eenvoudig van de politieke macht afhingen, zou het volslagen onbegrijpelijk zijn, waarom het Friedrich Wilhelm IV na 1848, ondanks zijn ‘heerlijk krijgsleger’, niet gelukte de middeleeuwse gilden en andere romantische poespas op de spoorwegen, stoommachines en de zich pas ontwikkelende grootindustrie van zijn land te enten. Of waarom de keizer van Rusland  die toch veel machtiger is, niet alleen zijn schulden niet betalen kan, maar niet eens zijn ‘macht’ bij elkaar kan houden zonder voortdurend bij de ‘economische toestand’ van West-Europa leentjebuur te spelen.

Voor de heer Dühring is het geweld het absoluut kwade, de eerste gewelddaad is voor hem de zondeval, zijn hele schildering is een jammerklacht over de hierdoor voltrokken besmetting van de gehele geschiedenis met de erfzonde, over de smadelijke vervalsing van alle natuurlijke en maatschappelijke wetten door deze duivelsmacht, het geweld. Dat het geweld echter nog een andere rol in de geschiedenis speelt, een revolutionaire rol; dat het, om Marx’ woorden te gebruiken, de vroedvrouw is van iedere oude maatschappij die van een nieuwe zwanger gaat  dat het het werktuig is waarmee de maatschappelijke beweging zich baan breekt en verstarde, afgestorven politieke vormen verbrijzelt — daarover bij de heer Dühring geen woord. Slechts onder zuchten en steunen geeft hij de mogelijkheid toe dat er voor de omverwerping van de uitbuiterij misschien geweld nodig zal zijn — helaas! Want iedere uitoefening van geweld zou degene, die het aanwendt, demoraliseren. En dat tegenover de hoge morele en geestelijke vlucht die het gevolg van elke zegevierende revolutie was! En dat in Duitsland waar een gewelddadige botsing die het volk immers opgedrongen kan worden, althans het voordeel zou hebben, de door de vernedering van de dertigjarige oorlog in het nationale bewustzijn binnengedrongen lakeiengeest uit te roeien. En deze matte, fut- en krachteloze domineesopvatting maakt er aanspraak op, zich aan de meest revolutionaire partij die de geschiedenis kent, op te dringen?

 

 

 

 

V. De waardetheorie

 

Het is nu ongeveer honderd jaar geleden dat in Leipzig een boek verscheen, hetwelk tot het begin van deze eeuw dertig en meer drukken beleefde en dat in stad en land door overheidspersonen, geestelijken en allerlei mensenvrienden verspreid, uitgedeeld en voor de volksscholen algemeen als leerboek aangewezen werd. Dit boek heette: ‘Rochows kindervriend’. Het had ten doel aan de jeugdige spruiten van boeren en handwerkslieden wijze leringen rond te delen over hun levensroeping en hun plichten tegenover hun meerderen in staat en maatschappij, naast hun een zegenrijke tevredenheid met hun aardse lot met roggebrood en aardappelen, herendienst, laag arbeidsloon, vaderlijke stokslagen en meer van die aangename dingen, bij te brengen, en dat alles met behulp van de toenmaals gangbare Verlichting. Tot dit doel werd aan de jeugd in stad en land voorgehouden welk een wijze inrichting van de natuur het toch is dat de mens zich zijn levensonderhoud en zijn genietingen door arbeid moet verwerven en hoe gelukkig zich daarom de boer en de handwerksman moeten voelen, dat het hun gegeven is hun maal met bittere arbeid te kruiden, in plaats van, zoals de rijke zwelger, aan een bedorven maag, galsteen of verstopping te sukkelen en de meest uitgezochte lekkernijen slechts met weerzin erin te proppen. Dezelfde gemeenplaatsen die de oude Rochow voor de Saksische boerenjongens van zijn tijd goed genoeg vond, biedt ons de heer Dühring op blz. 14 en volgende van de ‘Cursus’ als het ‘absoluut fundamentele’ van de nieuwste politieke economie aan.

‘De menselijke behoeften als zodanig hebben hun natuurlijke wetten en de toename ervan is aan zekere grenzen gebonden, die slechts door ontaarding een tijdlang overschreden kunnen worden, totdat daaruit afkeer, oververzadiging, afgeleefdheid, sociale verminking en tenslotte heilzame vernietiging voortkomen... Een uit louter plezier bestaand spel, zonder ernstig doel leidt weldra tot geblaseerdheid, of wat hetzelfde is, tot het afslijten van alle ontvankelijkheid voor indrukken. Werkelijke arbeid in een of andere vorm is dus de sociale natuurwet van gezonde schepselen... Zouden de driften en behoeften geen tegenwicht hebben, dan zouden zij ternauwernood een kinderbestaan bereiken, om maar van een historisch opwaarts strevende levensontwikkeling te zwijgen. Bij volledige, gemakkelijke bevrediging zouden zij weldra uitgeput raken en een leeg bestaan in de vorm van hinderlijke, op hun terugkeer wachtende tussenpozen overlaten... in alle opzichten is dus de afhankelijkheid van de werkzaamheid der driften en hartstochten van het overwinnen van een economische weerstand een heilzame grondwet van de uiterlijke in richting der natuur en van de innerlijke gesteldheid der mensen’ enz., enz.

Men ziet, de platste platheden van de eerzame Rochow vieren bij de heer Dühring hun honderdjarig jubileum en dat bovendien als ‘diepere fundering’ van het enig waarachtig kritische en wetenschappelijke ‘socialitaire systeem’.

Nadat aldus de grondslag is gelegd kan de heer Dühring verder bouwen. Met behulp van de wiskundige methode geeft hij ons eerst, in navolging van de oude Euclides, een reeks definities Dit is des te gemakkelijker, omdat hij zijn definities meteen zo kan inkleden, dat zij gedeeltelijk reeds datgene behelzen, wat met behulp van die definities bewezen moet worden. Zo krijgen wij in de eerste plaats te horen, dat

het leidende begrip van de tot dusver bestaande economie ‘rijkdom’ heet en dat rijkdom, zoals deze werkelijk tot heden wereldhistorisch begrepen wordt en zijn rijk ontwikkeld heeft, ‘de economische macht over mensen en dingen’ is.

Dit is dubbel onjuist. Ten eerste was de rijkdom van de oude stam- en dorpsgemeenschappen geenszins een heerschappij over mensen. En ten tweede is ook in de maatschappijen die zich in klassentegenstellingen bewegen, de rijkdom, voor zover die een heerschappij over mensen inhoudt, voornamelijk en bijna uitsluitend een heerschappij over mensen, uit hoofde en door middelvan de heerschappij over dingen. Van de zeer vroege tijden af, toen slavenjacht en slavenuitbuiting verschillende takken van bedrijf werden, moesten de uitbuiters van slavenarbeid de slaven kopen, de heerschappij over de mensen eerst door de heerschappij over de dingen, over de koopprijs, de bestaansmiddelen en de arbeidsmiddelen van de slaaf verwerven. In de gehele Middeleeuwen is grootgrondbezit de voorwaarde waardoor de feodale adel de beschikking krijgt over cijns- en herendienstplichtige boeren. En vandaag ziet zelfs een kind van zes jaar, dat de rijkdom uitsluitend door middel van de dingen, waarover hij beschikt, tot heerschappij over de mensen voert.

Waarom moet de heer Dühring echter deze onjuiste definitie van rijkdom opstellen, waarom de werkelijke samenhang, zoals die in alle tot dusver bestaande klassenmaatschappijen gold, uiteenrukken? Om met alle geweld de rijkdom van het economische gebied op het morele over te brengen. De heerschappij over de dingen is heel goed, maar de heerschappij over de mensen is uit den boze. En daar de heer Dühring zichzelf verboden heeft de heerschappij over de mensen uit de heerschappij over de dingen te verklaren, daarom kan hij weer een kloeke greep doen en haar kortweg uit zijn geliefde geweld verklaren. De rijkdom als heerschappij over de mensen is ‘roof’, waarmee wij weer bij een verslechterde uitgave van Proudhons oeroude ‘Eigendom is diefstal’ , zijn aangeland.

En hiermee hebben wij dan gelukkig de rijkdom onder de beide voornaamste gezichtspunten van de productie en de verdeling gebracht. De rijkdom als heerschappij over dingen: productierijkdom, goede zijde. Als heerschappij over mensen: tot nu toe geldende verdelingsrijkdom, slechte zijde, weg daarmee! Op de huidige verhoudingen toegepast luidt dit: de kapitalistische productiewijze is heel goed en mag blijven bestaan, maar de kapitalistische verdelingswijze deugt niet en moet worden afgeschaft. Bij zulke onzin komt men terecht wanneer men over economie schrijft, zonder ook maar de samenhang tussen productie en verdeling te hebben begrepen.

Na de rijkdom komt de definitie van de waarde, als volgt:

‘De waarde is de geldigheid die de economische dingen en verrichtingen in het verkeer hebben.’ Deze geldigheid beantwoordt aan ‘de prijs of aan enige andere equivalentsnaam, bv. het loon’.

Met andere woorden: de waarde is de prijs. Of veeleer, om de heer Dühring geen onrecht te doen en de zinneloosheid van zijn definitie zoveel mogelijk in zijn eigen woorden weer te geven: de waarde is de prijzen. Want op blz. 19 zegt hij:

‘de waarde en de haar in geld uitdrukkende prijzen’,

daar constateert hij dus zelf dat dezelfde waarde zeer verschillende prijzen en daarmee ook evenzoveel verschillende waarden heeft. Wanneer Hegel niet reeds lang gestorven was, zou hij zich ophangen. Deze waarde die evenveel verschillende waarden is als zij prijzen heeft, zou hij met alle theologica niet in elkaar gedraaid hebben. Men moet toch wel het zelfvertrouwen van de heer Dühring bezitten om een nieuwe, diepere fundering van de economie te beginnen met de verklaring dat men geen ander onderscheid tussen prijs en waarde kent, dan dat de ene in geld uitgedrukt is en de andere niet.

Nu weten wij echter nog altijd niet wat de waarde is en nog minder waardoor zij bepaald wordt. De heer Dühring moet dus met nadere toelichtingen voor de dag komen.

‘Geheel in het algemeen ligt de grondwet van de vergelijking en waardering, waarop de waarde en de haar in geld uitdrukkende prijzen berusten, in de eerste plaats op het gebied van de productie als zodanig, afgezien van de verdeling, die pas een tweede element in het waardebegrip brengt. De grotere of kleinere beletsels die de verscheidenheid van de natuurverhoudingen aan het streven naar het voortbrengen van dingen in de weg stelt en waardoor zij tot grotere of kleinere besteding van economische kracht dwingt, bepaalt ook... de grotere of kleinere waarde’ en deze wordt geschat naar de ‘weerstand die door de natuur en de omstandigheden tegenover te voortbrenging gesteld wordt... De omvang waarin wij onze eigen kracht daarin’ (in de dingen nl.) ‘legden, is de onmiddellijk beslissende oorzaak van het bestaan van waarde in het algemeen en van de bijzondere grootte daarvan.’

Voor zover dit alles zin heeft betekent het: De waarde van een arbeidsproduct wordt bepaald door de arbeidstijd die voor de vervaardiging daarvan nodig is, en dat wisten wij allang, ook zonder de heer Dühring. In plaats van het feit eenvoudig mee te delen, moet hij het in orakeltaal verdraaien. Het is eenvoudig onjuist dat de omvang waarin iemand zijn kracht in een of ander ding legt (om dezelfde hoogdravende zinswending te gebruiken), de onmiddellijk beslissende oorzaak van waarde en van de grootte der waarde is. In de eerste plaats komt het er op aan in welk ding de kracht gelegd wordt en ten tweede, hoe zij erin gelegd wordt. Vervaardigt onze ‘iemand’ een ding dat geen gebruikswaarde voor anderen heeft, dan brengt zijn hele kracht geen atoom waarde tot stand. En staat hij er hardnekkig op een voorwerp met de hand voort te brengen, dat een machine twintigmaal goedkoper vervaardigt, dan levert negentien twintigste van zijn daarin gelegde kracht noch waarde in het algemeen, noch een bijzondere grootte daarvan.

Verder moet men het een totale verdraaiing van de zaak noemen wanneer men de productieve arbeid, die positieve voortbrengselen schept, in een louter negatieve overwinning op een weerstand verandert. Wij zouden dan, om aan een hemd te komen, ongeveer zo te werk moeten gaan: Ten eerste overwinnen wij de weerstand van het katoenzaad tegen het gezaaid worden en het groeien, dan die van het rijpe katoen tegen het geplukt, verpakt en verzonden worden, dan de weerstand tegen het uitgepakt, gekamd en gesponnen worden, verder de weerstand van het garen tegen het geweven worden, die van het weefsel tegen het gebleekt en genaaid en eindelijk die van het kant en klare hemd tegen het aangetrokken worden.

Waarom al deze kinderachtige verdraaiing en verdraaidheid? Om van de ‘productiewaarde’, de ware, maar tot nu toe slechts ideële waarde, met behulp van de ‘weerstand’ te komen tot de in de geschiedenis tot op heden alleen geldende, door het geweld vervalste ‘verdelingswaarde’.

Behalve de door de natuur geboden weerstand... bestaat er nog een ander, zuiver sociaal beletsel... Tussen de mens en de natuur treedt een tegenstrevende macht en deze is wederom de mens. De afzonderlijk en geïsoleerd gedachte mens staat vrij tegenover de natuur... Anders ziet de toestand er uit, zodra wij ons een tweede denken, die met de degen in de hand de toegangen tot de natuur en haar hulpbronnen bezet houdt en voor de toegang in de een of andere vorm een prijs eist. Deze tweede... maakt de ander als het ware schatplichtig en is er daardoor de oorzaak van, dat de waarde van het begeerde voorwerp groter uitvalt, dan het zonder dit politiek en maatschappelijk beletsel van de winning of de productie het geval zou kunnen zijn... Zeer veelvuldig zijn de bijzondere gedaanten van deze kunstmatig vergrote waarde der dingen, waar tegenover natuurlijk een overeenkomstig omlaag drukken van de waarde van de arbeid als begeleidende tegenhanger staat... Het is daarom een illusie, wanneer men bij voorbaat de waarde als een equivalent in de eigenlijke zin van het woord, d.w.z. als een gelijkwaardigheid, of als een naar het beginsel der gelijkheid van prestatie en tegenprestatie tot stand gekomen ruilverhouding zou willen beschouwen... Integendeel zal het kenmerk van een juiste waardetheorie zijn, dat de daarin gedachte meest algemene grondslag van waardering niet samenvalt met de op de verdelingsdwang berustende bijzondere vorm van waardering. Deze wisselt met de sociale omstandigheden, terwijl de eigenlijke economische waarde alleen een ten opzichte van de natuur gemeten productiewaarde kan zijn en zich dus slechts met de zuivere productiebeletsels van natuurlijke en technische aard zal wijzigen.’

De praktisch geldende waarde van een ding bestaat dus volgens de heer Dühring uit twee delen: ten eerste uit de daarin opgehoopte arbeid en ten tweede uit de ‘met de degen in de hand’ afgedwongen schatplichtigheidstoeslag. Met andere woorden, de thans geldende waarde is een monopolieprijs. Wanneer nu, volgens deze waardetheorie, alle waren zulk een monopolieprijs hebben, dan zijn slechts twee gevallen mogelijk. Ofwel ieder verliest als koper weer datgene wat hij als verkoper gewonnen heeft, de prijzen zijn weliswaar in naam veranderd, in werkelijkheid echter — in hun wederzijdse verhouding — zijn zij gelijk gebleven. Alles blijft zoals het was en de roemruchtige verdelingswaarde is louter schijn. — Of de zogenaamde schatplichtigheidstoeslagen vertegenwoordigen een werkelijke waardesom, nl. die welke door de arbeidende, waardevoortbrengende klasse geproduceerd, maar door de monopolistenklasse toegeëigend wordt en dan bestaat deze waardesom eenvoudig uit onbetaalde arbeid; in dat geval komen wij, ondanks de man met de degen in de hand, ondanks de zogenaamde schatplichtigheidstoeslagen en de veronderstelde verdelingswaarde, weer terug bij Marx’ theorie van de meerwaarde.

Gaan wij echter eens enige voorbeelden van de roemruchtige ‘verdelingswaarde’ na. Op blz. 135 en volgende heet het:

‘Ook de prijsvorming krachtens de individuele concurrentie is als een vorm van de economische verdeling en van de wederzijdse tribuutheffing te beschouwen... men stelle zich voor dat de voorraad van een of andere noodzakelijke waar plotseling sterk inkrimpt, dan ontstaat aan de kant van de verkoper een onevenredige macht tot uitbuiting... hoe dat tot in het kolossale toenemen kan blijkt in het bijzonder uit die abnormale toestanden waarin de toevoer van noodzakelijke artikelen voor langere tijdsduur is afgesneden’, enz. Bovendien zouden er ook bij de normale gang van zaken feitelijke monopolies bestaan die een willekeurige prijsverhoging veroorloven, bv. spoorwegen, maatschappijen die steden van water en lichtgas voorzien, enz.

Dat zich zulke gelegenheden voor monopolistische uitbuiting voordoen is vanouds bekend. Maar dat de daardoor veroorzaakte monopolieprijzen niet als uitzonderingen en bijzondere gevallen, maar juist als klassieke voorbeelden van de heden ten dage gangbare waardebepaling moeten gelden, dat is nieuw. Hoe worden de prijzen van de levensmiddelen bepaald? ‘Ga naar een belegerde stad waar de toevoer afgesneden is en stel u op de hoogte!’ antwoordt de heer Dühring. Hoe werkt de concurrentie op de vaststelling van de marktprijzen? ‘Wendt u tot het monopolie, het zal u van antwoord dienen!’

Overigens is ook bij deze monopolies de man met de degen in de hand, die er achter zou staan, niet te ontdekken. Integendeel, in belegerde steden pleegt de man met de degen, de commandant, wanneer hij zijn plicht doet aan het monopolie zeer snel een einde te maken en de monopolievoorraden ten behoeve van een gelijkmatige verdeling in beslag te nemen. En voor het overige hebben de mannen met de degen, zodra zij poogden een ‘verdelingswaarde’ te fabriceren, daarmee niets geoogst dan slechte zaken en geldverlies. De Hollanders hebben met hun monopolisering van de Oost-Indische handel hun monopolie en hun handel te gronde gericht.

De beide sterkste regeringen die ooit bestaan hebben, de Noord-Amerikaanse Revolutieregering en de Franse Nationale Conventie, vermaten zich maximumprijzen vast te stellen en leden ellendig schipbreuk. De Russische regering is nu al sinds jaren in de weer om de koers van het Russische papiergeld, die zij door gestadige uitgifte van niet inwisselbare bankbiljetten in Rusland neerdrukt, in Londen op te drijven door een even gestadige aankoop van wissels op Rusland. Zij heeft voor deze liefhebberij in enkele jaren tegen de zestig miljoen roebel uitgegeven en de roebel staat nu lager dan twee, in plaats van hoger dan drie mark. Wanneer de degen de economische tovermacht heeft, die de heer Dühring hem toeschrijft, waarom heeft dan geen regering het kunnen klaarspelen slecht geld op de duur tot de ‘verdelingswaarde’ van goed geld op te vijzelen, of assignaten tot die van goud? En waar is de degen die op de wereldmarkt het commando voert?

Verder is er nog een hoofdvorm, waarin de verdelingswaarde het middel is om zich andermans prestatie zonder tegenprestatie toe te eigenen: de rente van bezit, d.i. de grondrente en kapitaalwinst. Wij noteren dit voorlopig slechts, om te kunnen zeggen dat dit alles is wat wij over de beroemde ‘verdelingswaarde’ te weten komen. — Alles? Toch niet helemaal alles. Hoort:

‘In weerwil van het tweevoudige gezichtspunt, dat in het aannemen van een productie- en een verdelingswaarde te voorschijn treedt, vormt toch nog steeds een gemeenschappelijk iets de grondslag, waaruit alle waarden bestaan en waarmee zij dan ook gemeten worden. De onmiddellijke natuurlijke maatstaf is het krachtsverbruik en de eenvoudigste eenheid is de menselijke kracht in de grofste zin van het woord. Deze laatste berust op de bestaanstijd, waarvan het zelfonderhoud op zijn beurt het overwinnen van een bepaalde hoeveelheid voedings- en levensmoeilijkheden vertegenwoordigt. De verdelings- of toeëigeningswaarde is zuiver en alleen slechts daar aanwezig waar de beschikkingsmacht over ongeproduceerde dingen, of, in meer gewone taal, waar deze dingen zelf tegen prestaties of tegen dingen van werkelijke productiewaarde geruild worden. Het gelijksoortige, zoals het zich in iedere waardeuitdrukking aangeduid en vertegenwoordigd vindt, en dus ook in de waardebestanddelen die door verdeling zonder tegenprestatie toegeëigend zijn, bestaat dus in de besteding van menselijke kracht, die ... in iedere waar ... belichaamd is.’

Wat moeten wij nu daarvan zeggen? Wanneer alle waarden van waren afgemeten worden naar het in die waren belichaamde verbruik aan menselijke kracht — waar blijft dan de verdelingswaarde, de prijstoeslag, de belasting? De heer Dühring zegt ons weliswaar dat ook ongeproduceerde dingen — dingen die dus geen werkelijke waarde kunnen hebben —een verdelingswaarde kunnen krijgen en tegen geproduceerde, waardebezittende dingen geruild kunnen worden. Tegelijkertijd echter zegt hij dat alle waarden, dus ook die zuiver en uitsluitend verdelingswaarden zijn, uit het daarin belichaamde krachtsverbruik bestaan. Waarbij wij helaas niet te weten komen hoe in een ongeproduceerd ding krachtsverbruik belichaamd kan zijn. In ieder geval blijkt uit al dit dooreen haspelen van waarden tenslotte toch zoveel dat het weer niets gedaan is met de verdelingswaarde, met de door de sociale positie afgedwongen prijstoeslag op de waren en met de schatplichtigheid door middel van de degen. De waarden van waren worden alleen bepaald door het verbruik van menselijke kracht, eenvoudig gezegd arbeid, die daarin belichaamd is. Zegt de heer Dühring dus — afgezien van de grondrente en de paar monopolieprijzen — hetzelfde, alleen slordiger en verwarder, wat de veel gesmade waardetheorie van Ricardo-Marx allang in veel duidelijker en helderder vorm naar voren gebracht heeft?

Hij zegt het, en in één adem zegt hij het tegenovergestelde. Marx, van Ricardo’s onderzoekingen uitgaande, zegt: De waarde van waren wordt bepaald door de in de waren belichaamde maatschappelijk noodzakelijke, algemeen menselijke arbeid die op haar beurt naar haar tijdsduur gemeten wordt. De arbeid is de maat van alle waarden, zijzelf echter heeft geen waarde. Nadat nu de heer Dühring, op de hem eigene stumperige manier, eveneens de arbeid als waardemaatstaf gesteld heeft gaat hij verder:

hij ‘berust op de bestaanstijd, waarvan het zelfonderhoud op zijn beurt het overwinnen van een bepaalde hoeveelheid voedings- en levensmoeilijkheden vertegenwoordigt’.

Laten wij geen acht slaan op de verwisseling, ontstaan puur uit lust om origineel te doen, van de arbeidstijd, waarop het hier alleen aankomt, met de bestaanstijd die tot dusver nog nooit waarde voortgebracht of gemeten heeft. Letten wij ook niet op de valse ‘socialitaire’ schijn, die het ‘zelfonderhoud’ van deze bestaanstijd moet wekken; zolang de wereld bestaan heeft en bestaan zal, moet ieder zich in die zin zelf onderhouden, dat hij zijn bestaansmiddelen zelf verbruikt. Aangenomen dat de heer Dühring zich economisch en nauwkeurig uitgedrukt heeft, dan één van beide. Òf bovenstaande zin beduidt in het geheel niets, òf hij betekent: De waarde van een waar wordt bepaald door de daarin belichaamde arbeidstijd, en de waarde van deze arbeidstijd door de tot het onderhoud van de arbeider voor die tijd benodigde levensmiddelen. En dat betekent voor de tegenwoordige maatschappij: de waarde van een waar wordt bepaald door het daarin vervatte arbeidsloon.

Hiermee zijn wij eindelijk bij datgene aangekomen wat de heer Dühring eigenlijk zeggen wil. De waarde van een waar wordt bepaald, volgens de vulgair-economische zegswijze, door de vervaardigingskosten;

waartegen Carey ‘de waarheid aan de dag bracht, dat niet de kosten van de productie, maar die van de reproductie de waarde bepalen’. (Kritische geschiedenis’, blz. 401.)

Wat er aan deze productie- en reproductiekosten vastzit, daarover later. Nu slechts dit, dat zij zoals bekend uit arbeidsloon en kapitaalwinst bestaan. Het arbeidsloon maakt de in de waar belichaamde ‘krachtsbesteding’, de productiewaarde, uit. De winst maakt de door de kapitalist, krachtens zijn monopolie en zijn met de degen in de hand afgedwongen tol of prijstoeslag, de verdelingswaarde uit. En zo lost zich de hele van tegenstrijdigheden vervulde verwarring van Dührings waardetheorie tenslotte op in de schoonste harmonische klaarheid.

De bepaling van de waarde van de waar door het arbeidsloon, die bij Adam Smith nog vaak met de bepaling van de waarde door de arbeidstijd door elkaar loopt, is sedert Ricardo uit de wetenschappelijke economie verbannen en spookt heden ten dage alleen nog in de vulgaire economie rond. Het zijn juist de allerplatste pleitbezorgers van de bestaande kapitalistische maatschappijorde, die de waardebepaling door het arbeidsloon prediken en daarbij tegelijk de winst van de kapitalist eveneens voor een hoger soort arbeidsloon, een loon voor de onthouding (nl. omdat de kapitalist zich ervan onthoudt, zijn kapitaal te verbrassen), voor een risicopremie, een loon voor het voeren der zaken enz. uitgeven. De heer Dühring verschilt slechts daardoor van hen dat hij de winst tot roof proclameert. Met andere woorden, de heer Dühring grondvest zijn socialisme direct op de leerstellingen van de slechtste soort vulgaire economie. Die vulgaire economie en zijn socialisme zijn aan elkaar gewaagd. Zij staan en vallen met elkaar.

Het is toch duidelijk: wat een arbeider presteert en wat hij kost zijn even verschillende dingen, als wat een machine presteert en wat zij kost. De waarde die een arbeider in een arbeidsdag van twaalf uur tot stand brengt heeft in het geheel niets gemeen met de waarde van de bestaansmiddelen die hij in die arbeidsdag, en de daarbij behorende rusttijd, verbruikt. In deze bestaansmiddelen kan een drie-, vier-, zevenurige arbeidstijd belichaamd zijn, naargelang van de ontwikkelingsgraad van de arbeidsproductiviteit. Nemen wij aan dat er voor de voortbrenging daarvan zeven arbeidsuren nodig waren, dan verklaart de door de heer Dühring aangehangen vulgair-economische waardetheorie dat het product van twaalf arbeidsuren de waarde van het product van zeven arbeidsuren heeft, of dat twaalf arbeidsuren aan zeven arbeidsuren gelijk zijn, of dat 12=7. Om het nog duidelijker te zeggen: Een arbeider op het land, om het even onder welke maatschappelijke verhoudingen, produceert een hoeveelheid graan van, laten wij zeggen, twintig hectoliter tarwe per jaar. Hij verbruikt gedurende die tijd een hoeveelheid waarden, die uit te drukken is in een hoeveelheid van vijftien hectoliter tarwe. Dan hebben de twintig hectoliter tarwe dezelfde waarde als de vijftien, en dat op dezelfde markt en onder overigens volkomen gelijkblijvende omstandigheden, met andere woorden, 20 is gelijk aan 15. En dat heet dan economie!

Iedere ontwikkeling van de menselijke maatschappij boven het peil van dierlijke wildheid dateert van de dag waarop de arbeid van het gezin meer producten opleverde dan voor zijn onderhoud noodzakelijk was, van de dag dat een deel van de arbeid niet enkel meer aan het voortbrengen van levensmiddelen, maar ook van productiemiddelen besteed kon worden. Een overschot van het arbeidsproduct boven de onderhoudskosten van de arbeid en de vorming en uitbreiding van een maatschappelijk productie- en reservefonds uit dat overschot, dat was en is de grondslag van alle maatschappelijke, politieke en intellectuele ontwikkeling. In de geschiedenis was dit fonds tot dusver het eigendom van een bevoorrechte klasse, aan welke met dit bezit ook de politieke heerschappij en de geestelijke leiding te beurt vielen. De op handen zijnde sociale omwenteling zal dit maatschappelijke productie- en reservefonds, d.w.z. de gehele massa van grondstoffen, productiewerktuigen en bestaansmiddelen eerst werkelijk tot een maatschappelijk fonds maken door de beschikking daarover aan die bevoorrechte klasse te ontnemen en het aan de gehele maatschappij als gemeenschappelijk eigendom toe te wijzen.

één van beide. Of de waarde der waren wordt bepaald door de onderhoudskosten van de tot de voortbrenging daarvan nodige arbeid, dat betekent in de huidige maatschappij door het arbeidsloon. Dan krijgt iedere arbeider in zijn loon de waarde van zijn arbeidsproduct, dan is een uitbuiting van de klasse der loonarbeiders door de klasse der kapitalisten een onmogelijkheid. Gesteld dat de onderhoudskosten van een arbeider in een bepaalde maatschappij door een bedrag van drie mark zouden worden uitgedrukt. Dan heeft het dagproduct van de arbeider, volgens de hierboven aangegeven vulgair-economische theorie, de waarde van drie mark. Nemen wij nu aan dat de kapitalist die deze arbeider aan het werk stelt, op dit product een winst, een belasting van een mark legt en het voor vier mark verkoopt. Hetzelfde doen de andere kapitalisten. Maar dan kan de arbeider voor zijn dagelijks onderhoud niet meer met drie mark toe, maar heeft hij daarvoor ook vier mark nodig. Daar van alle andere omstandigheden aangenomen is dat zij gelijk blijven, moet het in bestaansmiddelen uitgedrukte arbeidsloon hetzelfde blijven, het in geld uitgedrukte arbeidsloon moet dus stijgen, en wel van drie op vier mark per dag. Wat de kapitalisten in de vorm van winst de arbeidersklasse afnemen, moeten zij haar in de vorm van loon weer teruggeven. Wij zijn precies zover als in het begin. Wanneer het arbeidsloon de waarde bepaalt, dan is geen uitbuiting van de arbeider door de kapitalist mogelijk. Maar dan is ook de vorming van een overschot van producten onmogelijk, want de arbeiders verbruiken, zoals wij aangenomen hadden, precies zoveel waarde, als zij voortbrengen. En daar de kapitalisten geen waarde voortbrengen, is het volkomen onbegrijpelijk waarvan zij zouden moeten leven. En wanneer nu niettemin zulk een overschot van de productie boven het verbruik, zulk een productie- en reservefonds bestaat, en wel in de handen van de kapitalisten, dan blijft er geen andere verklaring mogelijk dan dat de arbeiders alleen de waarde van de waren voor hun eigen onderhoud verbruiken, maar de waren zelf aan de kapitalisten voor verder gebruik overlaten.

Of wel: wanneer dit productie- en reservefonds in de handen der kapitalistenklasse werkelijk bestaat, wanneer het inderdaad door ophoping van winst ontstaan is (de grondrente laten wij hier voorlopig buiten beschouwing): dan bestaat dit noodzakelijkerwijze uit het opgehoopte overschot van het aan de kapitalistenklasse door de arbeidersklasse geleverde arbeidsproduct, boven de aan de arbeidersklasse door de kapitalistenklasse betaalde som van arbeidsloon. Dan wordt echter de waarde niet door het arbeidsloon bepaald, maar door de hoeveelheid arbeid. Dan levert de arbeidersklasse aan de kapitalistenklasse in het arbeidsproduct een grotere hoeveelheid waarde, dan zij van haar in het arbeidsloon betaald krijgt, en dan laat zich de kapitaalwinst, gelijk alle andere vormen van toe-eigening van andermans onbetaald arbeidsproduct, louter als bestanddeel van deze door Marx ontdekte meerwaarde verklaren.

Terloops. Van de grote ontdekking, waarmee Ricardo zijn hoofdwerk opent:

‘Dat de waarde van een waar... afhangt van de tot haar voortbrenging noodzakelijke hoeveelheid arbeid, en niet van de voor die arbeid betaalde hogere of lagere vergoeding’  —

van deze baanbrekende ontdekking is in de hele Cursus der economie nergens sprake. In de Kritische geschiedenis wordt zij afgedaan met de orakelachtige frase:

‘Hij’ (Ricardo) ‘bedenkt niet dat een grotere of kleinere verhouding, waarin het loon een aanwijzing op de levensbehoeften zijn kan (!), ook een verschillende vorming van de waardeverhoudingen... moet meebrengen!’

Een frase, waarbij de lezer denken kan wat hij wil, en er het veiligst aan doet wanneer hij er helemaal niets bij denkt.

En nu moge de lezer uit de vijf soorten van waarde, die de heer Dühring ons opdist, zelf uitzoeken welke hem het beste bevalt. De productiewaarde die uit de natuur stamt, of de verdelingswaarde die door de slechtheid der mensen is geschapen en die zich daardoor kenmerkt dat zij wordt gemeten naar het krachtsverbruik, dat er niet in steekt. Of ten derde de waarde die naar de arbeidstijd gemeten wordt, of ten vierde die welke naar de reproductiekosten, of eindelijk die welke naar het arbeidsloon wordt gemeten. De keus is rijk, de verwarring volkomen en ons blijft slechts over om met de heer Dühring uit te roepen:

‘De waardeleer is de toetssteen voor de degelijkheid van economische systemen!’

 

 

 

 

VI. Eenvoudige en samengestelde arbeid

 

Een zeer grove economische flater die tevens een sociaal gevaarlijke, socialistische ketterij inhoudt, heeft de heer Dühring bij Marx ontdekt.

De waardetheorie van Marx is ‘verder niets dan de gewone... leer dat arbeid de bron van alle waarden en de arbeidstijd de maatstaf daarvan is. In volslagen onklaarheid blijft hierbij de vraag op welke wijze men de grotere waarde van de zogenaamde gekwalificeerde arbeid zou moeten opvatten... Weliswaar kan ook volgens onze theorie alleen de bestede arbeidstijd maatstaf zijn voor de natuurlijke productiekosten en dus ook voor de absolute waarde der economische zaken. Hierbij echter zal de arbeidstijd van een ieder bij voorbaat als volkomen gelijk moeten worden opgevat en men zal er slechts op letten in hoeverre, bij gekwalificeerde arbeidsprestatie, de arbeidstijd van andere personen... bijvoorbeeld die vervat in het gebruikte werktuig, bij de individuele arbeidstijd van ieder afzonderlijk meetelt. Het is dus niet, zoals de heer Marx het zich vagelijk voorstelt, dat iemands arbeidstijd op zichzelf meer waard is dan die van een ander persoon, omdat daarin meer gemiddelde arbeidstijd als het ware samengeperst zou zijn. Maar alle arbeidstijd is zonder uitzondering en in beginsel, dus zonder dat men eerst een gemiddelde hoeft uit te werken, volkomen gelijkwaardig en men heeft er bij de prestaties van een persoon, evenals bij ieder voltooid voortbrengsel slechts op te letten, hoeveel arbeidstijd van andere personen mag zijn besloten in datgene wat zich als de arbeidstijd van een enkel individu voordoet. Of het het handwerktuig voor de productie, of de hand, ja zelfs het hoofd zelf is, dat zonder de arbeidstijd van anderen niet de bijzondere aard en geschiktheid tot produceren had kunnen krijgen, dat heeft in het geheel niets te betekenen voor de volstrekte geldigheid van de theorie. De heer Marx echter komt in zijn ontboezemingen over de waarde van het op de achtergrond rondwarende spook van de gekwalificeerde arbeidstijd niet af. Tot een doortasten in die richting zag hij zich belemmerd door de traditionele denkwijze van de geleerde klassen, welke het als iets gedrochtelijk moest voorkomen, de arbeidstijd van een kruier en die van een architect op zichzelf als economisch volkomen gelijkwaardig te aanvaarden’.

De passage bij Marx, die deze ‘bijzondere toorn’ van de heer Dühring gaande maakt, is zeer kort. Marx onderzoekt waardoor de waarde der waren bepaald wordt en antwoordt: door de daarin vervatte menselijke arbeid. Deze, gaat hij voort, ‘is het besteden van eenvoudige arbeidskracht, zoals in doorsnee ieder gewoon mens zonder bijzondere ontwikkeling die in zijn lichamelijk organisme bezit... Meer gecompliceerde arbeid geldt slechts als een verveelvuldigde of liever als vermenigvuldigde eenvoudige arbeid, zodat een kleinere hoeveelheid gecompliceerde arbeid tegen een grotere hoeveelheid eenvoudige arbeid opweegt. Dat deze herleiding voortdurend plaatsvindt toont de ervaring. Zelfs indien een waar het resultaat van de meest gecompliceerde arbeid is, stelt haar waarde haar aan het product van eenvoudige arbeid gelijk en vertegenwoordigt daarom zelf slechts een bepaalde hoeveelheid eenvoudige arbeid. De verschillende verhoudingen, waarin verschillende soorten van arbeid tot eenvoudige arbeid als eenheidsmaat herleid zijn, worden door een maatschappelijk proces achter de rug van de voortbrengers om bepaald en zo schijnt het hun toe dat zij door de traditie gegeven zijn’. 

Het gaat hier bij Marx vooreerst alleen om de bepaling van de waarde van waren, van voorwerpen dus die binnen een uit particuliere producenten bestaande maatschappij door deze particuliere producenten voor particuliere rekening geproduceerd en tegen elkaar geruild worden. Het gaat hier dus volstrekt niet om de ‘absolute waarde’, waar die dan ook mag rondspoken, maar om de waarde die in een bepaalde maatschappijvorm geldt. Deze waarde, in deze bepaalde historische vorm, blijkt te ontstaan en gemeten te worden door de in de afzonderlijke waren belichaamde menselijke arbeid en deze menselijke arbeid blijkt verder het besteden van eenvoudige arbeidskracht te zijn. Nu is echter niet iedere arbeid enkel het besteden van eenvoudige menselijke arbeidskracht. Zeer veel soorten van arbeid veronderstellen de toepassing van bekwaamheid of kennis, die met meer of minder grote besteding van moeite, tijd en geld verworven zijn. Brengen deze soorten van samengestelde arbeid in gelijke tijdruimten dezelfde warenwaarde voort als de eenvoudige arbeid, als het besteden van louter eenvoudige arbeidskracht? Klaarblijkelijk niet. Het product van een uur samengestelde arbeid is een waar van hogere, van dubbele of drievoudige waarde, vergeleken met het product van een uur eenvoudige arbeid. De waarde van de voortbrengselen van de samengestelde arbeid wordt in deze vergelijking uitgedrukt door bepaalde hoeveelheden eenvoudige arbeid. Maar deze herleiding van de samengestelde arbeid voltrekt zich door een maatschappelijk proces, achter de rug van de producenten om, door een proces waarvan het bestaan hier, bij de ontwikkeling van de waardetheorie, slechts geconstateerd, maar nog niet verklaard behoeft te worden.

Dit is het eenvoudige, in de huidige kapitalistische maatschappij zich voor onze ogen dagelijks voltrekkende feit, dat Marx hier constateert. Dit feit is zo onbetwistbaar dat zelfs de heer Dühring het noch in zijn ‘Cursus’ noch in zijn geschiedenis der economie waagt te betwisten. En de uiteenzetting van Marx is zo eenvoudig en helder, dat zeker niemand daarover ‘in volslagen onklaarheid blijft’ behalve de heer Dühring. Tengevolge van deze volslagen onklaarheid bij hem, begaat hij de fout de waarde van de waar, met de onderzoeking waarvan Marx zich voorlopig enkel bezighoudt, voor ‘de natuurlijke productiekosten’ te houden waardoor hij de onklaarheid nog vollediger maakt, ja zelfs voor de ‘absolute waarde’ die zover ons bekend tot dusver in de economie nog nergens in zwang was. Wat echter de heer Dühring ook moge verstaan onder de natuurlijke productiekosten en welke van zijn vijf soorten van waarde ook de eer moge hebben, de absolute waarde voor te stellen, zoveel is zeker, dat van dit alles bij Marx geen sprake is, maar alleen van de waarde van de waar. En dat in het gehele gedeelte van Het kapitaal over de waarde ook niet de geringste aanduiding voorkomt of, dan wel in hoeverre, Marx deze theorie van de waarde van de waar ook op andere maatschappijvormen van toepassing acht.

‘Het is dus niet,’ gaat de heer Dühring voort, ‘het is dus niet, zoals de heer Marx het zich vagelijk voorstelt, dat iemands arbeidstijd op zichzelf meer waard is dan die van een ander persoon, omdat daarin meer gemiddelde arbeidstijd als het ware samengeperst zou zijn maar alle arbeidstijd is zonder uitzondering en in beginsel, dus zonder dat men eerst een gemiddelde behoeft uit te werken, volkomen gelijkwaardig.’

Het is een geluk voor de heer Dühring, dat het levenslot hem niet tot fabrikant gemaakt en hem er zo voor bewaard heeft, de waarde van zijn waren volgens deze nieuwe regel te bepalen en daarmee zonder mankeren het bankroet in de armen te lopen. Maar wat zeg ik! Zijn wij dan hier nog in het gezelschap van fabrikanten? Geenszins. Met de natuurlijke productiekosten en de absolute waarde heeft de heer Dühring ons een sprong laten maken, een ware salto mortale uit de tegenwoordige slechte wereld der uitbuiters naar zijn eigen bedrijfscommune van de toekomst. Naar de reine hemelssfeer van gelijkheid en gerechtigheid, en zo moeten wij dan deze nieuwe wereld, zij het ook wat voortijdig, hier reeds een beetje bekijken.

Het is waar, volgens de theorie van de heer Dühring kan ook in de bedrijfscommune slechts de bestede arbeidstijd de maatstaf zijn voor de waarde van de economische zaken, maar hierbij zal ieders arbeidstijd bij voorbaat gelijk geacht moeten worden. Alle arbeidstijd is zonder uitzondering en principieel volkomen gelijkwaardig en wel zonder dat men eerst een gemiddelde behoeft uit te werken. En nu stelle men tegenover dit radicale gelijkheidssocialisme de vage voorstelling van Marx, alsof de arbeidstijd van de een op zichzelf meer waard zou zijn dan die van een ander, omdat daarin meer gemiddelde arbeidstijd samengedrongen zou zijn, een voorstelling waarin Marx door de traditionele denkwijze van de geleerde klassen gevangen zat, aan wie het als iets gedrochtelijk moest toeschijnen om de arbeidstijd van een kruier en die van een architect als economisch volkomen gelijkwaardig te aanvaarden!

Helaas echter maakt Marx bij de bovenaangehaalde passage in Het kapitaal de korte aantekening: ‘De lezer dient er op te letten dat hier niet gesproken wordt over het loon of de waarde, die de arbeider eventueel voor een arbeidsdag ontvangt, maar over de waarde van de waar, waarin een arbeidsdag zich vermaterialiseert’.  Marx, die hier reeds een voorgevoel van zijn Dühring schijnt te hebben gehad, waarschuwt er dus zelf tegen zijn bovengenoemde stellingen ook maar toe te passen op de lonen die eventueel in de tegenwoordige maatschappij voor samengestelde arbeid worden betaald. En wanneer de heer Dühring dit toch doet en hiermee niet tevreden, bovendien deze stellingen voor de grondstellingen uitgeeft, volgens welke Marx de verdeling der bestaansmiddelen in de socialistisch georganiseerde maatschappij zou hebben willen regelen, dan is dat een onbeschaamde toedichting die slechts in schotschriftenliteratuur haar weerga vindt.

Beschouwen wij echter de gelijkwaardigheidsleer wat nader. Alle arbeidstijd is volkomen gelijkwaardig, die van de kruier en die van de architect. Dus heeft de arbeidstijd, en daarmee de arbeid zelf, een waarde. De arbeid is echter de voortbrenger van alle waarden. Hij alleen is het, die de aanwezige natuurproducten, in economische zin, een waarde geeft. De waarde zelf is niets anders dan de uitdrukking voor de in een ding vermaterialiseerde, maatschappelijk noodzakelijke menselijke arbeid. De arbeid kan dus geen waarde hebben. Wanneer wij van een waarde van de arbeid zouden willen spreken en deze willen bepalen, zou men evengoed van de waarde van de waarde kunnen spreken, of het gewicht, niet van een zwaar lichaam, maar van de zwaarte zelf willen bepalen. De heer Dühring maakt zich van mensen als Owen, Saint-Simon en Fourier af door ze te betitelen als sociale alchimisten. Doordat hij over de waarde van de arbeidstijd, d.i. van de arbeid piekert, bewijst hij dat hij nog ver beneden de werkelijke alchimisten staat. En nu beoordelen men de vermetelheid waarmee de heer Dühring Marx de bewering in de schoenen schuift, als zou de arbeidstijd van de een op zichzelf meer waard zijn dan die van een ander, als zou de arbeidstijd, de arbeid dus, een waarde hebben — Marx, die het eerst heeft uiteengezet, dat en waarom de arbeid geen waarde hebben kan!

Voor het socialisme, dat de menselijke arbeidskracht van haar positie als waar wil emanciperen, is het van groot belang in te zien, dat de arbeid geen waarde heeft en er geen hebben kan. Daarmee vervallen alle, door de heer Dühring van het primitieve arbeiderssocialisme overgenomen pogingen om de toekomstige verdeling van de bestaansmiddelen als een soort van hoger arbeidsloon te regelen. Daaruit volgt verder het inzicht dat de verdeling, voor zover zij door zuiver economische overwegingen geleid wordt, zich zal regelen naar het belang van de productie. En de productie wordt het meest bevorderd door een wijze van verdeling die aan alle leden van de maatschappij toestaat hun bekwaamheden zo veelzijdig mogelijk te ontwikkelen, in stand te houden en uit te oefenen. Voor de op de heer Dühring overgegane denkwijze van de geleerde klassen moet het stellig monsterachtig schijnen dat er eens geen kruiers en geen architecten van beroep meer zullen zijn, en dat de man die een half uur lang als architect instructies gegeven heeft, ook een tijdlang de kruiwagen voortduwt, totdat hij weer door zijn werk als architect in beslag wordt genomen. Een mooi socialisme, dat de beroepskruiers vereeuwigt!

Als de gelijkwaardigheid van de arbeidstijd betekent dat iedere arbeider in gelijke tijdruimten gelijke waarden produceert, zonder dat men eerst een gemiddelde zou behoeven uit te werken, dan is dat klaarblijkelijk fout. Bij twee arbeiders, ook in dezelfde bedrijfstak, zal het waardeproduct van het arbeidsuur altijd al naargelang de intensiteit van de arbeid en bekwaamheid, verschillend zijn. Aan deze misstand die intussen slechts voor lieden van het slag Dühring een misstand is, kan ook geen bedrijfscommune, althans op onze planeet, iets veranderen! Wat blijft er dus van de hele gelijkwaardigheid van alle soorten arbeid over? Hoogstens holle snoevende frases die geen ander economisch fundament hebben dan het onvermogen van de heer Dühring om het verschil te zien tussen de bepaling van de waarde door de arbeid en de bepaling van de waarde door het arbeidsloon — niets dan de machtsspreuk, de grondwet van de nieuwe bedrijfscommune: Het arbeidsloon voor gelijke arbeidstijd moet gelijk zijn! Dan hadden de oude Franse arbeiderscommunisten en Weitling toch heel wat betere argumenten voor hun gelijkheid der lonen.

Wat is nu de oplossing voor het gehele belangrijke vraagstuk van de hogere beloning van samengestelde arbeid? In de maatschappij van particuliere producenten nemen de particuliere personen of hun familie de kosten op zich voor de opleiding van de geschoolde arbeider. Aan de particuliere personen valt dan ook in de eerste plaats de hogere prijs van de geschoolde arbeidskracht ten deel. De bekwame slaaf wordt duurder verkocht, de bekwame loonarbeider krijgt een hoger loon. In de socialistisch georganiseerde maatschappij komt de maatschappij voor deze kosten op, dus heeft zij ook recht op de vruchten, de voortgebrachte grotere waarden van de samengestelde arbeid. De arbeider zelf heeft geen aanspraak op méér. Daaruit volgt daarenboven de nuttige les, dat de zo gaarne verkondigde aanspraak van de arbeider op ‘de volle arbeidsopbrengst’ toch ook wel voor tegenspraak vatbaar is. 

 

 

 

VII. Kapitaal en meerwaarde

 

‘De heer Marx houdt zich om te beginnen niet aan het gangbare economische begrip van kapitaal als geproduceerd productiemiddel, maar hij probeert een meer speciale, dialectisch-historische idee te vinden, die aan het spel der gedaantewisseling van de begrippen en van de geschiedenis onderworpen is. Volgens hem komt het kapitaal uit het geld voort, is het een historische fase die met de 16e eeuw, nl. met het voor deze periode aangenomen begin van een wereldmarkt, begint. Het is duidelijk dat bij zulk een formulering van het begrip de scherpe omlijning van de economische ontleding verloren gaat. Bij zulke verwarde opvattingen die half historisch en half logisch heten te zijn, in werkelijkheid echter niets anders zijn dan wanproducten van historisch en logisch gefantaseer, lijdt het onderscheidingsvermogen van het verstand en daarmee ieder eerlijk gebruik van begrippen schipbreuk’ —

en zo wordt er een hele bladzijde lang op los gesnoefd...

‘met Marx’ omschrijving van het kapitaalbegrip kan men in de strenge leer van de economie alleen maar verwarring stichten... Oppervlakkigheden die voor diepe logische waarheden worden uitgegeven... gebrekkige fundering’, enz.

Volgens Marx zou het kapitaal dus in het begin van de 16e eeuw uit het geld zijn voortgekomen. Dat is net alsof men zou willen zeggen dat het metaalgeld een goede drieduizend jaren geleden uit het vee is voortgekomen, omdat vroeger o.a. ook vee de functie van geld uitoefende. Tot een zo botte en scheve wijze van uitdrukken is alleen de heer Dühring in staat. In de analyse van de economische vormen, waarin het proces van de warencirculatie zich voltrekt, verschijnt bij Marx als laatste vorm het geld. ‘Dit laatste product van de warencirculatie is de eerste verschijningsvorm van het kapitaal. Historisch gezien neemt het kapitaal, tegenover de grondeigendom, overal in de eerste plaats de vorm van geld aan, en wel als geldvermogen, koopmanskapitaal en woekerkapitaal... Dezelfde geschiedenis voltrekt zich dagelijks voor onze ogen. Ieder nieuw kapitaal betreedt aanvankelijk het schouwtoneel, d.w.z. de markt, warenmarkt, arbeids- of geldmarkt nog altijd als geld en wel als geld dat door bepaalde processen in kapitaal veranderd moet worden.’  Het is dus weer een feit, hetwelk Marx vaststelt. Niet bij machte dit feit te bestrijden, verdraait de heer Dühring het: Het kapitaal zou uit het geld zijn voortgekomen!

Marx onderzoekt nu verder de processen waardoor geld in kapitaal verandert en vindt allereerst dat de vorm waarin geld als kapitaal in omloop komt, het tegenovergestelde is van de vorm waarin het als algemeen warenequivalent circuleert. De eenvoudige warenbezitter verkoopt om te kopen. Hij verkoopt wat hij niet nodig heeft, en koopt met het daarmee verkregen geld wat hij nodig heeft. De beginnende kapitalist koopt van het begin af wat hij niet zelf nodig heeft. Hij koopt, om te verkopen en wel om duurder te verkopen, om de oorspronkelijk in de koopovereenkomst gestoken geldswaarde terug te krijgen, vermeerderd met een aanwas aan geld. En deze aanwas noemt Marx meerwaarde.

Waar komt deze meerwaarde vandaan? Niet daar vandaan, dat de koper de waren beneden de waarde kocht, en evenmin dat de verkoper ze boven de waarde verkocht. Want in beide gevallen wegen de winsten en de verliezen van ieder afzonderlijk tegen elkaar op, daar ieder op zijn beurt koper en verkoper is. Zij kan ook niet uit afzetterij voortkomen, want al kan de een zich daarmee op kosten van de ander verrijken, het totaal van beider bezit kan er niet door worden verhoogd, evenmin als het totaal van de in omloop zijnde waarden. ‘De gezamenlijke kapitalistenklasse van een land kan niet door onderling bedrog rijker worden’. 

En toch zien wij, dat de gezamenlijke kapitalistenklasse van ieder land zich voortdurend voor onze ogen verrijkt, doordat zij duurder verkoopt dan zij ingekocht heeft, doordat zij zich meerwaarde toe-eigent. Wij zijn dus even ver als in het begin: Waar komt deze meerwaarde vandaan? Dit vraagstuk moet worden opgelost en wel langs zuiver economische weg, met uitsluiting van alle bedrog, van ieder ingrijpen van enig geweld — de vraag: Hoe is het mogelijk voortdurend duurder te verkopen dan men ingekocht heeft, zelfs als men aanneemt dat voortdurend gelijke waarden tegen gelijke waarden worden geruild?

De oplossing van dit vraagstuk is de meest baanbrekende verdienste van het werk van Marx. Zij verspreidt helder licht over gebieden van de economie, waar vroeger socialisten niet minder dan burgerlijke economen in diepe duisternis rondtastten. Met haar begint en om haar heen groepeert zich het wetenschappelijke socialisme.

Deze oplossing is de volgende: de waardevermeerdering van het geld, dat in kapitaal veranderd moet worden, kan niet uit dit geld voortkomen of van de inkoop afkomstig zijn, daar dit geld daarbij slechts de prijs van de waar realiseert, en deze prijs valt, daar wij veronderstellen dat gelijke waarden geruild worden, met de waarde daarvan samen. De waardevermeerdering kan echter om dezelfde reden ook niet uit de verkoop van de waar voortkomen. Er moet dus een verandering plaatsgrijpen met de waar die gekocht wordt, maar niet met haar waarde, daar zij tegen haar waarde gekocht en verkocht wordt, maar met haar gebruikswaarde als zodanig, d.w.z. de waardeverandering moet uit het verbruik van de waar voortspruiten. ‘Om uit het verbruik van een waar waarde te putten moet onze geldbezitter het geluk hebben... op de markt een waar te ontdekken waarvan de gebruikswaarde de bijzondere geaardheid bezit een bron van waarde te zijn, een waar waarvan het werkelijke verbruik dus zelf vermaterialisering van arbeid en dus waardeschepping is. En de geldbezitter treft op de markt een waar van die bijzondere soort aan: het arbeidsvermogen of de arbeidskracht’ . Wanneer, zoals wij zagen, de arbeid als zodanig geen waarde kan hebben, dan is dat geenszins het geval met de arbeidskracht. Deze krijgt een waarde zodra zij waar wordt, zoals zij heden ten dage inderdaad een waar is — (en deze waarde wordt bepaald ‘evenals die van iedere andere waar, door de voor de productie, dus ook voor de reproductie van dit bijzondere artikel noodzakelijke arbeidstijd’,  d.w.z. door de arbeidstijd die nodig is voor het voortbrengen van de bestaansmiddelen die de arbeider behoeft voor het in stand houden van zijn geschiktheid tot arbeiden, en voor het voortplanten van zijn geslacht. Nemen wij aan dat deze bestaansmiddelen, per dag gerekend, een arbeidstijd van 6 uren vertegenwoordigen. Onze beginnende kapitalist die voor het voeren van zijn bedrijf arbeidskracht inkoopt, d.w.z. een arbeider huurt, betaalt dus aan deze arbeider de volle dagwaarde van zijn arbeidskracht wanneer hij hem een bedrag in geld betaalt, dat eveneens met zes arbeidsuren overeenstemt. Zodra de arbeider nu zes uren in dienst van de beginnende kapitalist gewerkt heeft, heeft hij hem ten volle schadeloos gesteld voor zijn onkosten, voor de betaalde dagwaarde van zijn arbeidskracht. Daarmee echter zou het geld nog niet in kapitaal veranderd zijn, het zou geen meerwaarde gekweekt hebben. De koper van de arbeidskracht heeft daarom ook een heel andere opvatting van de aard van de door hem afgesloten zaak. Dat er slechts zes arbeidsuren nodig zijn om de arbeider vier en twintig uur lang in het leven te houden, belet deze volstrekt niet om twaalf van de vierentwintig uur te werken. De waarde van de arbeidskracht en het gebruikmaken daarvan in het arbeidsproces zijn twee verschillende grootheden. De geldbezitter heeft de dagwaarde van de arbeidskracht betaald, hem behoort dus ook het gebruik daarvan gedurende de dag, de arbeid van een hele dag. Dat de waarde, die het gebruik van de arbeidskracht gedurende een dag opbrengt, tweemaal zo groot is als haar eigen dagwaarde, is een bijzonder geluk voor de koper, maar volgens de wetten van de warenruil volstrekt geen onrecht tegenover de verkoper. De arbeider kost dus de geldbezitter, volgens onze onderstelling, dagelijks het waardeproduct van zes arbeidsuren, maar hij levert hem dagelijks het waardeproduct van twaalf arbeidsuren. Verschil ten gunste van de geldbezitter — zes uur onbetaalde meerarbeid, een onbetaald meerproduct, waarin de arbeid van zes uren belichaamd is. Het kunststuk is volbracht. Meerwaarde is geschapen, geld is in kapitaal veranderd.

Doordat Marx op deze wijze aantoonde, hoe meerwaarde ontstaat en hoe alleen meerwaarde ontstaan kan onder de heerschappij van de wetten die de warenruil regelen, legde hij het mechanisme van de huidige kapitalistische productiewijze en van de op haar berustende wijze van toe-eigening bloot, onthulde hij de kristalkern, waaromheen de gehele huidige maatschappelijke orde zich afgezet heeft.

Dit scheppen van kapitaal heeft echter een essentiële voorwaarde: ‘Om geld in kapitaal te veranderen moet de geldbezitter de vrije arbeider op de warenmarkt aantreffen, vrij in de dubbele betekenis, dat hij als vrije persoon over zijn arbeidskracht als zijn waar beschikt, anderzijds dat hij geen andere waren te verkopen heeft, bezitloos is en verstoken van alle zaken die nodig zijn om zijn arbeidskracht te verwerkelijken’.  Maar deze verhouding tussen geld- of warenbezitters aan de ene kant en bezitters van niets behalve hun eigen arbeidskracht aan de andere kant, is geen natuurhistorische, geen in alle tijdperken voorkomende verhouding: ‘Het is klaarblijkelijk zelf het resultaat van een voorafgegane historische ontwikkeling, het product... van de ondergang van een hele reeks oudere formaties van de maatschappelijke productie’.  En wel ontmoeten wij deze vrije arbeider in de geschiedenis voor het eerst als massaverschijnsel — aan het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw — als gevolg van de ontbinding van de feodale productiewijze. Daarmee echter, zowel als met het uit dezelfde tijd daterende ontstaan van de wereldhandel en de wereldmarkt, was de grondslag gelegd waarop de massa van de voorhanden roerende rijkdom meer en meer tot kapitaal, en de kapitalistische, op voortbrenging van meerwaarde gerichte productiewijze meer en meer tot de alles overheersende worden moet.

Zover zijn wij de ‘dolle opvattingen’ van Marx gevolgd, die ‘wanproducten van historisch en logisch gefantaseer’, waarbij ‘het onderscheidingsvermogen van het verstand tezamen met ieder eerlijk gebruik van begrippen schipbreuk lijdt’. Stellen wij tegenover deze ‘oppervlakkigheden’ dan nu de ‘diepe logische waarheden’ en ‘de laatste en strengste wetenschappelijkheid in de zin van de exacte wetenschappen’, zoals de heer Dühring ze ons biedt.

Wat het kapitaal betreft houdt Marx zich dus ‘niet aan het gangbare economische begrip volgens hetwelk dit een geproduceerd productiemiddel is’. Hij zegt veeleer dat een som van waarden eerst dan tot kapitaal wordt wanneer zij waarde schept, doordat zij meerwaarde vormt. En wat zegt de heer Dühring?

‘Het kapitaal is een stam van economische machtsmiddelen voor de voortzetting van de productie en tot vorming van aandelen aan de vruchten van de algemene arbeidskracht.’

Hoe orakelachtig en flodderig dit ook weer uitgedrukt is, zoveel is toch zeker: de stam van de economische machtsmiddelen moge de productie in alle eeuwigheid voortzetten, tot kapitaal wordt hij, volgens de heer Dühring zelf, niet zolang hij geen ‘aandelen aan de vruchten van de algemene arbeidskracht’, d.w.z. meerwaarde of althans meerproduct vormt. De zonde die de heer Dühring Marx verwijt, nl. dat hij zich niet aan het gangbaar economisch begrip omtrent het kapitaal houdt, begaat hij niet alleen zelf, maar hij bezondigt zich bovendien nog aan een door hoogdravende frases ‘slecht gemaskeerd’, onhandig plagiaat aan Marx.

Op blz. 262 wordt verder uiteengezet:

‘Het kapitaal in sociale zin’ (en een kapitaal in niet-sociale zin moet de heer Dühring maar eens ontdekken) ‘is namelijk specifiek iets anders dan het zuivere productiemiddel. Want terwijl dit laatste slechts een technisch karakter heeft en onder alle omstandigheden vereist is, kenmerkt het eerste zich door zijn maatschappelijke macht van toe-eigening en aandeelvorming. Het sociale kapitaal is weliswaar grotendeels niet anders dan het technische productiemiddel in zijn sociale functie; maar deze functie is het ook juist, die... verdwijnen moet.’

Wanneer wij bedenken dat het juist Marx was die het eerst op de ‘sociale functie’ de aandacht vestigde, waardoor alleen een waardesom tot kapitaal wordt, dan moet het zeer zeker ‘voor iedere aandachtige beschouwer van dit onderwerp weldra vaststaan, dat Marx’ kenmerking van het kapitaalbegrip slechts verwarring kan stichten’ — echter niet, zoals de heer Dühring meent in de strenge leer van de economie, maar zoals ons voorbeeld toont enkel en alleen in het hoofd van de heer Dühring zelf, die in zijn ‘Kritische geschiedenis’ al vergeten heeft, hoe zeer hij in de ‘Cursus’ op meergenoemd kapitaalbegrip geteerd heeft.

De heer Dühring stelt er zich intussen niet mee tevreden zijn definitie van het kapitaal, zij het ook in ‘gezuiverde’ vorm, aan Marx te ontlenen. Hij moet hem ook volgen in het ‘spel der gedaanteverwisseling van de begrippen en van de geschiedenis’, en wel ondanks het feit dat hij uitstekend weet dat dit tot niets anders leidt dan tot ‘dolle opvattingen’, ‘oppervlakkigheden’, ‘gebrekkige funderingen’ enz. Waar komt de ‘sociale functie’ van het kapitaal vandaan, die het in staat stelt zich de vruchten van vreemde arbeid toe te eigenen, het enige, waardoor het zich van het blote productiemiddel onderscheidt?

‘Zij berust,’ zegt de heer Dühring, ‘niet op de aard van de productiemiddelen en niet op hun technische onmisbaarheid.’

Zij is dus historisch ontstaan en de heer Dühring herhaalt op blz. 262 slechts wat wij reeds tienmaal gehoord hebben, wanneer hij haar ontstaan verklaart met behulp van het vanouds bekende avontuur van de twee mannen van wie bij het begin van de geschiedenis de een zijn productiemiddel in kapitaal verandert, doordat hij de ander geweld aandoet. Maar er niet mee tevreden aan de sociale functie, waardoor een waardesom pas tot kapitaal wordt, een historisch begin toe te schrijven voorspelt de heer Dühring haar ook een historisch einde. Zij ‘is het ook juist, die verdwijnen moet’. Een verschijnsel, dat historisch ontstaan is en historisch weer verdwijnt pleegt men in het dagelijks spraakgebruik ‘een historische fase’ te noemen. Dus is het kapitaal een historische fase niet enkel bij Marx, maar ook bij de heer Dühring en dat dwingt ons tot de gevolgtrekking dat wij ons hier bij de jezuïeten bevinden. Wanneer twee hetzelfde doen, dan is het nog niet hetzelfde. Wanneer Marx zegt, het kapitaal is een historische fase, dan is dat een dolle opvatting, een wanproduct van historisch en logisch gefantaseer waarbij het onderscheidingsvermogen tezamen met elk eerlijk gebruik van begrippen schipbreuk lijdt. Wanneer de heer Dühring eveneens het kapitaal als een historische fase schildert, dan is dat een bewijs van de scherpe economische ontleding en van laatste en strengste wetenschappelijkheid in de zin van de exacte wetenschappen.

Waarin zit nu het verschil tussen de kapitaalvoorstelling van Dühring en die van Marx?

‘Het kapitaal,’ zegt Marx, ‘heeft de meerarbeid niet uitgevonden. Overal waar een deel van de maatschappij het monopolie van de productiemiddelen bezit moet de arbeider, vrij of onvrij, aan de arbeidstijd die voor zijn eigen levensonderhoud nodig is, nog een extra arbeidstijd toevoegen om de bestaansmiddelen voor de bezitter der productiemiddelen voort te brengen.’ Meerarbeid, arbeid boven de tijd nodig voor het bestaan van de arbeider zelf, en toe-eigening van het product van die meerarbeid door anderen, uitbuiting van de arbeid, hebben dus alle tot dusver bestaande maatschappijvormen gemeen, voor zover zij zich in klassentegenstellingen bewogen. Maar eerst dan, wanneer het product van deze meerarbeid de vorm van meerwaarde aanneemt, wanneer de bezitter van de productiemiddelen de vrije arbeider — vrij van sociale kluisters en vrij van eigen bezit — als uitbuitingsobject tegenover zich vindt en hem uitbuit ter wille van de productie van waren, dan eerst krijgt, volgens Marx, het productiemiddel het specifieke karakter van kapitaal. En op grote schaal is dit pas sinds het einde van de 15e en het begin van de 16e eeuw geschied.

De heer Dühring echter verklaart iedere som van productiemiddelen tot kapitaal, welke ‘aandelen aan de vruchten van de algemene arbeidskracht vormt’, dus meerarbeid in de een of andere vorm oplevert. Met andere woorden, de heer Dühring annexeert de door Marx ontdekte meerarbeid, om daarmee de hem momenteel niet passende, eveneens door Marx ontdekte meerwaarde, dood te slaan. Volgens de heer Dühring zou dus niet slechts de roerende en onroerende rijkdom van de met slaven hun bedrijf uitoefenende Corinthische en Atheense burgers, maar ook die van de Romeinse grootgrondbezitters in de keizertijd en niet minder die van de feodale baronnen uit de Middeleeuwen, zover die rijkdom op enigerlei wijze de productie diende, zonder onderscheid kapitaal zijn.

De heer Dühring zelf houdt zich dus ‘wat het kapitaal betreft niet aan het gangbare begrip, volgens hetwelk dit het geproduceerd productiemiddel is’, maar eerder aan een geheel tegengesteld begrip, dat zelfs de niet-geproduceerde productiemiddelen omvat, nl. de aarde en haar natuurlijke hulpbronnen. Nu is de voorstelling, dat kapitaal eenvoudigweg ‘geproduceerd productiemiddel’ zou zijn, alleen in de vulgaire economie algemeen gangbaar. Buiten deze, de heer Dühring zo dierbare vulgaire economie, wordt het ‘geproduceerde productiemiddel’ of een waardesom in het algemeen, eerst daardoor tot kapitaal dat zij winst of interest oplevert. D.w.z. dat zij zich het meerproduct van onbetaalde arbeid in de vorm van meerwaarde, en wel wederom in deze beide bepaalde ondervormen van de meerwaarde, toe-eigent. Daarbij doet het in het geheel niet terzake, dat de gehele burgerlijke economie in de waan verkeert, dat de eigenschap om winst of interest voort te brengen vanzelf aan iedere waardesom toekomt, die onder normale voorwaarden in de productie of de ruil gebruikt wordt. Kapitaal en winst of kapitaal en interest zijn in de klassieke economie even onafscheidelijk, staan in dezelfde wederzijdse betrekking tot elkaar als oorzaak en gevolg, vader en zoon, gisteren en heden. Het woord ‘kapitaal’ in zijn modern economische betekenis komt echter eerst op in de tijd waarin het feit zelf voorvalt, waarin de roerende rijkdom meer en meer kapitaalfunctie krijgt, doordat hij de meerarbeid van vrije arbeiders uitbuit om waren te produceren. En wel wordt het ingevoerd door de eerste in de historie optredende kapitalistennatie, de Italianen van de 15e en 16e eeuw. En wanneer Marx voor het eerst de aan het moderne kapitaal eigen wijze van toe-eigening tot in haar diepste wezen analyseerde, wanneer hij het begrip van het kapitaal in overeenstemming bracht met de historische feiten waaruit het in laatste instantie was geabstraheerd, waaraan het zijn bestaan te danken had, wanneer Marx daardoor dit economisch begrip bevrijdde van de onduidelijke en wisselende voorstellingen die het ook in de klassieke burgerlijke economie en bij de socialisten tot dusver nog aankleefden, — dan was het juist Marx die met die ‘laatste en strengste wetenschappelijkheid’ te werk ging waar de heer Dühring steeds de mond vol van heeft en die wij tot ons leedwezen bij hem zelf zo zeer missen.

Inderdaad gaat het bij de heer Dühring heel anders toe. Hij stelt zich er niet mee tevreden dat hij eerst de beschrijving van het kapitaal als een historische fase voor een ‘wanproduct van historisch en logisch gefantaseer’ uitscheldt en het dan zelf als een historische fase beschrijft. Hij verklaart ook alle economische machtsmiddelen, alle productiemiddelen die zich ‘aandelen aan de vruchten van de algemene arbeidskracht’ toe-eigenen, dus ook de grondeigendom in alle klassenmaatschappijen, rondweg voor kapitaal. Wat hem echter allerminst hindert, om in het verdere verloop grondeigendom en grondrente geheel op de gebruikelijke wijze af te scheiden van kapitaal en winst, en slechts die productiemiddelen als kapitaal aan te duiden die winst of interest opleveren, zoals op blz. 156 en volgende van de ‘Cursus’ nader uiteengezet wordt. Evengoed had de heer Dühring eerst onder de naam locomotief ook paarden, ossen, ezels en honden kunnen onderbrengen, omdat men ook daarmee voertuigen in beweging kan brengen en de hedendaagse ingenieurs verwijten dat zij, door de naam locomotief tot de moderne stoomlocomotief te beperken, daarvan een historische fase maakten, zich aan dolle opvattingen en wanproducten van historisch en logisch gefantaseer te buiten gingen enz.; om dan tenslotte te verklaren, dat paarden, ezels, ossen en honden toch met het begrip locomotief niets te maken hebben en dit alleen voor de stoomlocomotief geldt. — En daarom zien wij ons weer gedwongen te zeggen, dat het juist de begripsbepaling van het kapitaal door de heer Dühring is, waarbij alle scherpte van de economische ontleding verloren gaat en het onderscheidingsvermogen, tezamen met ieder eerlijk gebruik van begrippen schipbreuk lijdt, en dat de dolle opvattingen, de verwarring en de oppervlakkigheden die voor diepe logische waarheden uitgegeven worden, benevens de gebrekkige funderingen, juist bij de heer Dühring hoogtij vieren.

Maar dat alles doet niets terzake. Niettemin komt de heer Dühring de roem toe, dat hij het aspunt ontdekt heeft waarom zich de, gehele tot dusver bestaande economie, de gehele politiek en rechtsgeleerdheid, met één woord de ganse geschiedenis tot nu toe beweegt. Hier is het:

‘Geweld en arbeid zijn de twee hoofdfactoren waarom het bij de totstandkoming van sociale betrekkingen gaat.’

In deze ene zin ligt de gehele grondwet van de economische wereld tot op de dag van vandaag besloten. Deze is uiterst kort en luidt:

Artikel 1: De arbeid produceert.

Artikel 2: Het geweld verdeelt.

En hiermee is dan ook, ‘in menselijke en Duitse taal gezegd’, de hele economische wijsheid van de heer Dühring ten einde.

 

 

 

 

VIII. Kapitaal en meerwaarde (slot)

 

‘Volgens de opvatting van de heer Marx vertegenwoordigt het arbeidsloon slechts de betaling van die arbeidstijd waarin de arbeider werkelijk arbeidt om zijn eigen bestaan mogelijk te maken. Hiervoor is nu echter een gering aantal uren voldoende. De gehele rest van de vaak langdurige arbeidsdag levert een overschot op, dat volgens de terminologie van onze auteur “meerwaarde” of, in gangbare taal uitgedrukt, de kapitaalwinst bevat. Afgezien van de arbeidstijd die in het een of ander stadium der productie al in de arbeidsmiddelen en relatieve grondstoffen aanwezig is, vormt dat overschot van de arbeidsdag het aandeel van de kapitalistische ondernemer. De verlenging van de arbeidsdag is bijgevolg zuivere uitbuitingswinst ten gunste van de kapitalist.’

Volgens de heer Dühring zou dus Marx’ meerwaarde niets anders zijn dan wat men in het gangbaar spraakgebruik kapitaalwinst of profijt noemt. Horen wij wat Marx zelf daarover zegt. Op blz. 195 van Het Kapitaal wordt meerwaarde toegelicht door de tussen haakjes volgende woorden: ‘Interest, winst, rente’.  Op blz. 210 geeft Marx een voorbeeld, waarbij een meerwaardesom van 71 shilling in haar verschillende verdelingsvormen verschijnt; tienden, plaatselijke en staatsbelasting 21 shilling, grondrente 28 shilling, winst van de pachter en interest 22 shilling, tezamen totale meerwaarde 71 shilling. — Op blz. 542 verklaart Marx, dat het één van de voornaamste tekortkomingen bij Ricardo is, ‘dat hij de meerwaarde niet zuiver aangeeft, d.w.z. niet onafhankelijk van zijn bijzondere vormen, zoals winst, grondrente enz.’ en dat hij daardoor de wetten met betrekking tot de meerwaardevoet direct dooreen haalt met de wetten met betrekking tot de winstvoet, waartegenover Marx aankondigt: ‘Ik zal later in het derde deel van dit geschrift aantonen dat dezelfde meerwaardevoet zich op de meest verschillende wijze in de winstvoet en dat verschillen in de meerwaardevoet zich, onder bepaalde omstandigheden, ja dezelfde winstvoet kunnen uitdrukken’.  Op blz. 587 zegt hij: ‘De kapitalist die de meerwaarde produceert, d.w.z. hij die direct de onbetaalde arbeid uit de arbeiders pompt en in waren fixeert, is wel de eerste toe-eigenaar, maar geenszins de laatste bezitter van deze meerwaarde. Later moet hij deze delen met kapitalisten die andere functies in het grote geheel van de maatschappelijke productie vervullen, met de grondbezitter, enz. De meerwaarde splitst zich daarom in verschillende delen. De brokstukken hiervan vallen toe aan verschillende categorieën van personen en nemen verschillende, zelfstandig tegenover elkaar staande vormen aan, zoals winst, interest, handelswinst, grondrente enz. Deze vormveranderingen van de meerwaarde kunnen pas in het derde deel worden behandeld.’  Hetzelfde vinden we eveneens op vele andere plaatsen.

Men kan zich niet duidelijker uitdrukken. Bij iedere gelegenheid vestigt Marx er de aandacht op dat men zijn meerwaarde volstrekt niet verwisselen mag met het profijt of met de kapitaalwinst, dat deze laatste veeleer een ondervorm en zeer vaak zelfs maar een brokstuk van de meerwaarde is. Wanneer de heer Dühring niettemin beweert, dat de meerwaarde van Marx, ‘in de gangbare taal uitgedrukt, de kapitaalwinst’ is en wanneer het vaststaat, dat het hele boek van Marx om die meerwaarde draait, dan zijn slechts twee gevallen mogelijk: of hij weet niet beter en dan behoort er een weergaloze onbeschaamdheid toe om een boek door het slijk te halen waarvan hij de hoofdinhoud niet kent. Of hij weet wel beter en dan pleegt hij een opzettelijke vervalsing.

Verder:

‘De giftige haat, waarmee de heer Marx deze voorstelling van de uitbuiterij begeleidt, is maar al te begrijpelijk. Maar ook een nog geweldiger toorn en een nog vollediger inzicht in het uitbuitingskarakter van de op loonarbeid berustende vorm der economie is mogelijk, zonder dat die theoretische wending, uitgedrukt in Marx’ leer van de meerwaarde wordt aanvaard.’

De goed bedoelde, maar onjuiste theoretische wending van Marx wekt bij deze een giftige haat tegen de uitbuiterij. De op zichzelf zedelijke verontwaardiging krijgt, tengevolge van de verkeerde ‘theoretische wending’ een onzedelijke uitdrukking, zij treedt aan het licht in onedele haat en minderwaardige giftigheid, terwijl de laatste en strengste wetenschappelijkheid van de heer Dühring zich uit in een zedelijke verontwaardiging van dienovereenkomstig edele natuur, in toorn die ook naar de vorm zedelijk is en bovendien ook nog kwantitatief boven de giftige haat uitgaat, kortom die een geweldigere toorn is. Terwijl de heer Dühring deze vreugde aan zichzelf beleeft, willen wij eens nagaan waar deze geweldigere toorn vandaan komt.

‘Er doet zich nl.,’ zo gaat het verder, ‘de vraag voor hoe de concurrerende ondernemers in staat zijn het volledige product van de arbeid en daarmee het meerproduct duurzaam tegen een zo hoog boven de natuurlijke productiekosten staande prijs te realiseren als door de reeds genoemde verhouding van het overschot aan arbeidsuren aangegeven wordt. Een antwoord hierop is in de leer van Marx niet te vinden en wel om de eenvoudige reden, dat daarin niet eens plaats is voor het stellen van deze vraag. Het luxekarakter van de op loonarbeid berustende productie is in het geheel niet ernstig behandeld en de sociale structuur met haar uitzuigende posities is in het geheel niet begrepen als de laatste grondslag der blanke slavernij. Integendeel moet volgens Marx het politiek-sociale steeds uit het economische worden verklaard.’

Nu hebben wij uit de bovenaangehaalde passages gezien, dat Marx geenszins beweert, dat het meerproduct door de industriële kapitalist die daarvan de eerste toe-eigenaar is, onder alle omstandigheden gemiddeld tegen zijn volle waarde wordt verkocht, zoals de heer Dühring hier veronderstelt. Marx zegt uitdrukkelijk dat ook de handelswinst een deel van de meerwaarde vormt en dat is onder de gegeven voorwaarden toch slechts dan mogelijk wanneer de fabrikant zijn product aan de handelaar beneden de waarde verkoopt en hem daarmee een aandeel in de buit afstaat. Zoals de vraag hier gesteld wordt, kon zij dus stellig door Marx zelfs niet opgeworpen worden. Rationeel gesteld, luidt zij: Hoe verandert zich de meerwaarde in haar ondervormen: winst, interest, handelswinst, grondrente, enz? En inderdaad belooft Marx dit vraagstuk in het derde deel op te lossen. Wanneer de heer Dühring echter niet zo lang kan wachten, tot het tweede boek van Het Kapitaal verschijnt, dan moest hij van het eerste deel alvast wat nauwkeuriger kennis nemen. Hij kon dan, behalve de reeds aangehaalde passages, bv. op blz. 323 lezen dat volgens Marx de immanente wetten van de kapitalistische productie zich in uiterlijke beweging van de kapitalen als dwangwetten van de concurrentie voordoen en dat zij in deze vorm de individuele kapitalist als drijfveren bewust worden. Dat dus een wetenschappelijke ontleding van de concurrentie slechts mogelijk is zodra de interne aard van het kapitaal is begrepen, net zoals de schijnbare beweging van de hemellichamen slechts voor degene begrijpelijk is die haar werkelijke, maar met de zintuigen niet waarneembare beweging kent. Waarna Marx met een voorbeeld aantoont hoe een bepaalde wet, de waardewet, in een bepaald geval op het gebied van de concurrentie tot uiting komt en haar drijfkracht uitoefent.  Hieruit had de heer Dühring reeds kunnen leren dat de concurrentie bij de verdeling van de meerwaarde een hoofdrol speelt en bij enig nadenken zijn deze in het eerste deel gegeven aanwijzingen inderdaad voldoende, om de verandering van meerwaarde in haar ondervormen althans in algemene trekken te leren kennen.

Voor de heer Dühring intussen is de concurrentie juist de absolute hinderpaal voor een goed begrip. Het wil er niet bij hem in hoe de concurrerende ondernemers de volle opbrengst van de arbeid en daarmee het meerproduct duurzaam zo ver boven de natuurlijke productiekosten kunnen realiseren. Hij drukt zich hier weer uit met de gebruikelijke ‘strengheid’ die in werkelijkheid slordigheid is. Het meerproduct als zodanig heeft bij Marx immers in het geheel geen productiekosten, het is het deel van het product dat de kapitalist niets kost. Wanneer dus de concurrerende ondernemers het meerproduct tegen zijn natuurlijke productiekosten zouden willen realiseren dan moesten zij het cadeau geven. Maar laten wij ons bij zulke ‘micrologische bijzonderheden’ niet ophouden. Realiseren de concurrerende ondernemers niet metterdaad dagelijks het product van de arbeid boven de natuurlijke productiekosten? Volgens de heer Dühring bestaan de natuurlijke productiekosten

‘uit wat daaraan aan arbeid of kracht is besteed, en dit kan wederom in laatste instantie naar de benodigde hoeveelheid voedsel afgemeten worden’;

dus in de hedendaagse maatschappij uit de aan grondstoffen, arbeidsmiddelen en arbeidsloon werkelijk gemaakte kosten, wel te onderscheiden van de ‘belasting’, de winst, de met de degen in de hand afgedwongen toeslag. Nu is het welbekend dat in de maatschappij waarin wij leven, de concurrerende ondernemers hun waren niet tegen de natuurlijke productiekosten realiseren, maar de zogenaamde toeslag, de winst erop zetten en in de regel ook krijgen. De vraag, waarvan de heer Dühring meende dat hij haar slechts behoefde op te werpen om daarmee Marx’ hele gebouw omver te blazen, zoals wijlen Jozua de muren van Jericho,  die vraag bestaat dus ook voor de economische theorie van de heer Dühring. Gaan wij na, hoe hij haar beantwoordt:

‘Het kapitaalbezit,’ zegt hij, ‘heeft geen praktische betekenis en het is niet te realiseren, tenzij tegelijkertijd de indirecte macht over het mensenmateriaal daarbij inbegrepen is. Het product van deze macht is de kapitaalwinst en de grootte daarvan zal daarom afhangen van de omvang en de intensiteit van de machtsuitoefening... De kapitaalwinst is een politieke en sociale instelling, waarvan een sterkere werking uitgaat dan van de concurrentie. De ondernemers handelen in dit opzicht als stand en ieder afzonderlijk handhaaft zijn positie. Een zekere mate van kapitaalwinst is bij de eenmaal heersende wijze van het voeren der economie een noodzakelijkheid.’

Helaas, ook nu weten wij nog altijd niet hoe de concurrerende ondernemers in staat zijn, het product van de arbeid duurzaam boven de natuurlijke productiekosten te realiseren. Het is onmogelijk dat de heer Dühring een zo lage dunk van zijn publiek heeft om het met het praatje af te willen schepen, dat de kapitaalwinst boven de concurrentie staat, zoals eens de koning van Pruisen boven de wet. De manoeuvres waardoor de koning van Pruisen tot zijn verheven-zijn boven de wet kwam, kennen wij. De manoeuvres waardoor de kapitaalwinst ertoe komt machtiger te zijn dan de concurrentie, dat is nu juist wat de heer Dühring ons moet verklaren en wat hij ons hardnekkig weigert te verhelderen. Ook kan het ons geen stap verder brengen wanneer, zoals hij zegt, de ondernemers in dit opzicht als stand handelen en daarbij ieder afzonderlijk zijn positie handhaaft. Wij zijn toch niet verplicht hem zo maar op zijn woord te geloven, dat een aantal mensen alleen maar als stand behoeft te handelen opdat elk van hen zijn positie kan handhaven? De gildenmeesters van de Middeleeuwen, de Franse adellijken van 1789 handelden, zoals men weet, zeer vastberaden als stand en zijn niettemin te gronde gegaan. Het Pruisische leger bij Jena handelde ook als stand, maar in plaats van zijn positie te handhaven moest het juist de benen nemen en zich later zelfs bij gedeelten overgeven. Evenmin kunnen wij tevreden zijn met de verzekering dat bij de eenmaal heersende wijze van het voeren der economie een zekere mate van kapitaalwinst noodzakelijk is. Want het gaat er juist om aan te tonen waarom dat zo is. Ook komen wij geen stap nader tot het doel wanneer de heer Dühring ons meedeelt:

‘De heerschappij van het kapitaal is ontstaan in aansluiting op de grondheerschappij. Een deel van de horige landarbeiders is in de steden in vakarbeiders en tenslotte in fabrieksmateriaal veranderd. Na de grondrente heeft de kapitaalwinst zich als een tweede vorm van de bezitsrente ontwikkeld.’

Zelfs wanneer wij over het hoofd zien hoe historisch scheef deze bewering is, blijft zij toch slechts een bewering zonder meer, die telkens weer datgene betuigt wat juist verklaard en bewezen moet worden. Wij kunnen dus tot geen andere slotsom komen dan dat de heer Dühring niet bij machte is op zijn eigen vraag te antwoorden: hoe de concurrerende ondernemers in staat zijn het product van de arbeid duurzaam boven de natuurlijke productiekosten te realiseren, d.w.z. dat hij niet bij machte is het ontstaan van de winst te verklaren. Er blijft hem niets anders over dan kortweg te decreteren: de kapitaalwinst is het product van het geweld — hetgeen voorzeker volmaakt overeenstemt met artikel 2 van de grondwet der maatschappij volgens Dühring: ‘Het geweld verdeelt’. Ongetwijfeld is dit zeer fraai gezegd. Maar nu ‘ontstaat de vraag’: Het geweld verdeelt — wat? Er moet toch iets te verdelen zijn, anders kan ook het meest almachtige geweld met de beste wil niets verdelen. De winst, die de concurrerende ondernemers in hun zakken steken is iets zeer tastbaars en reëel. Het geweld kan haar nemen, maar niet voortbrengen. En wanneer de heer Dühring ons hardnekkig weigert te verklaren hoe het geweld de ondernemerswinst neemt, dan moet hij wel zwijgen als het graf op de vraag waar het de winst vandaan haalt. Waar niets is, heeft de keizer, evenals iedere andere macht, zijn recht verloren. Uit niets wordt niets, en zeker geen winst. Wanneer het kapitaalbezit geen praktische betekenis heeft en niet te realiseren is, zolang daarin niet tegelijk de indirecte macht over het mensenmateriaal begrepen is, dan ontstaat opnieuw de vraag: ten eerste, hoe kwam de kapitaalrijkdom aan dit geweld, een vraag die met de paar bovenaangehaalde historische beweringen volstrekt niet afgedaan is; ten tweede, hoe voltrekt zich de verandering van dit geweld in kapitaalrealisatie, in winst; en ten derde, waar haalt het die winst vandaan?

Van welke zijde wij de economie van de heer Dühring ook willen aanpakken, wij komen geen stap verder. Voor alles wat hem niet aanstaat, voor winst, grondrente, hongerloon, knechting van arbeiders, heeft deze maar een woord ter verklaring: het geweld en altijd maar weer het geweld, en de ‘geweldigere toorn’ van de heer Dühring komt tentslotte ook neer op toorn over het geweld. Wij hebben gezien: ten eerste, dat dit beroep op het geweld een voze uitvlucht is, een verwijzing van het economische gebied naar het politieke, die niet in staat is ook maar een enkel economisch feit te verklaren; en ten tweede, dat dit het ontstaan van het geweld zelf onverklaard laat, en met goede reden, daar het anders tot de slotsom moest komen, dat alle maatschappelijke macht en ieder politiek geweld hun oorsprong vinden in economische voorwaarden, in de historisch gegeven productie- en ruilwijze van iedere maatschappij in elk tijdperk.

Maar wij willen toch proberen of wij de onverbiddelijke ‘diepere grondslaglegger’ van de economie niet nog een paar verderstrekkende ophelderingen over de winst kunnen ontwringen. Misschien gelukt het ons wanneer wij van zijn behandeling van het arbeidsloon uitgaan.

Daar lezen wij op blz. 158.

‘Het arbeidsloon is de bezoldiging tot onderhoud van de arbeidskracht en komt vooreerst alleen als grondslag voor grondrente en kapitaalwinst in aanmerking. Om volkomen zekerheid te krijgen omtrent de op dit gebied heersende verhoudingen, moet men zich de grondrente en daarna ook de kapitaalwinst eerst historisch zonder arbeidsloon, dus op de grondslag van de slavernij of horigheid denken... Of het een slaaf of een horige of wel een loonarbeider is, die moet worden onderhouden, betekent alleen een verschil in de aard en wijze van belasting der productiekosten. In elk geval vormt de netto-opbrengst die door de gebruikmaking van de arbeidskracht verkregen is, het inkomen van de arbeidsheer... Men ziet dus dat... in het bijzonder de voornaamste tegenstelling, waardoor aan de ene zijde de een of andere soort van bezitsrente en aan de andere zijde de bezitloze loonarbeid staat, niet uitsluitend in één van zijn leden te vinden is, maar steeds in beide tegelijk.’

Bezitsrente is echter, zoals wij op blz. 188 te horen krijgen, een gemeenschappelijke uitdrukking voor grondrente en kapitaalwinst. Verder heet het op blz. 174:

‘Het karakter van de kapitaalwinst is de toe-eigening van het belangrijkste deel van de opbrengst van de arbeidskracht. Zonder de wederkerige betrekking tot arbeid die in de een of andere vorm, direct of indirect, ondergeschikt is gemaakt, is zij niet in te denken.’

En op blz. 183:

Het arbeidsloon ‘is onder alle omstandigheden niets meer dan een bezoldiging, waardoor in het algemeen het levensonderhoud en de mogelijkheid van voortplanting van de arbeider verzekerd moeten zijn’.

En eindelijk op blz. 195:

‘Wat aan de bezitsrente ten deel valt moet voor het arbeidsloon verloren gaan en omgekeerd, wat van het algemeen productievermogen (!) aan de arbeid toevalt moet aan de inkomsten van het bezit worden onttrokken.’

De heer Dühring bezorgt ons de ene verrassing na de andere. In de waardetheorie en in de volgende hoofdstukken tot en met de leer van de concurrentie, dus van blz. 1 tot 155, werden de warenprijzen of waarden ten eerste verdeeld in de natuurlijke productiekosten of de productiewaarde, d.w.z. de uitgaven aan grondstof, arbeidsmiddelen en arbeidsloon, en ten tweede in de toeslag of verdelingswaarde, de met de degen in de hand afgedwongen belasting ten gunste van de klasse der monopolisten. Een toeslag die, zoals wij zagen, aan de verdeling van de rijkdom in werkelijkheid niets veranderen kan, omdat hij met de ene hand terug moet geven wat hij met de andere had genomen en die bovendien, voor zover de heer Dühring ons over zijn oorsprong en inhoud inlicht, uit niets ontstond en derhalve ook uit niets bestond. In de beide volgende hoofdstukken, die de soorten van inkomsten behandelen, dus van blz. 156 tot 217, is van een toeslag geen sprake meer. In plaats daarvan wordt de waarde van ieder arbeidsproduct, dus van iedere waar, nu in de volgende twee delen verdeeld: ten eerste in de productiekosten, waarin ook het betaalde arbeidsloon begrepen is, en ten tweede in de ‘door gebruikmaking van de arbeidskracht verkregen netto-opbrengst’, die het inkomen van de arbeidsheer vormt. En deze netto-opbrengst vertoont een heel bekend, door geen tatoeage of blanketsel te verbergen fysionomie. Laat de lezer, ‘om volkomen duidelijkheid te krijgen omtrent de op dit gebied heersende verhoudingen’, zich de zo-even aangehaalde passages uit de heer Dühring gedrukt denken tegenover de vroeger aangehaalde passages uit Marx over meerarbeid, meerproduct en meerwaarde, en dan zal hij ontdekken dat de heer Dühring hier Het Kapitaal op zijn wijze direct naschrijft.

De meerarbeid in de een of andere vorm, hetzij van slavernij, horigheid of loonarbeid, wordt door de heer Dühring erkend als bron van de inkomsten van alle tot dusver heersende klassen; ontleend aan de herhaaldelijk aangehaalde passage uit Het Kapitaal, blz. 227: ‘Het kapitaal heeft de meerarbeid niet uitgevonden’ enz. En de ‘netto-opbrengst’, die ‘het inkomen van de arbeidsheer’ vormt, wat is dat anders dan het overschot van het arbeidsproduct boven het arbeidsloon, dat toch ook bij de heer Dühring, ondanks de volslagen overbodige vermomming als bezoldiging, in het algemeen het levensonderhoud en de mogelijkheid tot voortplanting van de arbeider moet verzekeren? Hoe kan de ‘toe-eigening van het belangrijkste deel van de opbrengst der arbeidskracht’ anders plaatsvinden dan doordat de kapitalist, zoals bij Marx, uit de arbeider meer arbeid perst dan voor de reproductie van de door de arbeider verbruikte bestaansmiddelen nodig is, dus doordat de kapitalist de arbeider langer laat werken, dan nodig is om de waarde van het aan de arbeider uitbetaalde loon te vergoeden? Verlenging van de arbeidsdag dus, boven de voor reproductie der bestaansmiddelen van de arbeider noodzakelijke tijd. Marx’ meerarbeid — dat en niets anders is het wat verborgen ligt achter de ‘gebruikmaking van de arbeidskracht’ van de heer Dühring; en zijn ‘netto-opbrengst’ van de arbeidsheer, wat vertegenwoordigt die anders dan Marx’ meerproduct en meerwaarde? En waarin anders, behalve dan door de onnauwkeurige wijze van uitdrukking, verschilt de bezitsrente van Dühring van de meerwaarde van Marx? De naam ‘bezitsrente’ heeft de heer Dühring overigens aan Rodbertus ontleend, die de grondrente en de kapitaalrente of de kapitaalwinst reeds onder de gemeenschappelijke uitdrukking rente samenvatte, zodat de heer Dühring er alleen maar ‘bezit’ bij te voegen had . En om vooral geen twijfel te laten bestaan over het plagiaat, vat de heer Dühring de door Marx in het 15e hoofdstuk (blz. 539 en volg. van Het Kapitaal) ontwikkelde wetten over de veranderingen in grootte van de prijs van arbeidskracht en van de meerwaarde op zijn manier aldus samen, dat wat aan de bezitsrente ten deel valt, voor het arbeidsloon verloren moet gaan en omgekeerd, en verlaagt daarmee de inhoudsrijke speciale wetten van Marx tot een inhoudsloze tautologie. Want het spreekt vanzelf dat van een gegeven, in twee delen uiteenvallende grootheid, het ene deel niet toenemen kan, zonder dat het andere afneemt. En zo is de heer Dühring erin geslaagd, de toe-eigening van Marx’ ideeën op een wijze tot stand te brengen, waarbij ‘de laatste en strengste wetenschappelijkheid in de zin der exacte wetenschappen’, zoals die in de uiteenzetting bij Marx inderdaad te vinden is, geheel teloorgaat.

Wij zijn dus wel gedwongen aan te nemen, dat het opvallende rumoer, dat de heer Dühring in de ‘Kritische geschiedenis’ over Het Kapitaal maakt, en vooral het stof dat hij heeft doen opwaaien met de fameuze vraag die zich bij de meerwaarde voordoet en die hij beter niet had kunnen stellen aangezien hij haar zelf niet beantwoorden kan — dat dit alles slechts krijgslisten zijn, sluwe manoeuvres, om het in de ‘Cursus’ aan Marx gepleegde grove plagiaat te verbergen. Inderdaad had de heer Dühring reden genoeg om zijn lezers ervoor te waarschuwen zich bezig te houden met ‘het kluwen, dat de heer Marx kapitaal noemt’, te waarschuwen tegen de misbaksels van historisch en logisch gefantaseer, de verwarde hegeliaanse nevelvoorstellingen en uitvluchten, enz. De Venus, waarvoor deze getrouwe Eckhard  de Duitse jeugd waarschuwt, had hij heimelijk uit Marx’ domein gehaald en voor eigen gebruik in veiligheid gebracht. Laten wij hem gelukwensen met de netto-opbrengst die hij door het gebruikmaken van Marx’ arbeidskracht verkregen heeft en ook met het eigenaardige licht, dat door het annexeren van Marx’ meerwaarde onder de naam van bezitsrente geworpen wordt op de motieven van zijn hardnekkige (immers in twee drukken herhaalde) onware bewering, dat Marx onder meerwaarde slechts het profijt of de kapitaalwinst verstaat.

En zo moeten wij de prestaties van de heer Dühring, met de woorden van de heer Dühring op de volgende wijze schilderen:

‘Volgens de opvatting van de heer’ (Dühring) ‘vertegenwoordigt het arbeidsloon slechts de betaling van die arbeidstijd, waarin de arbeider werkelijk arbeid verricht, die hem zijn eigen bestaan mogelijk maakt. Hiervoor is nu echter een gering aantal uren voldoende; de gehele rest van de vaak langdurige arbeidsdag levert een overschot op, dat de door onze schrijver dus genaamde’ bezitsrente... ‘bevat. Afgezien van de arbeidstijd, die in het een of andere stadium van de productie reeds in de arbeidsmiddelen en relatieve grondstoffen aanwezig is, maakt dat overschot van de arbeidsdag het aandeel van de kapitalistische ondernemer uit. De verlenging van de arbeidsdag is bijgevolg zuivere uitbuitingswinst ten gunste van de kapitalist. De giftige haat, waarmee de heer’ (Dühring) ‘deze voorstelling van de uitbuiting begeleidt, is maar al te begrijpelijk...’

Maar minder begrijpelijk is, hoe hij nu weer tot zijn ‘geweldigere toorn’ zal komen?

 

 

 

 

IX. Natuurwetten van de economie. Grondrente

 

Tot dusver hebben wij met de beste wil niet kunnen ontdekken hoe de heer Dühring ertoe komt, om er op het gebied van de economie

‘aanspraak op te maken dat hij optreedt met een nieuw systeem, dat niet alleen voor ons tijdperk voldoende, maar ook voor dit tijdperk van beslissende betekenis is.’

Wat wij echter niet konden zien bij de theorie van het geweld, bij de waarde en het kapitaal, dat springt ons misschien zonneklaar in het oog bij de beschouwing van de door de heer Dühring opgestelde, ‘natuurwetten van de economie’. Want, zoals hij zich met de hem eigen originaliteit en scherpte uitdrukt,

‘de triomf van de hogere wetenschappelijkheid bestaat daarin, boven het enkel beschrijven en indelen van de als het ware rustende stof tot het levende, het ontstaan belichtende inzicht te geraken. De kennis van de wetten is daarom de volmaaktste, want zij toont ons hoe de ene gebeurtenis de andere tot voorwaarde heeft.’

Direct al de eerste natuurwet van alle economie is speciaal door de heer Dühring ontdekt.

Adam Smith ‘heeft zonderling genoeg niet alleen de belangrijkste factor van alle economische ontwikkelingen niet vooropgesteld, maar hij verzuimde ook daarvan de speciale formulering te geven, en daarmee heeft hij onwillekeurig de macht die op de moderne Europese ontwikkeling haar stempel gedrukt heeft tot een ondergeschikte rol vernederd’. Deze ‘grondwet die vooropgesteld moet worden, is die van de technische uitrusting, ja men zou kunnen zeggen, van de bewapening der van nature de mensen gegeven economische kracht’.

Deze door de heer Dühring ontdekte ‘fundamentele wet’ luidt als volgt:

Wet nr. 1. ‘De productiviteit van economische middelen, natuurlijke hulpbronnen en menselijke kracht wordt door uitvindingen en ontdekkingen verhoogd.’

Wij staan verbaasd. De heer Dühring behandelt ons precies zoals die grappenmaker bij Molière de nieuwbakken geadelde, aan wie hij het nieuws meedeelt dat hij zijn leven lang proza gesproken heeft zonder het te weten.  Dat uitvindingen en ontdekkingen in vele gevallen de productieve kracht van de arbeid verhogen (in zeer vele gevallen echter ook niet, zoals blijkt uit de ontzaglijke massa scheurpapier in de archieven van alle patentbureaus ter wereld) dat hebben wij reeds lang geweten. Dat echter deze stokoude afgezaagdheid de fundamentele wet van de hele economie is — deze opheldering danken wij de heer Dühring. Wanneer ‘de triomf der hogere wetenschappelijkheid’ in de economie, evenals in de filosofie, slechts daarin bestaat de eerste de beste gemeenplaats een hoogdravende naam te geven, hem tot een natuurwet of zelfs tot fundamentele wet te proclameren, dan wordt het ‘diepere grondslagen leggen’ en het teweegbrengen van een omwenteling in de wetenschap inderdaad voor iedereen, zelfs voor de redactie van de Berlijnse Volkszeitung  bereikbaar. Wij zouden dan genoodzaakt zijn ‘met alle gestrengheid’ het oordeel van de heer Dühring over Plato op de heer Dühring zelf als volgt toe te passen:

‘Als zo iets intussen economische wijsheid moet heten, dan heeft de schepper van de’ kritische grondslagen  ‘deze wijsheid gemeen met iedere persoon bij wie wel eens de een of andere gedachte aan iets voor de hand liggend is opgekomen’ of die er zelfs alleen maar eens over heeft gepraat.

Wanneer wij bij voorbeeld zeggen: de dieren vreten, dan spreken wij in onze onschuld zonder het te beseffen een groot woord uit. Want wij behoeven alleen maar te zeggen dat het vreten de fundamentele wet van heel het dierlijke leven is en wij hebben de hele zoölogie omgewenteld.

Wet nr. 2. Arbeidsverdeling. ‘Het splitsen van beroepstakken en het verdelen van werkzaamheden verhoogt de productiviteit van de arbeid.’

In zoverre dit juist is, is het sinds Adam Smith eveneens een gemeenplaats. In hoeverre het juist is, zal in het derde deel blijken.

Wet nr. 3. ‘Afstand en transport zijn de voornaamste oorzaken, waardoor het samenwerken van de productieve krachten gehinderd en bevorderd wordt.’

Wet nr. 4. ‘De industriestaat heeft een onvergelijkelijk grotere bevolkingscapaciteit dan de landbouwstaat.’

Wet nr. 5. ‘In de economie geschiedt niets zonder een materieel belang.’

Dat zijn de ‘natuurwetten waarop de heer Dühring zijn nieuwe economie grondvest. Hij blijft zijn in het deel over de filosofie reeds uiteengezette methode trouw. Een paar, vaak bovendien nog scheef uitgedrukte vanzelfsprekendheden, hopeloos afgezaagd, vormen de axioma’s die geen bewijs behoeven, de fundamentele stellingen, de natuurwetten, ook van de economie. Onder het voorwendsel de inhoud te ontwikkelen van deze wetten die geen inhoud hebben, wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt voor een breed opgezette economische tingieterij over verschillende onderwerpen, waarvan de namen in deze zogenaamde wetten voorkomen — dus uitvindingen, arbeidsverdeling, transportmiddelen, bevolking, belang, concurrentie, enz.; een tingieterij, waarvan de platte alledaagsheid alleen gekruid wordt met orakelachtige grootspraak, en hier en daar met scheve opvattingen of gewichtig doenerige haarkloverij over allerlei casuïstische spitsvondigheden. Dan komen wij tenslotte tot grondrente, kapitaalwinst en arbeidsloon, en daar wij in het voorafgaande slechts de beide laatste vormen van toe-eigening behandeld hebben, willen wij tot besluit nog Dührings opvatting van de grondrente in het kort onderzoeken.

Wij laten daarbij alle punten buiten beschouwing waarop de heer Dühring eenvoudig zijn voorganger Carey overschrijft. Wij hebben niet met Carey te maken, wij behoeven ook niet Ricardo’s opvatting over grondrente tegen de verdraaiingen en dwaasheden van Carey te verdedigen. Ons gaat alleen de heer Dühring aan en deze definieert de grondrente als

‘dat inkomen dat de eigenaar als zodanig van de grond en de bodem trekt’.

Het economische begrip van de grondrente, dat de heer Dühring ons moet verklaren, vertaalt hij kortweg in het juridische, zodat wij niet wijzer worden dan wij waren. Onze diepere-grondslaglegger moet daarom, of hij wil of niet, tot nadere uiteenzettingen overgaan. Hij vergelijkt nu de verpachting van een stuk akkerland aan een pachter met het uitlenen van een kapitaal aan een ondernemer, komt echter al spoedig tot de ontdekking, dat de vergelijking, zoals menige andere, mank gaat.

Want, zegt hij, ‘zou men de analogie verder willen doortrekken, dan zou de winst die de pachter overhoudt na betaling van de grondrente, aan die rest van de kapitaalwinst moeten beantwoorden, die de ondernemer, die met het kapitaal werkt, na aftrek van de interest ten deel valt. Men is echter niet gewend, de winsten van de pachter als de voornaamste inkomsten en de grondrente als een rest te beschouwen... Een bewijs voor dit verschil in opvatting is het feit, dat men in de leer van de grondrente het geval, waarbij het land door de eigenaar zelf bewerkt wordt, niet afzonderlijk behandelt en dat men geen bijzonder gewicht hecht aan het verschil in grootte tussen rente in de vorm van pacht en rente die door de eigenaar zelf is voortgebracht.Men heeft althans geen aanleiding gevonden, om de grondrente die uit de bewerking door de eigenaar zelf voortkomt, zich zodanig gesplitst te denken, dat het ene deel als het ware de grondrente van het stuk grond, het andere het winstoverschot van de ondernemer zou vertegenwoordigen. Afgezien van het eigen kapitaal dat de pachter aanwendt, schijnt men zijn specialewinst meestal als een soort arbeidsloon te beschouwen. Maar het is bedenkelijk, hierover iets te willen beweren, daar men zich de vraag nooit in een zo concrete vorm heeft voorgelegd. Overal, waar het grotere bedrijven betreft, kan men gemakkelijk inzien, dat het niet aangaat, de eigenlijke pachterswinst als arbeidsloon te laten gelden. Deze winst berust namelijk zelf op de tegenstelling tot de arbeidskracht van hen die op het land werken, en wier uitbuiting alleen deze soort van inkomsten mogelijk maakt. Klaarblijkelijk is het een stuk rente, dat in handen van de pachter blijft, en waarmee de volle rente die de eigenaar door eigen bewerking van zijn grond zou hebben verkregen, verminderd wordt.’

De theorie van de grondrente is een specifiek Engels hoofdstuk der economie en moest het zijn, omdat alleen in Engeland een productiewijze bestond waarbij de rente ook in feite van winst en interest afgezonderd was. Zoals bekend heersen in Engeland grootgrondbezit en grootlandbouwbedrijf. De grondeigenaars verpachten hun landerijen in grote, vaak zeer grote stukken akkerland aan pachters die van voldoende kapitaal voor de exploitatie daarvan voorzien zijn en die niet, zoals onze boeren, zelf werken, maar als echte kapitalistische ondernemers gebruik maken van de arbeid van vaste arbeiders en dagloners. Hier hebben wij dus de drie klassen van de burgerlijke maatschappij, met het voor elk van hen specifiek inkomen: de grondeigenaar die de grondrente, de kapitalist die de winst en de arbeider die het arbeidsloon ontvangt. Nooit is het bij een Engelse econoom opgekomen de winst van de pachter, zoals dat de heer Dühring toeschijnt, voor een soort arbeidsloon te houden. Nog veel minder kon het hem bedenkelijk schijnen te verzekeren dat de winst van de pachter datgene uitmaakt, wat deze onbetwistbaar, klaarblijkelijk en tastbaar is, namelijk kapitaalwinst. Het is in een woord belachelijk wanneer hier gezegd wordt, dat men zich de vraag, wat eigenlijk pachterswinst is, in een zo concrete vorm in het geheel niet voorgelegd zou hebben. In Engeland behoeft men zich die vraag in het geheel niet eerst voor te leggen. Zowel de vraag als het antwoord liggen sinds lang in de feiten zelf voor het grijpen, en sedert Adam Smith heeft daaromtrent nooit enige twijfel bestaan.

Het geval van eigen bewerking, zoals de heer Dühring dat noemt, of juister de bewerking door beheerders voor rekening van de grondbezitter, zoals dat in werkelijkheid in Duitsland in de meeste gevallen gebeurt, verandert niets aan de zaak. Wanneer de grondbezitter ook het kapitaal levert en voor eigen rekening het bedrijf laat voeren, dan steekt hij behalve de grondrente ook nog de kapitaalwinst in zijn zak, zoals dat volgens de huidige productiewijze vanzelfsprekend is en ook helemaal niet anders zijn kan. En wanneer de heer Dühring beweert dat men tot nu toe geen aanleiding gevonden heeft om zich de rente (bedoeld is inkomen), die uit de eigen bewerking voortkomt, als gesplitst te denken, dan is dat eenvoudig niet waar. En bewijst hij daarmee in het gunstigste geval wederom alleen zijn eigen onwetendheid. Bijvoorbeeld:

‘Het inkomen, dat uit arbeid afkomstig is, heet arbeidsloon. Dat wat iemand uit het aanwenden van kapitaal trekt, heet winst... het inkomen dat uitsluitend uit de grond ontstaat, wordt rente genoemd en behoort aan de grondbezitter... Wanneer deze verschillende soorten van inkomen aan verschillende personen ten deel vallen, dan zijn zij gemakkelijk te onderscheiden. Vallen zij echter een en dezelfde persoon ten deel, dan worden zij, althans in het dagelijkse spraakgebruik, vaak dooreen gehaald. Een grondbezitter die een deel van zijn eigen grond zelf bewerkt, zou na aftrek van de bedrijfskosten zowel de rente van de grondbezitter als de winst van de pachter moeten ontvangen. Hij zal echter gemakkelijker, in de gewone taal althans, al zijn inkomsten winst noemen en zo de rente met de winst door elkaar halen. Dat is het geval met de meerderheid van onze Noord-Amerikaanse en West-Indische planters. De meeste bebouwen hun eigen bezittingen en zo horen wij zelden van de rente van een plantage, maar wel van de winst die zij afwerpt... Een tuinder die zijn eigen akker eigenhandig bewerkt, is in één persoon grondbezitter, pachter en arbeider. Zijn product moest hem bijgevolg de grondrente van de eerste, de winst van de tweede en het loon van de derde opleveren. Het geheel gaat echter gewoonlijk voor zijn arbeidsverdiensten door. Rente en winst worden hier dus samengenomen met het arbeidsloon.’

Deze passage staat in het zesde hoofdstuk van het eerste boek van Adam Smith.  Het geval van de eigen bewerking is dus reeds honderd jaar geleden onderzocht en de bedenkelijkheid en onzekerheden, die de heer Dühring hier zoveel zorg veroorzaken, komen louter en alleen uit zijn eigen onwetendheid voort.

Tenslotte redt hij zich met een koene greep uit de verlegenheid:

De pachterswinst berust op uitbuiting van de ‘landelijke arbeidskracht’ en is daardoor klaarblijkelijk een ‘stuk rente’ waar mee de ‘volle rente, die eigenlijk in de zak van de grondbezitter moest vloeien, ‘verminderd wordt’.

Hierdoor komen wij tweeërlei te weten. Ten eerste, dat de pachter de rente van de grondbezitter ‘vermindert’, zodat het dus bij de heer Dühring, anders dan men zich tot dusver voorgesteld had, niet de pachter is die de grondbezitter, maar de grondbezitter die aan de pachter rente betaald, — ongetwijfeld een ‘fundamenteel originele opvatting’. En ten tweede krijgen wij eindelijk te horen, wat de heer Dühring onder grondrente verstaat, nl. het gehele meerproduct dat verkregen wordt door de uitbuiting van landarbeid in de akkerbouw. Daar zich dit meerproduct echter in de tot dusver geldende economie — met uitzondering dan van enige vulgair-economen — in grondrente en kapitaalwinst splitst, moeten wij vaststellen dat ook in zake de grondrente de heer Dühring ‘zich niet aan het gangbare begrip houdt’.

Grondrente en kapitaalwinst verschillen volgens de heer Dühring dus slechts daarin dat de eerste uit de akkerbouw verkregen wordt, de tweede in de industrie of de handel. Tot deze onkritische en verwarde wijze van voorstelling moet de heer Dühring noodgedwongen komen. Wij zagen dat hij van de ‘ware historische opvatting’ uitging, volgens welke de heerschappij over de grond alleen op de heerschappij over de mens berustte. Zodra er dus grond door middel van knechtenarbeid in de een of andere vorm bewerkt wordt, ontstaat voor de landheer een overschot en dit overschot is dan de rente, zoals het surplus van het arbeidsproduct boven het arbeidsinkomen in de industrie de kapitaalwinst is.

‘Op deze wijze is het duidelijk dat de grondrente altijd en overal in belangrijke mate dáár bestaat waar de landbebouwing door enigerlei vorm van onderwerping van de arbeid wordt bedreven.’

Bij deze voorstelling van de rente, als het gehele bij de akkerbouw verkregen meerproduct, staat hem nu enerzijds de Engelse pachterswinst en anderzijds de daaraan ontleende, in de gehele klassieke economie geldende verdeling van dat meerproduct in grondrente en pachterswinst, en daarmee het zuivere nauwkeurig bepaalde begrip grondrente in de weg. Wat doet de heer Dühring? Hij doet alsof hij zelfs bij geruchte nooit gehoord heeft van de indeling van het agrarische meerproduct in pachterswinst en grondrente en daarmee van de hele rentetheorie van de klassieke economie. Alsof in de hele economie de vraag wat de pachterswinst eigenlijk is ‘in deze concrete vorm’ nog in het geheel niet werd gesteld. Alsof het een nog in het geheel niet onderzochte zaak betreft, waarover niets anders bekend is dan schijnbaarheden en bedenkelijkheden. En hij vlucht uit het fatale Engeland — waar, geheel zonder de tussenkomst van enigerlei theoretische school, het meerproduct van de landbouw zo onbarmhartig verdeeld is in zijn bestanddelen: grondrente en kapitaalwinst — naar het hem zo dierbare land, waar het Pruisische Landrecht van kracht is, waar de bewerking van het land door de bezitter daarvan nog in zijn volle aartsvaderlijke bloei verkeert, waar ‘de landheer onder grondrente de inkomsten uit zijn landerijen verstaat’ en de opvatting van de heren jonkers over de grondrente nog de aanspraak maakt toonaangevend te zijn voor de wetenschap, waar dus de heer Dühring nog de hoop kan koesteren zijn begripsverwarring over rente en winst er door te smokkelen en zelfs geloof te vinden voor zijn nieuwste ontdekking, dat de grondrente niet door de pachter aan de grondbezitter, maar door de grondbezitter aan de pachter betaald zou worden.

 

 

 

 

X. Uit de ‘kritische geschiedenis’

 

Werpen wij tenslotte nog een blik op de ‘Kritische geschiedenis der politieke economie’, op ‘deze onderneming’ van de heer Dühring die, zoals hij zegt, ‘geheel zonder voorgangers is’. Misschien ontmoeten wij hier eindelijk de ons zo dikwijls beloofde laatste en strengste wetenschappelijkheid.

De heer Dühring maakt veel ophef van de vondst, dat

de ‘leer van de economie’ een ‘enorm modern verschijnsel is’ (blz. 12).

Inderdaad staat er bij Marx in Het Kapitaal: ‘De politieke economie... als op zichzelf staande wetenschap, komt pas in het tijdperk van de manufactuur op’ , en in Bijdrage tot de kritiek der politieke economie, blz. 29, dat ‘de klassieke politieke economie... in Engeland met William Petty en in Frankrijk met Boisguillebert begint, in Engeland met Ricardo en in Frankrijk met Sismondi eindigt’.  De heer Dühring volgt deze hem voorgeschreven weg, alleen begint voor hem de hogere economie pas met de zielige miskramen die de burgerlijke wetenschap na het einde van haar klassieke periode heeft voortgebracht. Daarentegen triomfeert hij met het volste recht aan het eind van zijn Inleiding:

‘Maar wanneer deze onderneming reeds door haar uiterlijk waarneembare eigenaardigheden en door het nieuwe van de helft van haar inhoud in ‘t geheel geen voorgangers heeft, zo behoort zij mij in nog veel hogere mate op grond van haar innerlijke kritische gezichtspunten en van haar algemeen standpunt toe’ (blz. 9).

Inderdaad had hij naar beide zijden, de uiterlijke en de innerlijke, zijn ‘onderneming’ (de industriële uitdrukking is niet slecht gekozen) kunnen aankondigen als: ‘De enige en zijn eigendom’.

Daar de politieke economie, zoals zij in de geschiedenis optrad, inderdaad niets anders is dan het wetenschappelijke inzicht in de economie van de kapitalistische productieperiode, kunnen de daarop betrekking hebbende stellingen en theorema’s, bv. bij de schrijvers van de oude Griekse maatschappij, slechts in zoverre voorkomen als bepaalde verschijnselen: warenproductie, handel, geld, rente, afwerpend kapitaal enz. aan beide maatschappijen gemeen zijn. Voor zover de Grieken nu en dan op dit gebied een uitstapje maken tonen zij dezelfde genialiteit en oorspronkelijkheid als op alle andere gebieden. Historisch gezien vormen daarom hun opvattingen de theoretische uitgangspunten van de moderne wetenschap. Horen wij nu, wat de wereldhistorische heer Dühring te zeggen heeft:

‘Ten opzichte van een wetenschappelijke economische theorie zouden wij daarom over de Oudheid eigenlijk (!) in het geheel niets positiefs hebben mee te delen en de volkomen onwetenschappelijke Middeleeuwen geven daartoe’ (daartoe, niets mee te delen!) ‘nog veel minder aanleiding. Daar echter de wijze waarop met een schijn van geleerdheid gepraald wordt... het zuivere karakter van de moderne wetenschap ontsierd heeft, moeten wij ter kennisname althans enige voorbeelden aanvoeren.’

En de heer Dühring levert dan voorbeelden van een kritiek die zich inderdaad ook voor de ‘schijn van geleerdheid’ vrijwaart.

De stelling van Aristoteles, dat

‘het gebruik van ieder ding tweevoudig is — het ene gebruik is de zaak als zodanig eigen, het andere niet, zoals bv. bij een sandaal die als schoeisel en als ruilvoorwerp dient. Beide zijn gebruikswijzen van de sandaal, want ook hij die de sandaal tegen wat hij nodig heeft, geld of voedsel ruilt, gebruikt de sandaal als sandaal. Maar niet volgens haar natuurlijke gebruikswijze, want de sandaal is er niet om als ruilvoorwerp te dienen’ 

— deze stelling is volgens de heer Dühring ‘niet alleen op zeer platte en schoolse wijze uitgesproken’, maar zij die daarin een ‘onderscheiding tussen gebruiks- en ruilwaarde’ ontdekken, komen bovendien in een ‘humoristische situatie’ te land, door te vergeten dat ‘in de allerjongste tijd’ en ‘in het kader van het verst gevorderde systeem’ (natuurlijk dat van de heer Dühring zelf) gebruikswaarde en ruilwaarde verdwenen zijn.

‘In Plato’s geschriften over de staat heeft men... ook het moderne hoofdstuk omtrent de economische arbeidsverdeling willen vinden.’

Dit moet wel op de passage in Het Kapitaal, hoofdstuk XII, 5, blz. 369 van de derde druk staan, waar echter veeleer omgekeerd wordt aangetoond, dat de opvatting van de klassieke Oudheid over arbeidsverdeling ‘in de scherpste tegenstelling’ tot de moderne opvatting staat.  — Alles wat de heer Dühring over heeft voor Plato’s  voor zijn tijd geniale schildering van de arbeidsverdeling als de natuurlijke grondslag van de stad (die voor de Grieken identiek was met de staat), is dat hij er zijn neus voor optrekt en wel omdat Plato niet — maar de Griek Xenophon doet het wel, mijnheer Dühring! — van de ‘grens’ spreekt,

‘die de omvang van de markt telkens aan de verdere vertakking van beroepen en de technische onderverdeling van speciale bewerkingen stelt, — het besef van deze grens levert eerst hel begrip, waardoor de idee, die anders nauwelijks wetenschappelijk genoemd kan worden, tot een voor de economie belangrijke waarheid wordt’.

De door de heer Dühring zozeer versmade ‘professor’ Roscher heeft inderdaad die ‘grens’ getrokken, waarbij de idee van de verdeling van de arbeid pas ‘wetenschappelijk’ worden moet en daarom heeft hij Adam Smith uitdrukkelijk tot de ontdekker van de wet der arbeidsverdeling gemaakt.  In een maatschappij waar de warenproductie de heersende productiewijze is, is ‘de markt’ — om ook eens in de trant van de heer Dühring te spreken — een onder de ‘zakenlieden’ zeer bekende ‘grens’ geweest. Er behoort echter meer dan ‘de kennis en het instinct van de routine’ toe, om in te zien dat niet de markt de kapitalistische arbeidsverdeling deed ontstaan, maar dat omgekeerd het uiteenvallen van het vroegere maatschappelijke verband en de daaruit voortspruitende verdeling van de arbeid de markt in het leven riepen. (Zie Het Kapitaal, I, Hoofdstuk XXIV, 5: Het tot stand komen van de binnenlandse markt voor het industriële kapitaal.)

‘De rol van het geld is te allen tijde de eerste en voornaamste prikkel tot economisch (!) denken geweest. Maar wat wist een Aristoteles van deze rol? Klaarblijkelijk niet meer dan wat opgesloten ligt in de voorstelling, dat de ruil met behulp van geld op de oorspronkelijke ruil in natura gevolgd is.’

Wanneer echter ‘een’ Aristoteles de vrijheid neemt de twee verschillende vormen van de omloop van het geld te ontdekken, de een waarin het enkel als circulatiemiddel, de ander waarin het als geldkapitaal functioneert, 

dan brengt hij volgens de heer Dühring hiermede ‘slechts zedelijke antipathie’

tot uitdrukking. Wanneer ‘een’ Aristoteles zich zelfs vermeet het geld in zijn ‘rol’ als waardemaatstaf te willen ontleden en dit voor de leer van het geld zo beslissende probleem inderdaad op de juiste wijze stelt,  dan verzwijgt ‘een’ Dühring en wel om goede, geheim gehouden redenen, zulk een ongeoorloofde vermetelheid liever helemaal.

Eindresultaat: In het spiegelbeeld van de ‘kennisname’ van de heer Dühring bezit de Griekse Oudheid inderdaad slechts ‘zeer alledaagse ideeën’ (blz. 25), wanneer dergelijke ‘beuzelarijen’ (blz. 19) althans nog iets met ideeën, alledaagse of niet-alledaagse, gemeen hebben.

Het hoofdstuk van de heer Dühring over het mercantilisme kan men beter lezen in het ‘origineel’, d.w.z. bij F. List, National systeem, hoofdstuk 29: ‘Het industriesysteem, op school verkeerdelijk mercantielsysteem genoemd.’ Hoe zorgvuldig de heer Dühring ook hier iedere ‘schijn van geleerdheid’ weet te vermijden, blijkt o.a. uit het volgende:

List zegt in hoofdstuk 28, ‘De Italiaanse economen’:

‘Italië is alle moderne naties voorgegaan, zowel in de praktijk als in de theorie van de politieke economie’,

en hij noemt dan als

‘het eerste, speciaal over politieke economie in Italië geschreven werk, het geschrift van Antonio Serra uit Napels over de middelen om aan de koninkrijken een overvloed van goud en zilver te verschaffen (1613)’. 

De heer Dühring neemt dit in goed vertrouwen aan en kan daarom Serra’s ‘Breve Trattato’ 

‘als een soort opschrift boven de poort tot de nieuwste voorgeschiedenis van de economie beschouwen’.

Tot deze ‘belletristische strijkage’ beperkt hij inderdaad zijn beschouwing over het ‘Breve Trattato’. Ongelukkigerwijze verliep de zaak in werkelijkheid geheel anders want in 1609, vier jaren dus voor het ‘Breve Trattato’, verscheen ‘A Discourse of Trade etc.’  van Thomas Mun. Dit geschrift had terstond in zijn eerste druk de bijzondere betekenis dat het zich tegen het oorspronkelijke, destijds nog als regeringspraktijk in Engeland verdedigde monetaire systeem keert en dus de bewuste zelfafscheiding van het mercantielsysteem van zijn moedersysteem vormt. Reeds in zijn eerste vorm werd het geschrift meermalen herdrukt en oefende een directe invloed op de wetgeving uit. In de door de schrijver geheel omgewerkte en na zijn dood verschenen uitgave van 1664 ‘Englands Treasure etc.’  bleef het nog honderd jaar lang het evangelie van het mercantilisme. Wanneer dus het mercantilisme een baanbrekend werk bezit ‘als een soort opschrift boven de poort’ dan is het dit werk. En juist daarom bestaat het in het geheel niet voor des heren Dühring’s ‘geschiedenis die de rangverschillen zeer zorgvuldig in acht neemt’.

Van Petty, de stichter van de moderne politieke economie, weet de heer Dühring ons te vertellen dat hij

‘tamelijk oppervlakkig in zijn manier van denken’ was, verder dat hij ‘geen zin voor de innerlijke en fijnere verschillen der begrippen bezat... een ‘beweeglijkheid die veel weet, maar lichtvaardig van het een op het ander springt, zonder in enige gedachte van diepere zin wortel te vatten’... hij ‘gaat in economisch opzicht nog zeer rauw te werk’ en ‘komt tot naïviteiten, waarvan het contrast... voor de meer ernstige denker wel eens amusant kan zijn’.

Welk een onschatbare minzaamheid dus, wanneer het de ‘meer ernstige denker’, de heer Dühring, behaagt van ‘een Petty’ zelfs maar notitie te nemen! En hoe neemt hij notitie van hem?

Petty’s stellingen over

‘de arbeid en zelfs de arbeidstijd als waardemaatstaf, waarvan bij hem... onvolledige sporen te vinden zijn’,

worden behalve in deze zin, verder in het geheel niet genoemd. Onvolledige sporen. In zijn Treatise on Taxes and Contributions (eerste druk 1662)  geeft Petty een volkomen duidelijke en juiste ontleding van de waardegrootte der waren. Doordat hij deze vooreerst duidelijk maakt aan de gelijkwaardigheid van edele metalen en graan, die evenveel arbeid kosten, zegt hij het eerste en laatste ‘theoretische’ woord over de waarde der edele metalen. Maar hij spreekt het ook beslist en algemeen uit, dat de waarden der waren door gelijke arbeid (equal labour) gemeten worden. Hij maakt van zijn ontdekking gebruik voor de oplossing van verschillende, ten dele zeer ingewikkelde problemen, en bij verschillende gelegenheden en in verscheidene geschriften trekt hij hier en daar belangrijke gevolgtrekkingen uit deze hoofdstelling, ook waar hij haar niet herhaalt. Maar hij zegt ook al direct in zijn eerste geschrift:

‘Dit (de waardemeting door gelijke arbeid) is naar mijn mening de grondslag voor de vereffening en het afmeten van de waarden;  doch ik erken dat zich bij de uitwerking en de praktische toepassing daarvan velerlei verwikkelingen voordoen.’

Petty is zich dus van de belangrijkheid van zijn vondst even bewust als van de moeilijkheid om daarvan in onderdelen gebruik te maken. Hij probeert daarom ook een andere weg die naar zekere detailtoepassingen voert.

Er moet namelijk een natuurlijke verhouding op de grondslag van gelijkheid (a natural par) tussen grond en arbeid gevonden worden, zodat men de waarde, al naar men wil ‘in elk van beide, of nog beter in beide’ kan uitdrukken.

De dwaling zelf is geniaal.

De heer Dühring maakt over Petty’s waardetheorie de scherpzinnige opmerking:

‘wanneer hij zelf scherper gedacht had zou het ten enenmale onmogelijk zijn geweest dat op andere plaatsen sporen van een tegenovergestelde opvatting aanwezig waren, waaraan reeds tevoren werd herinnerd’

dat betekent, waarover ‘tevoren’ niets gezegd is, behalve dan dat die sporen ‘onvolledig’ zijn. Dit is een zeer karakteristieke manier van de heer Dühring, ‘tevoren’ met een inhoudsloze frase op iets te zinspelen, om ‘achteraf’ de lezer te laten geloven dat hij reeds ‘tevoren’ over de hoofdzaak ingelicht is, waarover genoemde auteur in werkelijkheid tevoren en achteraf heenglijdt.

Nu zijn er bij Adam Smith niet slechts ‘sporen’ van ‘tegenovergestelde opvattingen’ over het waardebegrip te vinden, en niet slechts twee, doch zelfs drie, en heel strikt genomen zelfs vier opvattingen over de waarde, die in krasse tegenstelling tot elkaar staan en toch gemoedelijk naast en door elkaar heenlopen. Wat echter natuurlijk is bij de grondlegger van de politieke economie, die noodgedwongen tastend te werk gaat, experimenteert, worstelt met een chaos van ideeën die pas vorm begint aan te nemen — dat kan zonderling toeschijnen bij een schrijver die onderzoekingen van meer dan anderhalve eeuw rangschikt en samenvat, nadat de resultaten ervan ten dele reeds uit de boeken in het algemeen bewustzijn zijn overgegaan. En om van het grote tot het kleine te komen, zoals wij zagen geeft de heer Dühring zelf ons eveneens vijf verschillende soorten waarde vrij ter keuze en daarmee evenzoveel tegenovergestelde opvattingen. Stellig ‘wanneer hijzelf scherper gedacht had’, had hij zich niet zoveel moeite gegeven om zijn lezers uit de volkomen duidelijke opvatting van Petty over de waarde in de uiterste verwarring terug te stoten.

Een goed afgeronde arbeid, een werk uit een stuk, is Petty’s Quantulumcunque concerning money  uitgegeven in 1682, tien jaren na zijn Anatomy of Ireland (dit werk verscheen, ‘voor het eerst’ in 1672 en niet in 1691, zoals de heer Dühring dat uit de ‘meest gebruikelijke leerboekcompilaties’ overschrijft) . De laatste sporen van mercantilistische opvattingen, die men in andere geschriften van hem aantreft, zijn hier geheel verdwenen. Het is een klein meesterstuk naar inhoud zowel als naar vorm, en daarom is zelfs de titel bij de heer Dühring niet te vinden. Het is volkomen zoals het hoort, dat tegenover de geniaalste en origineelste economische vorser een dikdoende, schoolmeesterachtige middelmatigheid zijn knorrige onlust laat blijken, zich slechts kan ergeren, dat de theoretische lichtvonken niet in het gelid als kant en klare ‘axioma’s’ komen aanstappen, maar veeleer verspreid te voorschijn springen uit het zich verdiepen in het ‘rauwe’ praktische materiaal, bv. dat omtrent de belastingen.

Evenals met de eigenlijk economische werken van Petty, gaat de heer Dühring met diens grondlegging van de ‘politieke rekenkunde’ of statistiek te werk. Vol ergernis haalt hij zijn schouders op over het zonderlinge van de door Petty toegepaste methoden! Gezien de groteske methoden die zelfs Lavoisier  honderd jaar later nog op dit gebied toepaste, gezien de grote afstand die de hedendaagse statistiek nog van het doel scheidt, dat Petty haar in grootse trekken had geschetst, treedt zulke zelfgenoegzame betweterij twee eeuwen na dato, in onverbloemde onnozelheid aan de dag.

De belangrijkste ideeën van Petty, waarvan in de ‘onderneming’ van de heer Dühring zo bedroefd weinig te merken is, zijn volgens hem slechts losse invallen, toevallige gedachten, gelegenheidsuitingen, waaraan men eerst in onze tijd met behulp van uit het verband gerukte citaten een betekenis geeft die er op zichzelf in het geheel niet in steekt, die dus ook in dewerkelijke geschiedenis van de politieke economie geen rol spelen, maar alleen in moderne boeken waarvan het peil beneden dat van de wortelvaste kritiek en de ‘geschiedschrijving in grote stijl’ van de heer Dühring blijft. Het schijnt dat hij bij zijn ‘onderneming’ een blindgelovige kring van lezers op het oog heeft gehad, die het om de dood niet zullen wagen naar een bewijs voor zijn beweringen te vragen. Wij komen daar dadelijk op terug (bij Locke en North) , maar moeten eerst een vluchtige blik op Boisguillebert en Law werpen.

Wat de eerste betreft vestigen wij de aandacht op de enige vondst waarvan de heer Dühring de eer toekomt. Hij heeft een vroeger ontbrekend verband tussen Boisguillebert en Law ontdekt. Boisguillebert verzekert namelijk dat de edele metalen in de normale geldfuncties die zij in de warencirculatie  vervullen door kredietgeld (un morceau de papier)  zouden kunnen worden vervangen. Law daarentegen verbeeldt zich dat een willekeurige ‘vermeerdering’ van deze ‘stukjes papier’ de rijkdom van een natie zou vermeerderen. Daaruit volgt voor de heer Dühring, dat

‘de zwenking van Boisguillebert reeds een nieuwe zwenking van het mercantilisme insloot’ —

m.a.w. reeds Law insloot. Dit wordt op de volgende wijze zonneklaar bewezen:

‘Het kwam er slechts op aan om aan de “simpele stukjes papier” dezelfde rol toe te wijzen die de edele metalen hadden moeten spelen, en hierdoor had dan terstond een gedaanteverwisseling van het mercantilisme plaatsgehad.’

Op dezelfde wijze kan men terstond de gedaanteverwisseling van oom in tante doen plaatsvinden. Wel voegt de heer Dühring hier vergoelijkend aan toe:

‘Het is waar, dat Boisguillebert zulk een bedoeling niet had.’

Maar wat duivel, hoe kon hij dan de bedoeling hebben zijn eigen rationalistische opvatting over de rol van de edele metalen als geld door de bijgelovige opvatting van de mercantilisten te vervangen, omdat volgens hem de edele metalen in die rol door papier vervangbaar zijn?

— Maar, gaat de heer Dühring op zijn ernstig-komische wijze voort,

‘men moet echter toch wel toegeven, dat het onze auteur gelukt is hier en daar een werkelijk pakkende opmerking te maken’ (blz. 83).

Wat Law betreft, slaagt de heer Dühring er slechts in de volgende ‘werkelijk pakkende opmerking’ te maken:

‘Ook Law heeft, zoals te begrijpen is, deze laatste grondslag’ (nl. ‘de basis der edele metalen) ‘nooit geheel en al kunnen wegwerken, maar hij heeft de uitgave van papiergeld tot het uiterste, d.w.z. tot de ineenstorting van het systeem doorgedreven’ (blz. 94).

In werkelijkheid echter moesten de papieren vlinders, alleen maar symbolen van het geld, onder het publiek rondfladderen, niet om de edelmetaalbasis ‘weg te werken’, maar om die uit de zakken van het publiek in de berooide staatskassen te lokken. 

Voor wij weer op Petty en op de povere rol die de heer Dühring hem in de geschiedenis der economie laat spelen terugkomen, willen wij eerst horen wat ons over Petty’s naaste opvolgers, Locke en North, wordt medegedeeld. In hetzelfde jaar 1691 verschenen Locke’s Considerations on Lowering of Interest and Raising of Money  en North’s Discourses upon Trade

‘Wat hij’ (Locke) ‘over rentevoet en geldstukken schreef blijft binnen de grenzen van bespiegelingen, zoals die onder de heerschappij van het mercantilisme in aansluiting aan de gebeurtenissen in het staatsleven gebruikelijk waren’ (blz. 64).

Nu moet het de lezer van deze ‘verslaggeving’ wel zonneklaar worden waarom Locke’s ‘Lowering of Interest’ in de tweede helft van de 18e eeuw zulk een belangrijke invloed op de politieke economie in Frankrijk en Italië kreeg, en wel in meer dan één richting.

‘Over de vrijheid van de rentevoet had menig zakenman net zo’ (als Locke) ‘gedacht en ook de ontwikkeling van de verhoudingen veroorzaakte een neiging om de beperkingen van de rente als zonder uitwerking te beschouwen. In een tijd waarin een Dudley North zijn Discourses upon Trade in de richting naar vrijhandel kon schrijven, moest er als het ware reeds heel wat in de lucht hangen waardoor het theoretische verzet tegen rentebeperkingen niet als iets ongehoord werd beschouwd’ (blz. 64).

Locke had dus maar de gedachten van deze of gene tijdgenoot-‘zakenman’ te overdenken, of veel van wat toen ‘als het ware in de lucht hing’ eruit te plukken, om over rentevrijheid te kunnen theoretiseren en niets ‘ongehoords’ te zeggen! In werkelijkheid echter stelde Petty reeds in 1662 in zijn Treatise on Taxes and Contributions de interest als geldrente, die wij woeker noemen (rent of money which we call usury) , tegenover grondrente en rente van onroerende goederen (rent of land and houses) en hij las de landheren die weliswaar niet de grondrente, doch wel de geldrente met de wet in de hand wilden laag houden, de les over het ijdele en vruchteloze om burgerlijke, positieve wetten op te stellen tegen de wet der natuur in (the vanity and fruitlessness of making civil positive law against the law of nature).  In zijn ‘Quantulumcunque’ (1682) verklaart hij daarom de wettelijke regeling van de interest voor even dwaas als een regeling van de uitvoer van edele metalen of van de wisselkoers. In hetzelfde geschrift vindt men de blijvend geldige uiteenzetting over ‘raising of money’  (de poging om bv. aan 1/2 shilling de naam van 1 shilling te geven, door de verdubbeling van het aantal shillings die uit één ons zilver geslagen worden) .

Wat het laatste punt aangaat hebben Locke en North weinig meer gedaan dan Petty over te schrijven. Ten opzichte van de interest echter sluit Locke zich bij Petty’s parallel van geldinterest en grondrente aan, terwijl North verder gaat en de interest als kapitaalrente (rent of stock) tegenover de grondrente en de stocklords tegenover de landlords  stelt. Terwijl echter Locke de door Petty geëiste vrijheid van interest slechts met beperkingen aanvaardt, neemt North haar absoluut.

De heer Dühring — zelf nog een bittere mercantilist in ‘meer subtiele’ zin — overtreft zichzelf wanneer hij de Discourses upon Trade van Dudley North afdoet met de opmerking dat zij geschreven zouden zijn ‘in de richting naar vrijhandel’. Het is alsof men van Harvey zou zeggen dat hij ‘in de richting’ van de bloedsomloop geschreven heeft. North’s geschrift is — afgezien van zijn andere verdiensten — een klassieke, met onverbiddelijke consequentie geschreven uiteenzetting van de leer van de vrijhandel, zowel voor het buitenlandse als het binnenlandse verkeer, hetgeen in het jaar 1691 inderdaad ‘iets ongehoords’ was!

Voor het overige bericht de heer Dühring, dat

North een ‘handelaar’ en bovendien een slechte kerel was en dat zijn geschrift ‘geen instemming vermocht te vinden’.

Dat ontbrak er nog aan, dat een dergelijk geschrift ‘instemming’ zou hebben gevonden bij het toonaangevend janhagel in de tijd van de definitieve overwinning van het systeem der beschermende rechten in Engeland! Dit belette echter niet zijn onmiddellijke theoretische invloed, zoals blijkt uit een hele reeks onmiddellijk daarna, ten dele nog in de 17e eeuw in Engeland verschenen economische geschriften.

Locke en North leverden ons het bewijs hoe de eerste vermetele grepen die Petty bijna op ieder gebied van de politieke economie deed, door zijn Engelse opvolgers stuk voor stuk overgenomen en verder uitgewerkt werden. De sporen van dit proces gedurende de periode 1691 tot 1752 dringen zich ook aan de meest oppervlakkige waarnemer reeds daardoor op dat alle tot die periode behorende, meer belangrijke economische geschriften, positief of negatief, bij Petty aanknopen. Deze aan originele koppen rijke periode is daarom voor het onderzoek naar het geleidelijk ontstaan van de politieke economie de belangrijkste. De ‘geschiedschrijving in grote stijl’ die het Marx als een onvergeeflijke zonde aanwrijft dat er in Het Kapitaal zoveel ophef gemaakt wordt van Petty en de schrijvers van die periode, schrapt hen eenvoudig uit de geschiedenis weg. Van Locke, North, Boisguillebert en Law maakt zij terstond een sprong naar de fysiocraten en dan verschijnt aan de ingang van de ware tempel der politieke economie — David Hume. Met toestemming van de heer Dühring zullen wij ons weerhouden aan de chronologische volgorde en daarom Hume vóór de fysiocraten plaatsen.

Hume’s economische ‘Essays’ verschenen in 1752.  In de bij elkaar behorende essays: Of Money  Of the Balance of Trade , Of Commerce  volgt Hume stap voor stap, vaak zelfs in zijn grillen en invallen, Jacob Vanderlints Money answers all things,  Londen 1734. Hoe zeer deze Vanderlint de heer Dühring ook onbekend gebleven is, toch wordt nog in Engelse economische geschriften tegen het einde van de 18e eeuw, dus in de tijd na Smith, rekening met hem gehouden.

Evenals Vanderlint behandelt Hume het geld als niet meer dan een waardeteken. Hij schrijft bijna woordelijk (en dat is belangrijk daar hij de theorie van het waardeteken aan vele andere geschriften had kunnen ontlenen) uit Vanderlint over, waarom de handelsbalans niet voortdurend tegen of voor een land kan zijn. Evenals Vanderlint huldigt hij de leer over het evenwicht van de balansen dat op natuurlijke wijze, al naargelang van de verschillende economische toestanden in de afzonderlijke landen, tot stand komt. Hij predikt evenals Vanderlint de vrijhandel, alleen minder stoutmoedig en consequent. Met Vanderlint, maar oppervlakkiger, stelt hij de behoeften als drijfveer van de productie op de voorgrond. Hij volgt Vanderlint in zijn dwaling over de invloed op de warenprijzen, die hij aan het bankgeld en alle openbare geldswaardige papieren toeschrijft. Hij verwerpt met Vanderlint het kredietgeld. Evenals Vanderlint maakt hij de warenprijzen van de prijs van de arbeid, van het arbeidsloon dus, afhankelijk. Hij schrijft van hem zelfs het bedenksel over dat ophoping van schatten de warenprijzen op een laag peil zou houden, enz., enz.

De heer Dühring had er reeds lang op geheimzinnige wijze over gemompeld dat andere schrijvers een verkeerd begrip hebben van Hume’s geldtheorie en vooral had hij dreigend op Marx gewezen die bovendien in Het Kapitaal tegen alle wet en fatsoen in op het geheime verband tussen Hume en Vanderlint en de nog nader te noemen J. Massie  gewezen had.

Met dit misverstand staat het zo: wat de werkelijke geldtheorie van Hume betreft, volgens welke het geld niet meer dan waardeteken is, en bijgevolg de warenprijzen, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, stijgen proportioneel aan de vermeerdering van de in omloop zijnde geldvoorraad, en dalen al naargelang de vermindering daarvan, kan de heer Dühring met de beste wil — zij het dan ook op de hem eigen lumineuze wijze — zijn dwalende voorgangers slechts napraten. Hume echter werpt, na de bovengenoemde theorie te hebben opgesteld, zelf het bezwaar op (zoals reeds Montesquieu,  van hetzelfde beginsel uitgaande gedaan had) dat

het niettemin ‘zeker’ is dat sedert de ontdekking van de mijnen in Amerika. ‘de industrie hij alle naties van Europa toegenomen is, behalve bij de bezitters van die mijnen’, en dat dit ‘behalve aan andere redenen, ook aan de toeneming van goud en zilver moet worden toegeschreven’.

Dit verschijnsel verklaart hij daaruit, dat

‘hoewel de hoge prijs van de waren een noodzakelijk gevolg van de toeneming van goud en zilver is, deze toch niet onmiddellijk op die toeneming volgt, maar dat er enige tijd nodig is voordat het geld door de gehele staat in omloop is gekomen en zijn werking in alle kringen van de bevolking doet gelden’. In die tussentijd zou het dan een weldadige uitwerking op de industrie en handel hebben.

Aan het slot van deze uiteenzetting deelt Hume ons ook, hoewel veel eenzijdiger dan menigeen van zijn voorgangers en tijdgenoten, het waarom mede:

‘Het is gemakkelijk de gang van het geld door de hele samenleving na te gaan; wij zullen dan ontdekken dat het ieders vlijt moet prikkelen, voordat het de prijs van de arbeid verhoogt.’ 

Met andere woorden: Hume schildert hier de uitwerking van een revolutie in de waarde van de edele metalen en wel een waardedaling, of wat hetzelfde is, de uitwerking van een revolutie in de waardemaatstaf van de edele metalen. Daaruit komt hij tot de juiste vondst dat deze waardedaling, bij het slechts geleidelijke vereffeningsproces van de prijzen der waren, pas in laatste instantie ‘de prijs van de arbeid verhoogt’. Anders gezegd: het arbeidsloon, dat zij dus op kosten van de arbeiders (wat hij echter volkomen in orde vindt) de winst van de kooplieden en industriëlen doet toenemen en zo ‘tot vlijt prikkelt’. Maar de eigenlijk wetenschappelijke vraag: of en hoe een verhoogde toevoer van edele metalen, bij gelijkblijvende waarde daarvan, op de warenprijzen inwerkt — die vraag stelt hij zich niet, en hij verwart iedere ‘vermeerdering van de edele metalen’ met hun waardevermindering. Hume doet dus heel precies wat Marx (‘Zur Kritik, etc.’ blz. 141)  hem laat doen. Wij zullen nog even terloops op dit punt terugkomen, maar houden ons eerst met Hume’s essay over ‘Interest’ bezig.

De uitdrukkelijk tegen Locke gerichte bewijsvoering van Hume dat de interest niet gereguleerd wordt door de voorhanden hoeveelheid geld, maar door de winstvoet, en zijn verdere opheldering over de oorzaken die de hoogte of de laagte van de rentevoet bepalen — dat alles is veel nauwkeuriger, zij het minder vernuftig, te vinden in een in 1750, twee jaren voor Hume’s essay verschenen geschrift: An Essay on the Governing Causes of the Natural Rate of Interest, wherein the sentiments of Sir W. Petty and Mr. Locke, on that head, are considered . De schrijver daarvan is J. Massie, een zich op velerlei gebied bewegende, en zoals uit de Engelse literatuur van die tijd blijkt, veelgelezen auteur. De uiteenzetting van Adam Smith over de rentevoet staat dichter bij Massie dan bij Hume. Beiden, Massie en Hume, weten en zeggen niets over het wezen van de ‘winst’, die bij beiden een rol speelt.

‘In het algemeen,’ oreert de heer Dühring, ‘is men bij de waardering van Hume bijna nooit onbevangen te werk gegaan en zijn hem ideeën toegeschreven, die hij in het geheel niet koesterde.’

En van dit ‘te werk gaan’ geeft de heer Dühring ons zelf meer dan één treffend voorbeeld.

Zo begint bv. Hume’s essay over de interest met de woorden:

‘Niets geldt als zekerder teken van de bloeiende toestand van een volk, dan de lage stand van de rentevoet en terecht, hoewel ik geloof dat de oorzaak daarvan enigszins anders is dan men gewoonlijk aanneemt.’ 

Dadelijk in de eerste zin voert Hume dus de opvatting dat de lage stand van de rentevoet het zekerste teken voor de bloeiende toestand van een volk is, als een in zijn dagen reeds afgezaagd geworden gemeenplaats aan. En inderdaad had deze ‘idee’ sedert Child volle honderd jaar gelegenheid gehad om bij jan en alleman bekend te worden. Daarentegen:

‘Uit de opvattingen’ (van Hume) ‘over de rentevoet moet voornamelijk de gedachte onderstreept worden, dat de rentevoet de ware barometer van de toestanden’ (welke?) ‘en zijn lage stand een bijna feilloos teken van de bloei van een volk is’ (blz. 130).

Wie is nu de ‘bevangen’ en gevangen ‘men’, die zo spreekt? Niemand anders dan de heer Dühring.

Wat overigens bij onze kritische geschiedschrijver een naïeve verbazing heeft opgewekt is, dat Hume als hij bij gelegenheid een gelukkige gedachte uit ‘zich niet eens voor de vader daarvan uitgeeft’. Dat zou de heer Dühring niet overkomen zijn.

Wij hebben gezien dat Hume iedere vermeerdering van het edele metaal over het algemeen verwart met een zodanige vermeerdering daarvan, welke door een waardedaling begeleid wordt, door een revolutie in haar eigen waarde, en dus in de waardemaatstaf van de waren. Deze verwisseling was bij Hume onvermijdelijk omdat hij ook niet het geringste inzicht had in de functie van edele metalen als waardemaatstaf. En die kon hij niet hebben, omdat hij van de waarde zelf absoluut niets afwist. Het woord zelf verschijnt misschien maar een enkele maal in zijn opstellen en wel daar waar hij de dwaling van Locke, als zouden de edele metalen ‘slechts een in de verbeelding bestaande waarde’ hebben, nog erger maakt door te beweren, dat zij ‘voornamelijk een fictieve waarde’ zouden hebben. 

Hier staat hij ver, niet alleen beneden Petty, maar ook beneden tal van zijn Engelse tijdgenoten. Hij geeft blijk van eenzelfde ‘achterlijkheid’, wanneer hij nog altijd op ouderwetse wijze de ‘koopman’ als de eerste drijfveer van de productie viert, hetgeen Petty al lang niet meer deed.

En wat nu de verzekering van de heer Dühring betreft, dat Hume zich in zijn opstellen met de ‘belangrijkste economische verhoudingen’ bezighoudt, behoeft men slechts het door Adam Smith geciteerde geschrift van Cantillon te vergelijken (evenals Hume’s artikels in 1752 verschenen, doch vele jaren na de dood van de schrijver ) om zich over de enge horizon van Hume’s economische werken te verbazen. Zoals gezegd blijft Hume, ondanks het hem door de heer Dühring verleende patent, ook op het gebied van de politieke economie respectabel, maar hij is hier allerminst een originele onderzoeker en des te minder een baanbreker. De uitwerking, die zijn economische opstellen op de ontwikkelde kringen van zijn tijd hadden, was niet alleen toe te schrijven aan de voortreffelijke wijze waarop ze geschreven waren, maar nog veel meer daaraan dat zij een vooruitstrevend optimistische verheerlijking waren van de toen opbloeiende industrie en handel, met andere woorden van de toen in Engeland snel opkomende kapitalistische maatschappij, waarbij zij dus wel ‘bijval’ moesten vinden. Een vingerwijzing moge hier voldoende zijn. Ieder weet hoe hartstochtelijk juist in Hume’s tijd het stelsel van indirecte belastingen, dat de beruchte Robert Walpole systematisch uitbuitte tot ontlasting van de grondbezitters en van de rijken in het algemeen, door de massa van het Engelse volk bestreden werd. In het essay over belastingen (‘Of Taxes’) waarin Hume, zonder Vanderlint bij name te noemen, polemiseert tegen deze autoriteit, die nl. de felste tegenstander van de indirecte belasting en de meest energieke voorstander van de grondbelasting was, lezen wij:

‘Het’ (de belastingen op het verbruik) ‘moeten inderdaad zeer hoge belastingen zijn en zij moeten zeer onverstandig zijn opgelegd, wanneer de arbeider ze niet zelf door verhoogde vlijt en spaarzaamheid kan betalen, zonder de prijs van zijn arbeid te verhogen’. 

Het is bijna alsof Robert Walpole zelf aan het woord is, vooral wanneer men ook de passage uit het essay over ‘openbaar krediet’ hierbij betrekt, waarin Hume onder verwijzing naar de moeilijkheid, aan de crediteuren van de staat belastingen op te leggen, zegt:

‘De vermindering van hun inkomsten zou niet worden verhuld onder de schijn, als zou zij slechts een post van de accijnzen of invoerrechten zijn.’ 

Zoals niet anders van een Schot te verwachten is was de bewondering van Hume voor de burgerlijke wijze van broodwinning volstrekt niet zuiver platonisch. Van huis uit een arme duivel bracht hij het tot een zeer, zeer stevig inkomen van duizenden ponden per jaar, wat de heer Dühring, daar het hier niet om Petty gaat, fijngevoelig aldus uitdrukt:

‘Met zeer bescheiden middelen begonnen, slaagde hij er in het door een goede particuliere economie zover te brengen dat hij als schrijver niemand naar de ogen hoefde te zien.’

Wanneer de heer Dühring verder zegt:

‘Nooit heeft hij aan invloed van partijen, vorsten of universiteiten enige concessie gedaan’,

dan is het weliswaar niet bekend dat Hume ooit tezamen met een ‘Wagener’  literaire ondernemingen op touw heeft gezet, maar wel dat hij door dik en dun een partijganger van de Whig-oligarchie was, die ‘Kerk en Staat’ hooghield en als loon voor deze verdienste eerst de post van gezantschapssecretaris te Parijs en later de heel wat belangrijkere en voordeligere van onderstaatssecretaris kreeg.

‘In politiek opzicht was en bleef Hume steeds conservatief en streng monarchistisch gezind. Hij werd dan ook door de aanhangers van de bestaande kerkelijke groeperingen niet zo erg verketterd als Gibbon,’ 

zegt de oude Schlosser.

‘Die egoïst en geschiedenisvervalser Hume’ geeft af op de vette Engelse monniken die van bedelen leefden en vrouw noch kinderen hadden, ‘maar zelf heeft hij nooit een gezin of een vrouw gehad, en hij was een grote dikke kerel die zich flink te goed had gedaan aan de staatsruif, zonder dat ooit door enig werk van werkelijke betekenis voor het belang van het land verdiend te hebben,’ zegt de ‘rauwe’ plebejer Cobbett.  Hume heeft ‘in de praktische behandeling van het leven in belangrijke opzichten een zeer grote voorsprong op iemand als Kant,’

zegt de heer Dühring.

Maar waarom wordt in de ‘Kritische geschiedenis’ aan Hume zulk een overdreven grote plaats ingeruimd? Eenvoudig omdat deze ‘ernstige en fijne denker’ de eer heeft de Dühring van de 18e eeuw voor te stellen. Zoals een Hume wordt gebruikt om te bewijzen, dat

‘de schepping van de gehele tak van wetenschap’ (de economie) ‘een daad van de meer verlichte filosofie is geweest’,

zo ligt in het feit dat Hume als voorloper optrad, de beste waarborg dat deze gehele tak van wetenschap, zover als men vooreerst kan zien, zijn afsluiting zal vinden in deze fenomenale man die de alleen maar ‘meer verlichte’ filosofie in de absoluut lichtbrengende werkelijkheidsfilosofie heeft omgezet en bij wie juist als bij Hume

‘als nooit tevoren in Duitsland... de beoefening van de filosofie in engere zin verbonden wordt met wetenschappelijk streven op economisch gebied’.

Op die manier zien wij Hume, die als econoom zeker wel respectabel was, opgeblazen tot een economische ster van de eerste grootte, wiens betekenis slechts door dezelfde afgunst kon worden miskend die tot nu toe ook de ‘voor ons tijdperk van beslissende betekenis zijnde’ prestaties van de heer Dühring zo hardnekkig doodzwijgt.

*

Zoals bekend, heeft de fysiocratische school ons in Quesnay’s ‘Economisch Tableau’  een raadsel nagelaten, waarop de critici en geschiedschrijvers van de economie tot nu toe de tanden stukgebeten hebben. Dit tableau, dat bedoeld was om de fysiocratische opvatting van de productie en de omloop van de totale rijkdom van een land duidelijk voor ogen te stellen, bleef voor het nageslacht van economen een vrij duistere zaak. Ook hierover zal de heer Dühring voor ons nu definitief het licht doen opgaan.

Wat dit ‘economisch beeld van de verhoudingen van productie en verdeling bij Quesnay zelf te betekenen heeft’, zegt hij, is pas dan vast te stellen, wanneer men ‘tevoren de leidende begrippen die hem kenmerken nauwkeurig onderzocht heeft’. En dat te meer omdat deze tot dusver slechts met een ‘weifelende onbepaaldheid’ weergegeven werden en zelfs bij Adam Smith hun ‘werkelijke trekken niet te herkennen’ zijn.

Aan zulk een gebruikelijke ‘lichtvaardige weergave’ zal nu de heer Dühring voor goed een eind maken. En dan houdt hij zijn lezers vijf volle bladzijden lang voor de gek, vijf bladzijden waarbij allerlei hoogdravende zinswendingen, voortdurende herhalingen en opzettelijke verwarring het noodlottige feit moeten bemantelen dat de heer Dühring over de ‘leidende begrippen’ van Quesnay niet veel meer heeft mede te delen dan de ‘meest gangbare leerboekcompilaties’, waartegen hij zo onvermoeid waarschuwt. Het is ‘een van de bedenkelijkste zijden’ van deze Inleiding, dat ook hier al het ‘Tableau’, waarvan tot dusver alleen de naam genoemd is, nu en dan besnuffeld wordt, om daarop teloor te gaan in allerlei ‘bespiegelingen’, zoals bv. ‘het verschil tussen inspanning en resultaat.’ Terwijl dit verschil weliswaar ‘in de idee van Quesnay niet kant-en-klaar te vinden is’, zal de heer Dühring ons daarentegen een verbluffend voorbeeld daarvan geven, zodra hij van zijn langademige inleidende ‘inspanning’ tot het merkwaardig kortademige ‘resultaat’ komt — tot de verklaring van het ‘Tableau’ zelf. Laten wij nu alles, maar dan ook letterlijk alles, weergeven wat hij meent ons over het ‘Tableau’ van Quesnay mee te moeten delen.

In de ‘inspanning’ zegt de heer Dühring:

‘Voor hem’ (Quesnay) ‘scheen het vanzelfsprekend, dat men de opbrengst’ (de heer Dühring had zo-even van het nettoproduct gesproken) ‘als een geldswaarde moest opvatten en behandelen... hij ging bij zijn overwegingen (!) direct van de geldswaarde uit, die hij vooropstelde als het resultaat van de verkoop van alle landbouwproducten bij de overgang uit de eerste hand. Op deze wijze (!) opereert hij in de kolommen van zijn “Tableau” met enige miljarden’ (d.w.z. geldswaarden).

Hiermee hebben wij nu driemaal te horen gekregen, dat Quesnay in het ‘Tableau’ met de ‘geldswaarden’ van de ‘landbouwproducten’, die van het ‘nettoproduct’ of de ‘zuivere opbrengst’ daarbij inbegrepen, opereert. Verder in de tekst:

‘Had Quesnay maar de weg van een werkelijk natuurlijke beschouwingswijze ingeslagen en had hij zich maar niet alleen van zijn gebondenheid aan de edele metalen en de hoeveelheden geld, maar ook van de geldswaarden bevrijd... Maar zo rekent hij alleen met waardesommen en dacht hij zich (!) het nettoproduct van tevoren als een geldswaarde.’

Voor de vierde en vijfde maal dus: in het ‘Tableau’ komen slechts geldswaarden voor!

Hij(Quesnay) ‘verkreeg dit’ (het nettoproduct) ‘doordat hij de uitgaven in mindering bracht en hoofdzakelijk’ (niet gebruikelijke, maar daarom des te meer lichtvaardige weergave) ‘aan die waarde dacht (!) welke de grondbezitter als rente zou toevallen’.

Nog altijd geen stap verder; maar nu zal het komen:

‘Anderzijds komt nu echter ook’ — dat ‘nu echter ook’ is een parel! ‘het nettoproduct als voorwerp in natura in omloop en wordt op deze wijze een element waarmee de als steriel aangeduide klasse... onderhouden... moet worden. Hier kan men terstond (!) de verwarring bemerken die ontstaat doordat in het ene geval de geldswaarde, in het andere de zaak zelf de gedachtegang bepaalt’.

In het algemeen, schijnt het, gaat alle warenomloop aan de ‘verwarring’ mank, dat waren tegelijk als ‘voorwerp in natura’ en als ‘geldswaarde’ daarin betrokken worden. Maar wij draaien nog altijd in een kring om de ‘geldswaarden’ heen, want

‘Quesnay wil een dubbele bepaling van de economische opbrengst vermijden’.

Met verlof van de heer Dühring: Onderaan in Quesnay’s ‘Analyse van het tableau’  figureren de verschillende productensoorten als ‘voorwerpen in natura’ en bovenaan op het ‘Tableau’ zelf hun geldswaarden. Quesnay heeft zelfs later door zijn helper, de abt Baudeau, de voorwerpen in natura ook direct in het ‘Tableau’ zelf naast hun geldswaarden laten registreren. 

Na zoveel ‘inspanning’ eindelijk het ‘resultaat’. Hoort en verbaast u:

‘Maar de inconsequentie’ (ten aanzien van de rol die Quesnay de grondbezitters toeschrijft) ‘wordt terstond duidelijk, zodra men de vraag opwerpt, wat dan van het als rente toegeëigende nettoproduct in de economische kringloop wordt. Op dit punt bleef er voor de voorstellingswijze der fysiocraten en voor het “Economische tableau” geen andere mogelijkheid dan een verwardheid en willekeur die in mystiek overgaan’.

Eind goed, al goed. De heer Dühring weet dus niet, ‘wat in de economische kringloop’ (die door het tableau wordt voorgesteld) ‘van het als rente toegeëigende nettoproduct wordt’. Het ‘Tableau’ is voor hem de ‘kwadratuur van de cirkel’. Hij geeft toe dat hij het abc van de leer der fysiocraten niet begrijpt. Na al het gedraai om de hete brij, de slagen in de lucht, de bochten en kronkelingen, de bokkensprongen, verhaaltjes, afleidingsmanoeuvres, herhalingen en zinsverbijsterende verwarringen, die ons alleen maar moesten voorbereiden op de geweldige openbaring ‘wat het “Tableau” bij Quesnay zelf te betekenen heeft’ — na dat alles tot slot de verlegen bekentenis van de heer Dühring, dat hij het zelf niet weet.

Eenmaal bevrijd van dat pijnlijke geheim, van die Horatiaanse ‘zwarte zorg’,  die hem bij de rit door het fysiocratische land op de rug zat, blaast onze ‘ernstige en subtiele denker’ weer vrolijk op de bazuin:

‘De lijnen die Quesnay in zijn overigens tamelijk eenvoudig (!) “Tableau” heen en weer trekt’ (het zijn er alles bijeengenomen zes!) ‘en die de omloop van het nettoproduct moeten aangeven’ roepen de bedenking op, of ‘bij deze wonderlijke kolommencombinaties’ geen wiskundige fantasie meespeelt en herinneren aan Quesnay’s bemoeiingen met de kwadratuur van de cirkel, enz.

Daar voor de heer Dühring deze lijnen, hoe eenvoudig zij ook mochten zijn, volgens eigen bekentenis onbegrijpelijk blijven, moet hij ze, op zijn geliefde manier, verdacht maken! En nu kan hij met een gerust gemoed aan dat noodlottige ‘Tableau’ de genadestoot geven:

‘Wanneer wij het nettoproduct van deze meest bedenkelijke zijde beschouwd hebben’ enz.

De noodgedwongen bekentenis dat hij ook niet het geringste van het ‘Tableau economique’ en van de ‘rol’ die het daarin optredende nettoproduct speelt, begrijpt — dat noemt de heer Dühring ‘de bedenkelijkste zijde van het nettoproduct’! Welk een galgenhumor!

Opdat nu echter onze lezers niet noodgedwongen in dezelfde wrede onwetendheid over het ‘Tableau’ van Quesnay blijven, als zij die hun economische wijsheid uit ‘de eerste hand’ bij de heer Dühring opdoen, in het kort het volgende.

Zoals bekend wordt de maatschappij bij de fysiocraten in drie klassen verdeeld: 1. De productieve, d.i. de werkelijk in de akkerbouw werkzame klasse, pachters en landarbeiders; zij worden productief genoemd omdat hun arbeid een overschot oplevert — de rente. 2. De klasse die zich dat overschot toe-eigent en die de grondbezitters en de van hen afhankelijke omvat, verder de vorst en in het algemeen de door de staat betaalde beambten en tenslotte ook de kerk in haar bijzondere eigenschap als gaarder der tienden. Terwille van de kortheid noemen wij in het vervolg de eerste klasse eenvoudig de ‘pachters’, de tweede de ‘grondbezitters’. 3. De industriële of steriele (onvruchtbare) klasse; steriel omdat zij volgens de opvatting van de fysiocraten aan de grondstoffen die de productieve klasse haar levert, slechts zoveel waarde toevoegt als zij aan de door diezelfde klasse geleverde levensmiddelen verbruikt. Het ‘Tableau’ van Quesnay moet nu aanschouwelijk maken hoe het jaarlijkse totale product van een land (in werkelijkheid van Frankrijk) onder deze drie klassen circuleert en de jaarlijkse reproductie dient.

Allereerst veronderstelt het ‘Tableau’, dat het pachtsysteem en daarmee het grote landbouwbedrijf, in de betekenis die het in Quesnay’s tijd had, algemeen ingevoerd is; als voorbeeld dient hem daartoe Normandië, Picardië, Ile de France en enige andere Franse provincies. De pachter treedt dus op als de werkelijke leider van de landbouw, hij vertegenwoordigt in het ‘Tableau’ de gehele productieve (akkerbouwende) klasse en hij betaalt aan de grondbezitter een rente in geld. Aan alle pachters als geheel genomen wordt een geïnvesteerd kapitaal of inventaris van tien miljard livres toegeschreven; waarvan een vijfde deel, of twee miljard, het jaarlijks te vernieuwen bedrijfskapitaal vormt, een raming waarvoor wederom de best bewerkte pachtlanderijen van bovengenoemde provincies als maatstaf dienden.

Verder gaat hij van de volgende veronderstellingen uit: 1) dat terwille van de eenvoudigheid de prijzen constant zijn en eenvoudige reproductie plaatsheeft; 2) dat alle circulatie die uitsluitend binnen één enkele klasse plaatsvindt, buiten beschouwing blijft en alleen die tussen klasse en klasse in aanmerking wordt genomen; 3) dat alle in- of verkopen, die in de loop van het bedrijfsjaar van klasse tot klasse plaatshebben, in een enkele totaalsom samengevat zijn. Tenslotte moet men bedenken dat in het Frankrijk van Quesnay’s tijd, zoals meer of minder in geheel Europa, de huisindustrie voor eigen gebruik van het boerengezin in verreweg het grootste deel van de niet tot de voedingsmiddelen behorende behoeften voorzag en dat daarom deze huisindustrie hier als een vanzelfsprekend onderdeel van de akkerbouw aangenomen wordt.

Het uitgangspunt van het ‘Tableau’ is de totale oogst, het daarom ook daarin dadelijk bovenaan prijkende brutoproduct van de opbrengst van de landbouw over een jaar, of de ‘totale reproductie’ van het land, hier van Frankrijk. De grootte van de waarde van dit brutoproduct wordt geschat volgens de gemiddelde prijzen van de landbouwproducten bij de handeldrijvende naties. Het bedraagt vijf miljard livres, een som die naar de toenmaals mogelijke statistische schattingen, de geldswaarde van het brutoproduct van de landbouw van Frankrijk ongeveer uitdrukt. Dit, en anders niets, is de reden, waarom Quesnay in het ‘Tableau’ ‘met enige miljarden opereert’, en wel met vijf miljard en niet met vijf livres tournois. 

Het hele brutoproduct, ter waarde van vijf miljard, bevindt zich dus in handen van de productieve klasse, d.w.z. vooreerst van de pachters die het voortgebracht hebben door het besteden van een jaarlijks bedrijfskapitaal van twee miljard, beantwoordend aan een geïnvesteerd kapitaal van tien miljard. De landbouwproducten, levensmiddelen, grondstoffen enz., die ter vervanging van het bedrijfskapitaal, dus ook tot onderhoud van alle in de landbouw direct werkzame personen vereist zijn, worden in natura van de totale oogst afgenomen en voor de nieuwe landbouwproductie besteed. Aangezien, zoals gezegd, constante prijzen en eenvoudige reproductie naar de eenmaal gegeven maatstaf zijn ondersteld, is de geldswaarde van dit van tevoren van het brutoproduct afgenomen deel gelijk aan twee miljard livres. Dit deel wordt dus niet in de algemene circulatie opgenomen. Want zoals reeds opgemerkt, wordt de circulatie, voor zover die alleen binnen de kring van iedere afzonderlijke klasse, maar niet tussen de verschillende klassen plaats vindt, in het ‘Tableau’ buiten beschouwing gelaten.

Nadat het bedrijfskapitaal uit het brutoproduct weer vernieuwd is, blijft er een overschot van drie miljard, waarvan twee in levensmiddelen en één in grondstoffen. De door de pachters aan de grondeigenaars te betalen rente bedraagt hiervan echter slechts twee derde, dus twee miljard. Waarom alleen deze twee miljard onder de rubriek ‘nettoproduct’ of ‘zuiver inkomen’ verschijnen, zal weldra blijken.

Behalve de ‘totale reproductie’ van de landbouw ter waarde van vijf miljard, waarvan drie miljard in de algemene circulatie komen, bevindt zich echter, voordat de in het ‘Tableau’ beschreven beweging begint, nog de hele ‘spaarduit’ van de natie, twee miljard in contant geld, in handen van de pachters. Daarmee is het als volgt gesteld:

Daar het ‘Tableau’ van de totale oogst uitgaat, sluit het ook met het economisch jaar af, bv. met het jaar 1758, waarna een nieuw economisch jaar begint. Gedurende dit nieuwe jaar 1759 wordt het voor de circulatie bestemde deel van het brutoproduct, door een aantal afzonderlijke betalingen, inkopen en verkopen, onder de twee andere klassen verdeeld. Maar deze opeenvolgende, van elkaar gescheiden en zich over een geheel jaar uitstrekkende bewegingen worden — zoals dat uit de aard der zaak voor het ‘Tableau’ gebeuren moest — in enkele kenmerkende, telkens een geheel jaar ineens omvattende operaties tezamen gevat. Zo is dan ook op het einde van het jaar 1758 het geld dat de klasse der pachters voor het jaar 1757 als rente aan de grondbezitters betaald had (hoe dat gebeurt, zal het ‘Tableau’ zelf aantonen), nl. de som van twee miljard, weer naar haar teruggevloeid, zodat de pachtersklasse deze in 1759 weer in de circulatie kan werpen. Daar echter die som, zoals Quesnay opmerkt, veel groter is dan in de werkelijkheid — waarin de betalingen zich voortdurend de een na de andere herhalen — voor de totale circulatie van het land (Frankrijk) nodig is, vertegenwoordigen de twee miljard livres in de handen van de pachters het totaal bedrag van het geld, dat onder de natie in circulatie is.

De klasse der rente opstrijkende grondeigenaars treedt, zoals dat toevallig ook vandaag nog het geval is, in de eerste plaats op als ontvangers van betalingen. Volgens Quesnay’s vooronderstelling krijgen de eigenlijke grondbezitters slechts vier zevende van de rente van twee miljard, twee zevende komen aan de regering en een zevende aan de gaarders der tienden. In Quesnay’s tijd was de kerk de grootste grondbezitster van Frankrijk en streek bovendien de tienden van het gehele overige grondbezit op.

Het door de ‘steriele’ klasse gedurende een heel jaar uitgegeven bedrijfskapitaal (avances annuelles ) bestaat uit grondstoffen ter waarde van een miljard — alleen grondstoffen, omdat werktuigen, machines enz. tot de voortbrengselen van deze klasse zelf tellen. De veelsoortige functies echter, die zulke voortbrengselen in het industriële bedrijf van deze klasse zelf vervullen, gaan het ‘Tableau’ evenmin iets aan, als de uitsluitend binnen haar kring zich voltrekkende circulatie van waren en geld. Het loon voor de arbeid, waardoor de steriele klasse de grondstof tot manufactuurwaren maakt, is gelijk aan de waarde van de levensmiddelen die zij ten dele direct van de productieve klasse, ten dele indirect van de grondeigenaars ontvangt. Hoewel zij zelf in kapitalisten en loonarbeiders uiteenvalt, staat zij volgens Quesnay’s hoofdzakelijke opvatting als klasse-in-haar-geheel, in de betaalde dienst van de productieve klasse en de grondeigenaars. De totale productie van de industrie en bijgevolg ook haar totale circulatie, die zich over het jaar dat op de oogst volgt verdeelt, is eveneens in een geheel samen gevat. Derhalve wordt aangenomen, dat bij het begin van de in het ‘Tableau’ beschreven beweging de jaarlijkse warenproductie der steriele klasse zich geheel in haar hand bevindt, dat dus haar gehele bedrijfskapitaal resp. de grondstoffen ter waarde van een miljard, tot waren ter waarde van twee miljard gemaakt zijn, waarvan de helft de prijs uitmaakt van de gedurende dit proces verbruikte levensmiddelen. Men zou hiertegen kunnen aanvoeren: maar de steriele klasse verbruikt toch ook industrieproducten voor eigen gebruik. Waar figureren die dan, wanneer haar eigen totaalproduct door de circulatie naar de andere klassen overgaat? Hierop krijgen wij ten antwoord: De steriele klasse verbruikt niet alleen zelf een deel van haar eigen waren, maar bovendien tracht zij daarvan ook zoveel mogelijk voor zich te behouden. Zij verkoopt dus haar in de circulatie geworpen waren boven de werkelijke waarde en zij moet dat doen, daar wij deze waren op de totale waarde van hun productie vaststellen. Toch verandert dit niets aan de vaststellingen van het ‘Tableau’, want de beide andere klassen krijgen nu eenmaal de manufactuurwaren slechts tegen betaling van de waarde van hun totale productie.

Wij kennen dus nu de economische positie van de drie verschillende klassen bij het begin van de beweging die het ‘Tableau’ weergeeft.

De productieve klasse beschikt, nadat haar bedrijfskapitaal in natura vernieuwd is, nog over drie miljard van het brutoproduct van de landbouw en over twee miljard aan geld. De klasse van de grondeigenaars figureert nog pas met haar vordering op de productieve klasse van twee miljard aan grondrente. De steriele klasse beschikt over twee miljard aan manufactuurwaren. Een circulatie die zich alleen tussen twee van deze drie klassen voltrekt, wordt bij de fysiocraten onvolkomen genoemd, een circulatie, waarbij alle drie klassen betrokken zijn, heet een volkomen circulatie.

En nu wat het economische ‘Tableau’ zelf betreft.

Eerste (onvolkomen) circulatie: De pachters betalen zonder tegenprestatie aan de grondeigenaars de hun toekomende rente met twee miljard aan geld. Met een van deze miljarden kopen de grondeigenaars levensmiddelen van de pachters, naar wie op deze wijze de helft van het door hen voor de betaling der rente uitgegeven geld terugvloeit.

In zijn ‘Analyse du tableau economique’ spreekt Quesnay verder niet over de staat die twee zevende, en over de kerk die een zevende van de grondrente ontvangt, daar hun maatschappelijke functies algemeen bekend zijn. Ten opzichte van de eigenlijke grondeigenaars zegt hij echter dat hun uitgaven en die van al hun ondergeschikten inbegrepen, althans voor verreweg het grootste deel onvruchtbare uitgaven zijn, met uitzondering van het kleine deel dat wordt besteed ‘aan het instandhouden en verbeteren van hun landgoederen en tot de verhoging van hun cultuur’. Maar volgens het ‘natuurlijke recht’ bestaat juist hun eigenlijke functie in ‘de zorg voor het goede beheer en voor de uitgaven tot instandhouding van hun erfdeel’,  of zoals dat later uiteengezet wordt, in de ‘avances foncières’, d.w.z. in uitgaven om de grond voor landbouw geschikt te maken en de pachtgoederen van de nodige inventaris te voorzien, die het de pachter veroorloven zijn gehele kapitaal uitsluitend aan het eigenlijke landbouwbedrijf te wijden.

Tweede (volkomen) circulatie. Met het tweede miljard aan geld, dat nog in hun handen is, kopen de grondeigenaars manufactuurwaren van de steriele klasse, en deze koopt met het aldus ontvangen geld levensmiddelen van de pachters voor een gelijk bedrag.

Derde (onvolkomen) circulatie. De pachters kopen van de steriele klasse, met een miljard aan geld, manufactuurwaren tot een gelijk bedrag: een groot deel van deze waren bestaat uit landbouwwerktuigen en andere voor de landbouw nodige productiemiddelen. De steriele klasse stuurt datzelfde geld aan de pachters terug, omdat zij daar nu voor een miljard aan grondstoffen koopt, tot vernieuwing van haar eigen bedrijfskapitaal. Daarmee zijn de door de pachters bij de betaling der rente uitgegeven twee miljard aan geld naar hen teruggevloeid en de beweging is voltrokken. En daarmee is ook het grote raadsel opgelost,

‘wat dan wel met het als rente toegeëigende nettoproduct in de economische kringloop gebeurt’.

Wij hadden aan het begin bij het uitgangspunt van het proces een overschot van drie miljard in de handen van de productieve klasse. Daarvan werden er slechts twee als nettoproduct in de vorm van een rente aan de grondbezitters betaald. Het derde miljard van het overschot vormt de interest voor het totaal geïnvesteerde kapitaal van de pachters, dus over tien miljard tien procent. Deze interest krijgen zij, wel te verstaan niet uit de circulatie; hij bevindt zich in natura  in hun handen en zij realiseren hem slechts door de circulatie, en wel doordat zij de interest in deze circulatie omzetten in manufactuurwaren van gelijke waarde.

Zonder deze interest zou de pachter, de drijvende kracht van de landbouw, daartoe geen beleggingskapitaal voorschieten. Reeds van dit standpunt is, volgens de fysiocraten, de toe-eigening door de pachter van dat deel van de landbouw-meeropbrengst, dat de interest vertegenwoordigt, een even noodzakelijke voorwaarde voor de reproductie als de pachtersklasse zelf. Daarom kan dit element niet tot de categorie van het nationale ‘nettoproduct’ of het ‘zuivere inkomen’ gerekend worden. Want het laatste wordt juist daardoor gekenmerkt dat het verbruikt kan worden zonder daarbij de onmiddellijke behoeften van de nationale reproductie in aanmerking te nemen. Dit fonds van één miljard dient echter volgens Quesnay grotendeels voor de in de loop van het jaar noodzakelijk wordende herstellingen en gedeeltelijke vernieuwing van het geïnvesteerde kapitaal, verder als reservefonds tegen ongevallen en eindelijk, voor zover mogelijk, zowel ter vergroting van het geïnvesteerde en bedrijfskapitaal, als ter verbetering van de grond en uitbreiding van de landbouw.

Het gehele verloop is ongetwijfeld ‘tamelijk eenvoudig’. In de circulatie werden geworpen: door de pachters twee miljard aan geld voor betaling van de rente en voor drie miljard aan producten, waarvan twee derde levensmiddelen en een derde grondstoffen; door de steriele klasse voor twee miljard aan manufactuurwaren. Van de levensmiddelen ten bedrage van twee miljard wordt de ene helft door de grondeigenaars met hun aanhang verbruikt, de andere helft door de steriele klasse als betaling voor haar arbeid. De grondstoffen, ter waarde van een miljard vernieuwen het bedrijfskapitaal van dezelfde klasse. Van de in circulatie zijnde manufactuurwaren ten bedrage van twee miljard, valt de ene helft, aan de grondeigenaars toe, de andere helft aan de pachters. Deze is voor hen slechts een veranderde vorm van de interest op hun belegde kapitaal, die in de eerste hand uit de landbouwreproductie werd gewonnen. Het geld echter, dat de pachter door de betaling van de rente in de circulatie heeft geworpen, vloeit door de verkoop van zijn producten naar hem terug en zo kan dezelfde kringloop in het volgende economische jaar opnieuw worden doorlopen.

En nu bewonderen men de ‘werkelijk kritische’ uiteenzetting van de heer Dühring die zo oneindig hoog verheven is boven ‘de traditionele lichtvaardige weergave’. Nadat bij ons vijfmaal achter elkaar op geheimzinnige wijze beeft voorgehouden hoe bedenkelijk het is dat Quesnay in het ‘Tableau’ alleen maar met geldswaarden opereert (wat bovendien nog onjuist gebleken is), komt hij eindelijk tot de slotsom dat, zodra hij de vraag stelt:

‘wat dan wel uit het als rente toegeëigende nettoproduct in de economische kringloop wordt’, — ‘voor het economische “Tableau” geen andere mogelijkheid bleef, dan een verwardheid en willekeur die in mystiek overgaan’.

Wij hebben gezien dat het ‘Tableau’, deze even eenvoudige als voor zijn tijd geniale schildering van het jaarlijkse reproductieproces, zoals het door middel van de circulatie tot stand komt, zeer nauwkeurig antwoordt op de vraag wat er in de economische kringloop uit dit nettoproduct wordt, en bijgevolg blijft de ‘mystiek’ en de ‘verwardheid en willekeur’ weer enkel en alleen voor rekening van de heer Dühring, als ‘bedenkelijke zijde’ en enig ‘nettoproduct’ van zijn fysiocratische studiën.

Even vertrouwd als met de theorie van de fysiocraten, is de heer Dühring met hun historische invloed.

‘Met Turgot,’ leert hij ons, ‘heeft de fysiocratie in Frankrijk praktisch en theoretisch haar eindpunt bereikt.’

Dat echter Mirabeau in zijn economische opvattingen een echte fysiocraat is, dat hij in de Constituerende Vergadering van 1789 de gezaghebbende man op economisch gebied was, dat deze Vergadering in haar economische hervormingen een groot deel van de fysiocratische stellingen uit de theorie in de praktijk overbracht en met name ook het ‘zonder tegenprestatie’ door het grondbezit toegeëigende nettoproduct, de grondrente, sterk belast heeft, dat alles bestaat niet voor ‘een’ Dühring.


Tableau économique, van Quesnay


Zoals een enkele pennenstreek door het tijdvak van 1691 tot 1752 alle voorgangers van Hume uit de weg ruimde, zo geschiedde dat eveneens met de tussen Hume en Adam Smith te rangschikken Sir James Steuart. Over diens groot werk dat, afgezien van zijn historische betekenis, het gebied van de politieke economie blijvend heeft verrijkt  staat in de ‘onderneming’ van de heer Dühring geen syllabe. In plaats daarvan werpt hij Steuart het ergste scheldwoord toe dat hij in zijn lexicon bezit, en zegt dat hij ‘een professor’ uit de tijd van A. Smith is geweest.

Jammer genoeg is deze verdachtmaking een puur verzinsel. In werkelijkheid was Steuart een Schots grootgrondbezitter die, beticht van deelneming aan de samenzwering der Stuarts, uit Groot-Brittannië verbannen werd en zich door een langdurig verblijf en zijn reizen op het vasteland met de economische toestanden van verscheidene landen vertrouwd maakte.

Kortom: volgens de ‘Kritische geschiedenis’ hadden alle vroegere economen slechts waarde, hetzij als ‘voorlopers’ van de ‘toonaangevende’ diepere fundering van de heer Dühring, of wel door — als gevolg van hun verachtelijkheid — eerst recht de glans daarvan te verhogen. Toch zijn er ook in de economie enige heldenfiguren te vinden, die niet maar alleen ‘voorlopers’ van de ‘diepere fundering’ vormen, maar elementen waaruit deze, naar het voorschrift van de natuurfilosofie, niet zozeer ‘ontwikkeld’, als wel ‘gecomponeerd’ is: nl. de ‘weergaloos voortreffelijke grootheid’. List die tot nut en stichting van Duitse fabrikanten de ‘fijnere’ mercantilistische leerstellingen van een Ferrier en anderen in ‘geweldigere’ woorden heeft opgeblazen. Verder Careydie in de volgende zin de werkelijke kern van zijn wijsheid blootlegt:

‘Ricardo’s systeem is een systeem van de tweedracht het loopt uit op de verwekking van de vijandschap tussen de klasse... zijn geschrift is het handboek van de demagoog die naar de macht streeft met behulp van bodemverdeling, oorlog en plundering.’ 

en eindelijk, lest best, de Confusius  van de Londense City, Macleod.

Met het bovenstaande voor ogen zouden zij die in het heden en in de afzienbare toekomst de geschiedenis van de politieke economie zouden willen bestuderen altijd nog een aanzienlijk zekerder weg volgen door kennis te nemen van de ‘waterige voortbrengsels’, de ‘banaliteiten’ en de ‘langdradige gemeenplaatsen’ van de ‘meest gangbare leerboekcompilaties’, dan door zich op de ‘geschiedschrijving in grote stijl’ van de heer Dühring te verlaten.

*

Wat komt dan tenslotte als resultaat van onze ontleding van het ‘door hem zelf geschapen systeem’ der politieke economie van de heer Dühring voor de dag? Niets dan het feit dat wij met al de grote woorden en de nog geweldiger beloften precies zo beetgenomen zijn als bij de ‘filosofie’. De waardetheorie, deze ‘toetssteen van de gedegenheid van economische systemen’, liep daarop uit dat de heer Dühring onder waarde vijf totaal verschillende en elkaar lijnrecht tegensprekende dingen verstaat, en dus in het beste geval zelf niet weet wat hij wil. De met zoveel ophef aangekondigde ‘natuurwetten van iedere economie’ bleken louter overbekende en dikwijls nog niet eens juist geformuleerde gemeenplaatsen van de ergste soort te zijn. De enige verklaring van economische feiten, die ons het zelfgeschapen systeem heeft te geven, is dat zij resultaten zijn van het ‘geweld’, een frase waarmee de filister van alle naties zich sinds duizenden jaren over alle hem overkomen ongemakken troost en waarmee wij niets meer weten, dan voordien. In plaats van dit geweld echter naar zijn oorsprong en werkingen te onderzoeken, verlangt de heer Dühring van ons, dat wij met het enkele woord ‘geweld’ als laatste eindoorzaak een definitieve verklaring van alle economische verschijnselen dankbaar genoegen zullen nemen. Gedwongen om over de kapitalistische uitbuiting van de arbeid nadere opheldering te geven, schildert hij die eerst als iets, dat in het algemeen op belasting en prijsverhoging berust, waarbij hij zich geheel en al de ‘aftrek’ (prélèvement) van Proudhon toe-eigent, om die dan later in bijzonderheden te verklaren door middel van Marx’ theorie van meerarbeid, meerproduct en meerwaarde. Hij speelt het dus klaar, twee elkaar totaal tegensprekende beschouwingswijzen gelukkig met elkaar te verzoenen door ze beide in een adem over te schrijven. En zoals hij in de filosofie geen woorden kan vinden, grof genoeg voor dezelfde Hegel die hij onophoudelijk plagieert en tegelijk vervlakt; evenzo dient in de ‘Kritische geschiedenis’ de ongehoorde lastertaal tegen Marx alleen om het feit te bemantelen dat alles wat er nog in de ‘Cursus’ aan enigermate rationeel over kapitaal en arbeid te vinden is, eveneens een vervlakt plagiaat aan Marx is. De onwetendheid die in de ‘Cursus’ aan het begin van de geschiedenis der cultuurvolkeren de ‘grote grondbezitter’ stelt en die geen woord afweet van de gemeenschappelijke grondeigendom van de stam- en dorpsgemeenschappen, waarmee in werkelijkheid elke geschiedenis aanvangt — deze heden ten dage bijna onbegrijpelijke onwetendheid wordt haast nog overtroffen door die andere onwetendheid die in de ‘Kritische geschiedenis’ als ‘universele wijdheid van de historische horizon’ zich niet weinig op zichzelf laat voorstaan en waarvan wij slechts een paar afschrikwekkende voorbeelden hebben gegeven. In één woord: eerst de kolossale ‘inspanning’ van eigen lof. Van marktgeschreeuw met fanfarebegeleiding, van elkaar overtroevende beloften. En dan het ‘resultaat’ — gelijk nul.

 

 

 

 

 

 

 

 

Derde deel – SOCIALISME

 

I. Geschiedkundige kwesties

 

In de Inleiding  hebben wij gezien hoe de Franse filosofen van de 18e eeuw, de wegbereiders van de revolutie, zich op de rede beriepen als de enige die bevoegd was om te oordelen over alles wat bestond. Een redelijke staat, een redelijke maatschappij moest geschapen, alles wat met de eeuwige rede in strijd was, moest onbarmhartig opgeruimd worden. Wij hebben eveneens gezien, dat die eeuwige rede in werkelijkheid niets anders was dan het geïdealiseerde verstand van de middelburger die zich juist toen tot bourgeois ontwikkelde. Toen nu de Franse Revolutie deze staat en maatschappij van de rede verwerkelijkt had bleken dan ook de nieuwe instellingen, hoe rationeel zij ook in vergelijking met de vroegere toestanden waren, geenszins absoluut redelijk te zijn. De staat van de rede was volledig aan diggelen. Het Maatschappelijk Verdrag van Rousseau had zijn verwerkelijking gevonden tijdens het Schrikbewind, waarvoor de bourgeoisie, die aan haar eigen politieke bekwaamheid was gaan twijfelen, eerst bij de corruptie van het Directoire en eindelijk onder de vleugels van het Napoleontische despotisme haar toevlucht had gezocht.  De beloofde eeuwige vrede was omgeslagen in een eindeloze veroveringsoorlog. Met de maatschappij van de rede was het niet beter gegaan. In plaats van het tot stand komen van een algemene welvaart, was de tegenstelling tussen rijk en arm verscherpt door de afschaffing van de privileges der gilden e.a., die deze tegenstelling in zekere mate overbrugd, en van de kerkelijke liefdadigheidsinrichtingen die haar enigszins verzacht hadden. De grote vlucht die de industrie op kapitalistische grondslag nam, verhief armoede en ellende van de arbeidende massa tot een levensvoorwaarde van de maatschappij. (De betaling in baar geld werd, naar de woorden van Carlyle, meer en meer de enige maatschappelijke band.) Het aantal misdaden nam van jaar tot jaar toe. Terwijl de vroeger op klaarlichte dag schaamteloos bedreven feodale ondeugden niet waren uitgeroeid, maar voorlopig toch op de achtergrond gedrongen, bloeiden de tot dusver slechts in stilte beoefende burgerlijke ondeugden thans des te weliger op. De handel ontwikkelde zich meer en meer tot afzetterij. De revolutionaire leuze der ‘broederschap’  werd verwezenlijkt in de chicanes en de afgunst van de concurrentiestrijd. In plaats van de gewelddadige onderdrukking kwam de omkoperij. In plaats van de degen, als belangrijkst maatschappelijk machtsinstrument, het geld. Het recht van de eerste nacht ging van de feodale heren op de burgerlijke fabrikanten over. De prostitutie breidde zich in een tot nog toe ongekende omvang uit. Het huwelijk zelf bleef gelijk voorheen een wettelijk erkende vorm van en een officiële dekmantel voor de prostitutie, en werd bovendien aangevuld door rijkelijk voorkomende echtbreuk. Kortom, vergeleken met de pralende beloften van de Verlichters, bleken de uit de ‘overwinning van de Rede’ ontstane maatschappelijke en politieke instellingen, bitter teleurstellende karikaturen te zijn. Wat nog ontbrak waren de mensen die deze teleurstelling constateerden, en die kwamen bij de eeuwwisseling. In 1802 verschenen de ‘Brieven uit Genève’ van Saint-Simon. In 1808 verscheen Fouriers eerste werk, hoewel de grondslag van zijn theorie al van 1799 dateerde. Op de eerste januari 1800 nam Robert Owen de leiding van New Lanark op zich.

Omstreeks die tijd was de kapitalistische productiewijze en daarmee de tegenstelling van bourgeoisie en proletariaat echter nog zeer onontwikkeld. De in Engeland zo juist ontstane grote industrie was in Frankrijk nog onbekend. Maar het is pas de grote industrie die enerzijds de conflicten ontwikkelt, die een omwenteling in de productiewijze tot een gebiedende noodzakelijkheid verheffen — conflicten niet alleen tussen de door haar geschapen klassen, maar ook tussen de door haar in het leven geroepen productiekrachten en ruilvormen zelf — en anderzijds, juist door deze reusachtige productiekrachten ook de middelen ontwikkelt om deze conflicten op te lossen. Wanneer dus omstreeks 1800 de conflicten die uit de nieuwe maatschappelijke orde voortkomen, nog pas bezig waren te ontstaan; nog veel sterker was dit het geval met de middelen tot de oplossing daarvan. Hoewel de bezitloze massa van Parijs tijdens het Schrikbewind een ogenblik de heerschappij had weten te veroveren, zij had daarmee slechts bewezen hoe onmogelijk die heerschappij onder de toenmalige verhoudingen was. Het proletariaat dat zich van deze bezitloze massa nog maar net begon af te zonderen als de kern van een nieuwe klasse, en dat nog volkomen onbekwaam was tot zelfstandige politieke actie, bestond slechts als een onderdrukte, lijdende stand die zonder in staat te zijn zichzelf te helpen, hoogstens door krachten van buiten en van boven al geholpen kon worden.

Deze historische situatie beheerste ook de stichters van het socialisme. Aan de toestand van onrijpheid van de kapitalistische productie en van de verhoudingen der klassen beantwoordden onrijpe theorieën. De oplossing van de maatschappelijke vraagstukken, die nog verborgen lag in de onontwikkelde economische verhoudingen, moest uit het brein geboren worden. De maatschappij gaf slechts wantoestanden te zien. Het was de taak van het denkende verstand ze op te ruimen. Het ging er om een nieuw, meer volmaakt systeem van maatschappelijke orde uit te vinden en dit de maatschappij van buiten af, door propaganda, zo mogelijk door het voorbeeld van modelproeven, op te leggen. Deze nieuwe sociale systemen waren bij voorbaat tot utopie veroordeeld. Hoe verder zij in bijzonderheden werden uitgewerkt, des te meer moesten zij in loutere fantasmas verlopen.

Na dit eenmaal vastgesteld te hebben, houden wij ons bij dezen, nu geheel tot het verleden behorende kant van de zaak geen ogenblik langer op. Aan literaire kruideniers van het slag van Dühring kunnen wij het overlaten om deze nu nog slechts vermakelijk aandoende fantasieën gewichtig uit te pluizen en de superioriteit van hun eigen nuchtere denkvermogen tegenover zulke ‘waanzin’ te stellen. Liever verheugen wij ons over de geniale gedachtekiemen en gedachten die overal door het fantastisch omhulsel heen breken en waarvoor die filisters blind zijn.

Saint-Simon werpt reeds in zijn Brieven uit Genève de stelling op dat

‘alle mensen moeten werken’.

In hetzelfde geschrift weet hij al dat het Schrikbewind de heerschappij van de bezitloze massa was.

‘Ziet,’ roept hij hun toe, ‘wat er in Frankrijk gebeurd is in de tijd dat uw kameraden daar heersten: zij hebben hongersnood teweeggebracht.’ 

Maar om de Franse Revolutie als een klassenstrijd tussen adel, burgerdom en bezitlozen op te vatten, dat was in het jaar 1802 een hoogst geniale ontdekking. In 1816 verklaart hij dat de politiek de wetenschap van de productie is, en voorspelt dat de politiek geheel en al in de economie zal opgaan.  Wanneer het inzicht, dat de economische toestand de grondslag van de politieke instellingen is, zich hier nog pas in de kiem toont, dan is toch de overbrenging van de politieke regering over mensen naar een beheer van dingen en een leiding van productieprocessen, bijgevolg de onlangs met zoveel rumoer in eindeloze herhalingen aan de orde gestelde afschaffing van de staat, reeds duidelijk uitgesproken. Evenzeer stak hij boven zijn tijdgenoten uit, toen hij in 1814, terstond na de intocht der Bondgenoten in Parijs, en nog eens in 1815, gedurende de oorlog van de Honderd Dagen, het bondgenootschap van Frankrijk met Engeland en in de tweede plaats dat van die beide landen met Duitsland als de enige waarborg voor de voorspoedige ontwikkeling en de vrede in Europa proclameerde.  Aan de Fransen van 1815 de alliantie met de overwinnaars van Waterloo te prediken, daartoe behoorde ongetwijfeld wat meer moed, dan om aan de Duitse professoren een praatjesoorlog te verklaren. 

Terwijl wij bij Saint-Simon een geniale ruimheid van blik ontdekken, waardoor bijna alle niet streng economische gedachten van de latere socialisten bij hem in kiem aanwezig zijn — vinden wij bij Fourier een echt Frans-vernuftige, maar daarom niet minder diep doordringende kritiek op de bestaande maatschappelijke toestanden. Fourier houdt de bourgeoisie, haar geestdriftige proleten van voor en haar belanghebbende lofzangers van na de revolutie, aan hun woord. Ongenadig legt hij de materiële en morele jammerlijkheid van de burgerlijke wereld bloot en stelt daarnaast de schitterende beloften van de Verlichters over een maatschappij waarin slechts de Rede zou heersen, over de alles gelukkig makende beschaving, over het onbegrensde vermogen tot vervolmaking van de mens. Hij stelt eveneens het vergoelijkende gepraat van de toenmalige bourgeois ideologen aan de kaak, toont hoe aan de hoogdravende frase overal de erbarmelijkste werkelijkheid beantwoordt en overlaadt dit reddeloze fiasco van de frase met bijtende spot. Fourier is niet alleen criticus, zijn altijd opgewekte natuur maakt hem tot satiricus en wel tot een der grootste van alle tijden. De met de neergang van de revolutie opbloeiende zwendelspeculatie, evenals de algemene kruideniersgeest van de toenmalige Franse handel schildert hij even meesterlijk als vermakelijk. Een nog groter meesterstuk is zijn kritiek op de burgerlijke vorm van de verhouding tussen de geslachten en de plaats van de vrouw in de burgerlijke maatschappij. Als eerste spreekt hij uit, dat in een bepaalde maatschappij de graad van emancipatie der vrouw de natuurlijke maatstaf voor de algemene emancipatie is.  Het indrukwekkendst echter toont zich Fourier in zijn opvatting van de geschiedenis der maatschappij. Hij deelt het hele verloop der geschiedenis tot op heden in vier ontwikkelingstrappen in: de wildheid, het patriarchaat, het barbarendom, de civilisatie, welke laatste met de thans zogenaamde burgerlijke maatschappij samenvalt. Hij toont aan,

‘dat de geciviliseerde maatschappij iedere ondeugd die het barbarendom op eenvoudige wijze beging, tot een gecompliceerd, dubbelzinnig, tweeslachtig, huichelachtig bestaan verheft’,

dat de civilisatie zich in een ‘vicieuze cirkel’ beweegt, in tegenstrijdigheden die zij steeds opnieuw voortbrengt zonder ze te kunnen overwinnen, zodat zij steeds het tegenovergestelde bereikt van hetgeen zij bereiken wil, of voorgeeft te willen bereiken. Zodat bv.

‘in de civilisatie de armoede uit de overvloed zelf ontstaat’ 

Zoals men ziet hanteert Fourier de dialectiek even meesterlijk als zijn tijdgenoot Hegel. Even dialectisch stelt hij tegenover het gepraat over het onbegrensde vermogen tot volmaking van de mens het feit, dat iedere historische fase haar stijgende maar ook haar dalende lijn heeft en hij past deze beschouwingswijze ook op de toekomst van de gehele mensheid toe. Zoals Kant de toekomstige ondergang van de aarde in de natuurwetenschap, zo voert Fourier de toekomstige ondergang van de mensheid in de geschiedschrijving in.

Terwijl in Frankrijk de orkaan van de revolutie door het land raasde, had in Engeland een stillere, maar daarom niet minder geweldige omwenteling plaats. De stoom en de nieuwe werktuigmachinerie veranderden de manufactuur in moderne grote industrie en revolutioneerden daarmee de gehele grondslag van de burgerlijke maatschappij. De slaperige ontwikkelingsgang van de manufactuurperiode ging over in een ware storm-en-drangperiode van de productie. Met steeds toenemende snelheid voltrok zich in de maatschappij de scheiding tussen grote kapitalisten en bezitloze proletariërs tussen wie, in plaats van de vroegere stabiele middenstand, nu een onbestendige massa van handwerkers en kleine handelaars (het meest fluctuerende deel der bevolking) een wankel bestaan voerde. Nog was de nieuwe productiewijze pas aan het begin van haar stijgende lijn; nog was zij de normale, de onder de gegeven omstandigheden enig mogelijke productiewijze. Maar reeds toen bracht zij schreeuwende sociale wantoestanden teweeg: opeenhoping van een ontwortelde bevolking in de slechtste woonwijken van de grote steden — het verloren gaan van al de overgeleverde banden van herkomst, patriarchale levenswijze en familie — overwerktheid, vooral van vrouwen en kinderen in schrikbarende mate — massale demoralisatie van de plotseling in geheel nieuwe verhoudingen geworpen arbeidende klasse. Toen trad een negenentwintigjarige fabrikant als hervormer op, een man van een tot het verhevene kinderlijke eenvoud van karakter en tegelijk een geboren leider van mensen, als weinigen. Robert Owen had zich de leer van de materialistische Verlichters eigen gemaakt, volgens welke het karakter van de mens enerzijds het product is van zijn aangeboren eigenschappen en anderzijds van de hem gedurende zijn leven, maar vooral gedurende zijn ontwikkelingsperiode, omringende omstandigheden. In de industriële revolutie zagen de meeste van zijn standgenoten slechts verwarring en chaos, goed om in troebel water te vissen en zich snel te verrijken. Hij zag daarin de gelegenheid om zijn lievelingsstelling toe te passen en daarmee orde in de chaos te brengen. Reeds had hij het in Manchester als leider van de vijfhonderd arbeiders van een fabriek met succes beproefd. Van 1800 tot 1829 leidde hij de grote katoenspinnerij van New Lanark in Schotland als besturend vennoot in dezelfde geest, maar met grotere vrijheid van handelen en met een succes dat hem een Europese vermaardheid bezorgde. Een geleidelijk tot 2500 personen aangroeiende, oorspronkelijk uit de meest gemengde en grotendeels sterk gedemoraliseerde elementen samengestelde bevolking maakte hij tot een echte modelkolonie, waarin dronkenschap, politie, strafrechter, processen, armenzorg, behoefte aan liefdadigheid onbekende dingen waren. En wel eenvoudig doordat hij de mensen in menswaardiger omstandigheden bracht en vooral het opkomende geslacht een zorgvuldige opvoeding liet geven. Hij was de uitvinder van de bewaarscholen en voerde ze hier voor het eerst in. Van het tweede levensjaar af kwamen de kinderen in de school, waar zij zich zo goed amuseerden dat zij bijna niet meer naar huis te krijgen waren. Terwijl zijn concurrenten dertien tot veertien uren per dag lieten werken, werd in New Lanark slechts tien en een half uur gewerkt. Toen het bedrijf door een katoencrisis gedurende 4 maanden stilgelegd moest worden, werd aan de arbeiders die zonder werk waren het volle loon uitbetaald. En daarbij had de onderneming haar waarde meer dan verdubbeld en aan de eigenaars tot het laatst toe een ruime winst uitgekeerd.

Met dit alles was Owen niet tevreden. Wat hij zijn arbeiders verschaft had, was in zijn ogen nog lang geen menswaardig bestaan;

‘de mensen waren mijn slaven’;

de betrekkelijk gunstige omstandigheden, waarin hij hen had gebracht, veroorloofden bij lange na nog geen alzijdige en rationele ontwikkeling van karakter en verstand, laat staan de mogelijkheid een leven van vrije activiteit te voeren.

‘En toch produceerde het arbeidende deel van deze 2.500 mensen evenveel werkelijke rijkdom voor de maatschappij, als nauwelijks een halve eeuw tevoren een bevolking van 600.000 had kunnen voortbrengen. Ik vroeg mij af: wat gebeurt er met het verschil tussen de door 2.500 personen verbruikte rijkdom en die welke de 600.000 hadden moeten verbruiken?’

Het antwoord was duidelijk. Het was gebruikt om de bezitters van de onderneming vijf percent rente van het bedrijfskapitaal en bovendien nog meer dan 300.000 Pond Sterling (6.000.000 Mark) winst uit te keren. En wat voor New Lanark gold, dat gold in nog hogere mate voor alle fabrieken van Engeland.

‘Zonder deze nieuwe, door de machines geproduceerde rijkdom had men de oorlogen om Napoleon ten val te brengen en de aristocratische maatschappijbeginselen staande te houden, niet kunnen voeren. En toch was deze nieuwe macht de schepping van de arbeidende klasse.’ 

Haar moesten daarom ook de vruchten toebehoren. De nieuwe, geweldige productiekrachten die tot dusver slechts dienden tot verrijking van enkelen en tot knechting van de massa, boden aan Owen de grondslag voor een nieuwe inrichting van de maatschappij en hun bestemming was dat zij als gemeenschappelijk eigendom van allen slechts voor het gemeenschappelijk welzijn van allen zouden werken.

Op zulk een zuiver zakelijke wijze, om zo te zeggen als vrucht van een koopmansberekening, ontstond het communisme van Owen. Dit op de praktijk gerichte karakter behield het steeds. Zo stelde Owen in 1823 de opheffing van de ellende in Ierland door middel van communistische kolonies voor, en voegde er volledige berekeningen over oprichtingskosten, jaarlijkse uitgaven en vermoedelijke opbrengst aan toe.  Zo is in zijn definitief toekomstplan de technische uitwerking van bijzonderheden met zoveel kennis van zaken geschied dat, wanneer men eenmaal de methode van Owen tot hervorming van de maatschappij aanvaardt, er tegen de onderdelen zelf van vakstandpunt uit slechts weinig in te brengen is.

De schrede naar het communisme was het keerpunt in Owens leven. Zolang hij alleen als filantroop was opgetreden, had hij niet anders dan rijkdom, instemming, eer en roem geoogst. Hij was de populairste man in Europa. Niet alleen zijn standgenoten, ook staatslieden en vorsten luisterden met instemming naar hem. Toen hij echter met zijn communistische theorieën optrad nam de zaak een wending. Drie grote hinderpalen vooral schenen hem de weg tot maatschappelijke hervorming te versperren: de particuliere eigendom, de godsdienst en de tegenwoordige vorm van het huwelijk. Hij wist wat hem te wachten stond, wanneer hij ze aanviel: de gehele officiële maatschappij zou hem in de ban doen en zijn hele sociale positie zou hij verliezen. Maar hij liet er zich niet van afhouden, ze onverbiddelijk aan te vallen; en wat hij voorzien had, gebeurde. Verbannen uit de officiële maatschappij, doodgezwegen door de pers, verarmd door mislukte communistische proefnemingen in Amerika, waaraan hij zijn gehele vermogen opgeofferd had, wendde hij zich direct tot de arbeidersklasse en zette in haar midden nog dertig jaren zijn werk voort. Alle maatschappelijke bewegingen, elke vooruitgang die in Engeland in het belang van de arbeiders tot stand kwam, is met de naam Owen verbonden. Zo zette hij in 1819, na vijf jaren ingespannen arbeid, de eerste wet tot beperking van vrouwen- en kinderarbeid in de fabrieken door.  Zo was hij voorzitter van het eerste congres waar de Trade Unions van geheel Engeland tot één groot vakverbond verenigd werden . Zo voerde hij als overgangsmaatregelen naar de volledige communistische inrichting van de maatschappij enerzijds de coöperaties in (verbruiks- en productiecoöperaties), die sindsdien althans het praktische bewijs hebben geleverd, dat zowel de koopman als de fabrikant alleszins ontbeerlijke personen zijn, en anderzijds de arbeidsbazaars, inrichtingen tot ruil van arbeidsproducten door middel van een arbeidspapiergeld, waarvan het arbeidsuur de eenheid uitmaakte.  Deze instellingen moesten noodzakelijkerwijze mislukken, maar zij liepen toch geheel op de veel latere ‘ruilbank’  van Proudhon vooruit, waarvan zij juist verschilden doordat zij niet optraden als het universeel geneesmiddel voor alle maatschappelijke kwalen, maar slechts als een eerste stap op de weg naar een veel radicalere hervorming van de maatschappij.

Dat zijn de mannen op wie de soevereine heer Dühring uit de hoogte van zijn ‘definitieve waarheid in laatste instantie’ met de verachting neerziet, waarvan wij in de Inleiding enige voorbeelden hebben gegeven. En voor deze verachting bestaat, van één kant gezien, een voldoende reden: zij berust nl. in wezen op een waarlijk schrikbarende onwetendheid betreffende de geschriften van de drie utopisten. Zo wordt van Saint-Simon beweerd, dat

‘zijn grondgedachte in wezen steekhoudend was en afgezien van enige eenzijdigheden nog heden ten dage de leidende stimulans voor werkelijke hervormingen levert’.

Hoewel de heer Dühring inderdaad enkele van Saint-Simons werken in handen schijnt te hebben gehad, zoeken wij deze ‘grondgedachten.’ van Saint-Simon in de desbetreffende zevenentwintig bladzijden druk even vergeefs, als vroeger datgene wat het ‘Economische Tableau’ van Quesnay, ‘bij Quesnay zelf te betekenen heeft’. En zo moeten wij ons tenslotte laten afschepen met de frase:

‘dat de verbeelding en de filantropische gemoedsbeweging... met de daarbijbehorende overspannen fantasie de gehele ideeënkring van Saint-Simon beheerste!’

Wat de heer Dühring van Fourier weet en waaraan hij aandacht besteedt zijn slechts de in romantische bijzonderheden geschilderde toekomstfantasieën, wat zeer zeker voor het constateren van de oneindige superioriteit van de heer Dühring boven Fourier ‘veel belangrijker is’ dan te onderzoeken hoe deze ‘de werkelijke toestanden nu en dan tracht te kritiseren’. Nu en dan! Op bijna elke bladzijde van zijn werken sproeien namelijk de vonken van satire en kritiek over de misère der veelgeprezen civilisatie. Dat zou net zijn, alsof men zei, dat de heer Dühring slechts ‘nu en dan’ de heer Dühring tot de grootste denker van alle tijden uitroept. Wat nu echter de twaalf aan Robert Owen gewijde bladzijden betreft, daarvoor heeft de heer Dühring absoluut geen andere bron dan de miserabele biografie van de filister Sargant die de belangrijkste geschriften van Owen — over het huwelijk en over het communistische stelsel  — evenmin kende. De heer Dühring kan zich daarom brutaalweg de bewering veroorloven dat men bij Owen ‘geen consequent communisme veronderstellen’ mag. Het is waar dat indien de heer Dühring Owens Book of the New Moral World ook maar in de hand gehad had, hij daarin niet alleen het meest consequente communisme, met gelijke arbeidsplicht en gelijk recht op het arbeidsproduct — gelijk naargelang van de leeftijd, zoals Owen er telkens bijvoegt — zou hebben aangetroffen, maar ook de volledige uitwerking van het gebouw voor de communistische toekomstgemeenschap, met plattegrond, gevels en perspectief in vogelvlucht.

Wanneer men echter de ‘directe studie van de eigen geschriften der vertegenwoordigers van de socialistische gedachtenkring’ tot de kennis van de titel en hoogstens nog... tot die van hetmotto van enkele dezer geschriften beperkt, zoals hier de heer Dühring, dan blijft er inderdaad niets anders over dan zulk een onnozele en eenvoudig uit de duim gezogen bewering. Owen heeft niet slechts het ‘consequente communisme’ gepredikt. Hij heeft het ook vijf jaar lang (einde ‘dertig en begin’ veertig) in de kolonie van Harmony Hall  in Hampshire, waarvan het communisme aan consequentheid niets te wensen overliet, in praktijk gebracht. Zelf heb ik verscheidene vroegere leden van deze communistische modelproefneming gekend. Maar van dit alles, zoals trouwens van heel Owens werkzaamheid tussen 1836 en 1850, weet Sargant absoluut niets en daarom blijft ook de ‘diepere geschiedschrijving’ van de heer Dühring in pikduistere onwetendheid. De heer Dühring noemt Owen ‘in ieder opzicht een waar wangedrocht van filantropische opdringerigheid’. Wanneer echter dezelfde heer Dühring ons inlicht over de inhoud van boeken, waarvan hij ternauwernood de titel en het motto kent, dan mogen wij om de dood niet zeggen dat hij ‘in ieder opzicht een waar wangedrocht van onwetende opdringerigheid’ is, want dat zou toch in onze mond ‘gescheld’ zijn.

De utopisten, zagen wij, waren utopisten, omdat zij niets anders konden zijn in een tijd waarin de kapitalistische productiewijze nog zo weinig ontwikkeld was. Zij waren genoodzaakt om de elementen van een nieuwe maatschappij uit hun hoofd te construeren, omdat deze elementen in de oude maatschappij zelf nog niet algemeen zichtbaar aan de dag traden. Zij moesten zich voor de grondslagen van hun nieuwe bouwwerk tot een beroep op de rede beperken, omdat zij zich nu eenmaal nog niet op de geschiedenis van hun tijd konden beroepen. Maar wanneer thans, bijna tachtig jaren na hun optreden, de heer Dühring ten tonele verschijnt en er aanspraak op maakt een ‘toonaangevend’ systeem van een nieuwe maatschappijorde te ontwikkelen, niet uit het voorhanden historisch ontwikkelde materiaal en als noodzakelijk resultaat daarvan, neen, maar uit zijn soevereine hoofd, uit zijn van definitieve waarheden zwanger verstand, dan is hij die overal epigonen speurt, zelf slechts de epigoon van de utopisten, de nieuwste utopist. Hij noemt de grote utopisten ‘sociale alchimisten’. Het zij zo. De alchimie was in haar tijd noodzakelijk. Maar sindsdien heeft de grote industrie de tegenstellingen die in de kapitalistische productiewijze sluimerden, tot zulke ten hemel schreiende tegenstrijdigheden ontwikkeld, dat de naderende ineenstorting van deze productiewijze om zo te zeggen met handen te grijpen is; dat de nieuwe productiekrachten zelf slechts in stand gehouden en verder ontwikkeld kunnen worden door invoering van een nieuwe productiewijze die aan hun tegenwoordige graad van ontwikkeling beantwoordt; dat de strijd tussen de beide, uit de tot dusver bestaande productiewijze voortgekomen en in steeds scherper tegenstelling gereproduceerde klassen, zich van alle beschaafde landen heeft meester gemaakt en van dag tot dag heftiger wordt; en dat het inzicht in deze historische samenhang, in de voorwaarden Voor de daardoor noodzakelijk geworden sociale omvorming en in de evenzeer daardoor bepaalde grondtrekken van deze omvorming ook reeds verkregen is. En wanneer nu de heer Dühring, in plaats van uit het voorhanden economische materiaal, uit zijn doorluchtige hersenpan een nieuwe utopische maatschappijorde construeert, dan beoefent hij niet maar eenvoudig ‘sociale alchimie’. Hij gedraagt zich veeleer als iemand die na de ontdekking en de vaststelling van de wetten van de moderne chemie, de oude alchimie weer in ere zou willen herstellen, en die de atoomgewichten, de moleculaire formules, de atoomvalenties, de kristallografie en de spectraalanalyse alleen maar zou willen gebruiken om — de steen der wijzen te ontdekken.

 

 

 

 

II. Theoretische kwesties

 

De materialistische geschiedbeschouwing gaat uit van de stelling, dat de productie, en na de productie de ruil van haar producten, de grondslag van iedere maatschappijorde is; dat in iedere in de historie optredende maatschappij de verdeling van de producten en daarmee de sociale indeling in klassen of standen zich er naar richt, wat en hoe geproduceerd, en hoe het geproduceerde geruild wordt. Op grond hiervan zijn de uiteindelijke oorzaken van alle maatschappelijke veranderingen en politieke omwentelingen niet te zoeken in de hoofden der mensen. Niet in hun dieper wordend inzicht in de eeuwige waarheid en gerechtigheid, maar in veranderingen van de productie- en ruilwijze. Zij zijn te zoeken niet in de filosofie, maar in de economie van het betreffende tijdperk. Het ontwakende inzicht, dat de bestaande maatschappelijke instellingen onredelijk en onrechtvaardig zijn, dat ‘rede tot onzin, weldaad tot plaag’  is geworden, vormt slechts het bewijs, dat zich in de productiemethoden en in de ruilvormen in alle stilte veranderingen hebben voltrokken, waarmee de op vroegere economische voorwaarden ingestelde maatschappelijke orde niet meer overeenstemt. Daarmee is tevens gezegd, dat de middelen om de ontdekte wantoestanden uit de weg te ruimen, eveneens in de veranderde productieverhoudingen zelf — meer of minder ontwikkeld — aanwezig moeten zijn. Deze middelen moeten geenszins met het verstand uitgedacht, zij moeten door middel van het verstand in de aanwezige materiële feiten van de productie ontdekt worden.

Hoe staat het op grond hiervan nu met het moderne socialisme?

De bestaande maatschappijorde — dat wordt nu vrijwel algemeen toegegeven — is geschapen door de thans heersende klasse, de bourgeoisie. De aan de bourgeoisie eigen productiewijze die sinds Marx met de naam kapitalistische productiewijze wordt aangeduid, verdroeg zich niet met de plaatselijke en standsprivileges en met de wederzijdse persoonlijke banden van de feodale orde. De bourgeoisie verbrijzelde de feodale orde en stichtte op haar puinhopen de burgerlijke inrichting van de maatschappij, het rijk van de vrije concurrentie, de bewegingsvrijheid, de gelijke rechten voor de warenbezitters en hoe al die burgerlijke heerlijkheden meer mogen heten. De kapitalistische productiewijze kon zich nu vrij ontplooien. Van de tijd af dat de stoom en de nieuwe werktuigmachinerie de oude manufactuur in grote industrie hadden veranderd, ontwikkelden zich de onder leiding van de bourgeoisie opgewerkte productiekrachten in een tot dusver ongekend tempo en op ongekende schaal. Maar zoals destijds de manufactuur en het onder haar invloed verder ontwikkelde handwerk met de feodale ketenen van de gilden in conflict kwamen, zo komt de grote industrie in haar meer volledige ontwikkeling in conflict met de grenzen waarbinnen de kapitalistische productiewijze haar gevangen houdt. Reeds zijn de nieuwe productiekrachten aan de burgerlijke wijze om deze te benutten over het hoofd gegroeid. En dit conflict tussen productiekrachten en productiewijze is niet een conflict dat in de hoofden der mensen ontstaan is, zo ongeveer als dat tussen de menselijke erfzonde en de goddelijke gerechtigheid, maar het bestaat in de realiteit, objectief, buiten ons, onafhankelijk van de wil of bemoeiing zelfs van hen die dat conflict teweeggebracht hebben. Het moderne socialisme is niets anders, dan de gedachteweerspiegeling van dit feitelijke conflict, zijn ideële weerkaatsing in de hoofden van die klasse, allereerst die daaronder direct te lijden heeft, de arbeidersklasse.

Waarin bestaat nu dit conflict?

Vóór de kapitalistische productiewijze, in de Middeleeuwen dus, bestond algemeen kleinbedrijf, gebaseerd op het feit dat de arbeiders hun productiemiddelen in privaateigendom hadden. De akkerbouw van de kleine vrije of horige boeren, het handwerk in de steden. De arbeidsmiddelen — grond, landbouwwerktuigen, werkplaats, handwerktuig — waren arbeidsmiddelen van de enkeling, slechts op eigen gebruik berekend, en waren dus noodzakelijk nietig, dwergachtig, beperkt. Maar juist daarom behoorden zij in de regel aan de producent zelf. Deze verstrooide, beperkte productiemiddelen te concentreren, ze uit te breiden, ze om te zetten in de geduchte hefbomen van de productie van tegenwoordig, dat was juist de historische rol van de kapitalistische productiewijze en van haar draagster, de bourgeoisie. Hoe zij dit sinds de 15e eeuw in de drie stadia van de eenvoudige coöperatie, de manufactuur en de grote industrie historisch tot stand heeft gebracht, is door Marx in de vierde afdeling van Het Kapitaal uitvoerig beschreven. Maar de bourgeoisie kon, zoals daar eveneens is aangetoond, die beperkte productiemiddelen niet tot geweldige productiekrachten maken zonder deze van productiemiddelen van de enkeling tot maatschappelijke productiemiddelen te maken, die slechts door een samenwerkend geheel van mensen te gebruiken zijn. In plaats van het spinnewiel, de handweefstoel, de smidshamer, kwam de spinmachine, de mechanische weefstoel, de stoomhamer. In plaats van de individuele werkplaats, de fabriek die de samenwerking van honderden en duizenden noodzakelijk maakte. En evenals de productiemiddelen, veranderde ook de productie zelf van een reeks van afzonderlijke werkzaamheden in een reeks maatschappelijke daden, en de producten van individuele in maatschappelijke producten. Het garen, het weefsel, de metaalwaren, die nu uit de fabriek kwamen, waren het gemeenschappelijke product van vele arbeiders, door wier handen zij achtereenvolgens moesten gaan voordat zij gereed kwamen. Niet één van de arbeiders kon zeggen: Dat heb ik gemaakt, dat is mijn product.

Maar waar de natuurlijke, spontaan ontstane arbeidsverdeling binnen de maatschappij de grondvorm van de productie is, daar drukt zij de producten de stempel van waren op, waarvan de wederzijdse ruil, koop en verkoop, de afzonderlijke producenten in staat stellen, hun veelvuldige behoeften te bevredigen. En dit was in de Middeleeuwen het geval. De boer bv. verkocht landbouwproducten aan de handwerksman en kocht daarvoor van hem handwerkproducten. In deze maatschappij van afzonderlijke producenten, warenproducenten, drong nu de nieuwe productiewijze door. Midden in de vanzelf ontstane planloze arbeidsverdeling, zoals deze in de gehele maatschappij heerste, plaatste zij de planmatige arbeidsverdeling, zoals deze in de afzonderlijke fabriek georganiseerd was. Naast de productie van de enkeling trad de maatschappelijke productie. Van beide werden de producten op dezelfde markt verkocht, dus althans bij benadering voor dezelfde prijzen. Maar de planmatige organisatie was machtiger dan de natuurlijke arbeidsverdeling; de maatschappelijk werkende fabrieken produceerden hun voortbrengselen goedkoper dan de op zichzelf staande kleine producenten. De productie van de enkeling moest het op het ene gebied na het andere afleggen, de maatschappelijke productie revolutioneerde de gehele oude productiewijze. Haar revolutionaire aard werd echter zo weinig begrepen, dat zij integendeel werd ingevoerd als middel om de warenproductie te doen opleven en te begunstigen. Zij ontstond direct in aansluiting aan bepaalde, reeds bestaande hefbomen van de warenproductie en de warenruil: koopmanskapitaal, handwerk, loonarbeid. Terwijl zijzelf optrad als een nieuwe vorm van de warenproductie, bleven de toe-eigeningsvormen van de warenproductie ook voor haar ten volle van kracht.

Bij de warenproductie, zoals die zich in de Middeleeuwen had ontwikkeld, kon de vraag in het geheel niet opkomen, aan wie het voortbrengsel van de arbeid moest toebehoren. De afzonderlijke producent had het in de regel uit de hem toebehorende, vaak zelf gewonnen grondstoffen, met eigen arbeidsmiddelen en met de arbeid van zijn eigen handen of die van zijn gezin vervaardigd. Het behoefde in het geheel niet eerst door hem toegeëigend te worden, het behoorde hem geheel vanzelf toe. De eigendom aan de producten berustte dus op eigen arbeid. Zelfs waar vreemde hulp gebruikt werd, bleef deze in de regel bijzaak en werd dikwijls behalve door loon, nog op andere wijze vergoed: de gildenleerling en -gezel werkten minder voor van kost en loon, dan wel terwille van hun eigen opleiding tot meester. Daarna kwam de concentratie van de productiemiddelen in grote werkplaatsen en manufactuurbedrijven, hun feitelijke verandering in maatschappelijke productiemiddelen. Maar met de maatschappelijke productiemiddelen en producten ging men te werk alsof ze, evenals vroeger, de productiemiddelen en producten van enkelingen waren. Terwijl de bezitter van de arbeidsmiddelen zich tot dusver het product toegeëigend had omdat het in de regel zijn eigen product, en vreemde arbeidshulp daarbij uitzondering was — ging de bezitter van de arbeidsmiddelen thans voort zich het product toe te eigenen, hoewel het niet meer zijn product was, maar uitsluitend het product van vreemde arbeid. Zo werden dus de thans maatschappelijk vervaardigde producten niet door hen die de productiemiddelen werkelijk in beweging gebracht en de producten werkelijk voortgebracht hadden, maar door dekapitalist zich toegeëigend. Productiemiddel en productie zijn in wezen maatschappelijk geworden. Maar zij worden aan een toe-eigeningsvorm onderworpen, die de particuliere productie van de enkeling tot voorwaarde heeft, waarbij dus ieder zijn eigen product bezit en ter markt brengt. De productiewijze wordt aan deze toe-eigeningsvorm onderworpen, hoewel zij de voorwaarde daartoe opheft . In deze tegenstrijdigheid die aan de nieuwe productiewijze haar kapitalistisch karakter verleent, ligt het gehele conflict van de tegenwoordige tijd reeds in de kiem opgesloten. Hoe meer de nieuwe productiewijze op alle beslissende gebieden van de productie en in alle economisch beslissende landen de heersende werd, en daarmee de individuele productie op onbeduidende resten na verdrong, des te scherper moest ook de onverenigbaarheid van maatschappelijke productie en kapitalistische toe-eigening aan de dag treden.

De eerste kapitalisten troffen, zoals gezegd, de loonarbeid reeds als een bestaande vorm aan. Maar loonarbeid als uitzondering, als bijzaak, als noodhulp, als tijdelijke bezigheid. De landbouwer, die van tijd tot tijd in dagloon ging werken, had zijn eigen paar morgen grond, waarvan hij desnoods kon leven. De gildenbepalingen zorgden er voor, dat de gezel van lieden tot de meester van morgen werd. Zodra echter de productiemiddelen tot maatschappelijke gemaakt en in de handen der kapitalisten geconcentreerd werden, veranderde dit. Zowel het productiemiddel als het product van de kleine op zichzelf staande producent werd steeds waardelozer. Er bleef hem niets anders over dan bij de kapitalist in loondienst te gaan. De loonarbeid, vroeger uitzondering en noodhulp, werd regel en grondvorm voor de gehele productie. Wat voorheen bijzaak was, werd thans de enige werkzaamheid van de arbeider. De tijdelijke loonarbeider werd een levenslange loonarbeider. De menigte van levenslange loonarbeiders werd bovendien ontzaglijk vergroot door de gelijktijdige ineenstorting van de feodale orde, de ontbinding van het gevolg der feodale heren, de verdrijving van de boeren van hun hofsteden, enz. De scheiding tussen de in handen der kapitalisten geconcentreerde productiemiddelen enerzijds en de producenten zonder ander bezit dan hun arbeidskracht anderzijds, was voltrokken. De tegenstrijdigheid tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toe-eigening doet zich aan ons voor als tegenstelling van proletariaat en bourgeoisie.

Wij zagen, dat de kapitalistische productiewijze binnendrong in een maatschappij van warenproducenten, van individuele producenten wier maatschappelijke samenhang bestond in het ruilen van hun producten. Maar iedere op warenproductie berustende maatschappij heeft het eigenaardige, dat daarin de producenten de heerschappij over hun eigen maatschappelijke betrekkingen hebben verloren. Ieder produceert voor zichzelf met zijn toevallige productiemiddelen en voor zijn individuele ruilbehoefte. Niemand weet hoeveel er van zijn artikel op de markt komt, hoeveel er in het algemeen van gebruikt wordt. Niemand weet of er aan zijn individueel product werkelijk behoefte bestaat, of hij er zijn kosten zal uithalen, ja zelfs of het in het algemeen te verkopen zal zijn. Er heerst anarchie in de maatschappelijke productie. Maar de warenproductie heeft, zoals iedere andere productievorm, de haar eigen, inherente, van haar onafscheidelijke wetten. En deze wetten zetten zich ondanks de anarchie, in en via die anarchie door. Zij komen te voorschijn in de enige vorm van maatschappelijke samenhang die blijft bestaan, in de ruil, en zij doen zich voor aan de afzonderlijke producenten als de dwingende wetten van de concurrentie. Zij zijn aan deze producenten zelf aanvankelijk dus onbekend en zij moeten pas door lange ervaring langzamerhand door hun ontdekt worden. Zij zetten zich dus zonder de producenten en tegen de producenten in door, als de blindwerkende natuurwetten van hun productievorm. Het product beheerst de producenten.

In de middeleeuwse maatschappij, vooral in de eerste eeuwen daarvan, was de productie voornamelijk op het eigen gebruik van de producent gericht. Zij bevredigde hoofdzakelijk slechts de behoeften van de producent en van zijn gezin. Waar, zoals op het land, verhoudingen van persoonlijke afhankelijkheid bestonden, droeg zij ook bij tot bevrediging van de behoef ten van de feodale heer. Hierbij vond dus geen ruil plaats, de producten namen daarom ook niet het karakter van waren aan. Het gezin van de boer produceerde bijna alles wat het nodig had, gereedschap en kleding niet minder dan levensmiddelen. Eerst toen het zover kwam dat het een overschot boven de eigen behoefte en de aan de feodale heer verschuldigde leveringen in natura voortbracht, eerst toen produceerde het ook waren. Dit overschot in het maatschappelijke ruilverkeer gebracht, ten verkoop aangeboden, werd waar. De stedelijke handwerkers moesten weliswaar reeds terstond voor de ruil produceren. Maar ook zij produceerden het grootste deel van wat zij nodig hadden voor hun eigen gebruik zelf. Zij hadden tuinen en kleine akkers, zij brachten hun vee naar het gemeenschapsbos, dat hun bovendien bouw- en brandhout leverde. De vrouwen sponnen vlas, wol enz. De productie met de ruil als doel, de warenproductie, begon pas op te komen. Vandaar beperkte ruil, beperkte markt, stabiele productiewijze, plaatselijke afgrenzing naar buiten, plaatselijke samenvoeging naar binnen. De markt  op het land, het gilde in de stad.

Met de uitbreiding van de warenproductie echter, en vooral met het optreden van de kapitalistische productiewijze traden ook de tot dusver sluimerende wetten van de warenproductie openlijker en krachtiger in werking. De oude banden verslapten, de oude afscheidingen werden doorbroken, de producenten werden meer en meer tot onafhankelijke, op zichzelf staande warenproducenten. De anarchie van de maatschappelijke productie trad aan de dag en werd meer en meer op de spits gedreven. Maar het voornaamste werktuig waarmee de kapitalistische productiewijze deze anarchie in de maatschappelijke productie deed toenemen, was juist het tegenovergestelde van anarchie. De toenemende organisatie van de productie als een maatschappelijke in elk afzonderlijk productiebedrijf. Met deze hefboom maakte zij een einde aan de oude vreedzame stabiliteit. Waar zij in een tak van industrie werd ingevoerd, duldde zij geen oudere bedrijfsmethode naast zich. Waar zij zich van het handwerk meester maakte, vernietigde zij het oude handwerk. Het gebied van de arbeid werd een gebied van strijd, de grote aardrijkskundige ontdekkingen en de daarop volgende kolonisaties vermenigvuldigden de omvang van het afzetgebied en bespoedigden de omzetting van handwerk in manufactuur. Niet alleen tussen de afzonderlijke plaatselijke producenten brak de strijd uit, de plaatselijke strijd groeide op haar beurt uit tot nationale strijd, tot de handelsoorlogen van de 17e en 18e eeuw.  De grote industrie en het ontstaan van de wereldmarkt hebben tenslotte de strijd universeel gemaakt en hem tegelijkertijd een ongehoorde heftigheid gegeven. Tussen afzonderlijke kapitalisten evenals tussen gehele industrieën en gehele landen beslist de gunst van de natuurlijke of kunstmatig geschapen productievoorwaarden over het bestaan. Wie het onderspit delft wordt meedogenloos opzij geschoven. Het is de Darwinse strijd om het bestaan van het individu, uit de natuur met versterkte heftigheid naar de maatschappij overgebracht. Het natuurstandpunt van het dier verschijnt als toppunt van de menselijke ontwikkeling. De tegenstrijdigheid tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toe-eigening verschijnt als tegenstelling tussen de organisatie van de productie in de afzonderlijke fabriek en de anarchie van de productie in de gehele maatschappij.

In deze beide verschijningsvormen van de tegenstrijdigheid, waarmee zij krachtens haar oorsprong onafscheidelijk verbonden is, beweegt zich de kapitalistische productiewijze en beschrijft die ‘vicieuze cirkel’, waaraan zij niet ontkomen kan, en die Fourier reeds bij haar ontdekte. Wat Fourier in zijn tijd echter nog niet kon zien, is dat deze kringloop geleidelijk nauwer wordt, dat de beweging veeleer die van een spiraal is en, evenals die van de planeten, haar eind moet vinden in een botsing met het centrum. Het is de drijvende kracht van de maatschappelijke anarchie der productie die de grote meerderheid der mensen meer en meer tot proletariërs maakt en het zijn op hun beurt de massa der proletariërs die tenslotte aan de anarchie in de productie een einde zullen maken. Het is de drijvende kracht van de sociale anarchie in de productie die de oneindige mogelijkheid tot vervolmaking van de machines der grote industrie tot een dwingende wet voor iedere afzonderlijke industriële kapitalist maakt om zijn machines, op straffe van ondergang, meer en meer te perfectioneren. Maar het perfectioneren van de machines betekent het overtollig maken van menselijke arbeid. Wanneer de invoering en vermeerdering van de machinerie het verdringen van miljoenen handwerkers door weinige fabrieksarbeiders betekent, dan betekent verbetering van de machinerie de verdringing van meer en meer fabrieksarbeiders zelf, en voert in laatste instantie tot het ontstaan van een aantal beschikbare loonarbeiders, dat de gemiddelde behoefte aan tewerkstelling door het kapitaal te boven gaat, een volslagen industrieel reserveleger, zoals ik het in 1845 reeds noemde, een leger dat ter beschikking staat in tijden waarin de industrie onder hoge druk werkt, dat op straat wordt geworpen door de noodzakelijk volgende krach. Een leger dat te allen tijde een loodzwaar gewicht is aan de voeten van de arbeidersklasse in haar bestaansstrijd tegen het kapitaal en een regulateur tot het laag houden van het arbeidsloon op het aan de kapitalistische behoefte aangepaste lage niveau. Zo gaat het in zijn werk, om met Marx te spreken, dat de machine het machtigste strijdmiddel van het kapitaal tegen de arbeidersklasse wordt, dat het arbeidsmiddel de arbeider voortdurend het levensmiddel uit de hand slaat, dat het eigen product van de arbeider in een werktuig tot knechting van de arbeider verandert.  Zo komt het dat het zuiniger gebruik van de arbeidsmiddelen bij voorbaat tegelijk een niets ontziende verkwisting van arbeidskracht wordt, een roof ten opzichte van de normale voorwaarden der arbeidsfuncties . Dat de machinerie, het machtigste middel tot verkorting van de arbeidstijd, omslaat in het meest onfeilbare middel, om de gehele levenstijd van de arbeider en zijn gezin in beschikbare arbeidstijd ter realisering van het kapitaal te veranderen. Zo komt het dat de overmatige arbeid van de een, voorwaarde wordt voor de werkloosheid van de ander en dat de grote industrie die de hele aardbol naar nieuwe consumenten afjaagt, de consumptie van de massa in het eigen land tot een hongerminimum beperkt en daardoor de eigen binnenlandse markt ondermijnt. ‘De wet die de relatieve overbevolking of het industriële reserveleger steeds met de omvang en energie van de kapitaalaccumulatie in evenwicht houdt, smeedt de arbeider vaster aan het kapitaal, dan Prometheus met Hephaistos’ wig aan de rots werd geklonken. Deze wet heeft een aan de accumulatie van kapitaal evenredige accumulatie van ellende tot gevolg. De accumulatie van rijkdom aan de ene pool is dus tegelijk accumulatie van nood, arbeidskwaal, slavernij, onwetendheid, verdierlijking en morele ontaarding aan de tegenpool, d.w.z. aan de zijde van de klasse die haar eigen product als kapitaal produceert’ (Marx, Het Kapitaal, blz. 671) . En van de kapitalistische productiewijze een andere verdeling van producten verwachten zou gelijk staan met de verwachting dat de elektroden van een batterij, zolang zij daarmee verbonden zijn, het water niet zouden ontleden en niet zuurstof aan de positieve, en waterstof aan de negatieve pool zouden ontwikkelen.

Wij zagen hoe de tot het uiterste opgedreven vervolmakingsmogelijkheid van de moderne machinerie, als gevolg van de anarchie der productie in de maatschappij, voor elke industriële kapitalist tot een dwingend gebod wordt, dat hem noodzaakt zijn machinerie steeds te verbeteren, haar productievermogen steeds te verhogen. De eenvoudige feitelijke mogelijkheid tot uitbreiding van zijn productiegebied wordt voor hem eveneens tot zulk een dwingend gebod. Het ontzaglijke uitzettingsvermogen van de grote industrie, waarbij dat van de gassen een waar kinderspel is, treedt nu voor onze ogen als een kwalitatieve en kwantitatieve uitzettingsbehoefte die met iedere tegendruk spot. De tegendruk wordt gevormd door de consumptie, door de afzet, de markten voor de producten van de grote industrie. Maar de uitzettingsmogelijkheid van de markten, zowel in extensieve als in intensieve zin wordt voorhands door geheel andere, veel minder krachtig werkende wetten beheerst. De uitbreiding van de markten kan met de uitbreiding van de productie geen gelijke tred houden. De botsing wordt onvermijdelijk en daar ze geen oplossing brengen kan, zolang zij niet de kapitalistische productiewijze zelf verbrijzelt, wordt zij periodiek. De kapitalistische productie brengt een nieuwe ‘vicieuze cirkel’ voort.

Inderdaad, sinds 1825, toen de eerste algemene crisis uitbrak, geraken de gehele industrie- en handelswereld, de productie en de circulatie van alle beschaafde volken en hun meer of minder barbaarse aanhangsels zo ongeveer iedere tien jaar eenmaal uit hun voegen. Het verkeer stokt, de markten zijn overvuld, producten blijven liggen, even talrijk als onverkoopbaar, het baar geld wordt onzichtbaar, het krediet verdwijnt, de fabrieken staan stil, de arbeidende massa krijgt gebrek aan levensmiddelen, omdat zij te veel levensmiddelen hebben geproduceerd. Het ene bankroet volgt het andere, de ene gedwongen verkoop de andere. Jarenlang duurt de stremming, productiekrachten zowel als producten worden op grote schaal verspild en vernield totdat de opgestapelde warenmassa met groter of kleiner waardeverlies eindelijk afvloeien, totdat productie en ruil geleidelijk weer op gang komen. Geleidelijk wordt de gang sneller, geraakt in draf, de industriële draf gaat over in galop en deze wordt weer tot het teugelloze rennen van een volslagen steeple-chase  van industrie, handel, krediet en speculatie, om eindelijk na de meest halsbrekende sprongen weer terecht te komen in — de greppel van de krach. En zo steeds weer opnieuw. Dat hebben wij nu sinds 1825 al vijf volle malen beleefd en wij beleven het op dit ogenblik (1877) voor de zesde keer. En de aard van deze crisissen is zo scherp omlijnd dat Fourier ze alle gekenmerkt heeft, toen hij de eerste kenschetste als ‘crise pléthorique’, crisis uit overvloed.

In de crisissen komt de tegenstrijdigheid tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toe-eigening tot een gewelddadige uitbarsting. De warenomloop is voor het ogenblik vernietigd, het middel voor de circulatie, het geld, wordt tot een belemmering voor de circulatie. Alle wetten van de warenproductie en de warencirculatie worden op hun kop gezet. De economische botsing heeft haar hoogtepunt bereikt. De productiewijze komt in opstand tegen de ruilwijze, de productiekrachten komen in opstand tegen de productiewijze waaraan zij ontgroeid zijn.

Het feit dat de maatschappelijke organisatie van de productie binnen de fabriek zich tot het punt ontwikkeld heeft waar zij zich niet meer verdraagt met de naast en boven haar bestaande anarchie van de productie in de maatschappij — dit feit wordt voor de kapitalisten zelf tastbaar gemaakt door de gewelddadige concentratie van de kapitalen, die gedurende de crisissen plaatsgrijpt, door middel van de ondergang van vele grote en nog meer kleine kapitalisten. Het hele mechanisme van de kapitalistische productiewijze weigert te functioneren onder de druk van de door haar in het leven geroepen productiekrachten. Zij kan deze massa van productiemiddelen niet meer alle tot kapitaal maken: zij liggen braak en juist daarom moet ook het industriële reserveleger braak liggen. Productiemiddelen, levensmiddelen, beschikbare arbeiders, alle elementen van de productie en van de algemene rijkdom zijn in overvloed voorhanden. Maar ‘de overvloed wordt tot een bron van nood en gebrek’ (Fourier) omdat hij het juist is, die de verandering van de productie- en levensmiddelen in kapitaal verhindert. Want in de kapitalistische maatschappij kunnen de productiemiddelen niet in werking treden, tenzij zij vooraf de gedaante van kapitaal, van middel tot uitbuiting van menselijke arbeidskracht, aangenomen hebben. Als een kwelgeest staat de noodzaak voor de productie- en levensmiddelen, om de eigenschap van kapitaal aan te nemen, tussen hen en de arbeiders. Die alleen belet het samenkomen van de zakelijke en persoonlijke hefbomen van de productie; die alleen verbiedt de Productiemiddelen te functioneren en de arbeiders te werken en te leven. Enerzijds moet de kapitalistische productiewijze dus bekennen, dat zij niet meer in staat is deze productiekrachten verder te beheren. Anderzijds gaat van deze productiekrachten zelf met toenemende kracht de drang uit naar opheffing van de tegenstrijdigheid, naar de be-vrijding van hun eigenschap als kapitaal, naar de erkenning in feite van hun karakter als maatschappelijke productie krachten.

Het is deze tegendruk van de geweldig toenemende productiekrachten tegen hun eigenschap als kapitaal, deze stijgende drang tot erkenning van hun maatschappelijke aard die de kapitalistenklasse zelf er meer en meer toe dwingt ze, voor zover dit althans binnen het bestek van de kapitalistische verhoudingen mogelijk is, als maatschappelijke productiekrachten te behandelen. Zowel de periode van industriële hoogconjunctuur met haar grenzeloos opzwellen van het krediet, als de door de ineenstorting van grote kapitalistische instellingen veroorzaakte krach zelf drijven naar die vormen van de vermaatschappelijking van grote massa’s productiemiddelen, welke wij in de verschillende soorten van maatschappijen op aandelen ontmoeten. Vele van deze productie- en verkeersmiddelen zijn bij voorbaat reeds zo kolossaal, dat zij zoals de spoorwegen, iedere andere vorm van kapitalistische uitbuiting uitsluiten. Op een bepaalde trap van ontwikkeling voldoet ook deze vorm niet meer: de staat als officiële vertegenwoordiger van de kapitalistische maatschappij moet de leiding op zich nemen . De noodzakelijkheid van het overgaan in staatseigendom doet zich het eerst voor bij grote inrichtingen van verkeer, post, telegrafie, spoorwegen.

Wanneer de crisissen hebben aangetoond dat de bourgeoisie tot het verdere beheer van de moderne productiekrachten niet in staat is, dan toont de verandering van de grote productie- en verkeersinstellingen in maatschappijen op aandelen en in staatseigendom de overbodigheid van de bourgeoisie voor dat doel. Alle maatschappelijke functies van de kapitalist worden nu door betaalde beambten waargenomen. De kapitalist heeft geen maatschappelijke functie meer, behalve inkomsten opstrijken, coupons knippen en aan de beurs speculeren, waar de verschillende kapitalisten elkaar hun kapitaal afhandig maken. Terwijl de kapitalistische productiewijze eerst arbeiders verdrongen heeft, verdringt zij thans de kapitalisten en verwijst hen, precies als de arbeiders, naar de rijen van de overtollige bevolking, zij het voorlopig ook nog niet naar het industriële reserveleger.

Maar noch de verandering in maatschappijen op aandelen noch de verandering in staatseigendom heft de kapitaaleigenschap van de productiekrachten op. Bij de maatschappijen op aandelen ligt dit voor de hand. En ook de moderne staat is op haar beurt slechts de organisatie die de burgerlijke maatschappij zich verschaft, om de algemene uiterlijke voorwaarden van de kapitalistische productiewijze in stand te houden tegen aantasting, zowel door de arbeiders als door de individuele kapitalisten. De moderne staat, onder welke vorm ook, is een in wezen kapitalistisch werktuig, de staat van de kapitalisten, de ideële universele kapitalist. Hoe meer productiekrachten hij als eigendom overneemt, des te meer wordt hij werkelijk universeel kapitalist, des te meer staatsburgers buit hij uit. De arbeiders blijven loonarbeiders, proletariërs. De kapitaalverhouding wordt niet opgeheven, zij wordt veeleer op de spits gedreven. Maar op de spits gedreven slaat zij om. De staatseigendom van de productiekrachten is niet de oplossing van het conflict, maar wel bergt hij het formele middel in zich, de mogelijkheid voor een oplossing.

Deze oplossing kan slechts daarin liggen, dat de maatschappelijke natuur van de moderne productiekrachten werkelijk erkend wordt, dat dus de wijze van productie, toe-eigening en ruil in overeenstemming gebracht wordt met het maatschappelijke karakter van de productiemiddelen. En dit kan slechts daardoor gebeuren, dat de maatschappij zich openlijk en zonder omwegen meester maakt van de productiekrachten die aan iedere leiding, behalve de hare, ontgroeid zijn Daardoor wordt het maatschappelijke karakter van de productiemiddelen en van de producten — dat zich nu tegen de producenten zelf keert. Dat periodiek de productie- en ruilwijze verstoort en zich slechts als blindwerkende natuurwet gewelddadig en vernielend doorzet — door de producenten in volle bewustheid tot gelding gebracht en van een oorzaak van storing en periodieke ineenstorting wordt het tot de machtigste hefboom van de productie zelf.

De maatschappelijke krachten werken net als de natuurkrachten: blindelings, gewelddadig, vernielend zolang wij ze niet begrijpen en er geen rekening mee houden. Maar hebben wij ze eenmaal leren kennen en hun werkzaamheid, hun richting, hun uitwerkingen begrepen, dan hangt het slechts van ons af, om ze steeds meer aan onze wil te onderwerpen en om door middel van die krachten ons doel te bereiken. En dit geldt zeer in het bijzonder voor de huidige, geweldige productiekrachten. Zolang wij hardnekkig weigeren hun aard en karakter te begrijpen — en daartegen verzetten zich de kapitalistische productiewijze en haar verdedigers — zolang oefenen deze krachten hun werking uit ondanks ons, tegen ons. Zolang beheersen zij ons, zoals wij dat uitvoerig uiteengezet hebben. Maar eenmaal in hun aard en wezen begrepen, kunnen zij in handen van samenwerkende producenten van duivelse heersers tot gewillige dienaren gemaakt worden. Het is het onderscheid tussen het vernielende geweld van de elektriciteit in de bliksem van het onweer, en de beteugelde elektriciteit van telegraaf en booglamp. Het onderscheid tussen de laaiende brand en het vuur dat in de dienst van de mens zijn werk doet. Met zulk een behandeling van de huidige productiekrachten op grond van hun eindelijk begrepen natuur, treedt in de plaats van de maatschappelijke anarchie in de productie een maatschappelijk planmatige regeling van de productie naar de behoeften van de gemeenschap, en tevens van iedere enkeling. Daardoor wordt de kapitalistische wijze van toe-eigening, waarbij het product, eerst de producent, daarna echter ook de toe-eigenaar knecht, door de op de aard van de moderne productiemiddelen zelf berustende wijze van toe-eigening der producten vervangen: enerzijds direct maatschappelijke toe-eigening als middel ter instandhouding en uitbreiding van de productie, anderzijds direct individuele toe-eigening als levens- en genotmiddelen.

Terwijl de kapitalistische productiewijze de grote meerderheid van de bevolking meer en meer in proletariërs verandert, schept zij de macht die gedwongen is deze omwenteling op straffe van ondergang te voltrekken. Terwijl zij meer en meer aanstuurt op de overgang van de grote, vermaatschappelijkte productiemiddelen in staatseigendom, wijst zij zelf de weg naar de voltrekking van die omwenteling. Het proletariaat maakt zich meester van de staatsmacht en maakt van de productiemiddelen allereerst staatseigendom. Maar daarmee heft het zichzelf als proletariaat op en ook alle klassenverschillen en klassentegenstellingen, en daarmee ook de staat als staat. De tot dusver bestaande, in klassentegenstellingen zich bewegende maatschappij had de staat nodig, d.w.z. een organisatie van de respectievelijke uitbuitende klasse voor de instandhouding van haar uiterlijke productievoorwaarden, dus met name voor de gewelddadige instandhouding van de voorwaarden van onderdrukking van de uitgebuite klasse, zoals die door de bestaande productiewijze zijn gegeven (slavernij, lijfeigenschap of horigheid, loonarbeid). De staat was de officiële vertegenwoordiger van de gehele maatschappij, haar samenvatting in een zichtbare corporatie, maar hij was dit slechts in zoverre hij de staat was van de klasse die zelf in haar tijd de gehele maatschappij vertegenwoordigde: in de Oudheid de staat van de slavenhoudende staatsburgers, in de Middeleeuwen van de feodale adel, in onze tijd van de bourgeoisie. Doordat hij eindelijk werkelijk vertegenwoordiger van de gehele maatschappij wordt, maakt hij zichzelf overbodig. Zodra er geen maatschappelijke klasse meer onderdrukt hoeft te worden, zodra met de klassenheerschappij en de strijd om het individuele bestaan, die op de tot dusver bestaande anarchie in de productie berust, ook de daaruit voortvloeiende botsingen en buitensporigheden zijn opgeruimd, valt er niets meer te onderdrukken dat een bijzondere onderdrukkingsmacht, een staat, nodig zou maken. De eerste daad, waarbij de staat werkelijk als vertegenwoordiger van de gehele maatschappij optreedt — de inbezitneming van de productiemiddelen in naam van de maatschappij — is tegelijk zijn laatste zelfstandige daad als staat. Het ingrijpen van een staatsmacht in maatschappelijke verhoudingen wordt op het ene gebied na het andere overbodig en slaapt dan vanzelf in. In plaats van de regering over personen komt het beheer over zaken en het leiden van productieprocessen. De staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij sterft af. Hiernaar kan men de frase over ‘de vrije volksstaat’  beoordelen, dus zowel wat betreft haar tijdelijke agitatorische gerechtvaardigdheid, als wat betreft haar uiteindelijke ontoereikendheid voor de wetenschap. En eveneens de eis van de zogenaamde anarchisten, dat de staat van vandaag op morgen moet worden afgeschaft.

Het in bezit nemen van de gezamenlijke productiemiddelen door de maatschappij heeft, sinds de kapitalistische productiewijze op het historische toneel verscheen, zowel aan enkelingen als aan gehele sekten vaak meer of minder duidelijk als toekomstideaal voor ogen gezweefd. Maar dit kon eerst mogelijk, eerst historische noodzakelijkheid worden, toen de materiële voorwaarden voor de verwezenlijking ervan aanwezig waren. Evenals iedere andere maatschappelijke vooruitgang kan ook deze eerst worden verwezenlijkt, niet doordat men tot het inzicht komt dat het bestaan der klassen in strijd is met de gerechtigheid, de gelijkheid, enz., niet door de enkele wil om deze klassen af te schaffen, maar door bepaalde nieuwe economische voorwaarden. De splitsing van de maatschappij in een uitbuitende en een uitgebuite, een heersende en een onderdrukte klasse was het noodzakelijke gevolg van de vroegere geringe ontwikkeling van de productie. Zolang de totale maatschappelijke arbeid slechts weinig meer oplevert, dan voor het nooddruftige bestaan van allen noodzakelijk is, zolang dus de arbeid de gehele of bijna de gehele tijd van de grote meerderheid van de leden der maatschappij in beslag neemt, zolang splitst zich deze maatschappij noodzakelijkerwijze in klassen. Naast deze uitsluitend door de arbeid in beslag genomen grote meerderheid vormt zich een klasse die van rechtstreekse productieve arbeid bevrijd is, en welke voor de gemeenschappelijke aangelegenheden van de maatschappij zorg draagt: leiding van de arbeid, staatszaken, justitie, wetenschap, kunst enz. Het is daarom de wet van de arbeidsverdeling die aan de klassenindeling ten grondslag ligt. Maar dit belet niet dat deze indeling in klassen met geweld en roof, met list en bedrog is doorgezet en dat de heersende klasse, eenmaal in het zadel, nooit in gebreke is gebleven om haar heerschappij op kosten van de arbeidende klasse te consolideren en de leiding over de maatschappij om te zetten in uitbuiting van de massa.

Maar wanneer hierdoor de indeling in klassen een zekere historische rechtvaardiging heeft, dan heeft zij die toch slechts voor een bepaalde tijdsduur, voor bepaalde maatschappelijke verhoudingen. Zij was gegrond op de ontoereikendheid van de productie. Zij zal worden weggevaagd door de volle ontplooiing van de moderne productiekrachten. En inderdaad heeft de afschaffing van de maatschappelijke klassen een historische ontwikkelingsgraad tot voorwaarde, waarop het bestaan, niet slechts van deze of gene bepaalde heersende klasse, maar van een heersende klasse in het algemeen, dus van het klassenonderscheid zelf, een anachronisme is geworden en verouderd is. Zij heeft dus een graad van ontwikkeling van de productie tot voorwaarde, waarbij de toe-eigening van productiemiddelen en producten en daarmede van de politieke heerschappij, van het monopolie van ontwikkeling en van geestelijke leiding door een bijzondere maatschappelijke klasse niet alleen overbodig, maar ook economisch, politiek en intellectueel een hinderpaal voor de ontwikkeling is geworden. Dit punt is thans bereikt. Is het politieke en intellectuele bankroet van de bourgeoisie voor haarzelf nauwelijks meer een geheim, haar economisch bankroet herhaalt zich regelmatig elke tien jaren. In iedere crisis verstikt de maatschappij onder de drukkende last van haar eigen productiekrachten en producten, die zij niet gebruiken kan, en staat zij hulpeloos tegenover de onzinnige tegenstrijdigheid, dat de producenten niets te consumeren hebben, omdat er gebrek aan consumenten is. De uitzettingskracht van de productiemiddelen laat de banden, die de kapitalistische productiewijze haar heeft aangelegd, springen. Haar bevrijding uit deze banden is de enige voorwaarde voor een ononderbroken, steeds sneller voortschrijdende ontwikkeling van de productiekrachten en daarmee van een praktisch onbegrensde verhoging van de productie zelf. Meer dan dat. De maatschappelijke toe-eigening van de productiemiddelen doet niet alleen de thans bestaande kunstmatige belemmering van de productie verdwijnen, maar ook de stellige verspilling en verwoesting van productiekrachten en producten, die tegenwoordig met de productie onvermijdelijk verbonden zijn en die in de crisissen hun hoogtepunt bereiken. Voorts maakt zij een grote hoeveelheid productiemiddelen en producten voor de gemeenschap vrij, door een einde te maken aan de onzinnige weelde verkwisting van de tegenwoordig heersende klassen en hun politieke vertegenwoordigers. De mogelijkheid, om aan alle leden van de maatschappij door de maatschappelijke productie een bestaan te verzekeren, dat niet alleen materieel volkomen toereikend is en van dag tot dag rijker wordt, maar dat hun ook de volledige vrije ontwikkeling en werkzaamheid van hun lichamelijke en geestelijke aanleg waarborgt — deze mogelijkheid bestaat nu voor de eerste maal, maar zij bestaat

Met inbezitneming van de productiemiddelen door de maatschappij is de warenproductie afgeschaft, en daarmee de heerschappij van het product over de producenten. De anarchie in de maatschappelijke productie wordt vervangen door planmatige, bewuste organisatie. De strijd om het individuele bestaan houdt op. De mens verlaat daarmee in zekere zin pas voorgoed het dierenrijk en komt uit dierlijke bestaansvoorwaarden in waarlijk menselijke. Het geheel van de levensvoorwaarden die de mens omgeven en die hem tot dusver beheersten, komt nu onder heerschappij en controle van de mensen die thans voor het eerst bewuste, werkelijke meesters over de natuur zijn, omdat en doordat zij meesters over hun eigen maatschappelijk leven worden. De wetten van hun eigen maatschappelijk handelen, die vroeger tegenover hen stonden als vreemde, hen beheersende natuurwetten, worden dan door de mensen met volledige kennis van zaken toegepast en zodoende beheerst. De eigen vermaatschappelijking van de mensen, die tot dusver als door de natuur en de geschiedenis opgelegd tegenover hen stond, wordt nu hun eigen, vrije daad. De objectieve, vreemde machten die tot dusverre de geschiedenis beheersten, komen onder de controle der mensen zelf. Eerst van dan af zullen de mensen hun geschiedenis in volle bewustheid zelf maken, eerst van dan af zullen de door hen in beweging gebrachte maatschappelijke oorzaken overwegend en in steeds toenemende mate ook de door hen gewilde uitwerkingen hebben. Het is de sprong van de mensheid uit het rijk van de noodzakelijkheid naar het rijk van de vrijheid.

Deze wereldbevrijdende daad te volbrengen, is de historische roeping van het moderne proletariaat. Haar historische voorwaarden en daarmee haar natuur zelf te doorgronden en zo aan de tot actie geroepen, thans onderdrukte klasse de voorwaarden en de aard van haar eigen actie tot bewustzijn te brengen, dat is de taak van de theoretische uitdrukking der proletarische beweging, van het wetenschappelijk socialisme.

 

 

 

 

III. De productie

 

Na al het voorafgaande zal de lezer er zich niet over verbazen wanneer hij hoort dat de ontwikkeling van de grondtrekken van het socialisme, zoals die in het laatste hoofdstuk beschreven zijn, helemaal niet naar de zin van de heer Dühring zijn. Integendeel. Hij moet deze in de afgrond van al het verdoemde slingeren, bij de overige ‘wanproducten van historische en logische fantastiek’, bij de ‘dolle concepties’, de ‘verwarde nevelachtige voorstellingen’ enz. Voor hem is het socialisme immers volstrekt geen noodzakelijk product van de historische ontwikkeling, en nog veel minder van de grofmateriële, alleen op het voedselvraagstuk gerichte, economische verhoudingen van de tegenwoordige tijd. Hij doet het veel beter. Zijn socialisme is een definitieve waarheid in laatste instantie;

het is ‘het natuurlijke systeem van de maatschappij’, het heeft zijn wortels in een ‘universeel beginsel van de gerechtigheid’

en wanneer hij er niet aan kan ontkomen, van de bestaande toestand, zoals die door de zondige geschiedenis tot dusver geschapen is, notitie te nemen teneinde daarin verbetering te brengen, dan is dat voor het zuivere beginsel van de gerechtigheid eerder als een ongeluk te beschouwen. De heer Dühring schept zijn socialisme, evenals al het andere, met behulp van zijn beroemde twee mannen. In plaats van die beide marionetten, zoals tot nu toe, heer en knecht te laten spelen, worden zij thans eens ter afwisseling gedwongen het stuk van rechtsgelijkheid op te voeren — en het socialisme van Dühring is wat zijn grondslagen betreft gereed.

Daarom spreekt het vanzelf dat de periodieke industriële crisissen bij de heer Dühring volstrekt niet die historische betekenis hebben welke wij daaraan moesten toekennen.

Bij hem zijn de crisissen slechts nu en dan voorkomende afwijkingen van het ‘normale’ en ‘zij geven op zijn hoogst aanleiding tot ‘de ontplooiing van een meer geregelde orde’. De ‘gewone manier’ om de crisissen uit de overproductie te verklaren is voor zijn ‘exactere opvatting’ lang niet voldoende. Weliswaar is zulk een manier voor ‘speciale crisissen op bijzondere gebieden wel toelaatbaar’. Zo bv. ‘een overlading van de boekenmarkt met uitgaven van werken, waarvan plotseling het recht tot ‘herdruk vrij gegeven wordt en die zich tot massale verkoop lenen’.

Nu kan de heer Dühring ongetwijfeld zijn hoofd neerleggen in het rustige besef dat zijn. onsterfelijke werken zulk een wereldramp nooit zullen aanrichten.

Voor de grote crisissen zou het echter niet de overproductie, maar veeleer ‘het achterblijven van de volksconsumptie... de kunstmatig verwekte onderconsumptie... de belemmering van de natuurlijke groei van de volksbehoefte (!) zijn, wat de kloof tussen voorraad en afzet tenslotte in zo kritieke mate verbreedt’.

En voor deze crisistheorie van hem heeft hij dan ook gelukkig een discipel gevonden.

Maar jammer genoeg is de onderconsumptie van de massa, de beperking van de massaconsumptie tot het voor onderhoud en voortplanting noodzakelijke, niet bepaald een nieuw verschijnsel. Zij heeft evenlang bestaan als er uitbuitende en uitgebuite klassen zijn geweest. Zelfs in de historische perioden waarin de toestand van de massa bijzonder gunstig was, zoals bv. in het Engeland van de 15e eeuw, leden zij aan onderconsumptie. Er was geen sprake van dat zij over hun eigen jaarlijks totaalproduct voor eigen gebruik konden beschikken. Wanneer dus de onderconsumptie sinds duizenden jaren een vaststaand historisch verschijnsel is, maar de in crisistijden uitbrekende algemene stagnatie van de afzet, als gevolg van een overschot aan productie, eerst sinds vijftig jaar zichtbaar is geworden, dan is er de gehele vulgair-economische vlakheid van de heer Dühring voor nodig, om de nieuwe botsing niet uit het nieuwe verschijnsel van de overproductie, maar uit het duizenden jaren oude verschijnsel van de onderconsumptie te verklaren. Dat zou net zijn als wanneer men in de wiskunde de verandering van de verhouding tussen twee grootheden, een constante en een veranderlijke, niet daaruit zou willen verklaren, dat de veranderlijke veranderd, maar daaruit, dat de constante dezelfde gebleven is. De onderconsumptie van de massa is een noodzakelijke voorwaarde voor alle maatschappijvormen die op uitbuiting berusten, dus ook voor de kapitalistische. Maar eerst de kapitalistische productievorm brengt het tot crisissen. De onderconsumptie van de massa is dus ook een voorwaarde voor de crisissen en speelt daarin een rol die reeds lang erkend wordt. Maar zij zegt ons even weinig over de oorzaken van het tegenwoordige bestaan van de crisissen, als over die van hun vroegere afwezigheid.

De heer Dühring heeft in het algemeen merkwaardige voorstellingen van de wereldmarkt. Wij hebben gezien hoe hij als echte Duitse scribent werkelijke, speciaal industriële, crisissen door gefantaseerde crisissen op de boekenmarkt van Leipzig, de storm op zee door de storm in een glas water poogt te begrijpen. Verder verbeeldt hij zich dat de huidige ondernemersproductie

‘zich met haar afzet voornamelijk binnen de kring van de bezittende klasse zelf moet bewegen’,

wat hem niet belet slechts zestien bladzijden verder de ijzer- en katoenindustrie op de bekende wijze als de toonaangevende moderne industrieën te presenteren. Dus juist die beide productietakken waarvan het product slechts voor een zeer gering deel in de kringen van de bezittende klassen geconsumeerd wordt en die meer dan alle andere op massaverbruik zijn aangewezen. Waarheen wij ons bij hem ook wenden, niets dan leeg zichzelf tegensprekend heen en weer gepraat. Maar nemen wij een voorbeeld uit de katoenindustrie. Wanneer alleen al in de naar verhouding kleine stad Oldham — een van het dozijn steden met 50 tot 100.000 inwoners rondom Manchester, die zich met de katoenindustrie bezighouden — wanneer in deze stad alléén in de vier jaren 1872 tot 1875 het aantal spoelen die uitsluitend nummer 32 spinnen, van 2,5 op 5 miljoen is gestegen, zodat in één enkele middelgrote stad van Engeland evenveel spoelen één enkel nummer spinnen als de katoenindustrie van geheel Duitsland met inbegrip van de Elzas ook maar bezit; en wanneer de uitbreiding in de overige takken en zetels van de katoenindustrie van Engeland en Schotland in ten naaste bij gelijke verhouding heeft plaatsgevonden, dan behoort er een stevige portie ‘wortelvaste’ driestheid toe om de huidige stokkende afzet van katoenen garens en katoenen weefsels uit de onderconsumptie van de Engelse massa’s te verklaren en niet uit de overproductie van de Engelse katoenfabrikanten .

Maar genoeg. Men strijdt niet met mensen die in de economie zo onwetend zijn om de Leipzigse boekenmarkt voor een markt in de zin van de moderne industrie aan te zien. Wij willen daarom alleen maar vaststellen dat de heer Dühring ons over crisissen verder slechts weet mede te delen dat het daarbij om niets anders gaat

‘dan om een gewoon spel tussen overspanning en verslapping’, dat de te gewaagde speculatie ‘niet alleen uit de planloze opeenhoping van particuliere ondernemingen voortkomt’, maar dat ‘ook de voorbarigheid van de afzonderlijke ondernemers en het gebrek aan particuliere voorzichtigheid tot de oorzaken van het ontstaan van het overmatige aanbod gerekend’ moeten worden.

En wat is op zijn beurt weer de ‘oorzaak van het ontstaan’ van de voorbarigheid en het gebrek aan particuliere voorzichtigheid? Natuurlijk datzelfde gebrek aan planmatigheid van de kapitalistische productie, dat in de planloze opeenhoping van particuliere ondernemingen aan de dag treedt. Maar om de vertaling van een economisch feit in een moreel verwijt voor de ontdekking van een nieuwe oorzaak aan te zien, dat is anders óók geen geringe ‘voorbarigheid’.

Stappen wij hiermee van de crisissen af. Nadat wij in het vorige hoofdstuk hebben aangetoond hoe zij noodzakelijk uit de kapitalistische productiewijze voortkomen en welke betekenis zij hebben als crisissen van deze productiewijze zelf, als dwangmiddelen tot de maatschappelijke omwenteling, hoeven wij aan de oppervlakkigheden van de heer Dühring over dit onderwerp geen woord meer vuil te maken. Laat ons overgaan tot zijn positieve scheppingen, tot het ‘natuurlijke systeem van de maatschappij’.

Dit systeem, opgebouwd op een ‘universeel beginsel der rechtvaardigheid’, waarbij men dus geen rekening hoeft te houden met lastige materiële feiten, bestaat uit een federatie van bedrijfscommunes, tussen welke

‘vrijheid van beweging en de plicht tot het opnemen van nieuwe leden volgens bepaalde wetten en normen van beheer’ bestaat.

De bedrijfscommune zelf is in de eerste plaats

‘een alomvattend schematisme van wereldhistorische draagwijdte’ en staat ver boven de ‘afdwalende halfheden’ bv. van een zekere Marx. Zij bedoelt te zijn ‘een gemeenschap van personen die door hun publiek beschikkingsrecht over een stuk grondgebied en over een groep productieondernemingen tot gezamenlijke werkzaamheid en gezamenlijke deelneming aan de opbrengst verbonden zijn.’ Dit publieke recht is ‘een recht op de zaak... in de zin van een zuiver publicistische verhouding tot de natuur en tot de productieondernemingen’.

Wat dat alles te betekenen heeft, daarover mogen zich de toekomstjuristen van de bedrijfscommune het hoofd breken, wij zullen het niet eens proberen. Slechts zoveel komen wij te weten,

dat het geenszins hetzelfde is als de ‘corporatieve eigendom van arbeidersmaatschappen’ die concurrentie onder elkaar en zelfs loonuitbuiting niet zouden uitsluiten.

Hierbij maakt hij dan terloops de opmerking

dat de voorstelling van een ‘gezamenlijke eigendom’, zoals die ook bij Marx te vinden zou zijn ‘op zijn minst duister en bedenkelijk is, daar deze toekomstvoorstelling altijd de schijn heeft, alsof zij niets anders zou betekenen dan een corporatieve eigendom van arbeidersgroepen’.

Dit is weer een van die vele, bij de heer Dühring gebruikelijke, ‘minderwaardige maniertjes’ van een toedichting ‘voor welks vulgaire eigenschap’ (zoals hij zelf zegt) ‘alleen het vulgaire woord schunnig ten volle passend zou zijn’. Het is net zulk een uit de lucht gegrepen onwaarheid als dat andere bedenksel van de heer Dühring, dat het collectieve eigendom bij Marx een ‘tegelijkertijd individueel en maatschappelijk eigendom’ zou zijn.

In ieder geval schijnt zoveel duidelijk te zijn: het publicistische recht van een bedrijfscommune op haar arbeidsmiddelen is een uitsluitend eigendomsrecht, althans tegenover iedere andere bedrijfscommune en ook tegenover de maatschappij en de staat.

Het mag echter niet de macht hebben ‘naar buiten... afsluitend op te treden, want tussen de verschillende bedrijfscommunes bestaat bewegingsvrijheid en de verplichting om nieuwe leden op te nemen volgens bepaalde wetten en normen van beheer... gelijk... het behoren tot een politieke organisatie in de tegenwoordige tijd en het deelnemen aan economische gemeentelijke instellingen’.

Er zullen dus rijke en arme bedrijfscommunes zijn en de vereffening vindt plaats door de aandrang van de bevolking naar de rijke en de uittocht uit de arme communes. Wanneer de heer Dühring dus de concurrentie in producten tussen de afzonderlijke communes door nationale organisatie van de handel wil afschaffen, dan laat hij de concurrentie in producenten rustig voortbestaan. De dingen worden aan de concurrentie onttrokken, de mensen blijven eraan onderworpen.

Intussen is ons het ‘publicistische recht’ nog lang niet duidelijk. Twee bladzijden verder verklaart de heer Dühring ons:

De handelscommune strekt zich ‘vooreerst zover uit als het politiek-maatschappelijke gebied, waarvan de betrokkenen tot een rechtseenheid zijn samengevat en in die eigenschap de beschikking hebben over de gehele bodem, de woningen en de productieondernemingen’.

Het is dus toch niet de afzonderlijke commune die de beschikking heeft, maar de gehele natie. Het ‘publieke recht’, het ‘recht op de zaak’, de ‘publicistische verhouding tot de natuur’, enz. is dus niet alleen ‘op zijn minst duister en bedenkelijk’, het is in directe tegenspraak met zichzelf. Het is inderdaad, voor zover althans iedere afzonderlijke bedrijfscommune eveneens een rechtssubject is, ‘een tegelijk individueel en maatschappelijk eigendom’ en deze laatste ‘nevelachtige tweeslachtigheid’ is wederom alleen bij de heer Dühring zelf te vinden.

In ieder geval beschikt de bedrijfscommune over haar arbeidsmiddelen ten dienste van de productie. Hoe gaat deze productie in haar werk? Naar alles wat wij van de heer Dühring te weten komen, geheel in de oude stijl, behalve dat in de plaats van de kapitalist de commune optreedt. Ten hoogste krijgen wij te horen dat de beroepskeus pas nu voor ieder persoonlijk vrij wordt, en dat er gelijke plicht tot arbeiden bestaat.

De grondvorm van alle tot dusver bestaande productie is de verdeling van de arbeid, enerzijds binnen de maatschappij, anderzijds binnen iedere afzonderlijke productieonderneming. Hoe staat de ‘socialiteit’ van de heer Dühring daar tegenover?

De eerste grote maatschappelijke arbeidsverdeling is de scheiding van stad en land.

Volgens de heer Dühring is dit antagonisme

‘uit de aard der zaak onvermijdelijk’. Maar ‘het is in het algemeen bedenkelijk te menen dat de kloof tussen landbouw en industrie... niet te dempen zou zijn. Inderdaad bestaat er tot op zekere hoogte al een bestendige overgang die in de toekomst nog belangrijk groter belooft te worden’. Reeds nu zouden zich in de akkerbouw en het landbouwbedrijf twee industrieën hebben ingeschoven: ‘in de eerste plaats de brandewijnstokerij, in de tweede plaats de fabricage van beetwortelsuiker... de spiritusfabricage is van zulk een betekenis dat men haar eer zal onderschatten dan overschatten’. En ‘indien het mogelijk zou zijn, dat er een grotere kring van industrieën, tengevolge van bepaalde ontdekkingen zou ontstaan, zodanig dat men gedwongen zou zijn het bedrijf zijn plaats op het land aan te wijzen en het onmiddellijk bij de productie van grondstoffen te doen aansluiten’, dan zou daardoor de tegenstelling tussen stad en land verzwakt en ‘de breedst denkbare grondslag voor de ontwikkeling van de beschaving verkregen worden’. Intussen ‘zou iets dergelijks toch ook nog langs een andere weg te bereiken zijn. Behalve de technische noodzakelijkheden komen meer en meer de sociale behoeften in aanmerking en wanneer deze voor de groeperingen van de menselijke werkzaamheden de toon gaan aangeven, dan zal het niet meer mogelijk zijn de voordelen, die voortspruiten uit een stelselmatige nauwe verbinding tussen de werkzaamheden op het platteland en die van de technische verwerking van de grondstoffen, te verwaarlozen,’

Nu komen in de bedrijfscommune immers juist de sociale behoeften in aanmerking — zal deze zich dus haasten van de bovengenoemde voordelen van de vereniging van landbouw en industrie ten volle gebruik te maken? De heer Dühring zal dus wel niet in gebreke blijven ons over het standpunt van de bedrijfscommune in dit vraagstuk zijn ‘meer exacte opvattingen’ in de brede, zoals hij dat zo gaarne doet, mee te delen? De lezer die dit mocht menen zou bedrogen uitkomen. De bovenstaande magere verlegenheidsgemeenplaatsen die weer in het jeneverstokende en suikerbietenverwerkende geldingsgebied van het Pruisisch Landrecht in een kring ronddraaien — dat is alles wat de heer Dühring ons over de tegenstelling tussen stad en land voor het heden en de toekomst te zeggen heeft.

Gaan wij nu tot de arbeidsverdeling in bijzonderheden over. Hier is de heer Dühring al iets ‘exacter’. Hij spreekt van

‘een persoon die zich met één soort van arbeid uitsluitend moet bezighouden’. Indien het de invoering van een nieuwe tak van productie betreft, dan bestaat de vraag eenvoudig daarin of men een bepaald aantal existenties, die zich aan de productie van één artikel wijden moeten, met de consumptie die zij nodig hebben (!) als het ware zou kunnen scheppen. In de socialiteit zal een willekeurige tak van productie ‘niet veel bevolking in beslag nemen’. En ook in de socialiteit komen ‘zich naar de levenswijze onderscheidende, economische variëteiten’ van mensen voor.

Volgens deze voorstelling blijft binnen de sfeer van de productie zo ongeveer alles bij het oude. Weliswaar heerst in de tot dusver bestaande maatschappij een ‘verkeerde arbeidsverdeling’, waarin die echter bestaat en waardoor zij in de bedrijfscommune vervangen moet worden, daarover krijgen wij slechts het volgende te horen:

‘Wat het vraagstuk van de verdeling van de arbeid zelf betreft hebben wij reeds vroeger gezegd dat dit als afgedaan kan worden beschouwd, zodra er rekening gehouden is met de verschillende natuurlijke omstandigheden en persoonlijke bekwaamheden.’

Naast de bekwaamheden geldt ook nog de persoonlijke neiging:

‘De prikkel om zich op te werken tot werkzaamheden waarbij meer bekwaamheid en scholing vereist wordt, zou uitsluitend berusten op de neiging tot de betreffende werkzaamheid en op de vreugde bij de uitoefening juist van deze en van geen andere zaak.’ (Uitoefening van een zaak!)

Hiermee wordt echter in de socialiteit, tot wedijver aangemoedigd en zal

‘de productie zelf interessant worden en het stompzinnige bedrijf, wat de productie slechts waardeert als middel tot winst maken, zal niet langer het overheersende kenmerk van de toestanden zijn’.

In iedere maatschappij met een natuurlijke elementaire ontwikkeling van de productie — en daartoe behoort de tegenwoordige — beheersen niet de producenten de productiemiddelen, maar de productiemiddelen de producenten. In zulk een maatschappij slaat iedere nieuwe hefboom van de productie noodzakelijkerwijs om in een nieuw middel tot knechting van de producenten door de productiemiddelen. Dat geldt in de eerste plaats voor de hefboom van de productie, die tot aan de invoering van de grote industrie verreweg de machtigste was — nl. de verdeling van de arbeid. Al dadelijk de eerste grote arbeidsverdeling, de scheiding tussen stad en land, veroordeelde de landbevolking tot duizenden jaren lange afstomping en de stedelingen tot knechting van een elk door zijn eigen handwerk. Zij vernietigde de grondslag voor de geestelijke ontwikkeling van de een en voor de lichamelijke van de ander. Wanneer de boer zich de bodem en de stedeling zich zijn handwerk toe-eigent, dan betekent dat evengoed dat de bodem zich van de boer en het handwerk zich van de handwerker meester maakt. Doordat de arbeid verdeeld wordt, wordt ook de mens verdeeld. Aan de volle ontwikkeling van een enkele werkzaamheid worden alle overige lichamelijke en geestelijke mogelijkheden ten offer gebracht. Deze verminking van de mens neemt in gelijke mate toe met de arbeidsverdeling die in de manufactuur het toppunt van haar ontwikkeling bereikt. De manufactuur splitst het handwerk in zijn afzonderlijke handgrepen, legt elke daarvan aan een afzonderlijke arbeider als levenstaak op en ketent hem zo levenslang aan een bepaald onderdeel van het werk en aan een bepaald werktuig. ‘Zij verminkt de arbeider tot een abnormaliteit, doordat zij zijn speciale bedrevenheid als in een broeikas tot ontwikkeling brengt door het onderdrukken van een wereld van productieve instincten en mogelijkheden... Het individu zelf wordt verdeeld, het wordt tot het automatische werktuig van een onderdeel van de arbeid gemaakt’ (Marx)  — een werktuig dat in vele gevallen letterlijk eerst door de lichamelijke en geestelijke verminking van de arbeider zijn volmaaktheid bereikt. De machinerie van de grote industrie maakt de arbeider niet slechts tot machine, maar zelfs tot niets dan een aanhangsel van de machine. ‘Het levenslang gespecialiseerd zijn in het hanteren van een werktuig voor een speciale bewerking wordt tot het levenslang gespecialiseerd zijn als een stuk machineonderdeel. De machinerie wordt misbruikt om de arbeider zelf van kindsbeen af tot een onderdeel van een deel van een machine te maken’ (Marx). En niet alleen de arbeiders, ook de klassen die de arbeiders direct of indirect uitbuiten worden tengevolge van de arbeidsverdeling door het instrument van hun werkzaamheid geknecht. De geestelijk dorre bourgeois door zijn eigen kapitaal en zijn eigen jacht naar winst, de jurist door zijn verstarde rechtsvoorstellingen die als een zelfstandige macht over hem heersen. De ‘beschaafde standen’ in het algemeen door de talrijke provinciale bekrompenheden en eenzijdigheden, door hun eigen fysieke en geestelijke kortzichtigheid, door hun verminking tengevolge van een op specialisering gerichte opvoeding en door levenslange gebondenheid aan dat bepaalde speciale vak — ook dan, wanneer dat speciale vak in zuiver nietsdoen bestaat.

De utopisten hadden al een volkomen duidelijk inzicht in de uitwerkingen van de arbeidsverdeling, in het verkwijnen enerzijds van de arbeider, anderzijds van de beroepswerkzaamheid zelf, die tot levenslange eentonige mechanische herhaling van een en dezelfde handeling beperkt wordt. De opheffing van de tegenstelling tussen stad en land wordt zowel door Fourier als door Owen als de eerste en voornaamste voorwaarde tot opheffing van de oude arbeidsverdeling in het algemeen geëist. Bij beiden moet de bevolking zich in groepen van zestienhonderd tot drieduizend over het land verdelen; elke groep bewoont in het centrum van haar grondgebied een reusachtig paleis met gemeenschappelijke huishouding. Fourier spreekt weliswaar hier en daar van steden, maar die bestaan zelf weer slechts uit vier of vijf van zulke dichter bij elkaar liggende woonpaleizen. Bij beiden neemt ieder lid van de maatschappij zowel aan de landbouw als aan de industrie deel. Bij Fourier spelen in de industrie handwerk en manufactuur, bij Owen echter, al de grote industrie de hoofdrol, ja, Owen verlangt zelfs reeds de invoering van de stoomkracht en machines in de huishoudelijke arbeid. Maar zowel op het gebied van de landbouw als op dat van de industrie eisen beiden een zo groot mogelijke afwisseling in het werk van ieder afzonderlijk en in overeenstemming daarmee de opleiding van de jeugd voor een zo veelzijdig mogelijke technische werkzaamheid. Bij beiden moet de mens zich universeel ontwikkelen door universele praktische bezigheid en moet de arbeid de aantrekkingskracht die zij door de arbeidsverdeling verloren had, herwinnen. In de eerste plaats door deze afwisseling en de daaraan beantwoordende korte duur van de aan elke afzonderlijke arbeid gewijde ‘zitting’, om een uitdrukking van Fourier te gebruiken.  Beiden, Fourier en Owen, zijn een heel eind verheven boven de door de heer Dühring van de uitbuitende klassen overgenomen denkwijze, die de tegenstelling tussen stad en land als naar de aard van de zaak onvermijdelijk beschouwt, die bevangen is in de bekrompen opvatting, alsof een aantal ‘existenties’ onder alle omstandigheden tot de productie van een artikel veroordeeld zou moeten zijn en die de naar hun levenswijze gescheiden ‘economische variëteiten’ van mensen vereeuwigen wil, nl. van hen die vreugde beleven aan een bepaalde en aan geen andere bezigheid, die dus zo ver gezonken zijn, dat zij zich over hun eigen knechtschap en eenzijdigheid verheugen. Vergeleken met de grondgedachten van zelfs de meest vermetele fantasieën van de ‘idioot’ Fourier, vergeleken zelfs met de armzalige ideeën van de ‘ruwe, matte en armzalige’ Owen, ziet de zelf nog geheel door de arbeidsverdeling geknechte heer Dühring er als een verwaande dwerg uit.

Doordat de maatschappij zich tot meesteres van alle productiemiddelen maakt, teneinde ze volgens een maatschappelijk plan te gebruiken, vernietigt zij de tot dusver bestaande knechtschap van de mensen onder hun eigen productiemiddelen. De maatschappij kan zichzelf natuurlijk niet bevrijden, zonder dat ieder individu bevrijd wordt. De oude productiewijze moet dus van de grond af omgewenteld worden en vooral de oude arbeidsverdeling moet verdwijnen. In plaats daarvan moet een organisatie van de productie komen, waarin enerzijds geen enkele persoon zijn aandeel aan de productieve arbeid, deze natuurlijke voorwaarde voor het menselijke bestaan, op een ander kan afwentelen; waarin anderzijds de productieve arbeid, in plaats van een middel tot knechting, een middel tot bevrijding van de mensen wordt, doordat zij aan een ieder de gelegenheid biedt om al zijn vermogens, zowel lichamelijke als geestelijke, in alle richtingen te ontwikkelen en in praktijk te brengen, en waarbij zij daardoor van een last een lust wordt.

Dit is vandaag geen fantasie, geen vrome wens meer. Bij de tegenwoordige ontwikkeling van de productiekrachten is de toeneming van de productie, waarmee de vermaatschappelijking van de productiekrachten zelf reeds gepaard zal gaan, de opruiming van de uit de kapitalistische productiewijze voortvloeiende remmende en storende factoren, van de verspilling van producten en productiemiddelen, reeds voldoende om bij algemene deelneming aan de arbeid de arbeidstijd op een, naar huidige opvatting, korte duur terug te brengen.

De opheffing van de oude arbeidsverdeling is evenmin een eis die slechts op kosten van de productiviteit van de arbeid zou kunnen worden doorgezet. Integendeel. Door de grote industrie is zij tot een voorwaarde voor de productie zelf geworden. ‘Het machinale bedrijf doet de noodzakelijkheid te niet om op de wijze van de manufactuur de verdeling van de arbeidsgroepen over de verschillende machines duurzaam te handhaven door voortdurend dezelfde arbeider voor dezelfde functie te gebruiken. Daar de beweging van de fabriek, als geheel genomen, niet van de arbeider maar van de machine uitgaat, is een voortdurende wisseling van personen mogelijk zonder dat daardoor het arbeidsproces onderbroken wordt... En tenslotte, de snelheid waarmee de arbeid aan de machine op jeugdige leeftijd wordt aangeleerd, maakt het eveneens overbodig een bijzondere klasse van arbeiders uitsluitend tot machinearbeiders op te leiden’  Terwijl echter de wijze waarop het kapitalisme de machine toepast, de oude arbeidsverdeling met haar verstarde particulariteiten verder in stand moet houden, hoewel deze technisch overbodig is geworden, komt de machinerie zelf tegen dit anachronisme in opstand. De technische grondslag van de grote industrie is revolutionair. ‘Door middel van machinerie, chemische processen en andere methoden wentelt zij voortdurend, tegelijk met de technische grondslag van de productie, ook de functies van de arbeider en de maatschappelijke combinaties van het arbeidsproces om. Daarmede revolutioneert zij evenzo voortdurend de arbeidsverdeling in de maatschappij zelf en werpt onophoudelijk massa’s kapitaal en arbeiders van de ene productietak naar de andere. Naar haar aard eist de grote industrie daarom wisseling van arbeid, verandering in de functies, alzijdige beweeglijkheid van de arbeider... We hebben gezien hoe deze absolute tegenstrijdigheid kwaadaardig tot uiting komt... in een onophoudelijk offeren van de arbeidersklasse, in de meest mateloze verkwisting van arbeidskrachten en in de verwoestingen die het gevolg zijn van de maatschappelijke anarchie. Dat is de negatieve zijde. Maar wanneer die wisseling van arbeid zich thans slechts doet gelden als een overweldigende natuurwet en zich doorzet met de blindelings verwoestende werking van een natuurwet die overal op hindernissen stuit, dan maakt de grote industrie het zelf door haar catastrofen tot een kwestie van leven of dood, om de wisseling van de arbeid en derhalve de grootst mogelijke veelzijdigheid van de arbeider als een algemene, maatschappelijke productiewet te aanvaarden en de verhoudingen in overeenstemming te brengen met een normale verwerkelijking daarvan. Zij maakt het tot een kwestie van leven of dood, om de monsterachtige wantoestand van een ellendige, voor de wisselende uitbuitingsbehoeften van het kapitaal in reserve gehouden, beschikbare arbeidersbevolking te vervangen door een toestand, waarbij de mens geheel beschikbaar is voor de wisselende eisen die de arbeid stelt, om in plaats van de eenzijdige mens, alleen bestemd één enkele ondergeschikte maatschappelijke functie te vervullen, de alzijdig ontwikkelde individu te stellen voor wie verschillende maatschappelijke functies evenzoveel elkaar afwisselende werkzaamheden betekenen’. (Marx, Het Kapitaal

Doordat de grote industrie ons geleerd heeft de overal in meerdere of mindere mate voorkomende molecuul beweging om te zetten in massabeweging voor technische doeleinden, heeft zij de industriële productie in belangrijke mate van plaatselijke beperkingen bevrijd. De waterkracht was plaatselijk gebonden, de stoomkracht is vrij. Terwijl de waterkracht noodgedwongen aan het platteland gebonden is, is de stoomkracht dat volstrekt niet aan de stad alleen. Het is de kapitalistische toepassing ervan, die haar hoofdzakelijk in de steden concentreert en die fabrieksdorpen tot fabriekssteden maakt. Maar daarmee ondermijnt zij tegelijkertijd de voorwaarden voor haar eigen bedrijf. Een eerste eis voor de stoommachine en voornaamste eis van bijna alle takken van de grote industrie is betrekkelijk zuiver water. Maar de fabrieksstad verandert al het water in stinkend afvalwater. Hoezeer dus de concentratie in de stad een hoofdvoorwaarde voor de kapitalistische productie is, evenzeer is het steeds het streven van elke industriële kapitalist uit de door haar geschapen grote steden weg te gaan en met zijn bedrijf naar het platteland te trekken. Dit proces kan men tot in bijzonderheden in de districten van de textielindustrie van Lancashire en Yorkshire bestuderen. De kapitalistische grote industrie brengt daar steeds nieuwe grote steden voort, doordat zij voortdurend van de stad naar het land vlucht. Iets dergelijks zien wij in de districten van de metaalindustrie, waar ten dele andere oorzaken dezelfde uitwerking hebben.

Deze nieuwe vicieuze cirkel, deze telkens weer opkomende tegenstrijdigheid van de moderne industrie op te heffen, daartoe is weer alleen de opheffing van haar kapitalistische karakter in staat. Alleen een maatschappij, die haar productiekrachten op grond van een alomvattend groot plan in harmonische samenhang weet te brengen, kan aan de industrie veroorloven dat zij zich zo over het gehele land verdeelt, als voor haar eigen ontwikkeling en voor het behoud, resp. voor de ontwikkeling van de overige elementen van de productie, het meest passend is.

De opheffing van de tegenstelling tussen stad en land is dientengevolge niet alleen mogelijk, zij is tot een directe noodzakelijkheid van de industriële productie zelf geworden. Zoals zij eveneens een noodzakelijkheid voor de landbouwproductie en bovendien voor de openbare gezondheidszorg is geworden. Alleen door de samensmelting van stad en land kan aan de huidige lucht-, water- en bodemvergiftiging een einde worden gemaakt, slechts daardoor kan voor de thans in de steden wegkwijnende massa’s bereikt worden dat hun afvalstoffen voor de groei van planten in plaats van voor het verwekken van ziekten zullen dienen.

De kapitalistische industrie heeft zich al betrekkelijk onafhankelijk gemaakt van haar gebondenheid aan de plaats waar haar grondstoffen geproduceerd worden. De textielindustrie verwerkt in hoofdzaak geïmporteerde grondstoffen. Spaans ijzererts wordt in Engeland en Duitsland, Spaans en Zuid-Amerikaans kopererts wordt in Engeland verwerkt. Ieder kolengebied voorziet tot ver buiten zijn grenzen een elk jaar groter wordende industriële omgeving van brandstof. Aan heel de Europese kust worden stoommachines met Engelse, hier en daar met Duitse en Belgische kolen, gedreven. De maatschappij die van de beperkingen van de kapitalistische productie bevrijd is, kan nog veel verder gaan. Doordat zij een geslacht van alzijdig ontwikkelde producenten voortbrengt, die de wetenschappelijke grondslagen van de gehele industriële productie begrijpen en van wie ieder een gehele reeks productietakken van begin tot eind praktisch heeft doorgewerkt, brengt zij een nieuwe productiekracht voort, die met glans opweegt tegen de transportarbeid van de over grotere afstand aan te voeren grond- of brandstoffen.

De opheffing van de scheiding tussen stad en land is dus geen utopie, ook niet in zoverre zij de zo gelijkmatig mogelijke verdeling van de grote industrie over het gehele land tot voorwaarde heeft. De civilisatie heeft ons weliswaar in de grote steden een erfenis nagelaten, waarvan men zich slechts door het besteden van veel tijd en moeite zal kunnen ontdoen. Maar opgeruimd moeten en zullen zij worden, ook al zal dit een langdurig proces zijn. Welk lot er ook voor het Duitse rijk van Pruisische nationaliteit weggelegd mag zijn, Bismarck kan ten grave dalen in het trotse besef dat zijn lievelingswens — de ondergang van de grote steden — stellig vervuld wordt.

En nu beoordelen men de kinderlijke voorstelling van de heer Dühring die meent, dat de maatschappij zich van alle productiemiddelen meester kan maken, zonder de oude wijze van produceren grondig om te wentelen en in de eerste plaats de oude arbeidsverdeling af te schaffen; die meent dat alles in orde is, zodra slechts

‘met de natuurlijke omstandigheden en de persoonlijke bekwaamheden rekening wordt gehouden’ —

waarbij dan evenals voorheen hele massa’s existenties onder de productie van een artikel worden geknecht, gehele ‘bevolkingen’ door één enkele tak van productie in beslag worden genomen en de mensheid evenals voorheen in een aantal op verschillende wijze verminkte ‘economische variëteiten’ verdeeld wordt, zoals bv. in ‘kruiers’ en ‘architecten’. De maatschappij zou heerseres over alle productiemiddelen moeten worden, opdat iedere individu voort zal gaan de slaaf van zijn productiemiddel te zijn en hem alleen de keus overblijft van welk productiemiddel! En men lette ook op de manier waarop de heer Dühring de scheiding tussen stad en land voor ‘naar de aard van de zaak onvermijdelijk’ houdt en alleen een lapmiddeltje ontdekken kan in de specifiek Pruisische combinatie van de bedrijfstakken der jenever- en beetwortelsuikerfabricage. Hoe hij de verdeling van de industrie over het land afhankelijk maakt van de een of andere toekomstige ontdekking en van de noodzakelijkheid het bedrijf direct te doen aansluiten bij de winning van grondstoffen — grondstoffen die reeds nu op steeds grotere afstand van hun plaats van oorsprong worden verbruikt! En tenslotte poogt de heer Dühring zijn aftocht te dekken met de verzekering dat de sociale behoeften op de duur de verbinding van landbouw en industrie ook wel tegen de economische overwegingen in zouden doorzetten, alsof daarmee een economisch offer zou worden gebracht!

Het is waar, om in te zien dat de revolutionaire elementen die aan de oude arbeidsverdeling en daarmee aan de scheiding tussen stad en huid een einde maken en de gehele productie omwentelen zullen, dat deze elementen reeds in de productievoorwaarden van de moderne grote industrie in kiem aanwezig zijn en door de huidige kapitalistische productiewijze in hun ontwikkeling belemmerd worden, daarvoor moet men een enigszins wijdere horizon hebben dan het rechtsgebied van het Pruisische Landrecht. Het land waar jenever en bietsuiker de toonaangevende industrieproducten zijn en waar men de handelscrisissen op de boekenmarkt bestuderen kan. Daarvoor moet men de werkelijke grote industrie in haar geschiedenis en in haar tegenwoordige toestand kennen, en wel allereerst in dat land dat haar oorsprongsland is en waar zij uitsluitend haar klassieke vormen heeft ontwikkeld. En dan zal men er ook niet aan denken het moderne wetenschappelijke socialisme te willen vulgariseren en vernederen tot het specifiek Pruisische socialisme van de heer Dühring.

 

 

 

 

IV. De verdeling

 

Wij hebben reeds vroeger gezien dat Dührings economie neerkwam op de stelling: de kapitalistische productiewijze is heel goed en kan blijven bestaan, maar de kapitalistische verdelingswijze is uit den boze en moet verdwijnen. Nu hebben wij er ons van overtuigd, dat de ‘socialiteit’ van de heer Dühring niets anders is dan het doortrekken van deze stelling in de fantasie. Het bleek inderdaad dat mijnheer Dühring tegen de productiewijze van de kapitalistische maatschappij als zodanig bijna niets weet in te brengen, dat hij aan de oude arbeidsverdeling op alle wezenlijke punten wil vasthouden en derhalve over de productie in zijn bedrijfscommune ook nauwelijks een woord weet te zeggen. De productie is stellig een gebied waar men met tastbare feiten te doen heeft, waar dus de ‘rationele fantasie’ aan de wiekslag van haar vrije ziel maar weinig ruimte mag laten, omdat het gevaar voor blamage te zeer voor de hand ligt. De verdeling echter, die naar de opvatting van de heer Dühring immers met de productie helemaal niet samenhangt, die volgens hem niet door de productie, maar door een zuivere wilsdaad bepaald wordt — die verdeling is het gebied dat voorbestemd is voor zijn ‘sociale alchimiekunsten’.

Tegenover gelijke plicht tot productie staat een gelijk recht op consumptie, verwerkelijkt in de bedrijfscommune en in de handelscommune, die een hele reeks van bedrijfscommunes omvat. Hier wordt ‘arbeid... naar de maatstaf van gelijke waardering tegen andere arbeid geruild... dienst en wederdienst vormen hier werkelijke gelijkheid van arbeidsgrootheden’. En wel geldt deze ‘gelijkstelling van de menselijke krachten ook wanneer de afzonderlijke personen meer of minder, of toevallig in het geheel niets gepresteerd hebben’. Want men kan alle verrichtingen, in zoverre daaraan tijd en kracht besteed wordt, als arbeidsprestatie opvatten, — dus ook kegelen en wandelen. Deze ruil vindt echter niet plaats tussen de individuen, daar de gemeenschap de bezitster is van alle productiemiddelen, dus ook van alle producten, maar zij heeft plaats enerzijds tussen iedere bedrijfscommune en haar afzonderlijke leden, anderzijds tussen de verschillende bedrijfs- en handelscommunes zelf. ‘In het bijzonder zullen de afzonderlijke bedrijfscommunes binnen hun gebied de kleinhandel door een volkomen planmatige omzet vervangen.’ Evenzo wordt de handel in het groot georganiseerd: ‘Het systeem van de vrije economische maatschappij... blijft dientengevolge een grote ruilinstelling waarvan de transacties plaatshebben op de door de edele metalen aangegeven grondslagen. Het is het inzicht in de onvermijdelijke noodzakelijkheid van deze fundamentele eigenschap, waardoor zich ons schema onderscheidt van al die duisterheden die ook de meest rationele vormen van de thans in omloop zijnde socialistische voorstellingen nog aankleven’.

Voor deze ruil moet de bedrijfscommune, daar zij zich als eerste de maatschappelijke producten toe-eigent, op grond van de gemiddelde productiekosten ‘voor elke soort van artikelen een uniforme prijs’ vaststellen. ‘Wat tegenwoordig de zogenaamde eigen kosten van de productie... voor waarde en prijs betekenen... dat zullen (in de socialiteit)... de schattingen van de aan te wenden hoeveelheid arbeid tot stand brengen. Deze schattingen, die zich naar het beginsel van het ook in economisch opzicht gelijke recht van iedere persoonlijkheid tenslotte naar het aantal deelnemende personen richten, zullen de prijsverhouding opleveren, die zowel aan de natuurlijke verhoudingen van de productie als aan het maatschappelijke realisatierecht beantwoordt. De productie van de edele metalen zal, ongeveer zoals thans, de maatstaf voor de waardebepaling van het geld blijven leveren... Hieruit ziet men dat in de veranderde maatschappelijke constitutie de bepalende factor en de maatstaf die in de eerste plaats gelden voor de waarden en daarmee ook voor de verhoudingen, waarin de wederzijdse ruil van de producten plaatsvindt, geenszins verloren gaan, maar pas werkelijk bereikt worden.’

De beroemde ‘absolute waarde’ is eindelijk werkelijkheid geworden.

Aan de andere kant zal de commune nu echter ook zijn afzonderlijke leden in staat moeten stellen om de geproduceerde artikelen van haar te kopen, en wel doordat zij aan ieder een bepaald bedrag per dag, week of maand, dat voor ieder gelijk moet zijn, uitbetaalt als schadeloosstelling voor geleverde arbeid. ‘Het speelt daarom van het standpunt der socialiteit geen rol, of men zegt dat het arbeidsloon verdwijnen, of dat het de enige vorm van economische inkomsten worden moet.’ Gelijke lonen en gelijke prijzen echter brengen ‘de kwantitatieve, zij het niet tevens de kwalitatieve, gelijkheid van de consumptie’ tot stand, en daarmee is ‘het universele beginsel van de rechtvaardigheid’ economisch verwerkelijkt.

Over de bepaling van de hoogte van dit toekomstloon zegt de heer Dühring ons slechts,

dat ook hier, evenals in alle andere gevallen, ‘gelijke arbeid tegen gelijke arbeid’ geruild wordt. Voor arbeid van zes uren moet dientengevolge een som geld betaald worden, die eveneens de arbeid van zes uren belichaamt.

Intussen is ‘het universele beginsel van de rechtvaardigheid’ geenszins te verwarren met die grove gelijkmakerij die de burger zo vijandig doet staan tegen elk communisme, vooral tegen het primitieve arbeiderscommunisme. Het is lang niet zo onverbiddelijk, als het wel graag zou willen schijnen.

De ‘principiële gelijkheid van economische rechten sluit niet uit, dat boven wat de rechtvaardigheid eist, vrijwillig nog iets toegekend wordt als uitdrukking van bijzondere waardering en eerbetoon... De maatschappij eert zichzelf, wanneer zij hogere soorten van prestaties door een matige toeslag op de consumptie onderscheidt’.

En ook de heer Dühring eert zichzelf doordat hij, de onschuld der duiven met de list der slangen verenigend, zo vol ontroerende zorg is voor de matige consumptie toeslag aan de Dührings van de toekomst.

Hiermee is de kapitalistische verdelingswijze voorgoed van de baan. Want

‘gesteld, dat iemand onder de door ons aangeduide omstandigheden werkelijk een overschot aan particuliere middelen tot zijn beschikking had, dan zou hij toch niet in staat zijn daarvan als kapitaal gebruik te maken. Geen enkel mens of groep zou als afnemer daarvan voor de productie kunnen optreden anders dan door ruil of koop, en nooit zou het geval ontstaan dat hem daarvoor rente of winst betaald wordt’. Hierdoor wordt ‘een erflating overeenkomstig het principe van gelijkheid’ toelaatbaar. Die is onvermijdelijk, want ‘een zekere erflating moet altijd met het familiebeginsel gepaard gaan’. Ook het erfrecht zal ‘tot geen ophoping van grote vermogens kunnen leiden, doordat de vorming van eigendom hier... in het bijzonder nooit meer het bezit van productiemiddelen en een leven van rente tot doel kan hebben’.

Hiermee zou de bedrijfscommune met goed gevolg tot stand gebracht zijn. Laten wij nu eens nagaan, hoe zij huishoudt.

Wij nemen aan dat alle veronderstellingen van de heer Dühring volkomen verwerkelijkt zijn. Wij veronderstellen dus dat de bedrijfscommune aan elk van haar leden voor zes uren arbeid per dag een geldsom uitbetaalt die eveneens de arbeid van zes uren belichaamt. Zeggen wij: twaalf mark. Ook gaan wij ervan uit dat de prijzen nauwkeurig aan de waarden beantwoorden, en dus volgens onze veronderstellingen slechts de kosten van de grondstoffen, de slijtage van de machinerie, het verbruik van arbeidsmiddelen en het betaalde arbeidsloon omvatten. Een bedrijfscommune van honderd arbeidende leden produceert dan dagelijks waren ter waarde van 1200 mark, per jaar, bij driehonderd arbeidsdagen, 360.000 mark en zij betaalt diezelfde som aan haar leden uit, van wie ieder met zijn aandeel van 12 mark per dag of 3600 mark per jaar kan doen wat hij wil. Aan het eind van het jaar en aan het einde van honderd jaren is de commune niet rijker dan aan het begin. Zij zal in die tijd niet eens in staat zijn de matige toeslag op de consumptie voor de heer Dühring op te brengen indien zij niet haar stamkapitaal van productiemiddelen wil aantasten. De accumulatie is helemaal over het hoofd gezien. Nog erger: daar de accumulatie een maatschappelijke noodzakelijkheid is en het voortbestaan van het geld een gemakkelijke vorm van accumulatie inhoudt, leidt de organisatievorm van de bedrijfscommune direct tot particuliere accumulatie van haar leden en daarmee tot haar eigen verderf.

Hoe kan men aan deze tweespalt in de natuur van de bedrijfscommune ontkomen? Zij zou haar toevlucht kunnen nemen tot de geliefde ‘belasting’, tot de prijstoeslag en haar jaarproductie in plaats van voor 360.000 voor 480.000 mark verkopen. Daar echter alle andere bedrijfscommunes in dezelfde toestand verkeren, en dus hetzelfde zouden moeten doen, zou ieder bij ruiling met de andere een even grote ‘belasting’ moeten betalen als zij opstrijkt, en zou de ‘cijns’ dus alleen haar eigen leden treffen.

Of wel, zij gaat kort en bondig te werk, door aan ieder lid voor arbeid van zes uur het product van minder dan zes uur, zeggen wij van vier arbeidsuren te betalen, dus in plaats van twaalf, slechts acht mark per dag, daarbij echter de warenprijzen op dezelfde hoogte te laten. In dit geval doet zij direct en openlijk, wat zij in het vorige geval heimelijk en langs een omweg probeert: zij vormt meerwaarde in de zin van Marx tot een jaarlijks bedrag van 120.000 mark, door haar leden op geheel kapitalistische wijze hun prestatie beneden de waarde te betalen en hun bovendien de waren, die zij alleen bij haar kunnen kopen, tegen de volle waarde in rekening te brengen. De bedrijfscommune kan dus alleen tot een reservefonds komen, door zich te ontpoppen als het ‘veredelde’ trucksysteem  op de meest brede communistische grondslag.

Een van beide dus: óf de bedrijfscommune ruilt ‘gelijke arbeid tegen gelijke arbeid’ en dan kan niet zij, maar dan kunnen alleen de particulieren een fonds tot instandhouding en uitbreiding van de productie accumuleren, óf zij vormt zulk een fonds en dan ruilt zij niet ‘gelijke arbeid tegen gelijke arbeid’.

Zo ziet het eruit met de inhoud van de ruil in de bedrijfscommune. En hoe staat het met de vorm? De ruil geschiedt door middel van metaalgeld en de heer Dühring gaat niet weinig prat op de ‘wereldhistorische draagwijdte’ van deze verbetering. Maar in het verkeer tussen de commune en haar leden is dat geld in ‘t geheel geen geld, fungeert het in ‘t geheel niet als geld. Het dient louter en alleen als arbeidscertificaat, het geeft, om met Marx te spreken, ‘slechts het individuele aandeel van de producent aan de gemeenschappelijke arbeid en zijn individuele recht op het voor de consumptie bestemde deel van het gemeenschappelijke product’ aan, en in deze functie is het ‘evenmin “geld” als bv. een theaterbiljet’ . Het kan zodoende door iedere willekeurige optekening worden vervangen, zoals Weitling het door een ‘verrekenboek’ vervangt, waarin op de ene bladzijde de arbeidsuren en op de andere het daarvoor genotene wordt afgestempeld. Kortom, het fungeert in het verkeer van de bedrijfscommune met haar leden eenvoudig als Owens ‘arbeidsurengeld’ dat ‘waanproduct’ waarop de heer Dühring zo uit de hoogte neerziet en dat hij niettemin zelf in zijn toekomsteconomie moet invoeren. Of de aanwijzing die de maat van de vervulde ‘productieplicht’ en van het daarmee verworven ‘consumptierecht’ aangeeft, een stukje papier, een rekenpenning of een goudstuk is, blijft voor dit doel volkomen gelijk. Voor andere doeleinden echter volstrekt niet, zoals zal blijken.

Wanneer het metaalgeld dus in het verkeer van de bedrijfscommune met haar leden reeds niet als geld fungeert, maar als vermomde arbeidsaanwijzing, in de ruil tussen de verschillende bedrijfscommunes verkrijgt het zijn geldfunctie nog minder. Hier is het metaalgeld, bij de veronderstellingen van de heer Dühring, geheel overbodig. Inderdaad zou een boekhouding alleen voldoende zijn, die de ruil van producten van gelijke arbeid tegen producten van gelijke arbeid veel eenvoudiger bewerkstelligt, wanneer zij met de natuurlijke maatstaf van de arbeid — de tijd, met als eenheid het arbeidsuur — rekent, dan wanneer zij de arbeidsuren eerst in geld overbrengt. De ruil is in werkelijkheid zuiver een ruil in natura. Alle daarboven uitgaande vorderingen zijn gemakkelijk en eenvoudig door vorderingen op andere communes te vereffenen. Wanneer echter een commune tegenover andere communes werkelijk een nadelig saldo zou hebben, dan kan al het ‘in het heelal voorhandene goud’, ook wanneer het nog zozeer ‘van nature geld’ zou zijn, deze commune niet het lot besparen dit tekort door verhoogde eigen arbeid aan te vullen, indien zij niet in staat van afhankelijkheid door schuld aan de andere communes wil geraken. Overigens moge de lezer zich voortdurend herinneren, dat wij hier volstrekt geen toekomstconstructie opbouwen. Wij gaan eenvoudig van Dührings veronderstellingen uit en trekken daar alleen maar de onvermijdelijke conclusies uit.

Dientengevolge kan noch in de ruil tussen de bedrijfscommune en haar leden, noch in die tussen de verschillende communes, het goud dat van nature geld’ is, het zover brengen dat het werkelijk als zodanig functioneert. Niettemin schrijft de heer Dühring het goud voor dat het ook in de ‘socialiteit’ als geld zal fungeren. Wij moeten dus een ander terrein voor deze geldfunctie trachten te vinden. En dit terrein bestaat. De heer Dühring geeft wel iedereen het recht op ‘kwantitatief gelijke consumptie’, maar hij kan niemand daartoe dwingen. Integendeel, hij is er trots op dat in zijn wereld ieder met zijn geld kan doen wat hij wil. Hij kan dus niet beletten dat de een zich een sommetje bijeenspaart, terwijl de ander met het hem uitbetaalde loon niet uitkomt. Hij maakt dit zelfs onvermijdelijk, doordat hij in het erfrecht het gemeenschappelijk eigendom van het gezin uitdrukkelijk erkent, waaruit dan verder de verplichting van de ouders tot onderhoud van hun kinderen volgt. Daarmee echter komt er een geweldige barst in de kwantitatief gelijke consumptie. De jonggezel leeft heerlijk en in vreugde van zijn acht of twaalf mark per dag, terwijl de weduwnaar met acht minderjarige kinderen er ternauwernood mee rondkomt. Anderzijds echter laat de commune, doordat zij zonder enige voorwaarde geld in betaling aanneemt, de mogelijkheid open dat dit geld op andere wijze dan door eigen arbeid verkregen is. Non olet. Zij weet niet waar het vandaan komt. Hiermee zijn echter alle voorwaarden gegeven om het metaalgeld, dat tot dusver slechts de rol van arbeidsaanwijzing speelde, werkelijk als geld te laten functioneren. Gelegenheid en motieven zijn aanwezig, enerzijds om te sparen, anderzijds tot het maken van schuld. De behoeftige leent bij de spaarder. Het geleende geld, door de commune in betaling aangenomen voor levensmiddelen, wordt daardoor weer wat het in de tegenwoordige maatschappij is, maatschappelijke belichaming van menselijke arbeid, werkelijke maat van de arbeid, algemeen circulatiemiddel. Alle ‘wetten en normen van beheer’ ter wereld staan daar even machteloos tegenover, als tegenover de tafel van vermenigvuldiging of de chemische samenstelling van het water. En omdat de spaarder in staat is, de behoeftige tot rentebetaling te dwingen, daarom is met het metaalgeld dat als geld fungeert, ook de rentewoeker weer hersteld.

Tot zover hebben wij slechts de gevolgen van de handhaving van het metaalgeld beschouwd binnen het gebied waar de bedrijfscommune van de heer Dühring van kracht is. Maar buiten dit gebied gaat de verdere verdorven wereld voorlopig rustig haar oude gang. Goud en zilver blijven op de wereldmarkt, wereldgeld, algemeen koop- en betaalmiddel, absoluut-maatschappelijke belichaming van de rijkdom. En met deze eigenschap van het edele metaal treedt er voor de afzonderlijke leden van de bedrijfscommune een nieuwe beweeggrond op om te sparen, om zich te verrijken, tot woeker, nl. het motief om zich ten opzichte van de commune en buiten haar grenzen vrij en onafhankelijk te bewegen en de bijeengegaarde individuele rijkdom op de wereldmarkt te realiseren. De woekeraars worden tot handelaars in circulatiemiddelen, tot bankiers, tot beheersers van het circulatiemiddel en het wereldgeld, en daarmee tot beheersers van de productie en daarmee tot beheersers van de productiemiddelen, ook al figureren die nog jarenlang in naam als eigendom van de bedrijfs- en handelscommunes. Daarmee zijn echter de tot bankiers geworden spaarders en woekeraars ook heer en meester van de bedrijfs- en handelscommune zelf. De ‘socialiteit’ van de heer Dühring verschilt inderdaad zeer belangrijk van de ‘nevelachtigheden’ der overige socialisten. Zij heeft geen ander doel dan de wedergeboorte van grote financiers — onder hun controle en voor hun beurs mag zij zich braaf afsloven — aangenomen dan, dat zij ooit tot stand komt en standhoudt. Haar enige redding zou daarin liggen, dat de spaarders er de voorkeur aan zouden geven, met hun wereldgeld zo spoedig mogelijk uit de commune... weg te lopen.

Bij de in Duitsland heersende wijd verbreide onbekendheid met het oudere socialisme zou een onschuldige jongeling de vraag kunnen opwerpen, of niet ook bv. de arbeidsaanwijzingen van Owen aanleiding zouden kunnen geven tot een dergelijk misbruik. Hoewel wij hier niet de betekenis van deze arbeidsaanwijzingen behoeven uiteen te zetten, is toch ter vergelijking van het ‘veelomvattende schematisme’ van de heer Dühring met de ‘ruwe, matte en armzalige ideeën’ van Owen het volgende wel op zijn plaats: ten eerste zou voor zulk een misbruik van Owens arbeidsaanwijzingen de omzetting daarvan in werkelijk geld nodig zijn, terwijl de heer Dühring werkelijk geld vooropstelt, maar het verbieden wil, anders te fungeren dan alleen als arbeidsaanwijzingen. Terwijl bij Owen werkelijk misbruik gemaakt zou kunnen worden, zet bij Dühring de immanente, van de menselijke wil onafhankelijke aard van het geld zich door. Zet het geld het juiste gebruik volgens zijn eigen aard door tegenover het wangebruik, waartoe de heer Dühring, uit eigen onwetendheid over de aard van het geld, het wil dwingen. Ten tweede zijn bij Owen de arbeidsaanwijzingen slechts een overgangsvorm tot de volledige gemeenschap en het vrije gebruik van de maatschappelijke hulpbronnen, daarbij hoogstens nog een middel om het Britse publiek het communisme aannemelijk te maken. Wanneer dus het een of ander misbruik er de maatschappij van Owen toe zou dwingen, de arbeidsaanwijzingen af te schaffen, dan doet deze maatschappij een nieuwe stap vooruit naar haar doel en komt daarmee op een meer volkomen trap van ontwikkeling. Maar schaft de bedrijfscommune van de heer Dühring het geld af, dan vernietigt zij met één slag ‘haar wereldhistorische draagwijdte’, dan vernietigt zij haar meest karakteristieke schoonheid, dan houdt zij op een bedrijfscommune à la Dühring te zijn en daalt af tot nevelachtigheden, waaruit de heer Dühring haar door zoveel zuur zwoegen van zijn rationele fantasie heeft trachten op te heffen .

Waaruit ontstaan nu al die zonderlinge dwalingen en verwarringen waarin de bedrijfscommune van de heer Dühring zich beweegt? Eenvoudig uit de nevel die de begrippen van waarde en geld in het hoofd van de heer Dühring omhult en die er hem tenslotte toe drijft de waarde van de arbeid te willen ontdekken. Daar de heer Dühring evenwel van een dergelijke nevel geenszins het monopolie voor Duitsland bezit, integendeel met talrijke concurrenten te doen heeft, daarom willen wij ‘een ogenblik onze weerzin overwinnen en de verwarring ontrafelen’, die hij hier heeft aangericht.

De enige waarde die de economie kent, is de waarde van waren. Wat zijn waren? Producten, voortgebracht in een maatschappij van min of meer op zichzelf staande particuliere producenten. Het zijn dus in de eerste plaats particuliere producten. Maar deze particuliere producten worden pas waren zodra zij niet voor eigen gebruik, maar voor het gebruik door anderen, dus voor het maatschappelijk gebruik geproduceerd worden. Zij treden het maatschappelijk gebruik binnen via de ruil. De particuliere producenten maken dus deel uit van de maatschappelijke samenhang, zij vormen een maatschappij. Hun producten, hoewel particuliere producten van ieder afzonderlijk, zijn daarom tegelijkertijd, maar onopzettelijk en als het ware tegen hun wil, ook maatschappelijke producten. Waarin bestaat nu het maatschappelijk karakter van deze particuliere producten? Klaarblijkelijk in twee eigenschappen: ten eerste daarin dat zij allen aan de een of andere menselijke behoefte voldoen, een gebruikswaarde hebben, niet alleen voor de producent, maar ook voor de anderen. En ten tweede daarin, dat zij hoewel producten van de meest verschillende soorten particuliere arbeid, tegelijkertijd producten van menselijke arbeid als zodanig, van algemeen menselijke arbeid zijn. In zoverre zij ook voor anderen een gebruikswaarde hebben, is de eerste voorwaarde voor ruil aanwezig. In zoverre zij allen algemeen menselijke arbeid, eenvoudig verbruik van menselijke arbeidskracht bevatten, kunnen zij in het ruilproces met elkaar vergeleken worden, gelijk of ongelijk gesteld worden, naar gelang van de in hen belichaamde hoeveelheid van deze arbeid. Twee gelijke particuliere producten kunnen, onder gelijke maatschappelijke verhoudingen, een ongelijke hoeveelheid particuliere arbeid bevatten, maar steeds slechts een gelijke hoeveelheid algemeen menselijke arbeid. Een minder bedreven smid kan vijf hoefijzers maken in dezelfde tijd, waarin een bedreven smid er tien maakt. Maar de maatschappij houdt geen rekening met de toevallige mindere bedrevenheid van de een, zij erkent als algemeen menselijke arbeid slechts arbeid van voor de gegeven tijd normaal gemiddelde bedrevenheid. Een van de vijf hoefijzers van de eerste heeft in de ruil dus niet meer waarde, dan een van de tien die in gelijke tijd door de ander zijn gesmeed. Slechts in zoverre zij maatschappelijk noodzakelijk is, bevat de particuliere arbeid algemeen menselijke arbeid.

Wanneer ik dus zeg: een waar heeft deze bepaalde waarde, dan zeg ik ten eerste, dat zij een maatschappelijk nuttig product is, ten tweede dat zij door een particulier persoon voor particuliere rekening is geproduceerd, ten derde dat zij, hoewel product van particuliere arbeid, toch gelijktijdig en als het ware zonder het te weten of te willen ook product van maatschappelijke arbeid is, en wel van een bepaalde, langs maatschappelijke weg door de ruil vastgestelde hoeveelheid daarvan, ten vierde druk ik deze hoeveelheid niet in arbeid zelf uit, in zo en zoveel arbeidsuren, maarin een andere waar. Wanneer ik dus zeg, dit horloge is evenveel waard als dat stuk laken en elk van beide is vijftig mark waard. Dan zeg ik: in het horloge, in het laken en in het geld steekt evenveel maatschappelijke arbeid. Ik constateer dus dat de in hen vertegenwoordigde maatschappelijke arbeidstijd maatschappelijk gemeten en gelijk bevonden is. Maar niet direct, niet absoluut, zoals men anders arbeidstijd afmeet in arbeidsuren of dagen enz., maar langs een omweg, door bemiddeling van de ruil, relatief. Ik kan daarom deze vastgestelde hoeveelheid arbeidstijd niet in arbeidsuren uitdrukken, waarvan het aantal mij onbekend blijft, maar eveneens slechts langs een omweg, relatief, in een andere waar die de gelijke hoeveelheid maatschappelijke arbeidstijd voorstelt. Het horloge is evenveel waard als het stuk laken.

Maar omdat warenproductie en warenruil de maatschappij, die daarop gegrondvest is, tot deze omweg dwingen, noodzaken zij er evenzeer toe die omweg zoveel mogelijk te bekorten. Uit het algemene warenplebs scheiden zij een vorstelijke waar af, in welke de waarde van alle andere waren eens vooral uitgedrukt kan worden, een waar die als onmiddellijke belichaming van de maatschappelijke arbeid geldt en dientengevolge tegen alle waren onmiddellijk en onvoorwaardelijk ruilbaar wordt — het geld. Het geld is in het waardebegrip reeds in kiem aanwezig, het is slechts de ontwikkelde waarde. Maar terwijl de waarde der waren zich, tegenover de waren zelf, in het geld zelfstandig maakt, verschijnt een nieuwe factor in de op warenproductie en ruil berustende maatschappij, een factor met nieuwe maatschappelijke functies en werkingen. Wij behoeven dit voorlopig slechts te constateren, zonder er nader op in te gaan.

De economie van de warenproductie is geenszins de enige wetenschap die slechts met relatief bekende factoren heeft te rekenen. Ook in de natuurkunde weten wij niet, hoeveel afzonderlijke gasmoleculen in een gegeven gasvolume van eveneens gegeven druk en temperatuur aanwezig zijn. Maar wij weten dat, in zoverre de wet van Boyle juist is, zulk een gegeven volume van een of ander gas evenveel moleculen bevat als een gelijk volume van een willekeurig ander gas bij gelijke druk en gelijke temperatuur. Wij kunnen dientengevolge de meest verschillende volumen van de meest verschillende gassen onder de meest verschillende druk- en temperatuurvoorwaarden wat hun gehalte aan moleculen betreft vergelijken; en wanneer wij 1 liter gas bij 0° C en 760 mm druk als eenheid aannemen, dan kunnen wij aan deze eenheid het moleculengehalte afmeten. — In de scheikunde zijn ons de absolute atoomgewichten van de afzonderlijke elementen eveneens onbekend. Maar wij kennen ze relatief, doordat wij hun wederzijdse verhoudingen kennen. Zoals dus de warenproductie en haar economie voor de in de verschillende waren voorhanden, hen onbekende hoeveelheid arbeid een relatieve uitdrukking verkrijgen, en wel door deze waren te vergelijken wat betreft hun relatief gehalte aan arbeid, evenzo komt de scheikunde tot een relatieve uitdrukking voor de grootte van de haar onbekende atoomgewichten, doordat zij de afzonderlijke elementen volgens hun atoomgewicht vergelijkt, het atoomgewicht van het ene in veelvouden of breuken van het andere (zwavel, zuurstof, waterstof) uitdrukt. En zoals de warenproductie het goud tot de absolute waar, tot het algemene equivalent van de overige waren, tot maat van alle waarden verheft, evenzo verheft de scheikunde de waterstof tot chemische geldwaar, door zijn atoomgewicht =1 te stellen en de atoomgewichten van alle overige elementen tot waterstof terug te brengen en in veelvouden van zijn atoomgewicht uit te drukken.

De warenproductie is intussen geenszins de enige vorm van de maatschappelijke productie. In de Oudindische gemeenschap, in de Zuid-Slavische familiegemeente worden de producten niet tot waren. De leden van de gemeente zijn direct voor de productie met elkaar maatschappelijk verbonden, de arbeid wordt naar gewoonte en behoefte verdeeld, de producten, voor zover zij voor gebruik bestemd zijn, eveneens. Zowel de directe maatschappelijke productie als de directe verdeling sluit iedere ruil van waren uit, dus ook de verandering van producten in waren (althans binnen de gemeente) en daarmee ook hun verandering in waarden.

Zodra de maatschappij van de productiemiddelen bezit neemt en ze rechtstreeks als maatschappelijk bezit voor de productie aanwendt, wordt de arbeid van een elk, hoe verschillend haar specifiek nuttig karakter ook moge zijn, van den beginne af direct maatschappelijke arbeid. De in een product aanwezige hoeveelheid maatschappelijke arbeid behoeft dan niet eerst langs een omweg te worden vastgesteld, de dagelijkse ervaring toont rechtstreeks aan, hoeveel daarvan gemiddeld nodig is. De maatschappij kan eenvoudig berekenen hoeveel arbeidsuren in een stoommachine, een hectoliter tarwe van de laatste oogst, in honderd vierkante meter laken van een bepaalde kwaliteit steken. Het kan dus niet bij haar opkomen om de hoeveelheden in de producten vastgelegde arbeid, die haar dan direct en absoluut bekend zijn, verder nog in een slechts relatieve, wisselvallige, ontoereikende, vroeger bij gebrek aan beter onvermijdelijke maat, in een derde product uit te drukken en niet in hun natuurlijke, met hun aard overeenkomende, absolute maatstaf, de tijd. Evenmin als het de scheikunde zou invallen om de atoomgewichten ook dan langs de omweg van het waterstofatoom relatief uit te drukken, zodra zij in staat zou zijn ze absoluut, in hun adequate maat uit te drukken, en wel in werkelijk gewicht, in biljoenste of kwadriljoenste gram. De maatschappij kent dus onder bovengenoemde voorwaarden aan de producten ook geen waarde toe. Zij zal voor het eenvoudige feit dat voor het maken van de honderd vierkante meter laken, zeggen wij, duizend arbeidsuren nodig zijn, niet de scheve en zinloze uitdrukking gebruiken, dat zij duizend arbeidsuren waard zouden zijn. Weliswaar zal de maatschappij ook dan moeten weten hoeveel arbeid er voor het vervaardigen van ieder gebruiksvoorwerp nodig is. Zij zal het productieplan moeten inrichten in overeenstemming met de productiemiddelen, waartoe in het bijzonder ook de arbeidskrachten behoren. Het nuttige effect van de verschillende gebruiksvoorwerpen, aan elkaar en ten opzichte van de voor hun aanmaak nodige hoeveelheden arbeid gemeten, zal tenslotte het plan bepalen. De mensen doen alles heel eenvoudig af, zonder tussenkomst van de beroemde ‘waarde’ 

Het waardebegrip is de meest algemene en derhalve meest omvattende uitdrukking van de economische voorwaarden der warenproductie. Het waardebegrip bevat dan ook de kiem, niet slechts van het geld, maar ook van alle verder ontwikkelde vormen van de warenproductie en de warenruil. Daarin, dat de waarde de uitdrukking is van de in de particuliere producten belichaamde maatschappelijke arbeid, ligt reeds de mogelijkheid van het verschil tussen deze, en de in hetzelfde product belichaamde particuliere arbeid. Wanneer dus een particuliere producent op de oude wijze verder produceert, terwijl de maatschappelijke productiewijze voorwaarts schrijdt, dan krijgt hij dit verschil geducht te voelen. Hetzelfde gebeurt zodra de gezamenlijke particuliere voortbrengers van een bepaald soort waren daarvan een hoeveelheid produceren die de maatschappelijke behoefte overtreft. In het feit dat de waarde van een waar slechts in een andere waar uitgedrukt en slechts in de ruil met haar gerealiseerd kan worden, ligt de mogelijkheid dat de ruil in het geheel niet tot stand komt of wel dat hij de juiste waarde niet realiseert. Tenslotte, wanneer de arbeidskracht als bijzondere waar op de markt verschijnt, dan wordt haar waarde, evenals die van iedere andere waar naar de voor haar productie maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd bepaald. In de waardevorm van de producten liggen dus reeds in kiem de gehele kapitalistische productievorm, de tegenstelling tussen kapitalisten en loonarbeiders, het industriële reserveleger, de crisissen. De kapitalistische productievorm te willen afschaffen door de schepping van de ‘ware waarde’, betekent derhalve hetzelfde als het katholicisme te willen afschaffen door de instelling van de ‘ware’ paus, of een maatschappij waarin de producenten eindelijk eens hun product zouden beheersen, te willen verwezenlijken door de consequente toepassing van een economische categorie die de meest omvattende uitdrukking van de knechting der producenten door hun eigen product is.

Heeft de warenproducerende maatschappij de waardevorm die aan de waren als zodanig onafscheidelijk eigen is, tot geldvorm verder ontwikkeld, dan komen reeds verscheidene van de in de waarde nog verborgen kiemen aan het licht. Het eerste en meest wezenlijke gevolg is het algemeen maken van de warenvorm. Ook aan de tot dusver direct voor eigen gebruik geproduceerde voorwerpen dringt het geld de warenvorm op en trekt ze binnen het ruilverkeer. Daarmee dringen de warenvorm en het geld in de inwendige huishouding van de voor de productie rechtstreeks vermaatschappelijkte gemeenschappen binnen, verbreken de ene gemeenschapsband na de andere en doen de gemeenschap in een menigte particuliere producenten uiteenvallen. Het geld stelt, zoals men dat in India ziet, allereerst het individuele landbouwbedrijf in de plaats van de gemeenschappelijke bodembewerking; later ontbindt het de gemeenschappelijke landeigendom, zoals die nog in de periodieke herverdelingen aan de dag treedt, door een definitieve verdeling (bv. in de boerengemeenschappen aan de Moezel,  en zoals dat nu ook in het Russische dorp begint). Tenslotte dwingt het tot de verdeling van het nog overgebleven gemeenschappelijke bos- en weidebezit. Welke andere, in de ontwikkeling van de productie wortelende oorzaken hier ook meewerken, het geld blijft steeds het machtigste middel van hun inwerking op de gemeenschappen. En met de onverbiddelijkheid van een natuurwet zou het geld, ondanks alle ‘wetten en normen van beheer’, Dührings bedrijfscommune, indien die ooit tot stand zou komen, tot ontbinding brengen.

Wij hebben reeds vroeger (Economie, VI) gezien dat het spreken over een waarde van de arbeid, een tegenstrijdigheid in zichzelf is. Daar arbeid onder bepaalde maatschappelijke verhoudingen niet slechts producten voortbrengt, maar ook waarde, en deze waarde naar de arbeid gemeten wordt, kan hij evenmin een bijzondere waarde hebben als de zwaarte als zodanig een bijzonder gewicht, of de warmte een bijzondere temperatuur. Het is echter de karakteristieke eigenschap van alle over de ‘ware waarde’ haarklovende sociale verwarringstichters, zich te verbeelden dat de arbeider in de tegenwoordige maatschappij niet de volle ‘waarde’ van zijn arbeid ontvangt en dat het socialisme geroepen zou zijn hierin verbetering te brengen. Daarvoor is dan in de eerste plaats nodig er achter te komen wat de waarde van de arbeid is. En deze vindt men door te trachten de arbeid niet aan de tijd als de hem passende maatstaf af te meten, maar aan zijn product. De arbeider moet de ‘volle arbeidsopbrengst’  ontvangen. Niet slechts het arbeidsproduct, maar arbeid zelf moet direct ruilbaar zijn tegen product, een arbeidsuur tegen het product van een ander arbeidsuur. Hieraan zit echter terstond een zeer ‘bedenkelijk’ bezwaar vast. Het gehele product wordt verdeeld. De belangrijkste progressieve functie van de maatschappij, de accumulatie wordt aan de maatschappij onttrokken en aan afzonderlijke personen en hun willekeur overgelaten. Zij mogen met hun ‘opbrengsten’ doen wat zij willen, de maatschappij blijft in het gunstigste geval zo rijk of zo arm als zij was. Men heeft dus de in het verleden geaccumuleerde productiemiddelen slechts daarom in de handen van de maatschappij gecentraliseerd, om alle in de toekomst te accumuleren productiemiddelen weer in particuliere handen te laten versplinteren. Men slaat zijn eigen veronderstellingen in het gezicht, men vervalt in een volledige ongerijmdheid.

Levende arbeid, actieve arbeidskracht moet tegen het arbeidsproduct geruild worden. Dan is deze arbeidskracht een waar, evenals het product waartegen zij geruild moet worden. Dan wordt de waarde van die arbeidskracht geenszins naar haar product bepaald, maar naar de in haar belichaamde maatschappelijke arbeid, d.w.z. naar de tegenwoordige wet van het arbeidsloon.

Maar dat mag immers niet zo zijn! De levende arbeid, de arbeidskracht, moet ruilbaar zijn tegen haar volle product, d.w.z. zij moet niet tegen haar waarde, maar tegen haar gebruikswaarderuilbaar zijn. De waardewet moet voor alle andere waren gelden, maar voor de arbeidskracht moet zij opgeheven zijn. Het is deze zichzelf opheffende verwarring die zich achter de ‘waarde van de arbeid’ verbergt.

De ‘ruil van arbeid tegen arbeid op grondslag van gelijke schatting’ voor zoverre dit iets betekent, d.w.z. de ruilbaarheid van producten van gelijke maatschappelijke arbeid onder elkaar, de waardewet dus — dat is juist de fundamentele wet van de warenproductie, dus ook van de hoogste vorm daarvan, de kapitalistische productie. Die wet zet zich in de tegenwoordige maatschappij op dezelfde wijze door als economische wetten zich in een maatschappij van particuliere producenten alleen maar kunnen doorzetten, nl. als een in de dingen en verhoudingen liggende en van het willen of streven der producenten onafhankelijke blindelings werkende natuurwet. Door deze wet tot grondwet van zijn bedrijfscommune te verheffen en te eisen dat deze haar welbewust ten uitvoer zal brengen, maakt de heer Dühring de grondwet van de bestaande maatschappij tot de grondwet van zijn fantasiemaatschappij. Hij wil de bestaande maatschappij, maar zonder haar wantoestanden. Hij beweegt zich daarbij geheel op hetzelfde vlak als Proudhon. Evenals Proudhon wil hij de wantoestanden die uit de ontwikkeling van de warenproductie tot kapitalistische productie zijn voortgesproten afschaffen door zich daartegen te beroepen op de grondwet van de warenproductie, welks werking die wantoestanden juist heeft doen ontstaan. Evenals Proudhon wil hij de werkelijke consequenties van de waardewet door fantastische consequenties opheffen.

Hoe fier onze moderne Don Quichotte op zijn edele Rossinante, het ‘universele beginsel der rechtvaardigheid’, en gevolgd door zijn wakkere Sancho Panza, Abraham Enß, er als dolende ridder ook op uit moge trekken om de helm van Mambrin, de ‘waarde van de arbeid’, te veroveren — wij vrezen, wij vrezen, dat hij niets anders naar huis zal brengen dan het vanouds bekende scheerbekken. 

 

 

 

 

V. Staat, gezin, opvoeding

 

Met de beide vorige hoofdstukken hebben wij nu de economische inhoud van het ‘nieuwe socialitaire stelsel’ van de heer Dühring vrijwel uitgeput. Hoogstens zou nog op te merken zijn, dat ‘de universele wijdte van het historisch perspectief’ hem niet belet zijn eigen speciale belangen te behartigen, ook afgezien van de bekende matige extra-consumptie. Daar de oude arbeidsverdeling in de socialiteit blijft bestaan, zal de bedrijfscommune, behalve met architecten en kruiers, ook met letterkundigen van beroep rekening moeten houden, waarbij dan de vraag rijst hoe het er met het auteursrecht zal uitzien. Deze vraag houdt de heer Dühring meer dan enige andere bezig. Overal, bv. waar van Louis Blanc en Proudhon sprake is, komt het auteursrecht de lezer tussen de benen gelopen, om eindelijk negen bladzijden van de ‘Cursus’ lang breed uitgemeten en in de vorm van een mysterieuze ‘arbeidsbeloning’ — hetzij met of zonder een matige extra-consumptie, dat wordt er niet bij gezegd — behouden in de haven van de socialiteit te worden binnengeloodst. Een hoofdstuk over de plaats die de vlo in het natuurlijke systeem van de maatschappij inneemt, zou even goed op zijn plaats en in ieder geval minder vervelend geweest zijn.

Over de staatsorde van de toekomst geeft de ‘Filosofie’ uitvoerige voorschriften. Hier heeft Rousseau, hoewel ‘de enige voorganger van betekenis’ van de heer Dühring, toch de grondslag niet diep genoeg gelegd. Zijn diepzinniger opvolger weet dat grondig te verhelpen, door Rousseau tot het uiterste te verdunnen met een waterige soep getrokken van de afvallen van Hegels Rechtsfilosofie. ‘De soevereiniteit van het individu’ vormt de grondslag van Dührings toekomststaat. Zij behoort door de heerschappij van de meerderheid niet onderdrukt te worden, maar moet daarin eerst recht haar hoogtepunt bereiken. Hoe gaat dat in zijn werk? Heel eenvoudig.

‘Wanneer men in alle richtingen overeenkomsten van ieder met ieder ander tot grondslag neemt en wanneer deze verdragen de wederzijdse hulpverlening tegen onrechtvaardige krenkingen regelen — dan wordt slechts de macht tot handhaving van recht versterkt en wordt geen recht ontleend aan de eenvoudige overmacht van de menigte over de enkeling of van de meerderheid over de minderheid’.

Zo gemakkelijk glijdt de levende kracht van de ‘werkelijkheidsfilosofische’ hocus-pocus over de onoverkomelijkste hindernissen heen. En wanneer de lezer meent dat hij daarna niets wijzer is dan voorheen, antwoordt de heer Dühring hem dat hij de zaak vooral niet te licht moet opvatten, want

‘het geringste mistasten in de opvatting van de rol van de algemene wil zou de soevereiniteit van het individu vernietigen; en het is deze soevereiniteit alleen, wat (!) tot de afleiding van werkelijke rechten voert’.

De heer Dühring behandelt zijn publiek, wanneer hij het voor de mal houdt juist zoals het dit verdient. Hij zou het er zelfs nog veel dikker op kunnen leggen, de navolgers van de ‘werkelijkheidsfilosofie’ zouden het toch niet bemerkt hebben.

De soevereiniteit van het individu bestaat nu hoofdzakelijk daarin dat

‘de enkeling aan de absolute dwang van de staat onderworpen wordt’, maar dat deze dwang slechts in zoverre te rechtvaardigen is, als hij ‘werkelijk de natuurlijke gerechtigheid dient’. Tot dit doel zullen er ‘wetgeving en rechters’ zijn, maar zij ‘moeten in handen van de gemeenschap blijven’. Verder een weerbaarheidsbond die zijn uitdrukking vindt in de ‘samenwerking in het leger of in een afdeling van de uitvoerende macht voor de inwendige veiligheid’,

dus ook leger, politie, gendarmes. De heer Dühring is reeds zo vaak een brave Pruis gebleken, hier bewijst hij dat hij de vergelijking kan doorstaan met de model-Pruis die, volgens wijlen minister Von Rochow, ‘zijn eigen gendarme in zijn boezem draagt’. Deze toekomstgendarmerie zal echter niet zo gevaarlijk zijn als de tegenwoordige ‘knolsmerissen.’ Wat zij ook aan het soevereine individu moge begaan, er blijft hem altijd een troost:

‘het recht of onrecht dat hem dan, al naar omstandigheden, door de vrije maatschappij wordt aangedaan kan nooit iets erger zijn dan wat ook de natuurtoestand zou meebrengen’.

En dan, nadat de heer Dühring ons nog eens over zijn onvermijdelijk auteursrecht heeft laten struikelen, verzekert hij ons dat er in zijn toekomstwereld

‘een natuurlijk volkomen vrije en algemene advocatenstand’

zal zijn. ‘De nu uitgedachte vrije maatschappij’ wordt steeds heterogener. Architecten, kruiers, letterkundigen, gendarmes en nu ook nog advocaten! Dit ‘solide en kritische gedachtenrijk’ lijkt als twee druppels water op de verschillende hemelrijken van de verschillende godsdiensten, waarin de gelovige steeds dat in verheerlijkte staat weervindt, wat hem zijn aardse leven verzoet heeft. En de heer Dühring behoort immers tot die staat, waarin ‘ieder op zijn eigen wijze zalig kan worden’.  Wat wil men meer?

Wat wij zouden willen doet hier echter niets ter zake. Het komt er op aan wat de heer Dühring wil. En van Frederik II verschilt deze daarin, dat in de toekomststaat van de heer Dühring in geen geval ieder op zijn eigen wijze zalig kan worden. In de grondwet van die toekomststaat heet het:

‘In de vrije maatschappij kan geen eredienst bestaan, want elk van haar leden heeft het primitief-kinderlijke oergeloof overwonnen, dat er achter of boven de natuur wezens zouden bestaan waarop men door offers of gebeden zou kunnen inwerken’. Een ‘juist begrepen socialiteitssysteem moet daarom... aan alle uitrustingen voor geestelijke tovenarij en daarmee aan alle wezenlijke bestanddelen van de eredienst een einde maken’.

De godsdienst wordt verboden.

Nu is iedere godsdienst niets anders dan de fantastische weerspiegeling in de hoofden van de mensen van die uiterlijke machten die hun dagelijks bestaan beheersen, een weerspiegeling waarbij de aardse machten de vorm van bovenaardse aannemen. In de begintijden van de geschiedenis zijn het allereerst de machten van de natuur die weerspiegeld worden, en die in de verdere ontwikkeling bij de verschillende volkeren veelvuldige en bonte verpersoonlijkingen doorleven. Dit eerste proces heeft men, althans voor de Indo-europese volkeren, door de vergelijkende mythologie tot op zijn oorsprong in de Indische Veda vervolgd en in zijn voortgang is het bij Indiërs, Perzen, Grieken, Romeinen, Germanen, en voor zover het materiaal het toelaat, ook bij Kelten, Litouwers en Slaven in bijzonderheden aangetoond. Maar weldra oefenen naast de natuurmachten ook maatschappelijke machten hun werking uit, machten die tegenover de mensen even vreemd en in het begin even onverklaarbaar staan, die hen met dezelfde schijnbare natuurnoodzaak beheersen als de natuurmachten zelf. De fantasiegestalten, waarin zich oorspronkelijk slechts de geheimzinnige krachten van de natuur afspiegelen, krijgen daardoor maatschappelijke attributen, worden vertegenwoordigers van historische machten .

Op een iets hogere ontwikkelingstrap worden alle na-natuurlijke en maatschappelijke attributen van de vele goden op één almachtige god overgedragen, die op zijn beurt slechts de afspiegeling van de abstracte mens is. Zo ontstond het monotheïsme dat historisch het laatste product van de latere Griekse gevulgariseerde filosofie was en in de Joodse, uitsluitend nationale god Jahwe zijn verpersoonlijking vond. In deze gemakkelijke, handzame, aan alles aan te passen gestalte kan de religie voortbestaan als onmiddellijke, d.w.z. in het gevoel wortelende vorm van de betrekking der mensen tot de hen beheersende vreemde, natuurlijke en maatschappelijke machten, zolang de mensen onder de heerschappij van zulke machten staan. Wij hebben echter herhaaldelijk gezien dat in de tegenwoordige burgerlijke maatschappij de mensen beheerst worden door de door hen zelf geschapen economische verhoudingen en de door hen zelf geproduceerde productiemiddelen, als door een vreemde macht. De feitelijke grondslag voor de werkzaamheid der religieuze weerspiegeling bestaat dus verder en daarmee de religieuze weerspiegeling zelf. En wanneer ook de burgerlijke economie een zeker inzicht in het oorzakelijke verband van deze vreemde heerschappij mogelijk heeft gemaakt, verandert dit toch niets aan de zaak zelf. De burgerlijke economie kan noch de crisissen in hun geheel verhinderen, noch de afzonderlijke kapitalist voor verliezen, kwade schulden en bankroet, of de afzonderlijke arbeider voor werkloosheid en ellende behoeden. Het is nog altijd: de mens wikt en god (d.i. de aan de mens vreemde heerschappij van de kapitalistische productiewijze) beschikt. Het inzicht alleen, ook al zou dat verder en dieper gaan dan dat van de burgerlijke economie, is niet genoeg om maatschappelijke machten aan de heerschappij van de maatschappij te onderwerpen. Daarvoor is in de eerste plaats een maatschappelijke daad nodig. En wanneer die daad volbracht is, wanneer de maatschappij door inbezitneming en planmatig beheer van de gezamenlijke productiemiddelen zichzelf en al haar leden heeft bevrijd uit het knechtschap waarin zij thans door deze productiemiddelen — die zij zelf hebben voortgebracht, maar die als overweldigende vreemde macht tegenover hen staan — zijn gebracht; wanneer dus de mens niet meer alleen wikt, maar ook beschikt, dan eerst verdwijnt de laatste vreemde macht die zich nu nog in de godsdienst weerspiegelt, en daarmee verdwijnt ook de religieuze weerspiegeling zelf, om de eenvoudige reden, dat er dan niets te weerspiegelen is.

Maar de heer Dühring kan niet afwachten, totdat de religie op deze wijze haar natuurlijke dood sterft. Hij gaat wortelvaster te werk. Hij is nog Bismarckser dan Bismarck. Hij vaardigt verscherpte meiwetten  uit, niet alleen tegen het katholicisme, maar tegen de godsdienst in het algemeen. Hij hitst zijn toekomstgendarmes tegen de religie op en bezorgt haar daarmee het martelaarschap en een langere levensduur. Waar wij ook kijken, het is alles specifiek Pruisisch socialisme.

Nadat de heer Dühring het aldus heeft klaargespeeld de religie te vernietigen,

kan nu de alleen op zichzelf en op de natuur aangewezen en tot het inzicht van zijn collectieve krachten gerijpte mens dapper alle wegen inslaan, die de loop der dingen en zijn eigen wezen voor hem openstellen’.

Ter afwisseling willen wij nu nagaan welke ‘loop der dingen’ de op eigen benen gestelde mens, aan de hand van de heer Dühring, dapper kan inslaan.

De eerste loop der dingen, waardoor de mens op zichzelf wordt aangewezen, is dat hij geboren wordt. Daarna blijft hij

voor de tijd van zijn natuurlijke onmondigheid aan de ‘natuurlijke opvoedster der kinderen’, de moeder, toevertrouwd. ‘Deze periode zal, zoals in het oude Romeinse recht, tot de puberteit, dus ongeveer tot het veertiende levensjaar reiken’. Alleen wanneer onopgevoede, oudere jongens voor de moederlijke waardigheid geen eerbied genoeg hebben, zullen de vaderlijke bijstand, maar vooral de openbare opvoedingsmaatregelen dit euvel onschadelijk maken. Met de puberteit komt het kind onder ‘de natuurlijke voogdijschap van de vader’, wanneer er nl. een vader met ‘boven alle twijfel verheven werkelijk vaderschap’ aanwezig is; anders wijst de gemeente een voogd aan.

Zoals de heer Dühring zich vroeger voorstelde dat men de kapitalistische productiewijze door de maatschappelijke zou kunnen vervangen zonder de productie zelf een nieuwe gedaante te geven, zo verbeeldt hij zich hier dat men het modern burgerlijke gezin van zijn gehele economische grondslag zou kunnen losrukken, zonder daardoor zijn gehele vorm te veranderen. Deze vorm is voor hem zo onvatbaar voor verandering, dat hij zelfs het ‘oude Romeinse recht’, zij het in ietwat ‘veredelde’ gedaante, voor het gezin tot in alle eeuwigheid tot maatstaf maakt en zich een gezin slechts als ‘erflatende’, d.w.z. als bezittende eenheid kan voorstellen. De utopisten staan hierin ver boven de heer Dühring. Voor hen was met de vrijwillige vermaatschappelijking van de mensen en de verandering van de huiselijke, particuliere arbeid in een openbare industrie, ook het vermaatschappelijken van de opvoeding der jeugd en daarmee een werkelijk vrije onderlinge verhouding van de gezinsleden direct vanzelfsprekend. En verder heeft Marx al (Het Kapitaal, blz. 515 e.v.) aangetoond hoe ‘de grote industrie met de beslissende rol die zij aan vrouwen, jeugdige personen en kinderen van beiderlei geslacht in maatschappelijk georganiseerde productieprocessen buiten het huiselijke leven toewijst, de nieuwe economische grondslag schept voor een hogere vorm van het gezin en van de verhouding tussen de beide geslachten’. 

‘Ieder sociaal-hervormingsgezinde fantast’, zegt de heer Dühring, ‘heeft natuurlijk zijn aan het nieuwe sociale leven beantwoordende opvoedkunde al gereed liggen’.

Met deze zin als maatstaf, verschijnt de heer Dühring als ‘een waar wangedrocht’ onder de sociaal-hervormingsgezinde fantasten. Met de toekomstschool houdt hij zich minstens evenveel bezig, als met het auteursrecht en dat wil heel wat zeggen. Niet slechts voor de gehele ‘afzienbare toekomst’ heeft hij school- en universiteitsplannen kant-en-klaar, maar ook voor de overgangsperiode. Bepalen wij er ons intussen toe wat de jeugd van beiderlei geslacht in de definitieve socialiteit in laatste instantie bijgebracht moet worden.

De algemene volksschool biedt

‘alles wat op zich zelf en principieel voor de mensen aantrekkelijk kan zijn’, met name dus ‘de grondslagen en voornaamste resultaten van alle wetenschappen die verband houden met wereld en levensbeschouwingen’. Zij onderwijst dus in de eerste plaats wiskunde en wel zo, dat het gebied van alle principiële begrippen en hulpmiddelen, van het eenvoudige optellen en aftrekken tot en met de integraalrekening, ‘geheel doorgenomen’ wordt.

Dat betekent echter niet dat in deze school werkelijk gedifferentieerd en geïntegreerd zal worden, integendeel. Veeleer moeten daar geheel nieuwe elementen van de wiskunde in haar geheel onderwezen worden, die zowel de gewone elementaire, alsook de hogere wiskunde in de kiem dragen. Hoewel nu de heer Dühring van zichzelf beweert, dat hij ook reeds de

‘inhoud van de leerboeken’ voor deze toekomstschool ‘in hoofdtrekken schematisch voor ogen heeft’,

toch is het hem tot heden helaas niet gelukt om deze

‘elementen van de wiskunde in haar geheel’

te ontdekken; en wat hij niet bereiken kan, dat

‘is ook werkelijk pas van de vrije en toegenomen krachten van de nieuwe maatschappijtoestand te verwachten’.

Maar waar de druiven van de toekomstwiskunde voorlopig nog erg zuur zijn, zullen zich bij de sterrenkunde, de mechanica en natuurkunde van de toekomst des te minder moeilijkheden voordoen en deze zullen

‘de kern van het hele onderricht leveren’, terwijl ‘plant en dierkunde die, ondanks alle theorieën nog steeds voornamelijk van beschrijvende aard zijn... meer tot lichte ontspanning’ zullen dienen.

Zo staat het gedrukt, op blz. 417 van de ‘Filosofie’. Tot op de huidige dag kent de heer Dühring geen andere plant en dierkunde dan een voornamelijk beschrijvende. Van de gehele organische morfologie die de vergelijkende anatomie, de embryologie en de paleontologie van de organische wereld omvat zijn hem zelfs de namen niet bekend. Terwijl achter zijn rug op het gebied van de biologie geheel nieuwe wetenschappen haast bij dozijnen ontstaan, put zijn kinderlijk gemoed nog altijd ‘de eminent moderne opvoedingselementen van de natuurwetenschappelijke denkwijze’ uit Raff’s Natuurlijke historie voor kinderen en legt deze grondwet van de organische wereld ook aan de gehele ‘afzienbare toekomst’ op. De scheikunde is, zoals wij van hem gewend zijn, ook hier totaal vergeten.

Voor de esthetische zijde van het onderwijs zal de heer Dühring alles opnieuw moeten uitwerken. De bestaande dichtkunst deugt daar niet voor. Waar alle religie verboden is, kan de bij vroegere dichters gebruikelijke ‘opsmukking met mythologie of andersoortige religie’ in de school natuurlijk niet geduld worden. Ook ‘het poëtische mysticisme, zoals bijvoorbeeld Goethe dit sterk beoefend heeft’, is verwerpelijk. De heer Dühring zal er dus zelf toe moeten besluiten, ons de dichterlijke meesterwerken te leveren, die aan ‘de hogere eisen van een met het verstand harmoniërende fantasie beantwoorden’, en het echte ideaal vormen dat ‘de voltooiing der wereld’ betekent. Hij talme daarmee niet! Wereldveroverend kan de bedrijfscommune pas worden zodra zij haar intocht doet in de met het verstand verzoende stormpas van de alexandrijn.

Met de filologie zal de opgroeiende toekomstburger niet veel worden gekweld.

‘De dode talen vallen geheel en al weg... De vreemde levende talen echter zullen... bijzaak blijven’. Slechts daar waar de volksmassa zelf aan het verkeer onder de volkeren deelnemen, moeten deze talen ieder op gemakkelijke wijze, al naar behoefte, toegankelijk worden gemaakt. ‘De werkelijk vormende taalscholing’ wordt gevonden in een soort van algemene spraakkunst en vooral in ‘stof en vorm van de eigen taal’.

De nationale bekrompenheid van de huidige mensen is voor de heer Dühring nog veel te kosmopolitisch. Hij wil ook nog de beide hefbomen afschaffen, die in de tegenwoordige wereld althans nog gelegenheid geven boven het beperkte nationale standpunt uit te komen: de kennis van de oude talen die althans voor de klassiek gevormde mensen van alle volkeren een gemeenschappelijke, bredere horizon opent, en de kennis van de nieuwere talen, het enige middel waardoor mensen van verschillende naties zich met elkaar kunnen verstaan en nader bekend kunnen worden met wat buiten hun eigen grenzen geschiedt. In plaats daarvan moet de spraakkunst van het eigen land er grondig ingestampt worden. ‘Stof en vorm van de eigen taal’ zijn echter eerst dan te begrijpen, wanneer men hun ontstaan en geleidelijke ontwikkeling nagaat en dit is niet mogelijk zonder rekening te houden, ten eerste met haar eigen afgestorven vormen en ten tweede met de aan haar verwante levende en dode talen. Maar daarmee zijn wij weer op het uitdrukkelijk verboden gebied. Wanneer de heer Dühring echter zodoende de gehele moderne, historische spraakleer uit zijn schoolplan schrapt, dan blijft hem voor het taalonderwijs niets anders over dan het ouderwetse geheel in de stijl van de oude klassieke filologie gefatsoeneerde technische spraakkunst, met al haar op gebrek aan historische grondslagen berustende, casuïstiek en willekeur. De haat tegen de oude filologie brengt hem er toe om het allerslechtste product van de oude filologie tot ‘middelpunt van de werkelijk vormende taalscholing’ te verheffen. Men ziet duidelijk dat wij hier met een taalgeleerde te doen hebben, die van heel het historische taalonderzoek, dat zich sinds zestig jaren zo geweldig en met zoveel succes heeft ontwikkeld, nooit heeft horen spreken en die dus ‘de eminent moderne ontwikkelingselementen’ van het taalonderricht niet bij Bopp, Grimm en Diez zoekt, maar bij Heyse en Becker, zaliger nagedachtenis.

Met dit alles zou echter de aankomende toekomstburger nog lang niet ‘op eigen benen gezet’ zijn. Hiertoe behoort weer een diepere fundering, en wel door

‘het zich eigen maken van de laatste wijsgerige grondslagen’. ‘Een zodanige verdieping zal echter... allerminst een reuzentaak blijven’, sedert de heer Dühring hier vrij baan gemaakt heeft. Inderdaad, ‘zuivert men het weinige strenge weten, waarop de algemene schematiek van het Zijn kan bogen, van de onechte, scholastische kronkelingen en besluit men er toe, overal uitsluitend de’ door de heer Dühring ‘erkende werkelijkheid te laten gelden’, dan is de elementaire filosofie ook voor de toekomstjeugd volkomen toegankelijk gemaakt. ‘Men herinnere zich dehoogst eenvoudige wendingen, waarmee wij de oneindigheidsbegrippen en de kritiek daarop een tot dusver ongekende draagwijdte hebben gegeven’ — dan is ‘in het geheel niet in te zien waarom de door de tegenwoordige verdieping en verscherping zo eenvoudig uitgedrukte elementen van de universele opvatting van tijd en ruimte tenslotte niet in de rangorde van het voorbereidend onderwijs opgenomen zouden worden... De meest wortelvaste gedachten’ van de heer Dühring ‘mogen in de universele onderrichtsystematiek van de nieuwe maatschappij geen bijkomstige rol spelen’. De aan zichzelf gelijke toestand van de materie en het afgetelde oneindige getal zijn integendeel geroepen de mens ‘niet alleen op eigen benen te laten staan, maar hem ook uit zichzelf te doen begrijpen, dat hij het zogenaamde absolute onder de voeten heeft.’

De volksschool van de toekomst is, zoals men ziet, niets anders dan een enigszins ‘veredelde’ Pruisische Latijnse school, waar Grieks en Latijn door wat meer zuivere en toegepaste wiskunde, en in het bijzonder door de elementen van de ‘werkelijkheidsfilosofie’ vervangen zijn en het Duitse onderwijs weer tot Becker zaliger, dus ongeveer tot de derde klas wordt teruggebracht. Het is inderdaad ‘in het geheel niet in te zien’ waarom alle ‘takken van kennis’ van de heer Dühring, zoals wij die op de verschillende door hem aangeroerde gebieden als hoogst schooljongensachtig hebben gekenmerkt, of beter gezegd, wat er na voorafgaande grondige ‘zuivering’ dan nog van overblijft — waarom dat niet alles bij elkaar ‘uiteindelijk in de rangorde van het voorbereidend onderwijs zou kunnen worden opgenomen’, aangezien het in werkelijkheid die rangorde nooit verlaten heeft. Zeker heeft de heer Dühring er ook iets over horen verluiden, dat in de socialistische maatschappij arbeid en opvoeding met elkaar verbonden moeten worden en dat daardoor zowel een veelzijdige technische opleiding als een praktische grondslag voor de wetenschappelijke opvoeding moet worden verzekerd. Ook dit punt wordt daarom op de gebruikelijke wijze aan de socialiteit dienstbaar gemaakt. Daar echter de oude arbeidsverdeling, zoals wij zagen, in Dührings toekomstproductie in hoofdzaak rustig blijft voortbestaan, is dit technisch schoolonderricht van iedere latere praktische toepassing, van iedere betekenis voor de productie zelf afgesneden, en het heeft dan ook alleen betekenis voor de school, het moet nl. de gymnastiek vervangen, waarvan onze wortelvaste omwentelaar niets wil weten. Daarom kan hij ons ook slechts enige frases bieden, zoals:

‘jong en oud verrichten arbeid in de ernstige zin van het woord’.

Waarlijk deerniswekkend is echter deze hulpeloze en inhoudsloze tinnengieterij, wanneer men haar vergelijk met de passage in Het Kapitaal (blz. 508—515) waar Marx de stelling ontwikkelt dat ‘uit het fabriekssysteem, zoals men in bijzonderheden bij Robert Owen kan nagaan, de kiem van de opvoeding der toekomst is ontsproten, die voor alle kinderen boven een bepaalde leeftijd productieve arbeid met onderwijs en gymnastiek zal verbinden, niet slechts als een methode om de maatschappelijke productie te verhogen, maar als de enige methode voor het voortbrengen van alzijdig ontwikkelde mensen’. 

Slaan wij de universiteit van de toekomst over, waarin de ‘werkelijkheidsfilosofie’ de kern van al het weten zal vormen en waarin naast de medische, ook de juridische faculteit in volle bloei blijft bestaan. Gaan wij ook aan de ‘speciale vakinrichtingen’ voorbij, waarvan wij slechts te horen krijgen dat zij alleen ‘voor een paar leervakken’ zullen gelden. Nemen wij aan dat de jonge toekomstburger na het doorlopen van alle leergangen eindelijk zover ‘op eigen benen neergezet is’, dat hij een vrouw kan gaan zoeken. Welke loop der dingen stelt de heer Dühring dan voor hem open?

‘Met het oog op de belangrijkheid van de voortplanting voor behoud, uitroeiing en vermenging, ja zelfs voor nieuwe scheppende ontwikkeling van eigenschappen, moet men de diepste wortels van het menselijke of onmenselijke grotendeels in de geslachtelijke paring en keuze zoeken, en bovendien in het zorg dragen voor een bepaalde bevordering of vermijding van geboorten. Het oordeel over de roekeloosheid en stompzinnigheid die op dit gebied heersen, moet feitelijk aan een later tijdperk worden overgelaten. Toch moet tenminste reeds aanstonds, zelfs onder de druk van de vooroordelen, begrijpelijk worden gemaakt dat veel belangrijker dan het aantal geboorten, ongetwijfeld de aan de natuur of de menselijke voorzorg gelukte of niet gelukte schepping van de hoedanigheden der nieuwgeborenen is. Weliswaar zijn in alle tijden en onder alle rechtsverhoudingen gedrochten aan de vernietiging prijsgegeven, maar tussen het gezond-normale en het misvormde dat niets menselijks meer heeft, liggen veel tussenschakels... Wanneer de geboorte van een mens wordt voorkomen die toch slechts een gebrekkig schepsel zou worden, dan is dit feit klaarblijkelijk een voordeel’.

Eveneens wordt op een andere plaats gezegd:

‘Voor de wijsgerige beschouwing kan het niet moeilijk zijn om het recht van de ongeboren wereld op zo goed mogelijke compositie... te begrijpen... De ontvangenis en desnoods ook nog de geboorte geven gelegenheid om in dit opzicht voorbehoedende of bij uitzondering ook selectieve voorzorg toe te passen’.

En verder:

‘De Griekse kunst die de mens in marmer idealiseerde, zal niet langer op dezelfde historische betekenis aanspraak kunnen maken zodra de minder artistiek-speelse, en daarom voor het levenslot van de miljoenen veel ernstiger taak ter hand genomen wordt, om de vorming van de mens in vlees en bloed te vervolmaken. Deze soort kunst is niet eenvoudig het bewerken van steen en haar kunstzin bepaalt zich niet tot het beschouwen van dode vormen’ enz.

Onze aankomende toekomstburger valt uit de wolken. Zelfs zonder de heer Dühring wist hij wel, dat het bij het huwelijk niet om de kunst van het steenbewerken gaat en ook niet om het aanschouwen van dode vormen. Maar diezelfde heer Dühring had hem toch beloofd, dat hij alle wegen kon inslaan die de loop der dingen en zijn eigen wezen voor hem openden om een meevoelend vrouwenhart en daarbij behorend lichaam te vinden. Geen sprake van, buldert hem nu de ‘diepere en strengere moraliteit’ toe. Het komt er in de eerste plaats op aan om aan de roekeloosheid en de stompzinnigheid, die op het gebied van de geslachtelijke paring en keuze heersen, een einde te maken, en met het recht van de nieuwgeboren wereld op zo goed mogelijke compositie rekening te houden. Hem gaat het er in dit plechtige ogenblik om de schepping van de mens in vlees en bloed te vervolmaken, om zo te zeggen, een Phidias in vlees en bloed te worden. Hoe moet hij dat aanvangen? De bovengenoemde geheimzinnige uitlatingen van de heer Dühring geven hem daartoe niet de geringste aanwijzing, hoewel deze zelf zegt dat het een ‘kunst’ is. Zou de heer Dühring misschien ook al een handboek voor deze kunst ‘in grondtrekken voor ogen’ hebben, zo ongeveer als er tegenwoordig zo vele in gesloten omslag in de Duitse boekhandel in omloop zijn? Inderdaad leven wij hier niet meer in de socialiteit, maar veeleer in de ‘Toverfluit’ , alleen met dit verschil dat de welgedane vrijmetselaarpriester Sarastro nauwelijks voor een ‘tweederangs priester’ kan doorgaan tegenover onze diepere en strengere moralist. De beproevingen die Sarastro aan zijn uit volgelingen bestaande liefdespaartjes oplegde, zijn een waar kinderspel vergeleken bij de ijzingwekkende beproeving waartoe de heer Dühring zijn beide soevereine individuen dwingt voordat hij hun toestaat in de staat van het ‘zedelijke en vrije huwelijk’ te treden. Zo kan het zowaar gebeuren, dat onze ‘op eigen benen neergezette’ toekomst-Tamino wel het zogenaamde absolute onder de voeten heeft, maar dat een van die voeten een paar graden van het rechte vlak afwijkt, zodat boze tongen hem voor een horrelvoet uitschelden. Ook ligt het binnen het gebied der mogelijkheid, dat zijn teerbeminde toekomst-Pamina niet zo kaarsrecht op het meergenoemd absolute staat, als gevolg van een lichte verschuiving ten gunste van de rechterschouder, die de afgunst zelfs voor een klein bocheltje uitmaakt. Wat dan? Zal onze diepere en strengere Sarastro hun verbieden de kunst der mensenvervolmaking in vlees en bloed te beoefenen, zal hij zijn ‘voorbehoedende zorg’ bij de ‘ontvangenis’ of zijn ‘schiftende’ bij de ‘geboorte’ laten gelden? Tien tegen een dat de dingen een andere loop nemen: het liefdespaartje laat Sarastro-Dühring staan en gaat naar de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Halt! — roept de heer Dühring. Zo was het niet bedoeld. Wees toch redelijk.

Bij de ‘hogere, echt menselijke beweegredenen voor heilzame geslachtsverbindingen... is de menselijk veredelde vorm van de geslachtsprikkel, waarvan het hoogtepunt zich uit als hartstochtelijke liefde, in haar tweezijdigheid de beste waarborg voor een vereniging die ook in haar gevolgen aannemelijk zal zijn... het is slechts een gevolg van de tweede orde, dat uit een op zichzelf harmonische betrekking ook een harmonisch samengesteld product voortkomt. Hieruit volgt op zijn beurt, dat iedere dwang schadelijk moet werken’ enz.

En zo komt alles op de beste wijze voor elkaar in de beste aller socialiteiten. Horrelvoet en bocheltje beminnen elkaar hartstochtelijk en bieden daarom ook in hun tweezijdigheid de beste waarborg voor een harmonisch ‘gevolg van de tweede orde’. Het gaat als in een roman: zij beminnen elkaar, zij krijgen elkaar en de hele diepere en strengere moraliteit verloopt, zoals gewoonlijk, in harmonisch lariefarie.

Wat voor nobele opvattingen de heer Dühring in het algemeen van het vrouwelijke geslacht heeft blijkt uit de volgende aanklacht tegen de huidige maatschappij:

‘De prostitutie geldt, in de op verkoop van de ene mens aan de andere berustende onderdrukkingsmaatschappij, als de vanzelfsprekende aanvulling van de gedwongen huwelijksbanden ten gunste van de man, en het is een van de begrijpelijkste, maar ook een van de meest veelbeduidende feiten, dat iets dergelijks ten gunste van de vrouwen onbestaanbaar is’.

Voor niets ter wereld zou ik de dank in ontvangst willen nemen, die de heer Dühring voor dit compliment door de vrouwen zou kunnen worden gebracht. Zou de heer Dühring intussen nooit van de niet meer zo ongewone bron van inkomsten: de ‘rokkenstipendia’ gehoord hebben? En de heer Dühring is toch zelf referendaris  geweest en woont in Berlijn, waar reeds in mijn tijd, voor zesendertig jaar, om over de luitenants te zwijgen, het woord referendarius dikwijls genoeg rijmde op rokkenstipendarius... .

 

***

Men sta ons toe dat wij van ons onderwerp, dat zeker vaak droog en triest genoeg was, op een verzoenend opgeruimde wijze afscheid nemen. Zolang wij de afzonderlijke punten van onderzoek te behandelen hadden, was ons oordeel gebonden aan de objectieve, onbetwistbare feiten, en op grond van die feiten moest het maar al te vaak scherp en zelfs hard uitvallen. Nu filosofie, economie en socialiteit achter ons liggen, nu wij de schrijver, die wij in bijzonderheden moesten beoordelen, ten voeten uit voor ons zien staan, thans kunnen menselijke overwegingen de voorrang krijgen. Thans staat het ons vrij talrijke, anders onbegrijpelijke wetenschappelijke afdwalingen en overschatting uit persoonlijke oorzaken te verklaren en ons samenvattende oordeel over de heer Dühring te formuleren in de woorden: ontoerekeningsvatbaar wegens grootheidswaanzin.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Materiaal bij de Anti-Dühring

Oud woord vooraf bij de Anti-Dühring over de dialectiek 

 

Het hiervolgende werk is geenszins ontstaan door ‘innerlijke drang’. Mijn vriend Liebknecht kan integendeel getuigen wat een moeite het hem gekost heeft om mij ertoe te bewegen een kritische toelichting te geven bij de nieuwste socialistische theorie van de heer Dühring. Eenmaal daartoe besloten had ik geen andere keuze dan deze theorie, die zichzelf uitgeeft voor de laatste praktische vrucht van een nieuw filosofisch systeem, in samenhang met dit systeem en daarmee het systeem zelf te onderzoeken. Ik was dus genoodzaakt de heer Dühring in dit omvangrijke gebied te volgen, waarin hij alle mogelijke dingen bespreekt, en bovendien nog enige andere. Zo ontstond een reeks artikelen die vanaf het begin van 1877 in de Leipzigse Vorwärts gepubliceerd werden en nu in samenhang met elkaar verschijnen.

Indien de kritiek op dit, ondanks alle eigenlof zo hoogst onbeduidende systeem, in verband met de aard van de stof zo uitvoerig is, dan is dit door twee omstandigheden te verontschuldigen. Aan de ene kant gaf deze kritiek mij de gelegenheid op verschillende gebieden mijn opvatting positief te ontwikkelen over twistpunten, die tegenwoordig van algemeen wetenschappelijk of praktisch belang zijn. Hoewel het niet in mijn bedoeling ligt een ander systeem tegenover het systeem van de heer Dühring te stellen, hoop ik toch dat de innerlijke samenhang van de door mij aangevoerde opvattingen de lezer niet zal ontgaan, niettegenstaande de grote verscheidenheid in de behandelde stof.

Aan de andere kant is de heer Dühring als ‘schepper van een systeem’ geenszins een uniek verschijnsel in het Duitsland van heden ten dage. Sinds enige tijd schieten in Duitsland filosofische, vooral natuurfilosofische systemen in één nacht bij duizenden als paddestoelen uit de grond, om maar over de talloze nieuwe systemen in de politiek, de economie enz. te zwijgen. Zoals men er in de moderne staat van uitgaat dat iedere staatsburger rijp is om een oordeel te vormen over alle vraagstukken waarover hij stemmen moet, zoals in de economie aangenomen wordt dat iedere koper een kenner van al de waren is die hij voor zijn levensonderhoud in moet kopen, zo moet het nu dus ook in de wetenschap gesteld zijn. Iedereen kan over van alles schrijven en de ‘vrijheid van de wetenschap’ bestaat nu juist daarin, dat men uitgesproken over datgene schrijft waarvan men geen verstand heeft en dat men dan uitgeeft voor de enige streng wetenschappelijke methode. De heer Dühring is een van de meest kenmerkende typen van deze vrijpostige pseudo-wetenschap, die zich tegenwoordig in Duitsland overal op de voorgrond dringt en alles overstemt met haar dreunend hoogdravend gezwets. Hoogdravend gezwets in de poëzie, in de filosofie, in de economie, in de geschiedschrijving, hoogdravend gezwets vanaf katheders en tribunes, hoogdravend gezwets overal, hoogdravend gezwets met de pretentie op superioriteit en diepzinnigheid, waarmee het zich onderscheidt van het gewone laag-bij-de-grondse gezwets van andere naties, hoogdravend gezwets, het meest typerende massaproduct van de Duitse intellectuele industrie — goedkoop, maar slecht —, precies als de andere Duitse fabrikaten, maar dat helaas niet met deze laatste in Philadelphia vertegenwoordigd was.  Zelfs het Duitse socialisme maakt in de laatste tijd, vooral na het goede voorbeeld van de heer Dühring, goede vorderingen in hoogdravend gezwets. Dat de praktische sociaaldemocratische beweging zich door dit hoogdravende gezwets niet van de wijs laat brengen, is weer eens een bewijs van het merkwaardig gezonde gestel van onze arbeidersklasse in een land, waar toch op het ogenblik op de natuurwetenschap na, alles ziek is.

Toen Nägeli in zijn rede op de bijeenkomst in München van de Duitse natuuronderzoekers het erover had dat de menselijke kennis nooit het karakter van alwetendheid zal kunnen verwerven,  was hij van de prestaties van de heer Dühring kennelijk niet op de hoogte. Deze prestaties leidden er echter toe dat ik deze ook in een hele reeks van gebieden moest volgen, waarin ik mij hoogstens als een dilettant bewegen kan. Dit geldt namelijk voor de verschillende takken van de natuurwetenschap, waar het tot nu toe als uiterst onbescheiden gold wanneer een ‘leek’ hierover een woordje wilde meepraten. Nochtans werd ik enigermate aangemoedigd door een opmerking van de heer Virchow, die hij juist op deze bijeenkomst in München maakte en die op een andere plaats verder wordt uiteengezet, nl. dat iedere natuurvorser buiten zijn eigen specialiteit eveneens een half-weter,  vulgo leek, is. Daar een dergelijke specialist het zich veroorloven kan en moet om van tijd tot tijd zich op naburig terrein te wagen en daar dan de betreffende specialisten zijn onbeholpenheid in uitdrukking en kleine onnauwkeurigheden door de vingers zien, zo heb ook ik mij de vrijheid veroorloofd, natuurprocessen en natuurwetten als voorbeeld aan te voeren ter bevestiging van mijn algemeen theoretische opvattingen en ik hoop dan ook op dezelfde toegevendheid te kunnen rekenen.  De resultaten van de moderne natuurwetenschap dringen zich dan ook bij eenieder die zich met theoretische dingen bezighoudt met dezelfde onweerstaanbaarheid op, waarmee de tegenwoordige natuuronderzoekers, of zij dat nu willen of niet, zich tot het maken van theoretisch-algemene gevolgtrekkingen gedwongen zien. En hier krijgt men een zekere compensatie. Terwijl de theoretici halfweters zijn op het gebied van de natuurwetenschap, staan de hedendaagse natuurvorsers er inderdaad net zo voor op het gebied van de theorie, het gebied dat tot nu toe alleen als filosofie werd aangeduid.

Het empirische natuuronderzoek heeft een zo ongelooflijke hoeveelheid aan positieve stof voor kennis opeengehoopt, dat de noodzakelijkheid deze stof op ieder apart gebied van onderzoek systematisch en volgens de innerlijke samenhang te ordenen, gewoonweg onvermijdelijk is geworden. Net zo onvermijdelijk wordt het de aparte gebieden van de kennis met elkaar in het juiste verband te brengen. Hiermee begeeft de natuurwetenschap zich echter op het theoretische gebied en hier falen de empirische methoden, hier kan alleen het theoretische denken helpen . Voor het theoretische denken moet men echter aanleg hebben, en die aanleg is een aangeboren eigenschap. Deze aanleg moet ontwikkeld, gevormd worden, en voor deze opleiding bestaat er tot heden nog geen ander middel dan de studie van de gehele tot nu toe geldende filosofie.

Het theoretische denken van ieder tijdvak, dus ook van het onze, is een historisch product dat in verschillende tijden een zeer verschillende vorm en daarmee ook een zeer verschillende inhoud aanneemt. De wetenschap van het denken is dus, net zoals iedere andere, een historische wetenschap, de wetenschap van de historische ontwikkeling van het menselijke denken. En dit is ook voor de praktische toepassing van het denken op empirische gebieden van gewicht. Want ten eerste is de theorie van de denkwetten geenszins een eens en voor altijd uitgemaakte ‘eeuwige waarheid’, zoals het filisterverstand dat zich voorstelt bij het woord logica. De formele logica zelf is sinds Aristoteles tot op heden het gebied van heftige debatten gebleven. En wat de dialectiek betreft, deze is tot heden alleen door twee denkers wat diepgaander onderzocht, en wel door Aristoteles en Hegel. Juist de dialectiek is echter voor de moderne natuurwetenschap de belangrijkste vorm van denken, daar deze alleen het analogon en daarmee de verklaringsmethode biedt voor de in de natuur voorkomende ontwikkelingsprocessen, voor de algehele samenhang in de natuur, voor de overgangen van het ene gebied van onderzoek naar het andere.

Ten tweede is echter het op de hoogte zijn met de gang van de historische ontwikkeling van het menselijke denken, met de in verschillende tijden naar voren tredende opvattingen over de algemene samenhang van de uiterlijke wereld, ook daarom voor de theoretische natuurwetenschap noodzakelijk, daar het een maatstaf is voor de theorieën die deze wetenschap zelf opstelt. Het gebrek aan kennis van de geschiedenis der filosofie treedt hier helaas vaak en scherp genoeg naar voren. Thesen die in de filosofie sinds eeuwen waren opgesteld, die vaak al lang als filosofisch waren afgedankt, worden nu dikwijls genoeg door de theoretiserende natuuronderzoekers als spiksplinternieuwe wijsheid opgelepeld en komen dan warempel nog voor een tijdje in de mode. Het is werkelijk een groot succes van de mechanische warmtetheorie dat deze de stelling over het behoud van de energie met nieuwe bewijzen gestaafd en weer op de voorgrond geplaatst heeft; maar zou deze stelling als iets absoluut nieuws hebben kunnen figureren als de heren fysici zich herinnerd hadden dat deze these reeds door Descartes was opgesteld? Sinds de fysica en de chemie zich weer bijna uitsluitend met moleculen en atomen bezighouden, is de Oudgriekse atomistische filosofie weer noodzakelijkerwijze op de voorgrond getreden. Maar hoe oppervlakkig wordt deze zelfs door de besten onder hen behandeld! Zo vertelt Kekulé (Doeleinden en prestaties van de chemie) dat deze filosofie van Democritus stamt, in plaats van Leucippus, en beweert dat Dalton voor het eerst het bestaan van kwalitatief verschillende elementaire atomen had aangenomen en hun voor het eerst verschillende, voor de verschillende elementen specifieke gewichten had toegeschreven  terwijl toch bij Diogenes Laertius (X, §§ 43-44 en 61) te lezen is dat reeds Epicurus de atomen niet alleen verscheidenheid naar grootte en vorm toeschreef, maar ook naar gewicht, d.w.z. dat hij reeds atoomgewicht en atoomvolume op zijn wijze kende.

Het jaar 1848 dat in Duitsland verder met niets klaar kwam, heeft daar alleen op het gebied van de filosofie een totale ommekeer tot stand gebracht. Terwijl de natie zich op de praktijk wierp en enerzijds het begin van de grootindustrie en de zwendel vestigde, anderzijds de stoot gaf aan de geweldige vlucht die de natuurwetenschap in Duitsland sindsdien nam en die ingeluid werd door de rondtrekkende predikers en echte karikaturen Vogt, Büchner etc., keerde deze natie zich vastberaden af van de op het zand van het Berlijnse oudhegelianisme gestrande klassieke Duitse filosofie. Het Berlijnse oudhegelianisme had dat eerlijk verdiend. Maar een natie die aan de top der wetenschap wil staan kan het nu eenmaal niet zonder theoretisch denken stellen. Met het hegelianisme wierp men ook de dialectiek overboord — en dit uitgesproken op een tijdstip toen het dialectische karakter van de natuurprocessen zich onweerstaanbaar opdrong, toen dus alleen de dialectiek de natuurwetenschap over de berg van theoretische moeilijkheden kon helpen — en daarmee viel deze wetenschap weer hulpeloos in handen van de oude metafysica. Aan de ene kant kregen bij het publiek de oppervlakkige, op filisters aangepaste overpeinzingen van Schopenhauer de overhand en later zelfs die van Hartmann, aan de andere kant het vulgaire materialisme van rondtrekkende predikers, als Vogt en Büchner. Op de universiteiten concurreerden de meest verschillende soorten eclecticisme met elkaar, die slechts dat gemeen hadden dat zij uit de afval van vergane filosofieën waren opgebouwd en allen even metafysisch waren. Uit de resten der klassieke filosofie redde zich alleen een zeker soort neokantianisme, waarvan het laatste woord het eeuwig onkenbare ding op zichzelf was, dus juist dat stuk Kant dat het minste verdiende om bewaard te blijven. Het eindresultaat was de op het ogenblik heersende verstrooiing en verwarring in het theoretische denken.

Men kan nauwelijks een theoretisch natuurwetenschappelijk boek ter hand nemen, zonder de indruk te krijgen dat de natuuronderzoekers zelf voelen hoezeer zij in de ban zijn van deze verstrooiing en verwarring, en hoe hun de nu gangbare zogenaamde filosofie absoluut geen uitweg biedt. En hier bestaat nu eenmaal geen andere uitweg, geen mogelijkheid tot klaarheid te komen, dan in de ene of andere vorm, van het metafysische naar het dialectische denken terug te keren.

Deze terugkeer kan langs verschillende wegen plaatsvinden. Deze kan zich op natuurlijke wijze voltrekken, louter door het geweld van de natuurwetenschappelijke ontdekkingen zelf, die zich niet langer zullen laten dwingen op het oude metafysische procrustesbed te blijven liggen. Dit is echter een langdurig moeilijk proces, waarbij een enorme massa overbodige wrijving te overwinnen valt. Dit proces is grotendeels al aan de gang, namelijk in de biologie. Het zou flink verkort kunnen worden wanneer de theoretische natuuronderzoekers wat dieper wilden ingaan op de dialectische filosofie in haar historisch bestaande vormen. Onder deze vormen zijn er namelijk twee die voor de moderne natuurwetenschap bijzonder vruchtbaar kunnen worden.

De eerste is de Griekse filosofie. Hier treedt het dialectische denken nog in primitieve eenvoud op, nog onbelemmerd door de geliefde hindernissen, die de metafysica van de 17e en 18e eeuw — Bacon en Locke in Engeland, Wolff in Duitsland — voor zichzelf opwierp en waarmee zij zich de weg versperde om van het begrip van het afzonderlijke tot het begrip van het geheel, tot inzicht in de algemene samenhang te komen. Bij de Grieken — juist omdat zij nog niet tot ontleding, tot analyse van de natuur waren gevorderd — wordt de natuur nog als geheel, in het geheel en het groot, beschouwd. De algehele samenhang van de natuurverschijnselen wordt niet bewezen door in bijzonderheden te treden, want deze samenhang is bij de Grieken het resultaat van hun directe beschouwing. Hierin ligt de ontoereikendheid van de Griekse filosofie, waardoor zij later voor andere beschouwingswijzen het veld moest ruimen. Maar hierin ligt ook haar superioriteit ten opzichte van al haar latere metafysische tegenstanders. Wanneer de metafysica ten opzichte van de Grieken in de bijzonderheden gelijk kreeg, zo hadden de Grieken ten opzichte van de metafysica gelijk in het geheel en het groot. Dit is een van de redenen waarom wij genoodzaakt zijn in de filosofie, alsook op zovele andere gebieden, steeds weer terug te keren tot de prestaties van dit kleine volk, dat zich door zijn universele begaafdheid en activiteit zo een plaats in de geschiedenis van de ontwikkeling van de mensheid heeft verzekerd, waarop geen ander volk ooit aanspraak kan maken. De andere reden is echter deze, dat de veelzijdige vormen van de Griekse filosofie in bijna alle latere beschouwingswijzen reeds in de kiem, in wording, aanwezig zijn. De theoretische natuurwetenschap is daarom eveneens gedwongen, als zij de geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van haar huidige algemene stellingen wil onderzoeken, op de Grieken terug te vallen. En dit inzicht breekt meer en meer baan. Steeds zeldzamer worden de natuuronderzoekers die, terwijl zijzelf wel met de brokstukken van de Griekse filosofie, bv. de atomistiek, als met eeuwige waarheden omspringen, baconistisch-voornaam op de Grieken neerzien, omdat zij geen empirische natuurwetenschap hadden. Het zou alleen wenselijk zijn dat dit inzicht zou leiden tot een werkelijke kennismaking met de Griekse filosofie.

De tweede vorm van de dialectiek, die juist de Duitse natuurvorsers het naast ligt, is de klassieke Duitse filosofie vanaf Kant tot Hegel. Hier is al een begin gemaakt, daar het nu ook, behalve het reeds genoemde neokantianisme, weer mode is zich op Kant te beroepen. Sinds men ontdekt heeft dat Kant de schepper van twee geniale hypothesen is, zonder welke de hedendaagse theoretische natuurwetenschap het nu eenmaal niet kan stellen — de vroeger aan Laplace toegeschreven theorie over het ontstaan van het zonnestelsel en de theorie van de vertraging van de omwenteling der Aarde door de vloedwrijving — wordt Kant bij de natuuronderzoekers weer in verdiende ere gehouden. Maar om bij Kant de dialectiek te bestuderen zou een nutteloze, vermoeiende en weinig lonende arbeid zijn, daar er een omvangrijk compendium in de werken van Hegel bestaat dat over de dialectiek handelt, hoewel deze vanuit een absoluut verkeerd uitgangspunt ontwikkeld wordt.

Nadat enerzijds de door het verkeerde uitgangspunt en door het hulpeloos in het moeras verdwaalde Berlijnse hegelianisme grotendeels gerechtvaardigde reactie tegen de ‘natuurfilosofie’ haar vrije loop heeft gehad en in je reinste gescheld ontaardde, nadat anderzijds de natuurwetenschap in haar theoretische behoeften door de gangbare eclectische metafysica zo glansrijk in de steek werd gelaten, zal het wel mogelijk zijn weer eens in de tegenwoordigheid van natuurvorsers Hegels naam uit te spreken, zonder daardoor de sint-vitusdans te zien te krijgen, waarin de heer Dühring zo vermakelijk veel presteert.

In de eerste plaats moet vastgesteld worden dat het hier geenszins handelt om een verdediging van het hegeliaanse uitgangspunt: dat de geest, de gedachte, de idee het oorspronkelijke, en de werkelijke wereld slechts het cliché van de idee is. Dit werd reeds door Feuerbach van de hand gewezen. Daarover zijn we het allen eens, dat op ieder wetenschappelijk gebied, zowel in de natuur, als in de geschiedenis, van de gegeven feiten uitgegaan moet worden, in de natuurwetenschap dus van de verschillende feitelijke en bewegingsvormen der materie. Dat dus ook in de theoretische natuurwetenschap de samenhang niet in de feiten ingebouwd moet worden, maar deze samenhang in de feiten te ontdekken valt en, wanneer ontdekt voor zover dat mogelijk is, proefondervindelijk bewezen moet worden.

Evenmin kan er sprake van zijn de dogmatische inhoud van het hegeliaanse systeem staande te houden, zoals dat door het Berlijnse hegelianisme van zowel de oudere als de jongere tak, gepreekt wordt. Met dit idealistische uitgangspunt valt ook het daarop gebouwde systeem, dus ook de hegeliaanse natuurfilosofie. Men moet echter niet vergeten dat de natuurwetenschappelijke polemiek tegen Hegel, in hoeverre hij überhaupt juist begrepen werd, zich alleen tegen deze beide punten gericht had: tegen het idealistische uitgangspunt en tegen de willekeurige, de feiten tegensprekende constructie van het systeem.

Na aftrek van dit alles blijft de hegeliaanse dialectiek nog over. Het is de verdienste van Marx dat hij tegenover het ‘gemelijke, aanmatigende en middelmatige epigonendom, dat nu in Duitsland de toon aangeeft’,  weer voor het eerst de vergeten dialectische methode op de voorgrond plaatste, haar verband met de hegeliaanse dialectiek, zoals ook haar onderscheid daarvan aantoonde en tegelijkertijd in Het Kapitaal deze methode op de feiten van een empirische wetenschap, de politieke economie, toepaste. En dit deed hij met zoveel succes, dat zelfs in Duitsland de nieuwere economische school zich enkel en alleen daardoor boven de vulgaire leer van de vrijhandel verheft, dat zij passages van Marx overschrijft (dikwijls genoeg fout) onder het voorwendsel hem te bekritiseren.

Bij Hegel heerst in de dialectiek dezelfde verdraaiing van alle werkelijke samenhang, zoals in alle andere vertakkingen van zijn systeem. Maar zoals Marx zegt: ‘De mystificatie, die de dialectiek in Hegels handen ondergaat, verhindert op geen manier dat hij haar algemene bewegingsvormen voor het eerst op uitgebreide en bewuste wijze heeft beschreven. Alleen staat ze bij hem op z’n kop. Men moet haar omdraaien om de rationele kern in het mystieke omhulsel te ontdekken.’ 

In de natuurwetenschap zelf echter ontmoeten wij dikwijls genoeg theorieën waarin de werkelijke verhouding op de kop staat, het spiegelbeeld voor de oervorm gehouden wordt en die daarom zo een omkering nodig hebben. Zulke theorieën heersen nogal vaak voor een langere tijd. Toen de warmte voor bijna twee eeuwen voor een bijzonder geheimzinnige materie gold, in plaats van voor een bewegingsvorm van de gewone materie, was dat precies hetzelfde geval en de mechanische warmtetheorie bracht deze omkering tot stand. Toch heeft de door de theorie van de warmtestof beheerste fysica een reeks hoogst belangrijke warmtewetten ontdekt. Vooral door (J.-B.-J.) Fourier en Sadi Carnot  werd de weg vrijgemaakt voor de juiste theorie, die nu weer van haar kant de door haar voorgangster ontdekte wetten omkeren en in haar eigen taal vertalen moest. Zo ging het ook in de chemie, waar de flogistontheorie  door experimenteel werk, dat een eeuw lang duurde, voor het eerst het materiaal leverde, met de hulp waarvan Lavoisier in de door Priestley verkregen zuurstof de ware tegenpool van het fantastische flogiston ontdekken en daarmee de hele flogistontheorie omverwerpen kon. Daarmee hadden echter de resultaten van de proeven van de flogistonleer geenszins afgedaan. Integendeel. Zij bleven bestaan, alleen hun formulering werd omgekeerd, uit het ‘flogistons’ in de van toen af aan geldende chemische taal vertaald, en behielden in zoverre hun betekenis.

Zoals de theorie van de warmtestof zich tot de mechanische warmteleer, of de flogistontheorie zich tot die van Lavoisier verhoudt, zo verhoudt zich de hegeliaanse dialectiek tot de rationele dialectiek.

 

 

 

 

Uit het voorbereidende werk van Engels voor de Anti-Dühring 

EERSTE AFDELING

Bij het eerste deel: filosofie 
Bij: III. Indeling. Apriorisme
[Ideeën — spiegelbeelden der werkelijkheid]

Alle ideeën zijn aan de ervaring ontleend, zij zijn spiegelbeelden — juist of verwrongen — van de werkelijkheid.

Bij: III. Indeling. Apriorisme.
[Materiële wereld en denkwetten]

Twee soorten ervaring — uiterlijke, materiële en innerlijke denkwetten en denkvormen. De vormen van het denken werden ook gedeeltelijk overgeërfd door ontwikkeling (vanzelfsprekendheid bv. van de wiskundige axioma’s voor Europeanen, zeker niet voor Bosjesmannen en Australische negers).

Wanneer onze veronderstellingen juist zijn en wij de denkwetten juist op hen toepassen, dan moet het resultaat met de werkelijkheid overeenkomen, net zoals een berekening van de analytische geometrie met de geometrische constructie overeenstemmen moet, hoewel beide gans verschillende werkwijzen hebben. Jammer genoeg is dit bijna nooit het geval, behalve in heel eenvoudige operaties.

De buitenwereld weer is op zijn beurt of natuur of maatschappij.

Bij: III. Indeling. Apriorisme. IV. Wereldschematisme. En X. Moraal en recht.
[Verhouding van het Denken tot het Zijn]

Het denken heeft als enige inhoud de wereld en de denkwetten.

De algemene resultaten van het onderzoek van de wereld verkrijgt men pas aan het eind van dit onderzoek, zij zijn dus geen principes, uitgangspunten, maar resultaten, einduitkomsten. Deze resultaten met het verstand te construeren, van hen als van grondslagen uit te gaan en dan hieruit met het verstand de wereld te reconstrueren is ideologie, een ideologie waaronder tot nu toe ook ieder materialisme geleden heeft. Hoewel daarvoor natuurlijk, tot op zekere hoogte, de verhouding van het denken tot het Zijn in de natuur duidelijk was, was de verhouding ten opzichte van de geschiedenis niet duidelijk, de afhankelijkheid van ieder denken van de historisch-materiële voorwaarden begreep het niet. — Daar Dühring van ‘principes’ uitgaat in plaats van feiten, is hij ideoloog en kan hij de ideoloog in hem alleen verheimelijken doordat hij zijn thesen zo algemeen en leeg opstelt dat zij axiomatisch, vlak lijken, waardoor dan echter ook niets uit deze stellingen af te leiden valt, maar wel een willekeurige betekenis erin gelegd kan worden. Zoals bv. de grondstelling van het enige Zijn. De eenheid van de wereld en de onzin van het hiernamaals is het resultaat van de hele wereldonderzoeking, maar hier moet dit a priori met het denkaxioma bewezen worden. Vandaar de onzin. Maar zonder deze omkering is een aparte filosofie niet mogelijk.

Bij: III. Indeling. Apriorisme.
[De wereld als samenhangend geheel. Kennis van de wereld]

Systematiek , is na Hegel onmogelijk. Dat de wereld een eenheidssysteem (uniform systeem), d.w.z. een samenhangend geheel voorstelt, is duidelijk, maar de kennis van dit systeem heeft tot voorwaarde de kennis van de hele natuur en geschiedenis, die de mensen nooit zullen bereiken. Wie dus systemen maakt moet de talloze hiaten naar eigen goeddunken opvullen, d.w.z.irrationeel fantaseren, van een ideologisch standpunt uitgaan.

Rationele fantasie — anders gezegd combinatie!

Bij: III. Indeling. Apriorisme.
[Mathematische operaties en zuiver logische operaties]

Het rekenende verstand — een rekenmachine! — Een komische verwarring van de mathematische operaties, die materieel bewezen, gecontroleerd kunnen worden — daar zij op directe materiële, alhoewel abstracte beschouwing berusten — met zulke zuiver logische handelingen, die slechts bewezen kunnen worden door gevolgtrekking en die daarom niet de eigenschap bezitten van positieve zekerheid, die de mathematische operaties hebben — en hoe vele eronder blijken dan ook fout te zijn! Machine voor het integreren, vergelijk Andrews speech ,Nature, sept. 7, 1876 

Schema = sjabloon

Bij: III. Indeling. Apriorisme. En IV. Wereldschematisme
[Realiteit en abstractie]

Met de stelling van de al-enigheid van het allesomvattende Zijn, — waar de paus en de Sjeik-ul-Islam  het mee eens zullen zijn, zonder hun onfeilbaarheid en religie ook maar enigszins prijs te geven — kan Dühring net zo weinig de uitsluitende materialiteit van al het Zijn bewijzen, als hij uit het een of andere mathematische axioma een driehoek, een bol construeren of de pythagorische leerstelling afleiden kan. Tot beide behoren reële premissen, en door die te onderzoeken kan men pas tot deze resultaten komen. De zekerheid dat buiten de materiële wereld er geen aparte spirituele bestaat, is het resultaat van een langdurig en moeilijk onderzoek van de reële wereld, y compris  de producten en processen van de menselijke hersens. De resultaten van de geometrie zijn niets anders dan de natuurlijke eigenschappen van verschillende lijnen, oppervlakten en lichamen, resp. van hun combinaties, die grotendeels reeds in de natuur bestonden, lang voordat de mensen er waren (radiolariën, insecten, kristallen enz.).

Bij: VI. Natuurfilosofie, kosmogonie, fysica, scheikunde.
[De beweging — de bestaanswijze van de materie]

De beweging is de bestaanswijze van de materie, dus meer dan alleen maar haar eigenschap. Er bestaat geen materie zonder beweging en kan als zodanig ook nooit bestaan hebben. Beweging in het wereldruim, mechanische beweging van kleinere massa’s op een enkel hemellichaam, moleculaire trilling als warmte, elektrische spanning, magnetische polarisatie, chemische ontleding en verbinding, organisch leven tot aan zijn hoogste product, het denken — in de een of andere van deze vormen der beweging bevindt zich ieder afzonderlijk atoom der materie in ieder gegeven ogenblik. Al het evenwicht is óf slechts relatieve rust óf zelf beweging in evenwicht, zoals de beweging van de planeten. Absolute rust is alleen daar denkbaar, waar geen materie is. Dus noch de beweging op zichzelf, noch een van haar vormen, zoals de mechanische kracht, kan van de materie afgescheiden worden, als iets afzonderlijk, vreemd aan haar tegenovergesteld worden, zonder daarmee in het ongerijmde te raken.

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld.
[Natuurlijke teeltkeus]

Dühring zou blij moeten zijn met de natural selection theorie, daar deze toch het beste voorbeeld geeft voor zijn leer over het onbewuste doel en de middelen. — Wanneer Darwin de vormonderzoekt, de natuurlijke selectie, waarin zich een langzame verandering voltrekt, dan verlangt Dühring dat Darwin ook de oorzaken van de verandering aantoont, waarover de heer Dühring evenmin iets weet. Wat voor successen de wetenschap ook boekt, de heer Dühring zal steeds verklaren dat er nog iets aan mankeert en zal daarom voldoende redenen om te mopperen hebben.

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld.
[Over Darwin]

De grootheid van de door en door bescheiden Darwin, — die niet alleen duizenden feiten uit de gehele biologie bijeenbrengt, ordent en verwerkt, maar ook met vreugde iedere voorganger citeert, zelfs als zijn eigen roem hierdoor verminderd wordt en deze voorganger nog zo onbetekenend was, — steekt wel heel gunstig af in vergelijking met de pronkende Dühring, die zelf niets presteert, maar voor wie niemand genoeg presteren kan en die...

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld. En VIII.
Dühringiana. Darwinisme. 

Aanpassing van de planten is een combinatie van fysische krachten of chemische agentiën, dus geen aanpassing. Wanneer ‘de plant in haar groei de weg neemt, waar zij het meeste licht krijgt’, dan doet zij dat langs verschillende wegen en op verschillende manieren, die al naar de soort en gesteldheid van de planten verschillend zijn. De fysische krachten en chemische agentiën werken echter hier in iedere plant verschillend en helpen de plant, die toch iets anders is dan dat ‘chemische en fysische etc.’, het haar nodige licht op de haar, door langdurige voorafgaande ontwikkeling eigen geworden weg te bereiken. Ja, dit licht werkt als een prikkeling op de plantencellen in en zet in hen juist deze krachten en agentiën als reactie in beweging. Daar dit proces in een organische cellenstructuur plaatsvindt en de vorm van prikkels en reactie doormaakt, die hier net zo goed aanwezig is, als in de menselijke hersenen door middel van de zenuwen, wordt in beide gevallen dezelfde uitdrukking — aanpassing — gebruikt. En wanneer aanpassing nu absoluut door bemiddeling van het bewustzijn moet gebeuren, waar begint dan het bewustzijn, waar de aanpassing, en waar houdt het op? Bij de moneren, bij de insectenetende planten, bij de sponzen, bij de koralen of bij de eerste zenuw? Dühring zou de natuuronderzoekers van het oude slag een enorm genoegen doen als hij dé grens zou trekken. Protoplasmaprikkel en protoplasmareactie heeft men overal, waar levend protoplasma is. En aangezien de inwerking van de zich langzaam veranderende prikkel het vereist dat het protoplasma zich eveneens verandert, indien het niet wil ondergaan, is de uitdrukking aanpassing noodzakelijk voor alle organische lichamen dezelfde.

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld.
[Aanpassing en erfelijkheid]

Haeckel beschouwt de aanpassing met betrekking tot de ontwikkeling van de soorten als negatief daar zij veranderingen veroorzaakt, de erfelijkheid als positief daar hierdoor de soorten behouden blijven. Dühring daarentegen beweert (blz. 122), dat de erfelijkheid ook negatieve resultaten, veranderingen, veroorzaakt (daarbij de klinkklare onzin over preformatie.)  Nu is er niets makkelijker dan bij al dergelijke tegenstellingen ze om te keren en aan te tonen dat de aanpassing juist door verandering van de vorm het wezenlijke, het orgaan zelf, behoudt, terwijl de erfelijkheid al door vereniging van steeds 2 andere individuen steeds veranderingen tot stand brengt, waarvan de opeenhoping een verandering van de soort niet uitsluit. De resultaten van de aanpassing worden immers toch ook overgeërfd! Daarmee komen wij echter geen pas verder. Wij moeten de feitelijke toedracht nemen en onderzoeken hoe deze is, en dan blijkt ongetwijfeld dat Haeckel het bij het rechte eind had toen hij de erfelijkheid in wezen als de conservatieve, positieve, de aanpassing als de revolutionerende, negatieve kant van het proces beschouwde. Het temmen en fokken van dieren, het kweken van planten, zowel als onwillekeurige aanpassing, zijn overtuigender dan alle ‘subtiele opvattingen’ van Dühring.

Bij: VIII. Natuurfilosofie. De organische wereld. (Slot).
Dühring, blz. 141.

Leven. Dat de stofwisseling het belangrijkste verschijnsel is van het leven, is al sinds 20 jaren door fysiologische chemici en chemische fysiologen x-maal gezegd en hier wordt het nog weer eens tot de definitie van het leven verheven. Maar noch precies, noch afdoend. Wij vinden de stofwisseling ook in de afwezigheid van het leven, bv. bij eenvoudige chemische processen, die bij voldoende toevoer van grondstoffen steeds opnieuw hun eigen voorwaarden verwekken en waarbij een bepaald lichaam de drager van het proces is (voorbeelden, zie Roscoe, blz. 102, zwavelzuurfabricatie) , bij endosmose en exosmose (door dode organische en zelfs anorganische membranen?), bij de kunstmatige cellen van Traube en hun medium. De stofwisseling, die het leven uitmaken moet, zou dus eerst zelf nog nader bepaald moeten worden. Met al de diepe grondlegging, subtiele opvatting en fijnere onderzoeking zijn wij dus nog niet tot de grond van de zaak doorgedrongen en vragen nog steeds, wat is het leven?

Definities zijn voor de wetenschap waardeloos, want altijd ontoereikend. De enig reële definitie is de ontwikkeling van het wezen van de zaak zelf, en dat is echter geen definitie meer. Om te weten en aan te tonen wat eenvoudig plastisch eiwit tot cel en daarmee tot orga-zoeken [staat er letterlijk – MIA] en in hun samenhang weergeven. Daarentegen kan voor het dagelijks gebruikeen korte uiteenzetting van de meest algemene en tegelijkertijd meest typerende kenmerken in een zogenaamde definitie dikwijls nuttig en zelfs noodzakelijk zijn, en kan ook niet schaden, wanneer men er niet meer van verlangt dan zij in staat is uit te drukken. Laten wij dus proberen zo een definitie van het leven te geven, hoewel al zoveel mensen daarover gestruikeld zijn (zie Nicholson). 

Het leven is de bestaanswijze van de eiwitlichamen en deze bestaanswijze bestaat in wezen in de voortdurende vernieuwing van hun chemische bestanddelen door voeding en uitscheiding.. .

Uit de organische stofwisseling als wezenlijke functie van het eiwit en uit de hem eigen plasticiteit leiden zich dan alle andere eenvoudigste levensfuncties af — prikkelbaarheid, die al in de wisselwerking van voeding en eiwit ingesloten ligt — contractie bij de spijsvertering, groeivermogen, die op de laagste trap (moneren) de voortplanting door deling insluit — innerlijke beweging, zonder welke absorberen noch assimileren van de voeding mogelijk is. Hoe echter de ontwikkeling van het leven is, moeten wij alle wormen van het leven onder-nisatie [staat er letterlijk — MIA] zich voltrekt, dat moet de waarneming eerst leren, en een dergelijk onderzoek behoort ook niet in een eenvoudige populaire definitie van het leven. (Dühring kent, blz. 141, nog een hele tussenwereld, daar zonder een circulatiekanaalsysteem en een ‘kiemschema’ geen werkelijk leven bestaat. Deze passage is schitterend.)

Bij: X. Moraal en recht. De gelijkheid.
[Dühring — economie — Die beide mannen]

Zolang er rede is van de moraal, kan Dühring hen als gelijken beschouwen, maar zodra de economie begint, houdt dat op. Als bv. van deze beide mannen de één een Yankee broken in to all trades  is en de ander een Berlijnse studiosus, die niets meebrengt behalve zijn abituriënteneinddiploma en de werkelijkheidsfilosofie en die daarbij zijn armen nooit heeft getraind, omdat hij uit principe nooit vecht, — waar blijft dan de gelijkheid? De Yankee produceert alles, de studiosus helpt alleen maar hier of daar en volgens de opbrengsten van elke prestatie richt zich de verdeling en binnenkort zal de Yankee de middelen hebben eventuele aanwas van de kolonie (door kinderen of immigranten) kapitalistisch uit te buiten. De hele moderne toestand, kapitalistische productie en alles, kan dus gemakkelijk uit die twee mannen ontstaan, zonder dat er een sabel bij te pas komt.

Bij: X. Moraal en recht. De gelijkheid.
Dühringiana

Gelijkheid en rechtvaardigheid. — De voorstelling dat de gelijkheid de uitdrukking van de rechtvaardigheid is, het principe van het volmaakte politieke of sociale stelsel, is geheel historisch ontstaan. Bij de primitieve gemeenschappen bestond deze niet, of dan toch alleen maar zeer beperkt, voor het ten volle gerechtigde medelid van afzonderlijke gemeenschappen en was bezwaard met slavernij. Dito in de antieke democratie. De gelijkheid van alle mensen, — Grieken, Romeinen en barbaren, vrijen en slaven, staatsburgers en vreemden, burgers en beschermelingen etc., — was voor het begrip in de oudheid niet alleen krankzinnig, maar ook misdadig, en het eerste begin ervan werd in het christendom consequent vervolgt. — In het christendom heeft men in de eerste plaats de negatieve gelijkheid van alle mensen voor god als zondaars en in nauwere betekenis de gelijkheid van deze zowel als andere kinderen gods, verlost door de genade en het bloed van Christus. Beide concepties ontstonden door de rol van het christendom als religie van de slaven, bannelingen, verstotenen, vervolgden, onderdrukten. Met de overwinning van het christendom raakt dit moment op de achtergrond, de tegenstelling tussen de gelovigen en heidenen, orthodoxen en ketters trad toen op de voorgrond. — Met de opkomst van de steden en daarmee van de meer of minder ontwikkelde elementen der bourgeoisie en het proletariaat, moest ook de eis tot gelijkheid als voorwaarde der burgerlijke existentie geleidelijk aan weer verschijnen en daaruit volgde ook dat de proletariërs uit de politieke gelijkheid de sociale gelijkheid begonnen af te leiden. Dit kwam voor het eerst scherp tot uitdrukking — natuurlijk in religieuze vorm — in de Boerenoorlog. — De burgerlijke kant van de eis tot gelijkheid werd voor het eerst scherp, maar toch nog als algemeen menselijk door Rousseau geformuleerd. Zoals bij alle vorderingen van de bourgeoisie staat ook hier het proletariaat als noodlottige schaduw daarnaast en trekt zijn conclusies (Babeuf). Dit verband tussen de burgerlijke gelijkheid en de proletarische logische gevolgtrekkingen is nader te ontwikkelen.

Bijna de hele geschiedenis tot nu toe was er dus voor nodig om de stelling van gelijkheid = gerechtigheid uit te werken en pas toen er een bourgeoisie en een proletariaat bestonden is het gelukt. Het principe van de gelijkheid bestaat echter hierin dat er geen privileges bestaan mogen is dus in wezen negatief, verklaart de ganse geschiedenis tot nu toe voor slecht. Wegens het gebrek aan positieve inhoud en wegens het kortweg verwerpen van al het vroegere is dit principe net zo goed geschikt door een grote revolutie van 1789—1796 uitgeroepen te worden als door de latere systemenfabricerende sufferds. Maar om gelijkheid = gerechtigheid als hoogste principe en laatste waarheid te willen voorstellen is absurd. Gelijkheid bestaat alleen als tegenstelling van ongelijkheid, rechtvaardigheid van onrechtvaardigheid, deze begrippen zijn dus nog bezwaard met de tegenstelling tot de voorgaande geschiedenis, dus tot de oude maatschappij zelf .

Dit sluit reeds uit dat de begrippen gelijkheid en rechtvaardigheid eeuwige gerechtigheid en waarheid kunnen uitdrukken. Enige weinige generaties van de maatschappelijke ontwikkeling onder communistisch regime en bij vermeerderde ressources moeten de mensen ertoe brengen, dat dit opscheppen over gelijkheid en recht net zo belachelijk zal lijken als het hedendaagse opscheppen over adellijke etc. geboorteprivileges, dat de tegenstelling tot de oude ongelijkheid en het oude positieve recht, als ook tot het nieuwe overgangsrecht uit het praktische leven verdwenen zal zijn, dat, wie op pedante wijze op uitkering van zijn gelijke en rechtvaardige productieaandeel blijft aandringen, met de uitkering van het dubbele ervan belachelijk zal worden gemaakt. Zelfs Dühring zal dit ‘afzienbaar’ vinden en waar blijft dan de gelijkheid en gerechtigheid, behalve in de rommelkamer van de historische herinnering? Omdat op het huidige ogenblik dergelijke leuzen voor agitatie uitstekend zijn, is het toch nog lang geen eeuwige waarheid.

(Inhoud van de gelijkheid te ontwikkelen. — Beperking op rechten enz.)

Overigens is de abstracte theorie van de gelijkheid ook heden en voor een nog tamelijk lange tijd in de toekomst een ongerijmdheid. Het zal trouwens geen socialistische proletariër of theoreticus invallen de abstracte gelijkheid tussen hem en een Bosjesman of een Vuurlander, ja zelfs tussen hem en een boer of een halffeodale landarbeider te erkennen. En vanaf het ogenblik dat dit alleen maar op de Europese bodem overwonnen wordt, is ook het abstracte standpunt van gelijkheid overwonnen. Met de invoering van de rationele gelijkheid verliest deze gelijkheid zelf alle betekenis. Wanneer de gelijkheid nu geëist wordt, zo gebeurt dat met de verwachting van de daarop, onder de huidige historische verhoudingen vanzelf volgende intellectuele en morelegelijkmaking. Een eeuwige moraal zou echter altijd en overal mogelijk geweest moeten zijn. Dit van de gelijkheid te beweren, valt zelfs Dühring niet in, integendeel, hij denkt dat een voorlopige repressie nodig zal zijn, geeft dus toe dat de gelijkheid geen eeuwige waarheid is, maar een historisch product en attribuut van bepaalde historische toestanden.

De gelijkheid van de bourgeois (afschaffing van de klassenprivileges) is zeer verschillend van die van de proletariërs (afschaffing van de klassen zelf). Nog verder doorgedreven dan dit laatste, d.w.z. abstract opgevat, wordt de gelijkheid dus onzin. Zoals dan ook de heer Dühring uiteindelijk genoodzaakt is het geweld weer door een achterdeur binnen te leiden in de vorm van bewapening, administratie, gerecht en politie.

Zo is dus de voorstelling van de gelijkheid zelf een historisch product, dat ontstond door de hele voorgaande geschiedenis. Dit begrip heeft dus niet altijd als eeuwige waarheid bestaan. Dat dit begrip nu door het merendeel der mensen — en principe  — als vanzelfsprekend wordt aangenomen, is niet het resultaat van de axiomatische inhoud ervan, maar van de verbreiding van de ideeën van de 18e eeuw. En als daarom de beide fameuze mannen zich heden op de bodem van de gelijkheid stellen, dan komt dat juist daarom dat zij als ontwikkelde lieden van de 19e eeuw worden voorgesteld en dat dit begrip voor hen ‘natuurlijk’ is. Hoe de verhouding tussen de mensen werkelijk is en was, hangt en hing steeds af van de historische verhoudingen waaronder zij leefden.

Bij: XI. Moraal en recht. Eeuwige waarheden. En X. Moraal en recht. De gelijkheid.
[Afhankelijkheid der ideeën van de maatschappelijke verhoudingen]

De voorstelling, alsof de ideeën en voorstellingen van de mensen hun levensvoorwaarden schiepen en niet omgekeerd, wordt door de hele geschiedenis tot nu toe gelogenstraft, daar er steeds iets anders dan het gewilde uitkwam, meestal in het verdere verloop zelfs het tegendeel. Pas in een meer of minder verre toekomst kan dit begrip zich in die mate verwerkelijken, in welke de mensen de noodzakelijkheid van tevoren zullen inzien van een, door de zich veranderende verhoudingen geboden, verandering van de maatschappelijke toestand (sit venia verbo), en daarom deze verandering dan ook zelf willen, voordat deze zich onbewust en ongewild opdringt. — Dit geldt ook voor de begrippen van het recht dus van de politiek (en as far as that goes , moet dit punt in het deel ‘Filosofie’ behandeld worden — het ‘geweld’ blijft voor de economie).

Bij: XI. Moraal en recht. Vrijheid en noodzakelijkheid. (zie ook: Derde deel, V. Staat, gezin en opvoeding.)

De juiste weerspiegeling van de natuur is al uiterst moeilijk, het product van een langdurige ervaringsgeschiedenis. De natuurkrachten hadden voor de oermens iets vreemd, geheimzinnigs, superieur. Op een zekere trap die alle beschaafde volkeren doormaken, assimileert hij er zich mee door personificatie. Juist deze personificatiedrang schiep overal goden en deze consensus gentium , waarvan men uitgaat voor het bewijs van het bestaan van god, bewijst juist alleen de algemeenheid van deze personificatiedrang als noodzakelijke overgangstrap, dus ook van de religie. Pas de werkelijke kennis van de natuurkrachten verdrijft de goden of de god uit de ene positie naar de andere (Secchi en zijn zonnesysteem). Dit proces is reeds zo ver gevorderd dat het theoretisch als beëindigd kan worden aangezien.

In maatschappelijke verschijnselen is de weerspiegeling een nog moeilijkere zaak. De maatschappij wordt bepaald door de economische verhoudingen, productie en ruil, en tevens door de historische voorwaarden.

Bij: XII. Dialectiek. Kwantiteit en kwaliteit. (zie ook: inleiding)

Tegenstelling — wanneer een ding een tegenstelling inhoudt dan bevindt dit ding zich in tegenspraak met zich zelf. Dit is dan ook met de gedachtenuitdrukking ervan het geval. Bv. dat een ding tegelijkertijd hetzelfde blijft en zich toch steeds verandert, de tegenstelling van ‘het onveranderd blijven’ en de ‘verandering’ in zich besluit, is een tegenspraak.

Bij: XIII. Dialectiek. Negatie van de negatie.

[Negatie van de negatie]

Alle Indogermaanse volkeren beginnen met gemeenschappelijk bezit. Bij bijna allen wordt het in de loop van de maatschappelijke ontwikkeling opgeheven, genegeerd, door andere vormen verdrongen — particulier eigendom, feodaal eigendom, etc. Deze negatie te ontkennen, het gemeenschappelijke bezit op een hogere ontwikkelingstrap weer in te stellen — dat is de taak van de sociale revolutie. Of: de antieke filosofie was oorspronkelijk primitief materialisme. Hieruit ontstond het idealisme, spiritualisme, de negatie van het materialisme, eerst in de vorm van de tegenstelling van ziel en lichaam, daarna in de onsterflijkheidsleer en het monotheïsme. Door het christendom werd dit spiritualisme algemeen verbreid. De negatie van deze negatie is — de reproductie van het oude op hogere trap, het moderne materialisme, dat ten opzichte van het verleden in het wetenschappelijke socialisme zijn theoretische voltooiing vindt...

Deze natuurlijke en historische processen hebben vanzelfsprekend hun reflex in de denkende hersenen en reproduceren zich daarin, zoals dat reeds bij bovengenoemde voorbeelden van —a X —a etc., blijkt. En juist de hoogste dialectische opgaven worden alleen met behulp van deze methode opgelost.

Nu bestaat er echter ook een slechte, onvruchtbare negatie. — De ware, natuurlijke, historische en dialectische negatie is juist de drijfveer (formeel genomen) van de hele ontwikkeling — de splitsing in tegenstellingen, hun strijd en oplossing, waarbij (in de geschiedenis ten dele, in het denken helemaal) op grond der opgedane ervaring opnieuw het oorspronkelijke uitgangspunt, maar op een hogere trap, bereikt wordt. — Daarentegen is de onvruchtbare negatie de zuiver subjectieve, individuele negatie, die niet een ontwikkelingsstadium van de zaak zelf, maar een van buiten naar binnen gedragen mening is. En daar er uit deze negatie niets kan voortkomen, kan deze ontkenner geen vrede met de wereld hebben en moet alles wat er is, bestaat en gebeurde, de hele historische ontwikkeling, al mopperend afkeuren. De oude Grieken hebben weliswaar iets gepresteerd, maar zij kenden geen spectraalanalyse, geen chemie, geen differentiaalrekening, geen stoommachine, geen straatwegen, geen elektrische telegraaf en spoorwegen. Waarom zal men zich nog langer bezighouden met de producten van dergelijke minderwaardige lieden. Alles is slecht — zover is dit soort ontkenner pessimist — met uitzondering van onze hoogsteigen persoon, daar wij volmaakt zijn, en daarom gaat ons pessimisme in ons optimisme over. En hiermee zijn wij zelf bij de negatie van de negatie beland!

Zelfs de voorstellingswijze van Rousseau over de geschiedenis: oorspronkelijke gelijkheid — verdorven door ongelijkheid — herstel van de gelijkheid op een hogere trap — is negatie van de negatie. 

Idealisme — ideale opvatting etc. door Dühring voortdurend gepreekt. Wanneer wij uit de bestaande verhoudingen de gevolgtrekking voor de toekomst maken, wanneer wij de positieve kant van de in de loop van de geschiedenis werkzame negatieve elementen beseffen en onderzoeken — en dat doet zelfs op zijn manier de meest bekrompen progressist, zelfs de idealist Lasker — dan noemt Dühring het ‘idealisme’ en vindt daarom dat hij het recht heeft een fantastische — omdat het op onwetendheid berust — toekomstconstructie te maken waarbij hij het plan van de schoolopleiding niet vergeet. Dat hij zich daarbij ook aan negatie van de negatie schuldig maakt, ziet hij over het hoofd.

Bij: XIII. Dialectiek. Negatie van de negatie.
[Negatie van de negatie en tegenspraak]

Het ‘niets’ van iets positiefs is een bepaald niets, zegt Hegel. 

‘De differentialen kunnen bekeken en behandeld worden als werkelijke nullen, die echter onder elkaar in een bepaalde verhouding staan, voortvloeiende uit de gesteldheid van het gegeven vraagstuk’. Dit is mathematisch geen onzin, zegt Bossut. 

De breuk 0/0 zou een zeer bepaalde waarde hebben, als hij ontstaan was door gelijktijdig verdwijnen van de teller en noemer. Dito 0 : 0 = A : B, waar 0/0 = A/B dus met de waarde van A en B verandert (blz. 95, voorbeelden). En is het geen ‘tegenspraak’ dat nullen in verhoudingen staan, d.w.z. niet alleen überhaupt waarde, maar zelfs verschillende waarde kunnen hebben die in getallen uitgedrukt kunnen worden? 1 : 2 = 1 : 2; 1 — 1 : 2 — 2 = 1 : 2; 0 : 0 = 1 : 2 

Dühring zegt zelf dat de aangevoerde optellingen van onbeperkt kleine grootheden, de hoogsten enz. der wiskunde zijn, of in het Duits uitgedrukt — de integraalrekening. En hoe voltrekt zich die? Ik heb 2, 3 of meer variabele grootheden, d.w.z. zulke grootheden die bij hun verandering een bepaalde verhouding onder elkaar laten zien. Voor mijn part zijn het er twee: x en y. Er moet nu een bepaalde, door gewone mathematici onoplosbare opgave opgelost worden, waarin x en y fungeren. lk differentieer x en y, d.w.z. ik neem x en y voor zo oneindig klein aan, dat zij t.o.v. iedere nog zo kleine werkelijke grootheid verdwijnen — dat er van x en y niets overblijft dan hun wederzijdse verhouding, zonder enige materiële grondslag, dan is dus dx/dy = 0/0, maar 0/0 uitgedrukt in de verhouding x/y . Dat deze verhouding tussen twee verdwenen grootheden, het gefixeerde moment van hun verdwijnen, een tegenspraak is, kan ons niet storen. Wat anders heb ik dus gedaan, dan dat ik x en y ontkend heb, maar niet zo dat ik mij niet meer om hen bekommer, maar op een aan de zaak beantwoordende wijze. In plaats van x en y heb ik nu hun negatie, dxen dy, in de hier gegeven formules of vergelijkingen. Ik reken nu met deze formules als gewoonlijk, behandel dx en dy alsof zij werkelijke grootheden zijn en op een bepaald punt — ontken ik de negatie, d.w.z. integreer ik de differentiaalformule, zet op de plaats van dx en dy de werkelijke grootheden x en y en ben daarmee niet weer net zo ver als voordien, maar ik heb daarmee de opgave opgelost, waarover zich de gewone geometrie en algebra tevergeefs het hoofd breken.

Bij het tweede deel: politieke economie. Bij: II. Theorie van het geweld

Slavernij. — Waar slavernij de hoofdvorm van de productie is, maakt deze de arbeid tot slavenwerk, dus onterend voor vrijen. Daarmee is de uitweg uit een dergelijke productiewijze gesloten, maar aan de andere kant is de slavernij voor de meer ontwikkelde productie een hinderpaal en moet dus afgeschaft worden. Aan deze tegenspraak gaat iedere op slavernij berustende productie en de hierop gevestigde maatschappij te gronde. De oplossing in de meeste gevallen is de gewelddadige knechting van de in verval geraakte maatschappij door andere, sterkere (Griekenland door Macedonië en later door Rome); zolang deze zelf op slavernij berusten, wordt het centrum alleen maar verplaatst en het proces op een hogere trap herhaald tot (Rome) eindelijk één volk verovert, dat een andere productievorm in plaats van de slavernij tot stand brengt. Ofwel de slavernij wordt onder dwang of vrijwillig afgeschaft en dan gaat de tot dan toe geldende productiewijze te gronde; in de plaats van grote plantages treedt het landbouwbedrijf in percelen, zoals bij de squatters in Amerika. Op deze wijze ging ook Griekenland aan de slavernij te gronde, en Aristoteles stelde al vast dat de omgang met slaven de burgers demoraliseert — afgezien daarvan, dat zij het voor de burgers onmogelijk maken te arbeiden (huisslavernij zoals in de Oriënt is een andere zaak: hier vormt zij de grondslag van de productie niet direct, maar indirect, als een bestanddeel van het gezin, en zij gaat onopgemerkt in het gezin over (haremslavinnen).

Bij: III. Theorie van het geweld (vervolg)

De Dühringse, verwerpelijke geschiedenis wordt beheerst door het geweld. De werkelijke, voortgaande historische beweging wordt echter beheerst door materiële verworvenheden, dieblijven.

Bij: III. Theorie van het geweld (vervolg)

En waarmee wordt het geweld, het leger onderhouden? Met geld. Dus ook hier weer afhankelijkheid van de productie. Vgl. Athene’s vloot en de politiek (380—340 v.o. jaart.). Het geweld ten opzichte van de bondgenoten leed schipbreuk door het gebrek aan materiële middelen, om lange oorlogen energiek te voeren. De Engelse subsidies, door de nieuwe grootindustrie geleverd, versloegen Napoleon.

Bij: III. Theorie van het geweld (vervolg)
[Partij en militaire opleiding]

Wanneer men de strijd om het bestaan en Dührings declamaties tegen de strijd en de wapens wat nader beschouwt, moet de aandacht erop gevestigd worden dat het voor een revolutionaire partij noodzakelijk is ook de strijd te kennen. Zij zal mogelijk eenmaal een revolutie moeten volbrengen. Maar niet tegen de huidige militair-bureaucratische staat, dat zou politiek even zo waanzinnig zijn als Babeufs poging om vanaf het Directoire meteen in het communisme te springen, ja zelfs waanzinniger, want het Directoire was toch een burgerlijke en boerenregering. Maar tegen de bourgeoisstaat die op de nu bestaande volgt, kan de partij tot revolutionaire stappen gedwongen worden om de door de bourgeoisie zelf gegeven wetten te beschermen. Vandaar dat de algemene dienstplicht in ons belang is, en zou door allen benut moeten worden om de strijd te leren, in het bijzonder door diegenen, die door ontvangen opleiding de mogelijkheid hebben als eenjarige vrijwilligers de militaire opleiding te genieten, die nodig is om officier te worden.

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)
Over ‘geweld’

Men erkent dat het geweld eveneens een revolutionaire rol speelt, en wel in alle beslissende ‘kritische’ tijdvakken, zoals bij de overgang naar socialiteit, hoewel ook daar alleen als noodweer tegen reactionaire, vreemde vijanden. Maar de door Marx beschreven omwenteling van de 16e eeuw in Engeland had ook haar revolutionaire kant, daar deze een belangrijke factor was voor de verandering van het feodale grondbezit in burgerlijk grondbezit en voor de ontwikkeling van de bourgeoisie. De Franse Revolutie van 1789 gebruikte eveneens in aanzienlijke mate geweld, 4 augustus sanctioneerde alleen het gewelddadige optreden van de boeren en werd voltooid door de confiscatie van de adellijke en kerkelijke bezittingen. De gewelddadige verovering door de Germanen, het stichten in de veroverde gebieden van rijken, waar het land en niet de stad heerste (zoals in de Oudheid), werd begeleid — en juist om deze laatste reden — met de verandering van de slavernij in de lichtere lijfeigenschap resp. horigheid (in de Oudheid de latifundia, begeleid met de verandering van het akkerland in veeweiden).

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)
[Geweld, gemeenschappelijk bezit, economie en politiek]

Toen de Indogermanen Europa binnentrokken, verdrongen zij de oerbewoners met geweld, waarna zij in landbouwgemeenschappen de grond bewerkten. Het bestaan van deze gemeenschappen is bij de Kelten, Germanen en Slaven nog historisch aan te tonen. Bij de Slaven, Germanen en zelfs de Kelten (rundale) bestaan deze nog, daarbij zelfs in de vorm van directe (Rusland) of indirecte horigheid (Ierland). Het geweld hield op zodra de Lappen en Basken verdreven waren. Binnen de gemeenschap heerste gelijkheid of resp. vrijwillig toegestane privileges. Daar, waar uit het gemeenschappelijke bezit particulier grondbezit van aparte boeren ontstond, voltrok zich deze deling onder de leden van de erfgemeenschappen tot aan de 16e eeuw absoluut spontaan, het vond meestal heel geleidelijk aan plaats en resten van het gemeenschappelijke bezit bleven een heel gewoon verschijnsel. Van geweld was geen sprake, dat richtte zich pas tegen de overblijfselen (Engeland 18e en 19e, Duitsland hoofdzakelijk 19e eeuw). Ierland is een bijzonder geval. Dit gemeenschappelijk bezit heeft in Indië en Rusland onder de meest verschillende vormen van gewelddadige veroveringen en despotisme rustig voortbestaan en was hun basis. Rusland is er een bewijs voor, hoe de productieverhoudingen de politieke verhoudingen van het geweld bepalen. Tot het einde van de 17e eeuw werd de Russische boer weinig onderdrukt, hij had vrijheid van vestiging en was nauwelijks horig. De eerste Romanow bond de boeren aan de grond. Met Peter begon de buitenlandse handel van Rusland, dat slechts landbouwproducten uit te voeren had. Daarmee begon de onderdrukking van de boeren, die in dezelfde mate toenam als de uitvoer, terwille waarvan zij plaatsvond, tot Catharina deze verdrukking compleet maakte door een wetsuitvaardiging. Deze wetgeving maakte het de grondbezitters echter mogelijk de boeren steeds meer uit te zuigen, zodat de verdrukking steeds meer toenam.

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)

Indien het geweld de oorzaak van de sociale en politieke toestanden is, wat is dan de oorzaak van het geweld? De toe-eigening van vreemde arbeidsproducten en van vreemde arbeidskracht. Het geweld kon de consumptie van producten veranderen, maar niet de productiewijze zelf, het kon de herendienst niet in loondienst veranderen, of het moest dan zo zijn dat de voorwaarden daarvoor aanwezig waren en de herendienst een hinderpaal voor de productie was geworden.

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)

Tot nu toe geweld — van nu af aan socialiteit. Een zuiver vrome wens, eis van de ‘rechtvaardigheid’. Maar Th. More (Morus) heeft deze eis al 350 jaren geleden gesteld , zonder dat hij werd uitgevoerd. Waarom zou hij dan nu uitgevoerd worden? Dühring heeft daarvoor geen antwoord. In werkelijkheid stelt de grootindustrie deze eis niet vanwege de rechtvaardigheid, maar omdat hij noodzakelijk is voor de productie en dat verandert de hele zaak.

Bij het derde deel: socialisme
Bij: I. Historische aspecten

Fourier (Nouveau monde industriel et sociétaire — De nieuwe industriële en sociëtaire (vermaatschappelijkte) wereld) 

Element van de ongelijkheid: ‘daar de mens instinctief een vijand van de gelijkheid is’. (Blz. 59.)

‘Dit bedrieglijke mechanisme dat men civilisatie noemt’. (81.)

‘Men moest het vermijden, hen’ (de vrouwen), ‘zoals dat bij ons gebruikelijk is tot ondankbare taken, tot bediendenrollen te beperken, die hun door de filosofie toegewezen worden, die beweert dat een vrouw er slechts voor geschapen is om de vaat te wassen en oude broeken op te lappen’. (141.)

‘God heeft het werk in de manufactuur met een dergelijke dosis van aantrekkingskracht bedeeld, die maar met een vierde van de tijd overeenstemt, waarin de maatschappelijke mens zich aan de arbeid wijden kan’. De rest moet daarom aan de akkerbouw, de veeteelt, de keuken en de industriële legers behoren. (152.)

‘De tedere moraal, de goedige en zuivere vriendin van de handel’. (161.) ‘Kritiek van de moraal’. (162 e.v.)

In de tegenwoordige maatschappij, ‘in het geciviliseerde mechanisme’, heerst ‘gespletenheid’ van de handelingen, de tegenstelling tussen het individuele en collectieve belang’, het is ‘een algemene strijd van de individuen tegen de massa’.

En daar wagen het onze politieke wetenschappen van eenheid in actie te spreken!’ (172.)

‘Omdat de modernen de theorie van de uitzonderingen en overgangen, de theorie van de bastaarden niet kenden, hebben zij overal in hun studie van de natuur schipbreuk geleden’. (Voorbeeld van bastaarden: de kwee, de nectarine, de aal, de vleermuis etc.’) (191.)

TWEEDE AFDELING

[In zijn tweede afdeling bestaat het manuscript van de voorbereidende werken voor de Anti-Dühring uit uittreksels die overgenomen zijn uit de Cursus der nationale en sociale economievan E. Dühring. Wij geven hier alleen enkele kanttekeningen van Engels met korte verwijzingen op welke gedachtegang bij Dühring zij betrekking hebben. Bij de bewering van Dühring ‘dat de wilshandelingen waardoor de verenigingsvormen van de mensen geschapen worden, zelf aan natuurwetten onderworpen zijn’, merkte Engels op:]

Dus van historische ontwikkeling is geen sprake. Louter eeuwige natuurwetten. Alles is psychologie en deze blijkt helaas nog veel ‘achterlijker’ dan de politiek te zijn.

[In directe samenhang met de opstellen van Dühring over de slavernij, loondienst en eigendom door geweld als ‘vormen van een sociaaleconomisch stelsel die van zuiver politieke aardzijn’, schrijft Engels:]

Altijd hetzelfde geloof dat de economie alleen eeuwige natuurwetten heeft, dat alle veranderingen en vervalsingen door de boze politiek veroorzaakt worden.

In de hele theorie van het geweld is dus zoveel juist, dat tot nu toe alle maatschappijvormen voor hun behoud geweld nodig hadden en zelfs ten dele gewelddadig ingevoerd werden. Dit geweld, in zijn georganiseerde vorm heet staat. Wij hebben hier dus de trivialiteit, dat zodra de mensen zich boven de meest ongeciviliseerde toestanden verhieven, overal staten hebben bestaan, en om dat te weten heeft de wereld niet op Dühring gewacht. — Nu is echter staat en geweld juist dat wat alle tot nu toe bestaande maatschappijvormen gemeen hebben, en als ik bv. het Oosterse despotisme, de antieke republieken, de Macedonische monarchieën, het Romeinse keizerrijk, het feodalisme van de Middeleeuwen daarmee verklaar, dat zij alle op geweldberusten, dan heb ik nog helemaal niets uitgelegd. De verschillende sociale en politieke vormen moeten dus niet door het geweld, dat toch steeds hetzelfde is, maar door datgene verklaard worden, waarop het geweld toegepast wordt, door datgene wat geroofd wordt — de producten en de productiekrachten van elk gegeven tijdvak en de uit henzelf voortvloeiende beschikking daarover. En dan zou men ontdekken dat het Oosterse despotisme op de gemeenschappelijke eigendom berustte, de antieke republieken op de steden, die zich ook met de landbouw bezighielden, het Romeinse keizerrijk op de latifundia, het feodalisme op de heerschappij van het land over de stad, die z’n materiële redenen had, etc.

[Engels citeert de volgende woorden van Dühring: ‘De natuurwetten van de economie treden in alle strengheid pas daar duidelijk naar voren, waar men de werking van de staats en maatschappelijke inrichtingen (!) en vooral de werking van de geweldseigendom, die met de loonslavernij verbonden is, wegdenkt en men zich ervoor hoedt, de laatste als noodzakelijkheden van de blijvende natuur (!) der mensen aan te zien...’

Op deze woorden van Dühring maakt Engels de volgende opmerking:]

De natuurwetten van de economie worden dus alleen dan ontdekt, wanneer men ze van alle tot nu toe bestaande economie abstraheert; zij hebben tot nu toe nooit onvervalst gehandeld! —Blijvende natuur van de mensen — vanaf de aap tot Goethe!

Dühring wil met deze theorie van het ‘geweld’ verklaren hoe het komt dat overal en van oudsher de meerderheid uit overweldigden, de minderheid uit machthebbers bestond. Dat is op zich zelf al het bewijs, dat de verhouding van het geweld op economische voorwaarden gegrond is, die men niet zo eenvoudig langs politieke weg omverwerpen kan.

Bij Dühring wordt rente, profijt, cijns, arbeidsloon niet verklaard, maar gezegd, het geweld heeft dat zo gemaakt. Waarvandaan echter het geweld? Non est. 

Geweld maakt bezit en bezit maakt economische macht. Dus geweld = macht.

Marx heeft in Het Kapitaal (accumulatie) bewezen hoe de wetten van de warenproductie op een bepaalde trap van de ontwikkeling de kapitalistische productie met alles wat er bij hoort, noodzakelijkerwijze doen ontstaan, en dat daarvoor helemaal geen geweld nodig is

Wanneer Dühring de politieke actie als laatste beslissende macht van de geschiedenis beschouwt en doet als zou dat wat nieuws zijn, dan zegt hij toch alleen maar wat alle geschiedschrijvers tot nu toe gezegd hebben, voor wie ook de sociale vormen slechts door de politieke, niet door de productie bepaald worden.

C’est trop bon!  De hele school van de vrijhandel vanaf Smith, ja de hele vóór Marx bestaande economische leer ziet in economische wetten, zover als zij ze begrijpen, ‘natuurwetten’ en beweert dat hun werking door de staat, door de ‘werkingen van de staats en maatschappelijke inrichtingen’ vervalst worden!

Overigens is deze hele theorie slechts een poging om het socialisme op Carey’s leer te doen neerkomen: de economie is op zich zelf genomen harmonisch, de staat met zijn inmenging bederft alles.

Aanvulling van het geweld is de eeuwige gerechtigheid, zij verschijnt op blz. 282.

[De opvattingen van Dühring, die hij bij zijn kritiek op Smith, Ricardo en Carey ontwikkelt, worden door Engels als volgt gekarakteriseerd: ‘De productie kan men in haar meest abstracte vorm heel goed uit het voorbeeld van Robinson leren kennen; de verdeling tussen twee op een eiland alleenstaande mensen, waarbij men zich dus alle tussentrappen van volledige gelijkheid tot aan de volledige tegenstelling van heer en slaaf’ kan indenken...’ Engels citeert de volgende zin van Dühring: ‘Alleen door een ernstig sociaal (!) onderzoek kan men tot een inzicht komen, dat werkelijk, in laatste instantie, van beslissende betekenis is voor de verdelingsleer...’]

Hierop zegt Engels:]

Dus men abstraheert eerst uit de werkelijke geschiedenis de verschillende rechtsverhoudingen, scheidt deze dan af van de historische grondslagen, waarop zij ontstonden en alleen betekenis hebben, en draagt ze over op 2 individuen: Robinson en Vrijdag. Daar zijn die verhoudingen natuurlijk absoluut willekeurig. Nadat men ze zo op zuiver geweld heeft teruggebracht, brengt men ze weer over in de werkelijke geschiedenis en bewijst daarmee, dat ook hier alles op louter geweld berust. Dat het geweld op een materieel substraat toegepast moet worden en het juist daarom gaat de herkomst ervan aan te tonen, daarover maakt Dühring zich niet druk.

[Engels citeert de volgende passage uit Dührings Cursus der nationale en sociale economie: ‘Volgens de traditionele mening, waarmee alle politiekeconomische systemen het eens zijn, is de verdeling slechts een zogezegd lopende gang van zaken, die betrekking heeft op een als klare totale productie voorgestelde massa producten, ... een diepere grondslag moet, daarentegen, die verdeling in het oog houden, welke de economische of economisch werkzame rechten zelf betreft en niet louter de lopende en zich opeenhopende consequenties van deze rechten’. Hierbij maakte Engels de volgende opmerkingen:]

Inleiding en hoofdstuk over de theorie van het geweld (in Dührings Cursus der nationale en sociale economie) .

Dus het onderzoek van de verdeling van de lopende productie is niet genoeg.

Grondrente veronderstelt grondbezit, profijt — kapitaal, arbeidsloon — bezitloze arbeiders, eigenaars van louter arbeidskracht. Men moet dus onderzoeken, hoe dit allemaal ontstond. Voor zover dit hem aanging, met betrekking op het kapitaal en de bezitloze arbeidskracht, heeft Marx dit in Deel I gedaan. Het onderzoek van de oorsprong van het moderne grondbezit behoort tot dat van de grondrente, dus in deel II  — Dührings onderzoek en geschiedkundige motivering beperkt zich tot het éne woord: geweld! Hier reeds direct mala fides  . Hoe Dühring het grootgrondbezit verklaart, zie Rijkdom en waarde; het is beter dat hierbij te halen.

Dus het geweld schept de economische, politieke etc. levensvoorwaarden van een tijdvak, van een volk etc. Wie echter schept het geweld? Het georganiseerde geweld is in de eerste plaats hetleger. En niets hangt meer van de economische voorwaarden af dan juist de samenstelling, organisatie, bewapening, strategie en tactiek van een leger. De grondslag is de bewapening en deze is weer direct afhankelijk van de trap van ontwikkeling van de productie. Stenen, bronzen, ijzeren wapens, pantsers, ruiterij, buskruit en nu nog de enorme omwenteling die de grootindustrie in de oorlog deed ontstaan door achterladers met getrokken loop en artillerieproducten, die slechts de grootindustrie kon voortbrengen met zijn gelijkmatig werkende machines, die bijna absoluut identieke producten vervaardigen. Van de bewapening hangt weer de samenstelling en organisatie, de strategie en de tactiek af. De laatste hangt ook van de toestand van de wegen af — de tactiek en het succes van de slag bij Jena zou met de huidige straatwegen onmogelijk geweest zijn — en nu hebben we ook nog de spoorwegen! Hieruit volgt dat juist het geweld het meest van de geldende productievoorwaarden afhangt en dat heeft zelfs kapitein Jähns ingezien (‘K(ölnische) Z(eitung)’, Machiavelli etc.) . 

Hierbij moet bijzonder de nadruk worden gelegd op de moderne oorlogvoering, vanaf het geweer met bajonet tot en met het achterlaadgeweer, waarbij niet de man met de sabel in handen de zaak beslist, maar het wapen. De linie, de colonne bij slechte troepen, die echter gedekt worden door tirailleurs (Jena contra Wellington) en uiteindelijk het algemeen uiteenvallen in schutterseenheden en het overgaan van de langzame pas op de looppas.

[Volgens Dühring is ‘de vaardige hand of de knappe kop als een de maatschappij toebehorend productiemiddel, als een machine te beschouwen, waarvan de productie aan de maatschappijbehoort’. Hierop zegt Engels:]

Maar de machine verhoogt de waarde niet, de vaardige hand echter wel! De economische waardewet wordt dus, quant à cela , verboden, ofschoon deze toch blijven moet.

[Bij Dührings conceptie over de ‘politiek-juridische grondslag van de hele socialiteit’ merkt Engels op:]

Hiermee wordt dus tegelijk de idealistische maatstaf aangelegd. Niet de productie zelf, maar het recht.

[Over de Dühringse ‘begrijfscommune’ en het daarbinnen heersende systeem van de arbeidsverdeling, de verdeling, de ruil en het geldsysteem, maakt Engels de volgende opmerking:]

Dus ook het uitbetalen van loon aan iedere afzonderlijke arbeider door de maatschappij.

Dus ook de opeenhoping van schatten, woeker, krediet met alle gevolgen tot en met geldcrisissen en geldgebrek. Geld ondergraaft de bedrijfscommune net zo zeker als op dit ogenblik de Russische commune op het punt staat in duigen te vallen en zoals het de gezinscommune ruïneert, zodra de geldomloop tussen de afzonderlijke leden daarvan tot stand komt.

[Engels citeert de volgende zin van Dühring: ‘Werkelijke arbeid in welke vorm dan ook is dus de sociale natuurwet van gezonde formaties’ en voegt tussen haakjes daarbij: ‘(dus alles dat er tot nu toe bestond, was ongezond)...’

Bij deze uiteenzetting van Dühring merkt Engels op:]

Of de arbeid is hier als economische, materieel productieve arbeid genomen, en dan bevat de zin onzin en past niet bij heel de voorgaande geschiedenis. Of de arbeid is in een meer algemene vorm genomen, waaronder iedere vorm begrepen wordt van de in een periode nodige of bruikbare activiteit, regering, rechtspraak, wapenoefeningen en dan is deze weer een heilloos opgeblazen gemeenplaats en behoort niet in de economie thuis. Om echter socialisten met deze oude onzin te willen imponeren, terwijl men deze in ‘natuurwet’ omgedoopt heeft, is a trifle impudent .

[Bij Dührings afschildering van de samenhang tussen roof en rijkdom, merkt Engels het volgende op:]

Hier is de hele methode. Iedere economische verhouding wordt eerst vanuit het standpunt van de productie bekeken, en daarbij ziet men de hele historische betekenis over het hoofd. Daarom kan hierover slechts het alleralgemeenste gezegd worden en wil Dühring hierboven uitkomen, dan moet hij de bepaalde historische verhoudingen van een tijdvak nemen, dus van de abstracte productie afstappen en verwarring teweegbrengen. Dan wordt dezelfde economische verhouding vanuit het gezichtspunt van de verdeling genomen, d.w.z. de loop van de geschiedenis tot nu toe wordt tot de zin over het geweld teruggebracht en daarna kan Dühring zich dan over de boze gevolgen van het geweld verontrusten. Waartoe dit leidt, zullen wij bij de behandeling van de natuurwetten zien.

[Bij Dührings bewering dat voor een economisch beleid op grote schaal ‘slavernij’ of ‘lijfeigenschap’ noodzakelijk zou zijn, merkt Engels op:]

Dus: 1. De wereldgeschiedenis begint met het grootgrondbezit! De bewerking van de bodem op grote landerijen is identiek met de bewerking door grootgrondbezitters! De bodem van Italië, die van latifundia in veeweiden veranderde, lag daarvoor woest! De noordelijke staten in Amerika hebben zich niet door vrije boeren zo enorm uitgebreid, maar door slaven, horigen etc!

Alweer een mauvais calembour : ‘Het bedrijven van de landbouw op grote terreinen’ moet het ontginnen van deze terreinen betekenen, wordt echter meteen als landbouw bedrijven op grote schaal = grootgrondbezit uitgelegd! En wat voor een enorm nieuwe ontdekking is het in deze zin dat, wanneer iemand meer land bezit, dan hij en zijn gezin kunnen bebouwen, hij het zonder vreemde arbeid niet stellen kan! De bebouwing door horigen betekent echter geen bebouwing van grotere terreinen, maar van percelen bouwland en de bebouwing van grond ging steeds aan de horigheid vooraf (Rusland, de Vlaamse, Hollandse en Frieze koloniën in de Slavische mark, zie Langethal),  de oorspronkelijk vrije boeren werden horig gemaakt, werden op sommige plaatsen zelfs formeel vrijwillig horig.

[Bij de bewering van Dühring dat de grootte van de waarde bepaald wordt door de grootte van de weerstand, waarmee het proces van de bevrediging der behoeften in aanraking komt en die ‘tot meer of minder gebruik van de economische kracht (!) dwingt’, merkt Engels op:]

Overwinning van de weerstand — een uit de mathematische mechanica overgenomen categorie, die absurd wordt in de economie. Ik spin, weef, bleek, druk katoen in de genoemde volgorde. Nu heet dit: ik overwin de weerstand van het katoen tegen het gesponnen worden, van het garen tegen het geweven worden, van het weefsel tegen het gebleekt en bedrukt worden. Ik maak een stoommachine, heet: ik overwin de weerstand van het ijzer tegen zijn verandering in een stoommachine. Ik druk het onderwerp op een hoogdravende omweg uit, die er niets aan toevoegt dan scheefheid. Maar nu kan ik de verdelingswaarde hierin betrekken, waar geacht wordt dat er ook een weerstand te overwinnen valt. Daarom ook!

[Bij de woorden van Dühring: ‘De verdelingswaarde is zuiver en uitsluitend alleen daar aanwezig, waar het beschikkingsrecht over ongeproduceerde dingen of (!) gewoner gezegd, deze’ (ongeproduceerde!) ‘dingen zelf tegen prestaties of voorwerpen van werkelijke productiewaarde geruild worden’, merkt Engels op:]

Wat is een ongeproduceerd ding? De grond die bebouwd wordt met moderne methoden of moet het dingen betekenen, die de eigenaar niet zelf geproduceerd heeft? Maar daarenboven hebben we de tegenstelling van ‘werkelijke productiewaarde’. De volgende zin toont dat het weer eens een mauvais calembour is. Natuurvoorwerpen, die niet geproduceerd worden door arbeid, worden op een hoop gegooid met ‘zonder tegenprestatie toegeëigende waardebestanddelen’.

[Dühring beweert dat alle menselijke inrichtingen en handelingen, ‘zoals in de speling van de uiterlijke krachten der natuur, in alle hoofdtrekken praktisch onveranderlijk’ zijn. Hierop geeft Engels het volgende commentaar:]

Dus natuurwet is het en blijft het.

Dat de wetten van de economie bij heel de tot nu toe bestaande planloze en onsamenhangende productie voor de mensen objectieve wetten zijn, waarover zij geen macht hebben, dus in de vorm van natuurwetten, daarover geen woord.

[Over Dührings ‘grondwet van de hele economie’: ‘De productiviteit van de economische middelen, hulpbronnen van de natuur en mensenkracht, wordt door uitvindingen en ontdekkingen vergroot, en dit geschiedt weliswaar geheel onafhankelijk van verdeling, die als zodanig altijd veranderingen van betekenis kan ondergaan of veroorzaken, maar het karakter (!) van de belangrijkste resultaten niet bepaalt,’ zegt Engels:]

Het einde van de zin: en dit geschiedt weliswaar etc. voegt aan de wet niets nieuws toe, want als de wet waar is, dan kan de verdeling er niets aan veranderen, en het is dus overbodig om te zeggen dat zij voor iedere verdelingsvorm juist is — anders zou zij toch geen natuurwet zijn. Het is er echter zomaar bijgevoegd omdat Dühring zich toch schaamde, de hele naakte wet zo naakt in al haar onbenulligheid neer te schrijven. Bovendien is het bijvoegsel ongerijmd, want als de verdeling altijd belangrijke veranderingen veroorzaken kan, dan kan men daar niet ‘helemaal van afzien’. Wij strepen het dus door en houden dan de wet puur en simpel — de fundamentele wet van de hele economie.

Dit is echter nog niet plat genoeg. Wij leren verder:

[Engels citeert verdere uittreksels uit het boek van Dühring Cursus der nationale en sociale economie:]

[Dühring beweert, dat de economische vooruitgang niet van de som van de productiemiddelen afhangt, ‘maar alleen van de kennis en de algemene technische werkwijzen’ en dit ‘is meteen te zien’ naar de mening van Dühring, wanneer men ‘het kapitaal in zijn natuurlijke zin als instrument van de productie begrijpt: Hierover schrijft Engels:]

De op de bodem van de Nijl liggende stoomploegen van de Kedive  en de in de schuren nutteloos staande dorsmachines etc. van de Russische edellieden bewijzen dat. Ook de stoom etc. heeft zijn historische voorwaarden, die weliswaar verhoudingsgewijs makkelijk te scheppen zijn, maar toch geschapen moeten worden. Maar Dühring is er heel trots op dat hij daarmee iedere stelling, die een heel andere betekenis heeft, zo ver heeft verdraaid dat deze ‘idee met onze aan de top gestelde wet samenvalt’, blz. 71. De economen dachten toch nog over iets reëel bij deze wet. Dühring heeft deze tot de uiterste banaliteit gereduceerd.

[Bij de Dühringse formulering van de natuurwet van de arbeidsverdeling: ‘De splitsing in de beroepstakken en de verdeling van de activiteiten verhoogt de productiviteit van de arbeid,’ merkt Engels op:]

Deze formulering is fout, omdat zij alleen voor de burgerlijke productie juist is en de verdeling in gespecialiseerde beroepen ook daar reeds een beperking voor de ontwikkeling van de productie wordt door de verminking en afstomping van de individuen, maar in de toekomst valt dat alles weg. Wij zien hier reeds, dat deze verdeling in gespecialiseerde beroepen op detegenwoordige manier voor Dühring iets permanents heeft, dus ook voor de socialiteit.

 

 

 

 

Tactiek van de infanterie uit materiele oorzaken afgeleid 

1700 — 1870

In de 14e eeuw werden het buskruit en de vuurwapens in West- en Midden-Europa bekend, en ieder schoolkind weet dat deze zuiver technische vooruitgang de hele oorlogvoering revolutioneerde. Maar deze revolutie voltrok zich zeer langzaam. De eerste vuurwapens waren zeer primitief, vooral de handbuksen. En hoewel er ook al gauw een massa aparte verbeteringen uitgevonden werd — de getrokken loop, de achterlading, het radslot enz. — duurde het toch meer dan 300 jaar, tot het einde van de 17e eeuw, eer er een geweer werd vervaardigd dat voor de bewapening van de gehele infanterie geschikt was.

Het voetvolk van de 16e en 17e eeuw bestond ten dele uit piekdragers, ten dele uit schutters met buksen. In het begin waren de piekeniers ervoor bestemd om op het beslissende ogenblik van de slag met het blanke wapen tot de aanval over te gaan, terwijl het vuur van de schutters de verdediging overnam. De piekeniers vochten daarom in een dichte massa, zoals de Oudgriekse falanxen. De schutters stonden in acht tot tien opsluitende gelederen, omdat er juist zoveel schutters achtereenvolgend afvuren konden, eer de eerste weer geladen had. Wie schietklaar was, sprong naar voren, vuurde af en ging dan weer terug in het laatste gelid om opnieuw te laden.

De geleidelijke vervolmaking van de vuurwapens veranderde deze verhouding. Het lontroer kon eindelijk zo vlug geladen worden, dat nu nog maar vijf man — dus vijf opsluitende gelederen — voor het onderhoud van een ononderbroken vuur vereist werden. Men kon dus nu met hetzelfde aantal musketiers een bijna dubbel zo lang front bezetten als vroeger. De piekeniers werden, wegens de veel vernietigender geworden werking van het geschutvuur op de dichte massa, nu ook nog maar in zes tot acht gelederen opgesteld, en zo naderde de slagorde geleidelijk aan die van de linie, waarin de beslissende slag nu eerder voor rekening van het geweervuur kwam en de piekeniers niet meer tot aanval overgingen, maar alleen nog voor dekking van de schutters tegen de ruiterij bestemd bleven. Aan het einde van deze periode vinden wij een slagorde die uit twee echelons en een reserve bestaat. Ieder echelon rukt aan in linie, die meestal uit 6 gelederen bestaat. De schutters en ruiters bevonden zich ten dele in de intervallen tussen de bataljons, ten dele op de flanken. Ieder infanteriebataljon bestond daarom hoogstens uit 1/3 piekeniers en minstens 2/3 musketiers.

Aan het einde van de 17e eeuw kwam eindelijk het vuursteengeweer met bajonet, dat met gefabriceerde patronen geladen werd. Daarmee verdween de piek helemaal uit de infanterie. Het laden werd minder tijdrovend, het snelle vuur dekte zich zelf, de bajonet nam in geval van nood de plaats van de piek in. Hiermee kon de diepte der linie van zes op vier, later op drie en uiteindelijk hier en daar op twee man verminderd worden. De linie werd dus bij een gelijk aantal lieden steeds langer, er kwamen steeds meer geweren gelijktijdig in actie. Maar deze lange dunne linies werden daarmee ook steeds meer onhandelbaar, zij konden alleen op vlakke terreinen zonder hindernissen zich met orde en daardoor langzaam, 70-75 passen per minuut, bewegen. En juist op vlakten boden zij, vooral op de flanken voor de vijandelijke ruiterij, een goed uitzicht voor een succesvolle aanval. Ten dele om deze flanken te beschermen, ten dele om de doorslaggevende vuurlinie te versterken, trok men de ruiterij helemaal op de flanken samen, zodat de eigenlijke slaglinie alleen uit het voetvolk met zijn licht bataljonsgeschut bestond. Het uiterst plompe zware geschut stond voor de flanken en veranderde gedurende de slag hoogstens een maal van plaats. Het voetvolk rukte in twee gevechtslinies aan, waarbij hun flanken door de infanterie in haakstelling gedekt werden, zodat de opstelling een enkele, zeer lange, holle vierhoek vormde. Deze massa was hulpeloos, wanneer zij zich niet als een geheel kon bewegen, en bestond alleen uit drie delen: het centrum en de beide flanken. De hele beweging van de delen bestond daarin, om een flank die van de vijand in getal overtrof, voor een omtrekkende beweging vooruit te schuiven, terwijl men de andere dreigend terughield om de vijand een overeenstemmende frontverandering te verhinderen. De totale opstelling gedurende de slag te veranderen was zo tijdrovend en bood de vijand zoveel zwakke plekken, dat de poging bijna altijd gelijk was met een nederlaag. De oorspronkelijke opmars bleef dus voor de hele slag maatgevend, en de beslissing viel zodra het voetvolk eenmaal in het vuur was, met één onherroepelijke slag. En deze hele manier van oorlogvoeren, die door Frederik II tot volmaaktheid ontwikkeld werd, was het onvermijdelijke gevolg van twee samenwerkende materiële factoren. Ten eerste, van het mensenmateriaal van de toenmaals streng gedrilde, maar gans onbetrouwbare, slechts met de stok samengehouden vorstelijke huurlegers, die ten dele waren samengesteld uit onvrijwillige vijandige krijgsgevangenen. Ten tweede, van het wapenmateriaal — van het onhandige zware geschut en de gladlopende, vlugge, maar slecht schietende vuursteengeweren met bajonetten.

Deze manier van oorlogvoeren duurde zolang de tegenstanders met betrekking tot het mensenmateriaal en de bewapening op dezelfde stand bleven en het daarom beide zijden van pas kwam zich aan de voorgeschreven regels te houden. Toen echter de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, kwamen de goed gedrilde huursoldaten plotseling tegenover troepen insurgenten te staan, die weliswaar niet exerceren, maar des te beter schieten konden, die meestal trefzekere buksen hadden en die voor hun eigen zaak streden, dus niet deserteerden. Deze insurgenten deden de Engelsen niet het genoegen, in vrije vlakten, volgens al de meegebrachte regels van de krijgsetiquette het bekende krijgsmenuet in langzame pas met hen mee te dansen. Zij lokten de tegenstanders naar dichte wouden, waar hun lange marscolonnes weerloos aan het vuur van de verspreide, onzichtbare schutters waren overgeleverd. Zij benutten, in losse zwermen geformeerd, iedere terreindekking om de vijand afbreuk te doen en bleven daarbij, door hun grote beweeglijkheid, steeds onbereikbaar voor zijn onbeholpen massa. Het vuurgevecht van verspreide schutters, dat reeds bij de invoer van de handvuurwapens een rol gespeeld had, bleek hier dus in bepaalde gevallen, vooral in kleine oorlogen, een betere tactiek te zijn dan die van de gevechtslinies.

Waren de soldaten van Europese huurlegers al niet voor het verspreide gevecht geschikt, hun bewapening was het nog minder. Men steunde weliswaar niet meer bij het afvuren het geweer tegen de borst, zoals de oude musketiers dat met hun lontroeren gedaan hadden, men sloeg aan zoals nu, maar van mikken op het doel was nog steeds geen sprake, daar bij de helemaal rechte in de verlenging van de loop liggende kolf het oog niet tegen de loop gelegd kon worden. Pas in 1777 werd in Frankrijk de gebogen kolf van het jachtgeweer ook bij het infanteriegeweer in gebruik genomen, en daarmee werd een werkzaam tirailleursvuur mogelijk. Een tweede noemenswaardige verbetering was de in het midden van de 18e eeuw door Gribeauval geconstrueerde lichtere en toch solide affuit van het geschut, waardoor de artillerie een grotere bewegingsmogelijkheid kreeg, die later een absoluut vereiste werd.

Deze beide stappen vooruit in de techniek op het slagveld te benutten, was de Franse Revolutie beschoren. Toen het verenigde Europa haar aanviel, stelde de revolutie alle burgers die in staat waren wapens te dragen, ter beschikking van de regering. Maar deze natie had niet de tijd zich in de kunstige manoeuvres van de linietactiek zo goed te oefenen, dat zij tegenover de oudgediende Pruisische en Oostenrijkse infanterie een gelijke formatie kon stellen. In Frankrijk ontbraken echter niet alleen de Amerikaanse oerwouden, maar ook de praktisch grenzeloze uitgestrektheden voor de terugtocht. Het ging er dus om de vijand tussen de grens en Parijs te verslaan, dus een bepaald gebied te verdedigen, en dat kon uiteindelijk alleen in een open massaveldslag gebeuren. Er moest dus, naast de schutters nog een andere vorm te vinden zijn, waarin de slecht geoefende Franse massa de staande legers van Europa met enig uitzicht op succes konden weerstaan. Deze vorm vond men in de reeds bij bepaalde gevallen, maar meestal slechts op de exerceerplaats aangewende gesloten colonne. De colonne was makkelijker in orde te houden dan de linie. Zelfs wanneer deze in enige onorde geraakte, bood zij als dichte massa altijd nog — ten minste passieve — weerstand. Zij was makkelijker te handhaven, was beter door de aanvoerder te leiden en kon zich vlugger bewegen. Het marstempo steeg tot 100 en meer passen per minuut. Maar het belangrijkste resultaat was dat de colonnetactiek als uitsluitende strijdvorm van de massa het mogelijk maakte het onbeholpen, ondeelbare geheel van de oude linieslagorde in aparte eenheden te verdelen, die een zekere zelfstandigheid verkregen en die in staat waren hun algemene instructies aan de toestand ter plaatse aan te passen. Elk van deze eenheden kon samengesteld worden uit al de drie wapens. De colonne was elastisch genoeg om iedere mogelijke combinatie van troepenaanwending toe te laten, zij stond het nog door Frederik II streng verboden gebruik van dorpen en hofsteden toe, die van nu af aan in iedere slag de hoofdsteunpunten vormden. Zij was op ieder terrein aanwendbaar. De colonne kon uiteindelijk tegenover de alles op één kaart zettende linietactiek een manier van oorlogvoeren stellen, waarbij door schutterszwermen en door de geleidelijke, het gevecht rekkende aanwending van troepen, de vijandelijke linie dusdanig werd afgemat en uitgeput raakte, dat deze de stoot van de tot het laatst in reserve gehouden, frisse strijdkrachten niet meer kon afslaan. Terwijl de linieopstelling op alle punten even sterk was, kon de in colonnes vechtende tegenstander een deel van de linie met schijnaanvallen van zwakkere krachten bezighouden en zijn hoofdmassa tot aanval op een beslissend punt van de stelling concentreren. — Het vuurgevecht werd nu bij voorkeur door verspreide schutterszwermen gevoerd, terwijl de colonnes de bajonetaanval moesten uitvoeren. De verhouding leek dus weer op die van de schutterszwermen en piekeniersmassa’s uit het begin van de 16e eeuw, met dit verschil dat de moderne colonnes zich ieder ogenblik in schutterszwermen konden oplossen en deze zich weer terug in colonnes konden samentrekken.

De nieuwe methode van oorlogvoering die door Napoleon tot op het hoogtepunt ontwikkeld werd, stond zo hoog boven de oude methode dat deze laatste reddeloos en hulpeloos in stukken brak, nadat bij Jena de onbeholpen, voor het grootste deel voor een verspreid gevecht onbruikbare, langzame Pruisische linies voor het Franse tirailleursvuur, dat zij met pelotonvuur beantwoorden moesten, letterlijk als sneeuw voor de zon wegsmolten. Wanneer de linieslagorde dus niet meer te gebruiken was, dan kon dat toch in geen geval van de linie als gevechtsformatie gezegd worden. Enkele jaren nadat de Pruisen met hun linies bij Jena zo een nederlaag geleden hadden, voerde Wellington zijn Engelsen die in linie opgesteld waren tegen de Franse colonnes aan en versloeg hen regelmatig. Maar Wellington had juist de hele Franse tactiek toegepast, met deze uitzondering dat hij zijn gesloten infanterie, inplaats van in colonnes, in linies vechten liet. Hij had daarbij het voordeel dat hij onder het vuur al de geweren en bij de aanval al de bajonetten gelijktijdig gebruiken kon. In deze slagorde hebben de Engelsen tot voor enige jaren gevochten; zowel bij de aanval (Albuera) als bij de verdediging (Inkerman)  bleven zij in belangrijke mate in het voordeel ondanks de overmacht in aantal van de vijand. Bugeaud die tegenover deze Engelse linies gestaan had, gaf hun tenslotte de voorkeur boven de colonnes.

Ondanks dit alles was het infanteriegeweer behoorlijk slecht, zo slecht dat men op 100 passen afstand maar zelden een bepaalde man, en op 300 passen even zelden een heel bataljon treffen kon. Toen de Fransen naar Algerije gingen leden zij daarom door de lange buksen van de Bedoeïenen sterke verliezen op afstanden waarop hun geweren nutteloos waren. Hier kon dus alleen de buks met getrokken loop helpen. Maar juist in Frankrijk had men zich steeds tegen de buksen, zelfs als uitzondering verzet, omdat zij maar langzaam geladen konden worden en zo vlug verstopten. Nu echter de behoefte aan een makkelijk te laden buks zich liet voelen, werd zij dan ook meteen bevredigd. Na de voorbereidende werken van Delvignes verschenen Thouvenins geweer en Minié’s kogels. Hierdoor kon het geweer met getrokken loop net zo vlug geladen worden als het geweer met gladde loop, zodat van toen af aan de hele infanterie met vérdragende en trefzekere geweren met getrokken loop bewapend kon worden. Maar voordat men de tijd had om voor de voorlader met getrokken loop een passende tactiek uit te werken, werd hij alweer verdrongen door het nieuwste oorlogswapen, de achterlader met getrokken loop, waarmee zich gelijktijdig de getrokken kanonnen tot een steeds grotere oorlogsbruikbaarheid ontwikkelden.

De door de revolutie geschapen bewapening van de hele natie onderging spoedig belangrijke beperkingen. Alleen een deel van de dienstplichtige jongelieden werd door loten opgeroepen voor dienst in het staande leger en men vormde uit een meer of minder groot deel van de overige burgers hoogstens een ongeoefende nationale garde. Of daar waar men de algemene dienstplicht werkelijk streng doorvoerde, vormde men hoogstens een maar enige weken onder de vanen geoefend militieleger, zoals in Zwitserland. Financiële overwegingen noopten tot de keus tussen conscriptie of een militieleger. Slechts één land in Europa, en daarbij nog het armste, probeerde algemene weerplicht en een staand leger met elkaar te verenigen. Dat was Pruisen. En wanneer ook de algemene dienstplicht in het staande leger nooit anders dan benaderend werd doorgevoerd, eveneens door dwingende financiële overwegingen, zo stelde toch het Pruisische landweersysteem  de regering een zo belangrijk aantal geoefende en in strijdbare kaders georganiseerde lieden ter beschikking dat Pruisen beslist boven ieder ander land met het gelijke aantal bevolking stond.

In de Duits-Franse oorlog van 1870 werd het Franse conscriptiestelsel door het Pruisische landweersysteem verslagen. In deze oorlog waren echter ook voor het eerst beide zijden met achterladers bewapend, terwijl de reglementaire vormen waarin de troepen zich bewogen en vochten, in wezen dezelfde gebleven waren als in de tijd van het oude vuursteengeweer. Hoogstens met dit verschil dat de tirailleurszwermen iets dichter waren. Voor de rest vochten de Fransen nog altijd in de oude bataljonscolonnes, soms ook in linie, terwijl bij de Duitsers door invoering van compagniecolonnes althans een poging gedaan werd een aan de nieuwe wapens aangepaste strijdvorm te vinden. Zo behielp men zich in de eerste slagen. Toen echter bij de bestorming van Saint-Privat (18 aug.) drie brigades van de Pruisische garde het met de compagniecolonne in ernst probeerden, toonde zich het neerslaande geweld van de achterladers. Van de vijf regimenten die het meest in actie waren geweest (15.000 man) vielen bijna alle officieren (176) en 5.114 man, dus meer dan een derde. De hele garde-infanterie, die met een sterkte van 28.160 man het gevecht was begonnen, verloor op één dag 8.230 man, waaronder 307 officieren.  Van toen af aan was de compagniecolonne als strijdvorm veroordeeld, niet minder dan de bataljonscolonne of de linie. Iedere poging werd opgegeven, verder nog welke gesloten troepen dan ook aan het vijandelijke geweervuur bloot te stellen. De strijd werd van Duitse zijde voortaan alleen nog in dichte tirailleurszwermen gevoerd, waarin zich de colonnes ook vroeger al regelmatig als vanzelf onder de kogelregens verspreidden, wat men echter van boven af als in strijd met de regels zijnde, steeds bestreden had. De soldaat was weer eens knapper geweest dan de officier. De enige gevechtsvorm, die zich tot nu toe onder het vuur van de achterladers met getrokken loop heeft gerechtvaardigd, had hij instinctief gevonden en zette hij ondanks het weerstreven van de aanvoerders met succes door. Evenzo werd nu in het bereik van het vijandige geweervuur alleen nog de looppas toegepast.

 

 

 

 

Aantekeningen bij de Anti-Dühring

Over de oerbeelden van het mathematische oneindige in de werkelijke wereld 

Bij blz. 17/18 : de overeenkomst tussen het denken en het zijn — het oneindige in de mathematica

Ons hele theoretische denken wordt absoluut beheerst door het feit dat ons subjectief denken en de objectieve wereld aan dezelfde wetten onderworpen zijn en dat ze elkaar daarom in hun resultaten niet tegen kunnen spreken, maar in overeenstemming met elkaar moeten zijn. Dit feit is het onbewuste en onvoorwaardelijke vooronderstelling voor ons theoretisch denken. Het materialisme van de 18e eeuw heeft door zijn wezenlijk metafysisch karakter deze vooronderstelling alleen naar haar inhoud onderzocht. Het beperkte zich tot het bewijs dat de inhoud van ieder denken en van iedere kennis voort moet komen uit een zintuiglijke ervaring en herstelde de thesis ‘nihil est in intellectu quod non fuerit in sensu’  in ere. Pas de allermodernste idealistische maar tegelijkertijd ook dialectische filosofie — in het bijzonder die van Hegel — heeft deze vooronderstelling ook naar de vorm onderzocht. Ondanks de talloze willekeurige constructies en fantastische verzinsels die hier voor ons opdoemen en ondanks de idealistische ondersteboven gehaalde vorm van haar resultaat — de eenheid van denken en zijn — mag niet ontkend worden dat deze filosofie de analogie van de denkprocessen en de processen die in de natuur en geschiedenis — en omgekeerd — plaatsvinden en het gelden van gelijke wetten voor al deze processen aan de hand van een hoeveelheid voorbeelden, genomen uit de meest verschillende gebieden, bewezen heeft. Aan de andere kant heeft de moderne natuurwetenschap de thesis over de proefondervindelijke oorsprong van de hele denkinhoud op een wijze uitgebreid die de oude metafysische beperktheid en formulering ervan volledig overhoop haalde. De moderne natuurwetenschap erkent de erfelijkheid van vergaarde eigenschappen en breidt daarmee het subject van de ervaring van het individu tot de soort uit en nu is het al niet meer noodzakelijk dat ieder afzonderlijk individu alles persoonlijk ondervindt: zijn individuele ervaring kan tot op zekere hoogte vervangen worden door de resultaten van de ervaring van een reeks van zijn voorvaderen. Als bv. bij ons mathematische axioma’s voor ieder achtjarig kind op de een of andere manier vanzelfsprekend zijn en geen enkel door experimenten verkregen resultaat behoeven, dan is dat slechts het resultaat van ‘opgehoopte erfelijkheid’. Een Bosjesman of een Australische neger zouden ze echter waarschijnlijk zelfs niet door middel van een bewijs bij te brengen zijn.

In het eerder gepubliceerd werk  wordt de dialectiek beschouwd als de wetenschap van de meest algemene wetten van iedere beweging. Dat betekent dat haar wetten zowel moeten gelden voor de beweging in de natuur en de menselijke geschiedenis als voor de beweging van het denken. Een dergelijke wet kan erkend worden in twee van deze drie sferen en zelfs in alle drie zonder dat het een routine metafysicus duidelijk wordt dat hij met een en dezelfde wet te doen heeft.

We zullen een voorbeeld nemen. Van alle theoretische successen van de kennis bestaat er nauwelijks een grotere triomf van de menselijke geest dan de uitvinding van de infinitesimaalrekening in de tweede helft van de 17e eeuw. Als we al ergens een zuivere en buitengewone daad van de menselijke geest voor ons hebben, dan is het hier wel. Het mysterie dat de bij de infinitesimaalrekening toegepaste grootheden omringt — de differentialen en oneindig kleine grootheden van verschillende graad — is er het beste bewijs voor dat men zich inbeeldt, het hier niet zuivere producten van ‘de vrije schepping en verbeelding’  van de menselijke geest, dat met niets in de objectieve wereld overeenkomt, te doen te hebben. Toch is juist het omgekeerde waar. Voor al deze imaginaire grootheden geeft de natuur ons voorbeelden.

Onze geometrie gaat uit van ruimtelijke verhoudingen en onze aritmetica en algebra van getallengrootheden die overeenkomen met onze aardse verhoudingen, d.w.z. overeenkomstig die lichamelijke grootheden die de mechanica massa’s noemt — massa’s zoals ze op de aarde voorkomen en door mensen in beweging gebracht worden. Vergeleken met deze massa’s lijkt de massa van de aarde oneindig groot en wordt door de aardse mechanica ook als oneindige grootheid behandeld. De omtrek van de aarde = ∞, dat is het principe van de hele mechanica bij de bestudering van de valwet. Niet alleen de aarde echter, maar het hele zonnestelsel en alle erin voorkomende afstanden lijken op hun beurt ook weer oneindig klein zodra we ons gaan bezighouden met de afstanden van een voor ons per telescoop zichtbaar sterrenstelsel, die we moeten berekenen met behulp van lichtjaren. Zo hebben we hier oneindige grootheden niet alleen van de eerste maar ook van de tweede graad voor ons en kunnen we het aan de fantasie van onze lezers overlaten in de oneindige ruimte nog meer grootheden van hogere graad te construeren, als ze daar zin in hebben.

De aardse massa’s, de lichamen waar de mechanica mee werkt, bestaan echter volgens de nu in de fysica en chemie gangbare opvattingen uit moleculen, uit zeer kleine deeltjes die niet verder gesplitst kunnen worden zonder de fysische en chemische identiteit van het betreffende lichaam aan te tasten. Volgens de berekeningen van W. Thompson kan de omtrek van de kleinste molecule niet kleiner zijn dan een vijftigmiljoenste deel van een millimeter.  Zelfs als we echter aannemen dat de grootste molecule een omtrek van een vijfentwintigmiljoenste deel van een millimeter heeft, dan blijft de molecule toch nog steeds een verdwijnend kleine grootheid vergeleken bij de kleinste massa waarmee de mechanica, de fysica en zelfs de chemie werken. Desalniettemin heeft de molecule alle voor de betreffende massa karakteristieke eigenschappen. Zij kan de massa fysisch en chemisch vertegenwoordigen en vertegenwoordigt haar ook inderdaad in alle chemische vergelijkingen. Kortom de molecule heeft in verhouding tot de betreffende massa absoluut dezelfde eigenschappen als de mathematische differentiaal in de verhouding tot zijn veranderlijke, alleen dat wat ons bij de differentiaal in de mathematische abstractie voorkomt als geheimzinnig en onbegrijpelijk wordt hier vanzelfsprekend en zogezegd klaarblijkelijk.

De natuur nu werkt met deze differentialen en moleculen precies zo en volgens precies dezelfde wetten als de mathematica met haar abstracte differentialen. Zo is bv. de differentiaal van x3 = 3x2dx, waarbij we de 3xdx2 en dx3 verwaarlozen. Als we de overeenkomstige geometrische constructie maken dan krijgen we een kubus met een zijdelengte x die wij vergroten tot een oneindige grootheid dx. Laten we aannemen dat deze kubus bestaat uit een sublimerend chemisch element, bv. uit zwavel; de een hoek omgevende vlakken zijn beschermd en de drie andere zijn vrij. Als we deze zwavelkubus nu in een atmosfeer van zwavelgas plaatsen en in voldoende mate de temperatuur ervan verlagen, dan zet het zwavelgas zich op de drie vrije vlakken van onze kubus af. We gaan de grenzen van de gebruikelijke methode van de fysica en chemie niet te buiten als we om het proces in zuivere vorm voor te stellen aannemen dat op elke van deze drie vlakken eerst een laag met een dikte van een molecule afgezet wordt. De zijdelengte x is vergroot met de omtrek van een molecule dx. De inhoud van de kubus x3 is toegenomen met het verschil tussen x3 en x3+ 3x2dx+3xdx2+dx3 waarbij met hetzelfde recht als in de mathematica dx3, één molecule en 3xdx2, drie reeksen eenvoudig lineair t.o.v. elkaar liggende moleculen met een lengte van x+dx verwaarloosd kunnen worden. Het resultaat blijft gelijk: de toename van de massa van de kubus bedraagt 3x2dx.

Strikt genomen komt bij een zwavelkubus geen dx3 en 3xdx2 voor, omdat 2 of 3 moleculen zich onmogelijk op een en dezelfde plaats in de ruimte kunnen bevinden, en de toename van de massa ervan is daarom precies 3x2dx+3xdx+dx. Dit wordt verklaard doordat in de mathematica dx een lineaire grootheid is, maar dergelijke lijnen die geen lengte en breedte hebben in de natuur zoals bekend niet zelfstandig bestaan en daaruit volgt dat mathematische abstracties alleen een onvoorwaardelijke betekenis hebben in de mathematica. En aangezien ook die 3xdx2+dx3verwaarloosd wordt maakt het ook hier niets uit.

Precies zo staat de zaak er voor bij verdamping. Als in een glas water de bovenste laag moleculen verdampt dan wordt de totale laag water x verminderd met dx en de verdere verdamping van de ene laag moleculen na de andere is in feite een voortgezette differentiatie. Als de warme damp door luchtdruk en koeling in een vat weer tot water verdicht wordt en de ene laag moleculen zich op de andere afzet (waarbij we het recht hebben af te zien van de nevenverschijnselen die het proces ingewikkelder maken) totdat het vat vol is, dan heeft letterlijk een integratie plaatsgevonden die zich slechts van een mathematische onderscheidt doordat de ene bewust in het menselijke hoofd en de andere onbewust in de natuur gebeurt.

Niet alleen bij de overgang van vloeibare toestand tot gas en andersom vinden processen plaats die absoluut gelijk zijn aan processen van de infinitesimaalrekening. Als de beweging van de massa — door een stoot — is opgehouden en in warmte, in een moleculaire beweging veranderd is, wat is er dan anders gebeurd dan de differentiatie van de beweging van de massa? En wanneer de moleculaire bewegingen van de damp in een cilinder van een stoommachine gesommeerd worden op een bepaalde hoogte een zuiger op te heffen, om de beweging van de massa te veranderen, worden ze hier dan soms niet geïntegreerd? De chemie lost de moleculen op in atomen, grootheden die minder massa en omvang hebben, maar grootheden van eenzelfde orde zodat beide bepaalde eindige samenhang vertonen. Alle chemische vergelijkingen die de moleculaire samenstelling van lichamen uitdrukken zijn dus, gezien hun vorm, differentiaalvergelijkingen. In werkelijkheid zijn zij echter al door de in hen figurerende atoomgewichten geïntegreerd. De chemie werkt met differentialen waarvan de samenhang van hun grootheden bekend is.

Atomen gelden trouwens bepaald niet als iets eenvoudigs of als zeer kleine ons bekende deeltjes van de materie. Afgezien van de chemie zelf, die steeds meer geneigd is aan te nemen dat atomen een ingewikkelde samenstelling hebben, beweert het merendeel van de fysici dat de wereldether, die zorgt voor de licht- en warmtestraling ook uit discrete deeltjes bestaat, die echter zo klein zijn dat ze zich tot de chemische atomen en fysische moleculen verhouden als deze laatste tot de mechanische massa’s, d.w.z. als d2x tot dx. Hier hebben we dus volgens de nu gangbare voorstelling over de opbouw van de materie ook een tweedegraadsdifferentiaal voor ons en niets verhindert eenieder die daar behagen in schept te ver onderstellen dat er in de natuur ook nog analogieën voor de d3xd4x enz. moeten zijn.

Welke mening men ook over de opbouw van de materie heeft, het is niet aan twijfel onderhevig dat zij opgebouwd is uit een reeks grote, goed afgegrensde groepen van relatief verschillend massavolume zodat de leden van iedere afzonderlijke groep in bepaalde eindige massaverhoudingen tot elkaar en tot de leden van de dichtstbijzijnde groepen als tot oneindige grootheden of oneindige kleinheden in de betekenis van de mathematica staan. Het voor ons zichtbare heelal, zonnestelsel, aardse massa’s, moleculen en atomen en uiteindelijk de deeltjes van de ether vormen ieder een dergelijke groep. De zaak verandert er niet door als we schakels tussen de verschillende groepen vinden: zo komen we bv. tussen de massa’s van het zonnestelsel en de aardse massa’s asteroïden tegen waarvan enkele een kleinere omtrek hebben dan laten we zeggen het vorstendom Reuss van de jongste tak,  meteorieten enz. Tussen de aardse massa’s en moleculen komen we in de organische wereld de cel tegen. Deze middelste leden bewijzen alleen dat er in de natuur geen sprongen zijn juist omdat zij uit louter sprongen samengesteld is.

Werkt de mathematica met werkelijke grootheden, zij past ook ronduit deze opvatting toe. Voor de aardse mechanica is de massa van de aarde al oneindig groot. In de astronomie treden de aardse massa’s en aan hen overeenkomstige meteorieten als oneindige kleinheden op. Op dezelfde wijze verdwijnen voor haar de afstanden en de massa’s van de planeten van het zonnestelsel zodra de astronomie ook maar de bouw van ons heelal begint te bestuderen en daarbij buiten de grenzen van de dichtstbijzijnde vaste sterren komt. Maar zodra de mathematici zich in hun onneembare vesting van abstracties, de zogenaamde zuivere mathematica terugtrekken, dan worden al deze analogieën vergeten. Het oneindige wordt iets totaal geheimzinnigs en de manier waarop ermee gewerkt wordt begint op iets totaal onbegrijpelijk te lijken dat tegen iedere ervaring en elk gezond verstand ingaat. Die domheden en absurditeiten waarmee mathematici deze methode, die op vreemde wijze altijd tot juiste resultaten leidt, meer verontschuldigd dan verklaard hebben, gaat de meest slechte, werkelijke en schijnbare, fantasieën van de natuurfilosofie (bij voorbeeld die van Hegel) te boven, waarvoor de mathematici en natuuronderzoekers niet genoeg woorden kunnen vinden om er hun ontzetting over uit te drukken. Wat ze Hegel verwijten, dat hij abstracties tot het uiterste doordrijft, doen zij zelf op veel grotere schaal. Zij vergeten dat al die zogenaamde zuivere mathematica zich bezighoudt met abstracties, dat al haar grootheden strikt genomen ingebeelde grootheden zijn en dat alle abstracties, tot het uiterste doorgedreven, omslaan in onzin of in hun tegendeel. Het mathematische oneindige is — weliswaar onbewust — aan de werkelijkheid ontleend en daarom kan het alleen vanuit de werkelijkheid en niet vanuit zichzelf, uit de mathematische abstractie, uitgelegd worden. Als we de werkelijkheid daarop onderzoeken, dan vinden we zoals we al zagen ook die werkelijke verhoudingen, waaraan de mathematische oneindigheidsverhouding ontleend is, en zelfs de natuurlijke analogieën van mathematische aard door middel waarvan deze verhouding in werking treedt. En daarmee is de zaak geklaard.

(Een slechte reproductie van het denken en zijn identiteit vindt men bij Haeckel. Maar ook de tegenstelling van onafgebroken en discrete materie; zie Hegel.) 

***

De differentiaalrekening geeft de natuurwetenschap pas de mogelijkheid processen en niet alleen toestanden mathematisch uit te drukken: beweging.

***

Toepassing van de mathematica: in de mechanica van de vaste lichamen absoluut, in die van de gassen bij benadering en in die van de vloeistoffen al moeilijker. In de fysica meer tentatief en relatief, in de chemie allereenvoudigste eerstegraadsvergelijkingen, in de biologie =0.

Over het ‘mechanische’ begrip van de natuur

Bij blz. 46:  verschillende vormen van beweging en de wetenschappen die zich ermee bezighouden

Sinds de verschijning van het bovengenoemde artikel (Vorwärts van 9 februari 1877)  heeft Kekulé (De wetenschappelijke doeleinden en prestaties in de chemie) een volkomen analoge bepaling van de mechanica, fysica en chemie gegeven:

‘Als deze voorstelling over het wezen van de materie tot grondslag genomen wordt, dan zal men de chemie als de wetenschap van de atomen en de fysica als de wetenschap van de moleculen mogen definiëren en dan rijpt vanzelf de gedachte om dat deel van de moderne fysica dat zich bezighoudt met de massa’s als bijzondere tak van de wetenschap af te scheiden en er de naam mechanica voor te reserveren. Zodoende verschijnt de mechanica als basiswetenschap voor de fysica en chemie, voor zover zowel de een als de ander bij bestudering van bepaalde beschouwingen en in het bijzonder bij berekeningen, hun moleculen resp. atomen als massa’s moeten behandelen.’ 

Deze formulering onderscheidt zich zoals we zien van de in de tekst en in de vorige aantekening  gegeven formulering alleen doordat ze iets minder bepaald is. Als echter een Engels tijdschrift (Nature) de boven aangehaalde stelling van Kekulé dermate verandert door te stellen dat de mechanica de statica en dynamica van de massa’s is, de fysica — statica en dynamica van de moleculen en de chemie — de statica en dynamica van de atomen , dan lijkt het me dat deze absolute reductie van zelfs de chemische processen tot zuiver mechanische het onderzoekingsveld van op zijn minst de chemie aanzienlijk beperkt. Desalniettemin is deze zo in de mode gekomen dat bv. Haeckel de woorden ‘mechanisch’ en ‘monistisch’ voortdurend als synoniemen gebruikt en dat volgens hem

‘de moderne fysiologie ... op haar gebied alleen plaats geeft aan fysisch-chemische — of in de uitgebreide zin van het woord — aan mechanische krachten ...’ (Perigenesis).

Als ik de fysica de mechanica van de moleculen, de chemie de fysica van de atomen en verder de biologie de chemie van de eiwitten noem, wil ik daarmee de overgang uitdrukken van een van deze wetenschappen in de andere en zowel de tussen hen bestaande samenhang en de continuïteit als hun verschil en de discretie van beide. Om nog verder te gaan en de chemie ook een bepaald soort mechanica te noemen lijkt mij echter ontoelaatbaar. De mechanica — in ruime of enge zin van het woord — kent alleen kwantiteiten, zij rekent met snelheden en massa’s en hoogstens met volumes. Daar waar op haar weg kwaliteit verschijnt, als in de hydrostatica en aërostatica, kan zij het niet zonder de bestudering van de moleculentoestanden en bewegingen stellen en zij is hier zelf slechts een hulpwetenschap en een voorwaarde van de fysica. In de fysica echter en nog meer in de chemie vindt niet alleen een voortdurende kwalitatieve verandering plaats als gevolg van kwantitatieve veranderingen, d.w.z. een overgang van kwantiteit naar kwaliteit, maar zijn een hoeveelheid kwalitatieve veranderingen waar te nemen waarvan de afhankelijkheid door kwantitatieve veranderingen geenszins bewezen is. Dat de tegenwoordige stroming van de wetenschap zich voortbeweegt in deze richting, geef ik van harte toe, maar dit bewijst niet dat zij de enige juiste is en dat de vervolging van deze stroming de fysica en chemie tot het einde toe zal uitputten. Iedere beweging houdt een mechanische beweging, de verplaatsing van grotere of kleinere delen van de materie in en de erkenning van deze mechanische beweging is de eerste taak, maar dan ook de allereerste taak van de wetenschap. Deze mechanische beweging put de beweging trouwens niet uit. Beweging is niet alleen verandering van plaats, ze is op de buitenmechanische gebieden ook verandering van kwaliteit. De ontdekking dat warmte een zekere moleculaire beweging is luidde een nieuw tijdperk in de wetenschap in. Als ik over de warmte echter niets anders te zeggen heb dan dat ze een bekende moleculaire verplaatsing is, dan kan ik beter zwijgen. De chemie bevindt zich kennelijk op de beste weg om uit de samenhang van atoomvolumes en atoomgewichten een hele reeks chemische en fysische eigenschappen van de elementen te verklaren. Geen enkele chemicus zal echter beweren dat alle eigenschappen van een willekeurig element door zijn plaats in de curve van Lothar Meyer uitputtend uitgedrukt zijn en dat alleen daarmee bv. ooit eens de typische eigenschappen van koolstof die hem tot de voornaamste drager van het organisch leven maken of de noodzaak van de aanwezigheid van fosfor in de hersenen te verklaren zijn. En toch loopt de ‘mechanische’ opvatting op niets anders uit. Iedere verandering verklaart zij vanuit verandering van plaats, alle kwalitatieve verschillen vanuit kwantitatieve en ziet daarbij over het hoofd dat de samenhang tussen kwaliteit en kwantiteit wederzijds is en dat de kwaliteit net zo goed overgaat in kwantiteit als de kwantiteit in de kwaliteit en dat hier een wisselwerking plaatsvindt. Als alle verschillen en veranderingen van de kwaliteit herleid moeten worden tot kwantitatieve verschillen en veranderingen en tot mechanische verplaatsingen, dan komen we noodzakelijkerwijs tot de thesis dat alle materie uit identieke, zeer kleine deeltjes bestaat en dat alle kwaliteitsverschillen van chemische elementen van de materie opgeroepen worden door kwantitatieve verschillen, verschillen in het getal en de plaatselijke groepering van deze zeer kleine deeltjes bij hun vereniging in atomen. Zover zijn we echter nog niet.

Alleen het onbekend zijn van onze huidige natuuronderzoekers met een andere filosofie dan de uiterst ordinaire en vulgaire filosofie die tegenwoordig rondwaart op de Duitse universiteiten, laat hen toe op deze wijze uitdrukkingen als ‘mechanisch’ te hanteren zonder er zich daarbij rekenschap van te geven of zelfs maar te vermoeden tot welke daaruit voortvloeiende conclusies zij zich daarmee noodgedwongen op de schouders halen. De theorie over de absolute kwalitatieve identiteit van de materie heeft immers haar aanhangers — zij is empirisch net zo min te weerleggen als te bewijzen. Als men echter de mensen die alles ‘mechanisch’ willen verklaren vraagt of zij zich bewust zijn van deze gevolgtrekking en de identiteit van de materie accepteren, hoeveel verschillende antwoorden zou men dan wel niet op deze vraag te horen krijgen!

Het komische is dat de gelijkstelling van ‘materialistisch’ en ‘mechanisch’ van Hegel komt, die het materialisme wilde verlagen door de toevoeging ‘mechanisch’. Nu was het door Hegel bekritiseerde materialisme — het Franse materialisme van de 18e eeuw — inderdaad uitsluitend mechanisch om de heel natuurlijke reden dat in die tijd de fysica, chemie en biologie nog in de luiers lagen en er nog niet aan toe waren om tot grondslag te kunnen dienen van een algemene natuuropvatting. Op precies dezelfde wijze ontleent Haeckel de vertaling van de uitdrukking causae efficientes = ‘mechanisch werkende oorzaken’ en de uitdrukking causae finales = ‘doelmatig werkende oorzaken’ van Hegel, waar Hegel echter ‘mechanisch’ = blind werkend, onbewust werkend, stelt en niet mechanisch in de betekenis van Haeckel. Bovendien is deze hele tegenstrijdigheid voor Hegel zelf zo een achterhaalde opvatting dat hij er zelfs ook maar niet aan herinnert in een van zijn twee uiteenzettingen over de causaliteit in de Logica en haar alleen aanhaalt in de Geschiedenis van de filosofie op die plaatsen waar ze als een historisch feit voorkomt (hier is dus sprake van een zuiver misverstand, het resultaat van Haeckels oppervlakkigheid), en bij de bestudering van de teleologie (Logica, deel III, afd. II, hoofdstuk 3) terloops als de vorm vermeldt waarin de oude metafysica de tegenstelling van mechanisme en teleologie formuleerde, maar verder als al lang achterhaalde opvatting behandelt. Haeckel heeft dit dus in zijn vreugde een bevestiging van zijn ‘mechanische’ opvatting te vinden op verkeerde wijze van Hegel overgenomen en komt via deze weg tot het schitterende resultaat dat als bij een dier of een plant door de natuurlijke selectie een bepaalde verandering plaatsvindt dit door de causae efficiens en als dezelfde verandering door kunstmatige selectie teweeggebracht wordt, door de causae finalis komt! De selectionair is causa finalis! Natuurlijk kon een dialecticus van het kaliber van Hegel niet verstrikt raken in de enge tegenstelling tussen de causa efficiens en de causa finalis. Voor het huidige standpunt is een einde gekomen aan het vruchteloos geklets over deze tegenstelling, doordat we uit ervaring en theorie weten dat de materie evenals haar wijze van bestaan, de beweging, niet te scheppen is en daardoor haar eigen eindige oorzaak vormt. Terwijl de in de wisselwerking van de beweging in het universum zich momentaan en locaal isolerende of door onze reflectie geïsoleerde afzonderlijke oorzaken meestal geen nieuwe bestemming hebben maar slechts een verwarrend element invoeren als we ze werkende oorzaken noemen. Een oorzaak die niet werkt is helemaal geen oorzaak.

NB. De materie als zodanig is een zuivere schepping van het denken en een abstractie. We zien van de kwalitatieve verscheidenheid van de dingen af wanneer we ze als lichamelijk existerende onder het begrip materie samenvatten. De materie als zodanig is in tegenstelling tot bepaalde bestaande materie niets tastbaar existerends. Als de natuurwetenschap zich het zoeken van de eenvormige materie als zodanig tot doel stelt en de kwalitatieve verschillen tot zuiver kwantitatieve verschillen in de samenstelling van identieke zeer kleine deeltjes reduceert, dan is dat hetzelfde als dat men in plaats van kersen, peren of appelen afzonderlijk fruit als zodanig , in plaats van katten, honden en schapen enz. het zoogdier als zodanig, gas als zodanig, metaal als zodanig, steen als zodanig, de chemische verbinding als zodanig en beweging als zodanig wil zien. De theorie van Darwin eist een dergelijk oerzoogdier, Promammale Haeckel , moet echter tegelijkertijd toegeven dat als het in de kiem alle toekomstige en bestaande zoogdieren in zich had, het in werkelijkheid onder alle huidige zoogdieren stond en oerruw was en daarom vergankelijker dan zij allen. Zoals Hegel al bewezen heeft (Encyclopedie, deel I, blz. 109) is deze opvatting en dit ‘eenzijdig mathematisch standpunt’ volgens welke de materie alleen op kwantitatieve wijze bepaald wordt maar kwalitatief oorspronkelijk gelijk gezien wordt, niets anders dan een opvatting als die van het Franse materialisme van de 18e eeuw.  Ze is zelfs een stap terug naar Pythagoras, die al het getal, de kwantitatieve bepaaldheid als het wezen der dingen beschouwde.

 

 


 

 

 

 

 

 

 

Marx en Engels

Nederlands